1/40 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 38/2022 van 17 maart 2022 Het derde streepje van de beschikking in deze beslissing werd door het Marktenhof vernietigd voor zover de Geschillenkamer Google Belgium een berisping heeft opgelegd (arrest 2022/AR/483 & 484 van 26 oktober 2022) Dossiernummer: DOS-2020-01723 Betreft: Klacht wegens weigering van het verwijderen van hyperlinks De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Jelle Stassijns en Christophe Boeraeve, leden, die de zaak in deze samenstelling in behandeling neemt; Gelet op de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna "WOG"; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken in het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: . . . Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 2/40 De klager: De heer X, met als raadsman meester Jean-François HENROTTE, advocaat, met kantoor te 4000 Luik, Boulevard d'Avroy 280, hierna "de klager"; De verwerende partijen: Google Ireland Limited, een vennootschap naar Iers recht, ingeschreven onder het nummer 368047, met maatschappelijke zetel op het adres Gordon House, Barrow Street, Dublin D04E5W5 (Ierland); met als raadslieden meester Patrick VAN EECKE en meester Anne-Gabrielle HAIE, advocaten, met kantoor in de Bischoffsheimlaan 15 te 1000 Brussel, hierna: "de eerste verweerder" of "Google Ireland Limited"; Google LLC, een vennootschap naar het recht van de Amerikaanse staat Delaware, met maatschappelijke zetel te 1600 Amphitheatre Parkway Mountain View, CA94043, Californië (Verenigde Staten van Amerika); met als raadslieden meester Patrick VAN EECKE en meester Anne-Gabrielle HAIE, advocaten, met kantoor in de Bischoffsheimlaan 15 te 1000 Brussel, hierna: "de tweede verweerder" of "Google LLC"; Google Belgium NV, een vennootschap naar Belgisch recht, met maatschappelijke zetel op het adres 1040 Brussel, Etterbeeksesteenweg 180, en ingeschreven bij de Kruispuntbank voor Ondernemingen (KBO) onder het nummer 0878.065.378; met als raadslieden meester Gerrit VANDENDRIESSCHE en meester Louis-Dorsan JOLLY, advocaten, met kantoor in de Havenlaan 86C, bus 414 te 1000 Brussel, hierna: "de derde verweerder" of "Google Belgium". I. Retroacta van de procedure
- Op 5 april 2020 diende de klager een eerste klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA), met name tegen de eerste verweerder Google Ireland Limited (hierna: klacht nr. 1).
- In klacht nr. 1, waarvan de bewoordingen hier zijn overgenomen, is vermeld dat de klager "een klacht indient tegen [.......] en tegen de vennootschap Google Ireland Limited [eerste verweerder] op grond van het feit dat zij bezwaar maken tegen de uitoefening van rechten waarover hij op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming beschikt". [vrije vertaling] Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 3/40
- De Geschillenkamer merkt hier om te beginnen op dat het gedeelte van de klacht dat betrekking heeft op [......] het voorwerp was van haar beslissing ten gronde 139/
- Met betrekking tot het deel van de klacht tegen de eerste verwerende partij, verklaart de klager dat zij zich verzet tegen zijn recht op gegevenswissing, wat in strijd is met de voorwaarden van artikel 17 van de AVG en de Richtsnoeren van de European Data Protection Board (EDPB) van 11 december 2019 (5/2019). Hij verzoekt derhalve om schrapping van de volgende drie hyperlinks:
- […]
- […]
- […]
- Deze links verwijzen naar artikelen die zijn gepubliceerd door de tijdschriften "......." en "......", nu gearchiveerd door deze uitgevers. In deze persartikelen wordt verwezen naar strafrechtelijke veroordelingen en de schrapping uit de balie van (...) waarvan de klager het voorwerp is geweest in (...) en (...).
- De klager verklaart dat hij inderdaad strafrechtelijk werd veroordeeld [.....]. De klager verklaart over deze feiten dat hij door een gerecht van de rechterlijke orde is veroordeeld tot een gevangenisstraf met uitstel van (...) jaar en tot een verbeurdverklaring. Hij werd ook geschrapt als advocaat.
- In 2014 heeft de correctionele rechtbank van (...) bij beslissing van (...) de klager veroordeeld voor nieuwe feiten (........) waarbij de klager opschorting van de uitspraak werd verleend.
- De klager benadrukt dat geen van deze rechterlijke uitspraken hem een verbod op het voeren van commerciële activiteiten oplegt en dat de modaliteiten van de opgelegde straf (straf met uitstel en opschorting van de uitspraak) tot doel hebben zijn sociale re-integratie te bevorderen.
- De klager zet nu zijn loopbaan voort als jurist bij het adviesbureau Z. Dit bureau verwijst naar de ervaring van zijn leden als advocaat wanneer het, onder de diensten die het aanbiedt, de bijstand beschrijft die het in geval van geschillen kan verlenen.
- Op 16 september 2019 heeft de klager zich gericht tot de tweede verweerder, de onderneming Google LLC, met het verzoek om de drie hierboven in punt 4 genoemde URL's te verwijderen. Daartoe heeft de klager gebruikgemaakt van het "Google"-formulier uit die tijd dat bestemd was voor dit soort verzoeken.
- Op 19 september 2019 antwoordde het "Google-team" aan de klager dat het geen positief gevolg kon geven aan zijn verzoek. In het antwoord stelt het "Google-team" het volgende: "Na afweging van de belangen en rechten in verband met de inhoud in kwestie, met inbegrip van factoren zoals de relevantie ervan voor uw beroepsleven, beslist Google de inhoud niet te blokkeren." [vrije vertaling] Voor het overige wordt de klager aangemoedigd contact op te nemen met de bronuitgeverij. De klager wordt tevens gewezen op zijn recht om een klacht in te dienen bij de Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 4/40 toezichthoudende autoriteit in zijn land indien hij het niet eens is met de weigering van het "Googleteam" om zijn verzoek in te willigen.
- Op 25 september 2019 heeft de klager zich via zijn raadsman gewend tot de derde verweerder in een lange en gedetailleerde brief van 8 pagina's, waarin de raadsman van de klager de gronden van zijn vordering uiteenzet.
- Op 15 oktober 2019 antwoordt de derde verweerder als volgt aan de klager: "Merk op dat Google Belgium NV [lees: de derde verweerder] niet de eigenaar of de beheerder is van de "Google Search"-dienst. In de Europese Economische Ruimte en Zwitserland wordt deze dienst immers verleend door de vennootschap naar Iers recht Google Ireland Limited [lees: de eerste verweerder]. (...) De vennootschappen Google Ireland Limited [lees: de eerste verweerder] en Google Belgium NV [lees: de derde verweerder] zijn afzonderlijke rechtspersonen. De vennootschap Google Belgium NV [lees: de derde verweerder] kan uw vraag over de Google Search-dienst dus niet beantwoorden. Gelieve het volgende onlineformulier te gebruiken om uw verzoek tot verwijdering van persoonlijke informatie rechtstreeks naar Google Ireland Limited [lees: de eerste verweerder] te sturen: [link naar het formulier] (...). Als u een antwoord van Google Ireland Limited [lees: de eerste verweerder] heeft ontvangen dat u niet tevredenstelt, kunt u via ditzelfde formulier opnieuw een verzoek indienen met vermelding van alle relevante elementen." [vrije vertaling]
- Op 6 november 2019 richtte de klager zich vervolgens tot de eerste verweerder, waarbij hij dezelfde gedetailleerde brief stuurde die hij op 25 september 2019 aan de derde verweerder had gestuurd (punt 12).
- De klager verklaart dat hij geen antwoord op deze brief heeft ontvangen.
- Zoals vermeld in punt 1, dient de klager op 5 april 2020 een klacht in (klacht nr. 1) bij de GBA. Op 8 april 2020 is klacht nr. 1 door de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG ontvankelijk verklaard in zijn geheel, dat wil zeggen zowel wat betreft het deel tegen [.....] als het deel tegen de eerste verweerder. De klacht wordt doorgezonden naar de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 62, § 1 van de WOG.
- Op 20 oktober 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 van de WOG dat het dossier ten gronde kan worden behandeld. Op dezelfde datum zijn de klager, alsmede de eerste verweerder, de tweede verweerder en de derde verweerder – waarbij de laatste twee door de Geschillenkamer in het geding worden betrokken – in kennis gesteld van de beslissing van de Geschillenkamer om de zaak ten gronde te behandelen op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 van de WOG. In dit verband heeft de Geschillenkamer uiteengezet dat zij twee afzonderlijke Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 5/40 dossiers heeft aangelegd met betrekking tot de verwerkingen door de zoekmachine Google enerzijds en de verwerkingen door de persuitgevers anderzijds.
- In dezelfde brief van 20 oktober 2020 werden de klager en de verweerders
(3)overeenkomstig artikel 99 van de WOG in kennis gesteld van de termijnen voor het indienen van hun conclusies, met name 14 december 2020 (conclusies van antwoord) en 4 februari 2021 (conclusies van repliek) voor de eerste, de tweede en de derde verweerder enerzijds en 14 januari 2021 (conclusies van antwoord) voor de klager anderzijds.
- De Geschillenkamer heeft binnen de gestelde termijnen alle conclusies van antwoord en van repliek ontvangen. Ze merkt hier reeds op dat de klager in zijn conclusies van antwoord acht links toevoegt aan het onderwerp van zijn oorspronkelijke klacht, waardoor het aantal URL's waarvan hij de verwijdering eist op grond van zijn klacht nr. 1 in totaal op elf wordt gebracht. a. [...] b. [...] c. [...] d. [...] e. [...] f. [...] g. [...] h. [...] i. [...] j. [...] k. [...]
- De Geschillenkamer merkt tevens op dat de tweede verweerder, die zij in het geding heeft betrokken (punt 17), er eveneens vanaf het begin via zijn conclusies mee instemt om vrijwillig in de procedure tussenbeide te komen (titel A.
- infra).
- Net zoals de URL's 1 tot 3 verwijzen de acht extra links naar persartikels die door verschillende Franstalige media zijn gepubliceerd en waarin melding wordt gemaakt van de strafbare feiten van (...) die in verband worden gebracht met de klager, alsook van de reeds vermelde strafrechtelijke veroordelingen waarvan hij het voorwerp uitmaakte en van zijn schrapping uit de balie van (...) waar hij als advocaat was ingeschreven (punten 6-7).
- Op 13 januari 2021 dient de klager een tweede klacht (hierna: klacht nr. 2) in bij de GBA, ditmaal tegen de derde verweerder, met name tegen Google Belgium NV. In het kader van deze tweede klacht verzoekt hij om de schrapping van elf URL's: de drie URL's met nummer 1 tot 3 zijn identiek Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 6/40 aan de URL's die vermeld zijn in het formulier van klacht nr. 1 gericht tegen de eerste verweerder – maar met betrekking tot welke de Geschillenkamer zowel de tweede als de derde verweerder in het geding heeft betrokken (punt 17) – en de URL's met nummer 4 tot 11 zijn identiek aan de URL's die door klager werden toegevoegd aan zijn conclusies van antwoord zoals vermeld in punt 19 hierboven in het kader van klacht nr.
- Op 19 januari 2021 wordt deze klacht nr. 2 door de ELD van de GBA ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG.
- Op 24 februari 2021 wendt de klager zich tot de tweede verweerder met het verzoek om de URL's 4 tot en met 11 van de lijst te schrappen, dus op een datum na de indiening van zijn klacht bij de GBA.
- Op 17 maart 2021 stuurt de Geschillenkamer de drie verweerders een brief waarin zij beslist de klachten nr. 1 en nr. 2 samen te voegen met als reden dat zij zo nauw met elkaar verbonden zijn dat zij samen moeten worden onderzocht om de Geschillenkamer in staat te stellen een coherent standpunt in te nemen. De Geschillenkamer nodigt ook de drie verweerders en de klager uit om te concluderen. Alle partijen hebben binnen de gestelde termijn hun conclusies ingediend.
- Op 27 april 2021 antwoordt de tweede verweerder aan de klager en weigert hij de gevraagde links te verwijderen. Deze weigering wordt op 28 april 2021 per brief aan de raadsman van de klager bevestigd. Met betrekking tot de URL's 4, 5 en 7 tot en met 10 wordt aan de klager het volgende uitgelegd: "De URL verwijst naar een persartikel uit ernstige, betrouwbare en erkende bronnen (Belga en RTBF.be), de inhoud is een journalistiek en feitelijk relaas en houdt verband met kwesties van bijzonder belang voor het publiek betreffende het beroepsleven van meester X [lees: de klager]. De inhoud heeft betrekking op de strafrechtelijke veroordelingen van meester X [lees: de klager] wegens verschillende ernstige strafbare feiten. Meester X [lees: de klager] betwist de waarheidsgetrouwheid of de rechtmatigheid van de inhoud niet. Informatie over de beroepen of beroepsactiviteiten waarbij meester X [lees: de klager] betrokken is geweest, kan van belang zijn voor de huidige en potentiële gebruikers van zijn diensten. Meester X [lees: de klager] heeft een rol in het openbare leven gespeeld en blijft dat doen. Conclusie: na afweging van de belangen en rechten in verband met de inhoud in kwestie, waaronder de relevantie ervan voor het beroepsleven van de heer X [lees: de klager], besluit Google LLC [lees: de tweede verweerder] de inhoud niet te blokkeren." [vrij vertaald] Met betrekking tot URL nr. 6 stelt de tweede verweerder dat de inhoud is vergrendeld achter een "paywall". De tweede verweerder vraagt de klager een screenshot van de volledige inhoud van het artikel of een schermfoto te sturen, zodat hij op diens verzoek kan reageren. De klager heeft geen gevolg gegeven aan dit verzoek. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 7/40 Wat ten slotte URL nr. 11 betreft, verklaart de tweede verweerder dat hij de naam van de klager niet heeft aangetroffen op deze pagina en specificeert hij dat hij manuele maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat deze naam verschijnt in de zoekresultaten met betrekking tot de naam "X".
- In hun conclusies, in het bijzonder hun syntheseconclusies, stellen de eerste en de tweede verweerder, samengevat, het volgende: a. Het verzoek dat de klager voor het eerst bij wege van conclusie heeft ingediend op basis van de artikelen 12.1, 12.2 en 12.3 van de AVG – niet beoogd door de klachten nr. 1 en nr. 2 – moet worden geseponeerd (eerste middel); b. Klacht nr. 1 moet, in hoofdorde, worden geseponeerd voor zover zij is gericht tegen de eerste verweerder, aangezien de klager in zijn eindconclusies (syntheseconclusies) geen verdere vorderingen tegen hem heeft geformuleerd (tweede middel). Subsidiair moet deze klacht nr. 1 ongegrond worden verklaard voor zover de eerste verweerder geen verwerkingsverantwoordelijke is, in overeenstemming met de vaste rechtspraak – de nationale en buitenlandse vaste rechtspraak van de hoven en rechtbanken – en niettegenstaande het feit dat de ELD van de GBA de klacht ontvankelijk heeft verklaard voor zover deze tegen de eerste verweerder was gericht (derde middel); c. Klacht nr. 2 moet, in hoofdorde, worden geseponeerd, of minstens ongegrond worden verklaard, voor zover zij is gericht tegen de derde verweerder, aangezien deze volgens de vaste rechtspraak geen verwerkingsverantwoordelijke is. Elk verzoek om verwijdering van een link dat tegen hem wordt ingediend, moet ongegrond worden verklaard (vierde middel); d. Klacht nr. 2 moet, subsidiair, worden geseponeerd met betrekking tot de tweede verweerder, waarop ze geen betrekking heeft, ook al kon de klager niet onkundig zijn van de vrijwillige tussenkomst van de tweede verweerder met betrekking tot klacht nr.
- De klager heeft er dus bewust voor gekozen geen klacht in te dienen tegen de tweede verweerder (vijfde middel); e. Uiterst subsidiair moet worden gelast dat de verzoeken om verwijdering van links worden afgewezen aangezien de verwijzing naar deze persartikelen strikt noodzakelijk is voor de vrijheid van meningsuiting en van informatie in de zin van artikel 17.
- van de AVG en aangezien geen van de motieven van artikel 17.
- van de AVG van toepassing is op het onderhavige geval (zevende middel) 1; f. Ten slotte, subsidiair, moet de zaak worden afgewezen wat de beweerde niet-inachtneming van artikel 12.
- van de AVG (achtste middel) betreft. 1 Het is de Geschillenkamer bekend dat de eerste en de tweede verweerder als zesde middel hebben verzocht dat ze haar uitspraak zou opschorten in afwachting van de beslissing van het Marktenhof in het kader van het beroep tegen haar beslissing 37/
- Aangezien het arrest van het Hof van 30 juni 2021 (zie punt 29) is gewezen vóór de onderhavige beschikking, is dit verzoek zonder voorwerp geworden. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 8/40
- In zijn conclusies voert de derde verweerder samengevat het volgende aan: g. De vordering gebaseerd op de artikelen 12.1., 12.
- en 12.
- van de AVG – niet beoogd in de initiële klachten nr. 1 en nr. 2 – moet ongegrond worden verklaard (eerste middel); h. Klacht nr. 1 moet, in hoofdorde, worden geseponeerd met betrekking tot de derde verweerder, aangezien zij enkel tegen de tweede verweerder is gericht en niet tegen de derde verweerder (tweede middel); i. De seponering of de afwijzing is, in hoofdorde, aangewezen ten aanzien van de derde verweerder aangezien die volgens de vaste rechtspraak, zowel de binnen- als de buitenlandse, geen verwerkingsverantwoordelijke is (derde middel) 2; j. Subsidiair verklaart de derde verweerder dat hij de hierboven uiteengezette middelen van de eerste en de tweede verweerder onderschrijft
(1)wat de seponering ten aanzien van de eerste verweerder betreft, aangezien tegen laatstgenoemde geen aanspraken meer worden gemaakt,
(2)wat de seponering of minstens het afwijzen ten opzichte van de eerste verweerder betreft, aangezien hij geen verwerkingsverantwoordelijke is,
(3)wat de seponering ten aanzien van de tweede verweerder betreft,
(4)wat de uit te spreken afwijzing van de verzoeken om de verwijdering van links betreft, aangezien de verwijzing noodzakelijk is voor de vrijheid van meningsuiting en van informatie, en ten slotte
(5)wat de afwijzing van de grief wegens de niet-naleving van artikel 12.3. van de AVG betreft (punt 27 hierboven) (vijfde middel). 29. Wat de klager betreft, bepleit hij aan de hand van de jurisprudentie in verband met "Google Spain" 3 en het arrest van 24 september 2019 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), 4 van beslissing 37/2020 van de Geschillenkamer en het vereiste van doeltreffende en volledige bescherming van de betrokkenen, dat de GBA – en dus de Geschillenkamer – bevoegd is om haar bevoegdheden uit te oefenen tegen de derde verweerder. Subsidiair betoogt de klager dat de GBA bevoegd is om haar bevoegdheden uit te oefenen tegen de tweede verweerder. Wat zijn verzoek om verwijdering van links betreft, voert de klager aan de hand van de relevante criteria die op de concrete omstandigheden van het geval zijn toegepast, aan dat het behoud van de betwiste links niet strikt noodzakelijk is uit het oogpunt van de vrijheid van informatie. Hij voegt daaraan toe dat "Google" op geen enkele wijze dit strikt noodzakelijke karakter aantoont. Tot slot roept de klager een schending van de artikelen 12.1. en 12.2. van de AVG in doordat Google hem niet op transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke wijze en in duidelijke en eenvoudige taal 2 Het is de Geschillenkamer bekend dat de derde verweerder als vierde middel heeft verzocht dat ze haar uitspraak zou opschorten in afwachting van de beslissing van het Marktenhof in het kader van het beroep tegen haar beslissing 37/2020. Aangezien het arrest van het Hof van 30 juni 2021 (zie punt 29) is gewezen vóór de onderhavige beschikking, is dit verzoek zonder voorwerp geworden. 3 HvJEU, arrest van 13 mei 2014, C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317. 4 HvJEU, arrest van 24 september 2019, C-507/17, Google, ECLI:EU:C:2019:772. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 9/40 heeft geïnformeerd (artikel 12.1. van de AVG) en de uitoefening van zijn rechten niet heeft gefaciliteerd (artikel 12.2. van de AVG). In dit verband hekelt hij de wirwar aan tegenstrijdige informatie die hij heeft ontvangen van de derde verweerder, die hem heeft doorverwezen naar de eerste verweerder, die zich op zijn beurt onbevoegd heeft verklaard en hem heeft doorverwezen naar de tweede verweerder (punten 12-15). Tot slot voert de klager ook een schending aan van artikel 12.3. van de AVG door "Google", aangezien deze laatste pas op 27 april 2021 op zijn verzoek van 24 februari 2021 heeft geantwoord (punten 24 en 26), dus na het verstrijken van de in artikel 12.3. van de AVG voorgeschreven termijn van één maand, zonder dat aan de voorwaarden voor een verlenging van deze termijn is voldaan. De klager verzoekt derhalve om zijn klacht gegrond te verklaren: k. in hoofdorde tegen de derde verweerder, l. subsidiair tegen de derde verweerder en de tweede verweerder, m. uiterst subsidiair tegen de tweede verweerder. Hij vraagt dat de verweerders binnen een week na de uitspraak van de te nemen beslissing gevolg zouden geven aan het verzoek van de klager om de verwijdering van links en dat ze de nodige maatregelen zouden treffen om de aanduiding van de verwijdering van de betwiste artikelen te schrappen in de Europese Economische Ruimte (EER), d.w.z. alle zoekresultaten te verwijderen die zijn gebaseerd op de voor- en achternaam van de klager en die verwijzen naar een van de in punt 19 hierboven genoemde pagina's. 30. Op 15 juli 2021 worden alle partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 27 september 2021. Met het oog op deze hoorzitting en gelet op het arrest van het Marktenhof van 30 juni 2021, dat in de loop van de onderhavige procedure is gewezen, zijn de tweede en de derde verweerder op 8 september 2021 uitgenodigd om voor de Geschillenkamer de onlosmakelijke band tussen hen beiden uit te leggen. 31. Op 23 september 2021 zenden de tweede en de derde verweerder hun antwoorden op deze vragen toe aan de Geschillenkamer en aan alle partijen. Kort gezegd betwisten zij om te beginnen de bevoegdheid van de Geschillenkamer om de verwerende partijen te gelasten op dergelijke vragen te antwoorden, aangezien de bindende onderzoekshandelingen tot de prerogatieven van de Inspectiedienst behoren, waarvoor de Geschillenkamer niet in de plaats kan treden. Wat de vragen zelf betreft, verklaren zij dat de derde verweerder, een dochteronderneming van de tweede verweerder, niet verantwoordelijk is voor de exploitatie, het beheer en het aanbieden van de zoekmachinedienst van Google. De derde verweerder verleent aan de tweede verweerder ondersteunende diensten in verband met de commercialisering van de diensten van de Googlegroep in België en Luxemburg, met name in verband met de commercialisering van advertentieruimte binnen de zoekmachine van Google. Zij verklaren voorts dat de derde verweerder geen reclame of advertentieruimte verkoopt of daarvoor facturen opstelt. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 10/40 Adverteerders die in België gevestigd zijn, sluiten geen contract met de derde verweerder en ontvangen geen facturen van deze laatste. Deze adverteerders sluiten advertentiecontracten met de entiteiten Google Commerce Limited of Google Ireland (tweede verweerder), die beide in Ierland zijn gevestigd. 32. Op 27 september 2021 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. Van deze hoorzitting zijn notulen opgemaakt, die op 19 oktober 2021 aan de partijen zijn voorgelegd. 33. Op 26 oktober 2021 heeft de Geschillenkamer een aantal opmerkingen over deze notulen ontvangen, respectievelijk van enerzijds de eerste en de tweede verweerder en anderzijds de derde verweerder. Deze opmerkingen zijn bij de notulen van de hoorzitting gevoegd, in overeenstemming met artikel 54, tweede lid van het reglement van interne orde van de GBA. II. Motivering 34. De motivering die volgt, bestaat uit twee afzonderlijke delen. - Het eerste deel is gewijd aan de vraag naar de (eventuele) verantwoordelijkheden van de verschillende aangeklaagde entiteiten van Google (punt A). - In het tweede deel wordt ingegaan op de grond van de in de klacht aan de orde gestelde kwestie, namelijk de vraag of "Google" terecht heeft geweigerd om de betwiste links te verwijderen en dus om in te gaan op het verzoek om gegevenswissing van de klager (punt B). A. Wat betreft de verantwoordelijkheid van de verschillende aangeklaagde entiteiten van Google A.1. Inleidende opmerkingen 35. Evenals in de zaak die heeft geleid tot beslissing 37/2020 van de Geschillenkamer, die sterke gelijkenissen vertoont met de onderhavige zaak, is de identificatie van de entiteit of entiteiten van Google waaraan de verantwoordelijkheid voor de verwijdering van een link kan worden toegeschreven, een van de elementen van het debat (punt A). Aangezien de eerste, de tweede en de derde verweerder partijen in het geding zijn zoals hierboven uiteengezet, onderzoekt de Geschillenkamer eerst de gegrondheid van de klacht voor zover deze betrekking heeft op elk van deze entiteiten (titels A.2, A.3 en A.4). 36. Dit debat betreft onder meer de vraag naar de bevoegdheid van de Geschillenkamer om zich uit te spreken over de rol van de derde verweerder, die in België is gevestigd, en meer in het bijzonder de bevoegdheid van de Geschillenkamer om hem in voorkomend geval een van de corrigerende maatregelen en/of sancties op te leggen waarin artikel 100 van de WOG, juncto artikel 58.2. van de Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 11/40 AVG, voorziet. Dit aspect zal het voorwerp zijn van een omstandige motivering van de Geschillenkamer in titel A.4. 37. In het algemeen wenst de Geschillenkamer van meet af aan de volgende grondbeginselen van haar motivering in herinnering te brengen: - Een vennootschap als Google kan zich niet onttrekken aan de verplichtingen die voortvloeien uit de volledige en effectieve bescherming die vereist is door de tenuitvoerlegging van het recht op gegevensbescherming, dat zowel in de AVG als in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie is vastgelegd. - Artikel 3 van de AVG, waarin het materiële toepassingsgebied ervan wordt omschreven, is bedoeld om te voorzien in een brede toepassing van de AVG, ook op de verwerkingsactiviteiten van entiteiten die buiten de EU-grenzen zijn gevestigd5. In dit verband wordt niet betwist dat de tweede verweerder, die in de Verenigde Staten is gevestigd, in casu verplicht is de voorschriften van de AVG na te leven (vgl. titels A.3 en A.4.) - De toepasselijkheid van de AVG is zeker een voorwaarde voor een doeltreffende en volledige bescherming, maar deze toepasselijkheid alleen volstaat niet. Een essentieel onderdeel van deze bescherming zijn de controle- en sanctiemaatregelen die de toezichthoudende autoriteiten zo nodig moeten opleggen. Deze maatregelen moeten niet alleen door de toezichthoudende autoriteiten, zoals de GBA, kunnen worden vastgesteld, maar moeten ook daadwerkelijk kunnen worden uitgevoerd. Volgens de regels van het internationaal recht heeft de autoriteit van een staat geen bevoegdheid buiten het grondgebied van die staat, zelfs niet om de naleving te verzekeren van een corrigerende maatregel of sanctie die zij heeft opgelegd. In dit geval zou de Geschillenkamer, een orgaan van een Belgische autoriteit, dus geen naleving van haar corrigerende maatregelen of sancties kunnen opleggen aan een Google-entiteit buiten het Belgische grondgebied. - In dit verband voorziet de AVG in de verplichting voor de entiteiten die niet in de Unie zijn gevestigd, maar die niettemin de AVG moeten naleven, om een vertegenwoordiger aan te wijzen. Merk op dat, in overeenstemming met de regels van het internationale recht, bij gebreke van een dergelijke verplichting die specifiek door de AVG wordt opgelegd, een in de Verenigde 5 Artikel 3 van de AVG bepaalt het volgende: 1. Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking in de Unie al dan niet plaatsvindt. 2. Deze verordening is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens van betrokkenen die zich in de Unie bevinden, door een niet in de Unie gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker, wanneer de verwerking verband houdt met:
- a)het aanbieden van goederen of diensten aan deze betrokkenen in de Unie, ongeacht of een betaling door de betrokkenen is vereist; of
- b)het monitoren van hun gedrag, voor zover dit gedrag in de Unie plaatsvindt. 3. [...]. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 12/40 Staten gevestigde entiteit niet kan worden onderworpen aan corrigerende maatregelen of sancties van een toezichthoudende autoriteit van de EU. In deze aanwijzing is voorzien in artikel 3.2., in combinatie met artikel 27 van de AVG. Artikel 3.2. is in dit geval echter niet van toepassing, aangezien de verweerders aanspraak maken op de toepassing van artikel 3.1. van de AVG. - Aangezien Google de toepasselijkheid van artikel 3.1. van de AVG doet gelden, is het bedrijf niet verplicht een vertegenwoordiger aan te wijzen. Om de doeltreffende en volledige bescherming te kunnen doorvoeren, moet de Geschillenkamer dus nagaan of de Europese vestiging – in casu de in België gevestigde derde verweerder – zelf kan worden gekwalificeerd als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7. van de AVG. Indien dit het geval is, kunnen de corrigerende maatregelen en sancties die de Geschillenkamer passend acht, rechtstreeks aan de derde verweerder worden opgelegd. Indien dit niet het geval is, moet de Geschillenkamer onderzoeken of de rechtspraak van het HvJEU, die met name naar aanleiding van het Google Spain-arrest is ontwikkeld, van toepassing is en of de verplichting tot verwijdering van een link – en de mogelijke corrigerende maatregelen en sancties in geval van een niet-nakoming van de uitoefening van dit recht – aan de Europese vestiging, in casu de derde verweerder, kan worden opgelegd. 38. Wat de grond van de klacht (punt B) betreft, merkt de Geschillenkamer op dat bij de beoordeling van de vraag of Google al dan niet terecht heeft geweigerd de omstreden links te verwijderen, een juist evenwicht moet worden gevonden tussen enerzijds het recht op toegang tot informatie en anderzijds de fundamentele rechten van de persoon op wie de publicaties betrekking hebben, waaronder zijn recht op bescherming van persoonsgegevens. De afweging die moet worden gemaakt bij het zoeken naar dit evenwicht, vergt noodzakelijkerwijs een onderzoek van zuiver nationale elementen, zoals hieronder nader zal worden toegelicht (titel B.2.), een onderzoek waarbij Google Belgium, de derde verweerder, moet worden betrokken, en wel in het belang van de betrokkene. Ook al is een businessmodel dat bepaalt dat de afwegingen worden verricht zonder dat de nationale dochteronderneming daarbij betrokken is, theoretisch niet uitgesloten, toch mag dit niet tot gevolg hebben dat de uitoefening van het recht van de betrokkenen wordt afgezwakt. A.2. Voor zover klacht nr. 1 is gericht tegen de eerste verweerder 39. Tijdens de hoorzitting van 27 september 2021 heeft de Geschillenkamer de partijen erop gewezen dat de door de klager ingediende syntheseconclusies geen vorderingen tegen de eerste verweerder meer bevatten, wat de verweerders zelf in hun syntheseconclusies hadden opgemerkt. De Geschillenkamer heeft vervolgens gevraagd of alle partijen in het geding (te weten de drie verweerders en de klager) het erover eens waren dat er geen grief meer in aanmerking werd genomen tegen de eerste verweerder. Alle partijen hebben bevestigend geantwoord. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 13/40 40. Op basis van het voorgaande seponeert de Geschillenkamer klacht nr. 1 voor zover deze is gericht tegen de eerste verweerder (Google Ireland Limited), en dit op technische gronden. De Geschillenkamer beroept zich op criterium A.6., dat zij heeft ontwikkeld in haar beleidsnota over seponering6 en waarvan de onderhavige zaak een illustratie is. 41. De Geschillenkamer verduidelijkt met betrekking tot criterium A.6. dat een klacht geen voorwerp meer heeft wanneer zij wordt ingetrokken nadat zij bij de GBA is ingediend. In dat geval zal de Geschillenkamer de zaak seponeren, behalve in bijzondere omstandigheden zoals uiteengezet in haar beslissing 61/2020 van 8 september 2020. 42. In casu is de Geschillenkamer van mening dat de klager zijn klacht tegen de eerste verweerder intrekt, aangezien hij ervan afziet een tekortkoming aan te voeren tegen de eerste verweerder. In casu zijn er bovendien geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan de Geschillenkamer het onderzoek van klacht nr. 1, voor zover deze tegen de eerste verweerder is gericht, ondanks deze intrekking zou moeten voortzetten. 43. De Geschillenkamer stelt immers vast, net zoals zij in haar beslissing 37/2020 heeft gedaan, dat de gegevensverwerkingen waar het in deze zaak om gaat, "niet worden verricht in het kader van de activiteiten van de eerste verweerder"7. A.3. Wat het in het geding brengen van de tweede verweerder en de vrijwillige tussenkomst van die laatste betreft 44. De Geschillenkamer neemt er akte van dat de tweede verweerder, op wie de AVG ter uitvoering van artikel 3.1. van toepassing is (wat trouwens door geen enkele partij wordt betwist – punt 59), ermee instemt om vrijwillig in de zaak tussenbeide te komen. Voor zover nodig wijst de Geschillenkamer erop dat noch de WOG, noch het reglement van interne orde van de GBA uitdrukkelijk voorziet in het mechanisme van (vrijwillige) tussenkomst van een partij die niet door de klager of de Inspectiedienst in het geding is gebracht. 45. Niettemin komt het toe aan de GBA, en dus aan de Geschillenkamer, om in de uitoefening van haar specifieke bevoegdheden, de uitoefening te faciliteren van de rechten die de AVG aan de betrokkenen toekent, met inbegrip van het recht om een klacht in te dienen (artikel 77 van de AVG – bovendien verankerd in artikel 8.3. van het Handvest van de grondrechten als onderdeel van de 6 Hier vindt u het Sepotbeleid van de Geschillenkamer: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/sepotbeleidvan-de-geschillenkamer.pdf. 7 Punten 26-28 van beslissing 37/2020 van de Geschillenkamer waarin de Geschillenkamer heeft uiteengezet dat Google Ireland Ltd (de eerste verweerder) optreedt als interface met de gebruikers die in de Europese Unie (EU) gevestigd zijn, maar zich niet mengt in de ontwikkeling en het beheer van de zoekmachine, die tot de uitsluitende bevoegdheid van Google LLC (de tweede verweerder) behoren. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 14/40 essentie van het recht op gegevensbescherming), zoals het Hof van Cassatie onlangs heeft bevestigd in een arrest van 7 oktober 20218. In dit perspectief moet het indienen van een klacht een eenvoudige procedure blijven voor de betrokkenen van wie de persoonsgegevens worden verwerkt of kunnen worden verwerkt en die menen dat er met betrekking tot de verwerking van die gegevens sprake is geweest of zou zijn van een schending van de gegevensbeschermingsregels. In die zin heeft de Geschillenkamer onder haar werkingsbeginselen het beginsel van de voor eenieder toegankelijke rechtsbescherming opgenomen: het recht om een klacht in te dienen bij de GBA vormt een alternatief voor een beroep op de burgerlijke of administratieve rechter en moet voor de burger gemakkelijk blijven. De wetgever heeft bijvoorbeeld niet gewild dat de partijen altijd door een advocaat worden bijgestaan 9. 46. Zoals de GBA reeds heeft kunnen toelichten in haar beslissing 17/2020 10, moeten de gegevensbeschermingsautoriteiten in dit verband een actieve rol spelen via de opdrachten en bevoegdheden die hun krachtens de artikelen 57 en 58 van de AVG zijn verleend. 47. Net zoals van de klager niet kan worden verwacht dat hij van meet af aan in de formulering van zijn klacht alle relevante juridische grieven met betrekking tot de aangeklaagde feiten identificeert 11, kan van hem niet worden verwacht dat hij met zekerheid de betrokken verwerkingsverantwoordelijke identificeert. Het tegendeel zou betekenen dat het recht van de klager om een klacht in te dienen ernstig wordt ondermijnd. De identificatie van de verwerkingsverantwoordelijke, zelfs met behulp van de definitie van artikel 4.7. van de AVG, is immers een proces dat bijzonder ingewikkeld kan zijn voor personen die niet vertrouwd zijn met dit rechtsgebied. Er zijn uiteraard al meermaals uitvoerige richtsnoeren hierover gepubliceerd door de EDPB en zijn voorganger, de Groep Artikel 29. 12 Niettemin moet worden opgemerkt dat deze identificatie vaak lastig blijft. Soms moet in de moeilijkste gevallen zelfs een beroep worden gedaan op de Inspectiedienst. 48. In de onderhavige zaak heeft de Geschillenkamer vanaf het allereerste contact nadat klacht nr. 1 door de ELD aan haar was doorgezonden (zie de brief van 20 oktober 2020 – punt 17), de tweede verweerder (en trouwens ook de derde verweerder) uitgenodigd om zich te verdedigen met 8 Cass. 7 oktober 2021, C.20.0323.N 9 Gegevensbeschermingsautoriteit – Beheersplan 2021, p. 18: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/hetbeheersplan-2021-vertaalt-de-strategische-en-operationele-doelstellingen-uit-het-strategisch-plan-2020-2025-in-concretedoelstellingen-voor-het-komende-jaar.pdf. 10 Beslissing 17/2020: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-17-2020.pdf Zie ook Beslissing 80/2020: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-80-2020.pdf 11 Beslissing 38/2021 van de Geschillenkamer: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/decision-quant-au-fond-n38-2021.pdf. 12 Zie met name de "Guidelines 07/2020 on the concepts of controller and processor in the GDPR", aangenomen door de European Data Protection Board (EDPB), gepubliceerd op www.edpb.europa.eu. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 15/40 betrekking tot de aanspraken van de klager. De tweede verwerende partij heeft, zoals reeds vermeld, ermee ingestemd vrijwillig tussen te komen in het geding. Zij kreeg ook de gelegenheid om zich te verdedigen met betrekking tot de elf reeds vermelde URL's. 49. De tweede verwerende partij voert aan dat, hoewel de klager niet onwetend kon zijn van het feit dat zij de betrokken verwerkingsverantwoordelijke was, gelet op haar vrijwillige tussenkomst in het geding (klacht nr. 1), hij toch verkoos zijn klacht nr. 2 niet tegen haar te richten. Volgens de tweede verwerende partij moet deze onthouding worden uitgelegd als een bewuste bedoeling om haar niet te betrekken bij de inhoud van deze klacht nr. 2. 50. De Geschillenkamer kan niet instemmen met deze argumentatie. Het onderscheid dat de tweede verweerder maakt tussen klacht nr. 1 en klacht nr. 2 – met betrekking tot welke de Geschillenkamer niet ontkent dat de tweede verweerder er niet in wordt genoemd – is kunstmatig, gelet op de connexiteit tussen beide klachten en de ontwikkelingen in de procedure. Juist omdat de tweede verwerende partij ermee heeft ingestemd om in het geding tussenbeide te komen met betrekking tot klacht nr. 1 (punt 44 hierboven), omdat het voorwerp van die klacht, zij het bij wijze van conclusies, is uitgebreid tot nieuwe banden met betrekking tot dezelfde feiten en grieven, en omdat deze nieuwe banden precies die zijn waarnaar in klacht nr. 2 wordt verwezen, kan de tweede verwerende partij zich niet geldig op het standpunt stellen dat klacht nr. 2 moet worden geseponeerd ten aanzien van haar met als (enige) motief dat de klager in zijn klachtenformulier niet naar haar heeft verwezen. De Geschillenkamer heeft de tweede verwerende partij trouwens uitdrukkelijk verzocht om te concluderen over het volledige voorwerp van de gevoegde klachten. Haar rechten van de verdediging zijn derhalve geëerbiedigd (punt 25). 51. Concluderend over dit punt zal de Geschillenkamer, onverminderd de in punt A.5. hieronder vermelde algemene conclusie, in deze beslissing beoordelen of de tweede verwerende partij al dan niet terecht heeft geweigerd een gunstig gevolg te geven aan het verzoek van de klager tot verwijdering van alle betwiste links zoals vermeld in zijn klachten nr. 1 en nr. 2. A.4. Met betrekking tot de derde verwerende partij en de bevoegdheid van de GBA ten aanzien van haar A.4.1 Bespreking 52. Uit de hierboven in herinnering gebrachte feiten en antecedenten van de procedure volgt dat de derde verwerende partij onmiddellijk in het geding is gebracht, via de brief die de Geschillenkamer op 20 oktober 2020 aan haar heeft gericht met het verzoek te concluderen met betrekking tot klacht nr. 1 (punt 17). De derde verweerder werd vervolgens rechtstreeks in het geding gebracht via de klacht nr. 2 in de bewoordingen van het door de klager ingediende klachtenformulier (punt 22). Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 16/40 53. De derde verwerende partij betoogt dat zij geen verwerkingsverantwoordelijke is met betrekking tot de gegevensverwerking waartegen de tegen haar ingediende klacht(
- en)gericht is/zijn. Zij bepaalt niet de doeleinden of de middelen in de zin van artikel 4.7) van de AVG. De derde verwerende partij verklaart dat zij enkel consultancydiensten verricht voor de commercialisering van advertentieruimte in het kader van de Google-zoekmachine, zonder het doel van en de middelen voor de in de klachten genoemde gegevensverwerkingen te bepalen. De derde verwerende partij voegt daaraan toe dat alleen Google LLC, de tweede verwerende partij, optreedt als verwerkingsverantwoordelijke. De tweede verwerende partij betwist deze hoedanigheid trouwens niet wat haarzelf betreft (titel A.3.) 54. Bijgevolg is de derde verwerende partij van mening dat de Geschillenkamer geen corrigerende maatregel of sanctie aan haar kan opleggen, aangezien geen tekortkoming van haar kant kan worden vastgesteld, aangezien zij geen verwerkingsverantwoordelijke is die, in voorkomend geval, verplicht is om de betrokkenen te informeren over de verwerkingen die hij uitvoert of om gevolg te geven aan de uitoefening van hun rechten, waaronder het recht om gegevens te laten wissen, zoals in casu. 55. Ditzelfde argument is door de derde verweerder aangevoerd in het kader van een soortgelijke klacht als de klachten die in deze zaak worden onderzocht. Deze kwestie is door de Geschillenkamer besproken en beslist in haar hierboven aangehaalde beslissing 37/2020. 56. Op basis van een goed onderbouwde redenering heeft de Geschillenkamer daarin geconcludeerd dat zij bevoegd was om uitspraak te doen over de derde verwerende partij en om zowel corrigerende maatregelen als eventuele sancties aan haar op te leggen op grond van artikel 100 van de WOG juncto artikel 58.2. van de AVG. De Geschillenkamer had de derde verwerende partij dus veroordeeld tot betaling van een administratieve geldboete en haar tevens gelast de betwiste verwerkingen in overeenstemming te brengen met de AVG door alle technische maatregelen te treffen om een einde te maken aan de verwijzingen die werden geacht strijdig te zijn met de AVG. 57. De Geschillenkamer brengt hieronder de belangrijkste elementen van deze motivering in herinnering, waarvan sommige reeds als inleidende opmerkingen zijn uiteengezet. Zij herhaalt deze motivering in de onderhavige beslissing. 58. De AVG vereist een uitgebreide en doeltreffende bescherming van de personen van wie persoonsgegevens worden verwerkt. Die eis is herhaaldelijk bevestigd door het HvJEU 13. 13 Zie bv. arrest C-131/12 - Google Spain en Google, reeds aangehaald, ECLI:EU:C:2014:317, punt 34. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 17/40 59. De derde verweerder is een vestiging14 van de tweede verweerder in de EU, en de omstreden gegevensverwerkingen worden in het kader van de activiteiten van de derde verweerder verricht. Bijgevolg is artikel 3.1. van de AVG van toepassing en brengt het de toepassing van de AVG op de gegevensverwerkingen teweeg die de tweede verweerder in het kader van de activiteiten van deze vestiging heeft verricht. De Geschillenkamer merkt van meet af aan op dat zowel de tweede als de derde verweerder de toepasselijkheid van artikel 3.1. van de AVG in deze zaak niet betwisten 15. 60. De Geschillenkamer herinnert er in dit verband aan dat artikel 3.1. van de AVG inderdaad bepaalt dat de AVG "van toepassing [is] op de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke of een verwerker in de Unie, ongeacht of de verwerking in de Unie al dan niet plaatsvindt". Uit dit artikel vloeien twee criteria voort: de gegevensverwerking moet plaatsvinden in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke en deze vestiging moet in de EU gevestigd zijn. Aangezien de omstreden gegevensverwerkingen zouden zijn verricht in het kader van de activiteiten van de Belgische vestiging van Google (de derde verweerder), zou de AVG derhalve van toepassing zijn op de tweede verweerder. 61. Zoals hierboven is uiteengezet, wordt niet betwist dat de tweede verwerende partij de verwerkingsverantwoordelijke is en dat haar dochteronderneming, de derde verwerende partij, een van haar vestigingen in de Europese Unie is. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. 62. Wanneer kan een verwerking worden geacht te worden verricht "in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke"? Zoals volgt uit het Google Spain-arrest van het HvJEU en zoals de EDPB uitdrukkelijk heeft onderstreept in zijn Richtsnoeren 03/2018 over het territoriale toepassingsgebied van de AVG 16, bevestigt artikel 3.1. van de AVG dat het niet noodzakelijk is dat de betrokken verwerking wordt uitgevoerd "door" de betrokken vestiging op het grondgebied van de EU: de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker zal aan de verplichtingen uit hoofde van de AVG onderworpen zijn wanneer de verwerking wordt uitgevoerd "in het kader van de activiteiten" van zijn vestiging op het grondgebied van de Europese Unie. 63. Nog steeds op basis van de "Google Spain"-jurisprudentie van het HvJEU en zoals de EDPB opmerkt: "De gegevensverwerking door een buiten de EU gevestigde verwerkingsverantwoordelijke of verwerker kan onlosmakelijk zijn verbonden met de activiteiten 14 Overweging 22 van de AVG specificeert als volgt: "Vestiging veronderstelt het effectief en daadwerkelijk uitoefenen van activiteiten via bestendige verhoudingen. De rechtsvorm van dergelijke verhoudingen, of het nu gaat om een bijkantoor of om een dochteronderneming met rechtspersoonlijkheid, is daarbij niet doorslaggevend." 15 Zie punt 92 van de syntheseconclusies van de tweede verweerder: "Het klopt dat volgens het Costeja-arrest, Google Belgium NV kan worden beschouwd als een "vestiging" van Google LLC, de verantwoordelijke voor de betwiste verwerking in de zin van artikel 3.1. van de AVG. Dit leidt in casu tot de conclusie dat de AVG van toepassing is op Google LLC (in overeenstemming met artikel 3.1. en overweging 22) (...)." [vrij vertaald] 16 https://www.cnil.fr/sites/default/files/atoms/files/lignes_directrices_du_cepd_sur_le_champ_dapplication_territorial_du_rgpd.pdf Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 18/40 van een lokale vestiging in een lidstaat, waardoor de EU-wetgeving van toepassing zou zijn, ook als die lokale vestiging zelf geen rol speelt bij de gegevensverwerking. Als uit een analyse van de feiten per geval blijkt dat de verwerking van persoonsgegevens door een verwerkingsverantwoordelijke of verwerker buiten de EU onlosmakelijk is verbonden met de activiteiten van een EU-vestiging, is de EU-wetgeving van toepassing op die verwerking door de niet-EU-entiteit, ongeacht of de EUvestiging een rol speelt bij de betreffende gegevensverwerking." 17 64. Daarom is het noodzakelijk dat "de werkzaamheden van de verwerkingsverantwoordelijke en die van zijn vestiging in de betrokken EU-lidstaat onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden" 18, waarbij deze band niet afhankelijk is van een actieve rol van de plaatselijke vestiging bij de betrokken verwerking. 65. Derhalve moet geval per geval en op basis van een analyse in concreto worden vastgesteld of deze activiteiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, teneinde tot de conclusie te komen dat de verwerking al dan niet plaatsvindt in het kader van de activiteiten van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker op het grondgebied van de Europese Unie voor de toepassing van artikel 3.1. Elk scenario moet op zijn eigen merites worden beoordeeld, rekening houdend met de specifieke feiten van het geval. 66. Deze analyse moet worden verricht in het licht van de relevante rechtspraak. Enerzijds mag de uitdrukking "in het kader van de activiteiten van een vestiging" niet restrictief worden uitgelegd, teneinde de doelstelling te verwezenlijken om een doeltreffende en volledige bescherming te waarborgen19. Anderzijds mag het bestaan van een vestiging in de zin van de AVG niet te ruim worden uitgelegd om te concluderen dat de loutere aanwezigheid op het grondgebied van de Europese Unie, zelfs ver verwijderd van de gegevensverwerkingsactiviteiten van een entiteit van een derde staat, zal volstaan om die verwerking binnen het toepassingsgebied van het EU-recht inzake gegevensbescherming te brengen. 67. Nog steeds in het Google Spain-arrest heeft het HvJEU rekening gehouden met het feit dat de Spaanse vestiging van Google zich hoofdzakelijk bezighield met de commercialisering van advertentieruimte op nationaal niveau, om te concluderen dat er een ondeelbare band bestond tussen deze nationale vestiging en de tweede verwerende partij. De Geschillenkamer herinnert hier aan punt 60 van dit arrest: "[...] dat er sprake is van een verwerking van persoonsgegevens in het kader van de activiteiten van een vestiging van de voor de verwerking verantwoordelijke op het grondgebied van de lidstaat, in de zin van deze bepaling, wanneer de exploitant van een 17 Richtsnoeren 3/2018 over het territoriale toepassingsgebied van de AVG (artikel 3), versie 2.0 van 12 november 2019. 18 Zie het reeds geciteerde Google Spain-arrest, punten 56-60. 19 Zie in dit verband overweging 53 van het arrest: "Bovendien mag, gelet op de doelstelling van richtlijn 95/46 om in verband met de verwerking van persoonsgegevens een adequate en volledige bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, inzonderheid van het recht op persoonlijke levenssfeer, te waarborgen, laatstgenoemde zinsnede [lees: "in het kader van de verwerkingsactiviteiten"] niet restrictief worden uitgelegd." Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 19/40 zoekmachine in een lidstaat ten behoeve van het promoten en de verkoop van door deze zoekmachine aangeboden advertentieruimte een bijkantoor of een dochteronderneming opricht waarvan de activiteiten op de inwoners van die lidstaat zijn gericht." 68. In casu heeft de derde verwerende partij haar activiteit beschreven in bewoordingen die vergelijkbaar zijn met die van de Spaanse vestiging (punt 31), wat het HvJEU, zoals zojuist in herinnering is gebracht, ertoe heeft gebracht te besluiten tot het bestaan van een dergelijke onlosmakelijke band tussen deze entiteiten (en in de context van de zaak tot de toepasselijkheid van het Europese recht). Derhalve concludeert de Geschillenkamer dat, aangezien de activiteiten van de tweede en de derde verweerder ook in deze zaak onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden, artikel 3.1. van toepassing is. 69. Aangezien aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 3.1. is voldaan, impliceert deze vaststelling dat de AVG op de tweede verweerder van toepassing is met betrekking tot de omstreden gegevensverwerkingen, wat, zoals reeds gezegd, de tweede en de derde verweerder niet betwisten. Door zich te beroepen op de toepasselijkheid van artikel 3.1. van de AVG, waarvan de Geschillenkamer zojuist heeft aangetoond dat het daadwerkelijk van toepassing is – en niet van artikel 3.2., dat de verplichte aanwijzing van een vertegenwoordiger zou meebrengen (zie hieronder), quod non, in dit geval –, erkennen de tweede en de derde verweerder tevens dat de omstreden gegevensverwerkingen door de tweede verweerder plaatsvinden in het kader van de activiteiten van de derde verweerder, waarmee zij onlosmakelijk zijn verbonden. Dit ontkennen zou betekenen dat de toepasselijkheid van artikel 3.1. in twijfel wordt getrokken. De verwerende partijen beweren echter het tegendeel. 70. We merken ten overvloede op dat indien artikel 3.1. van de AVG niet van toepassing zou moeten worden geacht, quod non, artikel 3.2. van de AVG van toepassing zou zijn en dat het zou vereisen dat de tweede verweerder een vertegenwoordiger zou aanstellen in de EU in toepassing van artikel 27 van de AVG. Artikel 3 van de AVG is inderdaad bedoeld om een volledige bescherming te bieden, zoals vermeld in de inleidende opmerking. De tweede verweerder heeft geen vertegenwoordiger aangewezen. Gelet op de rol van de derde verweerder, die leidt tot de toepassing van artikel 3.1. van de AVG, zoals hierboven vermeld, is deze aanwijzing niet nodig. 20 71. Het feit dat de activiteiten van de derde verweerder onlosmakelijk zijn verbonden met die van de tweede verweerder en aanleiding geven tot toepassing van artikel 3.1. van de AVG, betekent ook dat, gelet op de rol die de derde verweerder heeft gespeeld, deze laatste aansprakelijk kan worden gesteld voor de inbreuken waaraan de tweede verweerder zich schuldig heeft gemaakt, en dit in 20 Zie punt 46 van beslissing 37/2020 van de Geschillenkamer, waarin het volgende is bepaald:"Tijdens de hoorzitting legde Google Belgium NV [lees: de derde verwerende partij] uit dat het een in België gevestigde dochteronderneming van Google is die tot de toepassing van de Europese en Belgische wetgeving kan leiden. Google Belgium NV [lees: de derde verwerende partij] is derhalve van mening dat Google LLC krachtens artikel 3, lid 1, van de AVG onder de toepassing van de AVG valt en bijgevolg geen vertegenwoordiger hoeft aan te wijzen overeenkomstig de artikelen 3, 2 en 27 van de AVG." Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 20/40 toepassing van het beginsel van het nuttig effect van het Europees recht. De derde verweerder kan derhalve ook worden onderworpen aan een of andere corrigerende maatregel en/of sanctie als gevolg van deze inbreuken. Het is in die zin dat de Geschillenkamer in haar beslissing 37/2020 het volgende heeft geconcludeerd – en in de onderhavige beslissing herhaalt –: "69. Dat de Europese wetgever het, bij de aanname van artikel 3, lid 1 van de AVG, niet nuttig geacht heeft om een verwerkingsverantwoordelijke in een situatie zoals die van Google LLC in het Google Spain-arrest te verplichten een vertegenwoordiger aan te wijzen, komt doordat hij geoordeeld heeft dat de aanwezigheid van een vestiging van de verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van de Unie in de zin van artikel 3.1. van de AVG een voldoende sterke territoriale band zou vormen met het grondgebied van de Europese Unie om een goede toepassing van de AVG te garanderen: het is een impliciet maar vaststaand feit dat een vestiging in de zin van deze bepaling niet minder verantwoordelijk kan zijn voor de toepassing van de AVG dan een vertegenwoordiger in de zin van artikel 27 van de AVG. 70. Integendeel, het is in deze logica dat de Wirtschaftsakademie-rechtspraak kan worden gezien: om de effectieve toepassing van de AVG ten aanzien van de betrokkene te waarborgen, moet deze rechtspraak ook worden toegepast op de vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke op het grondgebied van de Unie, zoals Google Belgium NV, wanneer de verantwoordelijke, die onderworpen is aan de AVG, krachtens artikel 3, lid 1, van de AVG, geen vertegenwoordiger in de zin van artikel 27 van de AVG heeft moeten aanwijzen. De toezichthoudende autoriteiten niet toestaan de juridische, sociale en functionele scheiding buiten beschouwing te laten die wordt toegepast door een verwerkingsverantwoordelijke die buiten de Europese Economische Ruimte is gevestigd, wanneer zijn vestiging op dat grondgebied nochtans een onlosmakelijk met de Europese Economische Ruimte verbonden activiteit uitoefent, zou de territoriale bevoegdheid van deze autoriteiten onnodig beperken door hen systematisch te verplichten hun bevoegdheid extraterritoriaal uit te oefenen, ondanks het bestaan van een dergelijke band, die tegelijkertijd een sterke territoriale band vormt. In een dergelijke situatie zou het noodzakelijke beroep op de uitoefening van extraterritoriale bevoegdheid, bovendien gelet op de juridische, procedurele en praktische beperkingen ervan, het nuttige effect van de AVG rechtstreeks ondermijnen. Men zou zich immers kunnen afvragen hoe de toezichthoudende autoriteit haar bevoegdheden op grond van de artikelen 58 en 83 van de AVG effectief en efficiënt zou kunnen uitoefenen." 72. De Geschillenkamer voegt hier nog aan toe dat het argument van de tweede verwerende partij dat zij steeds heeft getracht de tot haar gerichte beslissingen van de toezichthoudende autoriteiten na te leven en de maatregelen uit te voeren die haar verzochten gevolg te geven aan de uitoefening van de rechten van de betrokkenen – wat de Geschillenkamer niet betwist – niet van dien aard is dat het voorgaande in twijfel wordt getrokken. Zoals vermeld in punt 70 van de voornoemde beslissing 37/2020 heeft de AVG er immers voor gezorgd dat de betrokkene zijn rechten Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 21/40 gemakkelijk kan uitoefenen – en dat zijn lokale toezichthoudende autoriteit dit kan garanderen –, zelfs indien de verwerkingsverantwoordelijke niet op het grondgebied van de EU is gevestigd, door middel van de verplichting vertegenwoordiger in de voor dergelijke Europese Unie aan verwerkingsverantwoordelijken te wijzen. A fortiori, om een wanneer de verwerkingsverantwoordelijke in de Unie is gevestigd, zoals in casu, is het ondenkbaar dat de betrokkene zich uitsluitend tot de verwerkingsverantwoordelijke buiten de grenzen van de Unie moet wenden en dat bijgevolg de toezichthoudende autoriteit op het grondgebied waarvan deze lokale Europese vestiging is gevestigd, de uitoefening van zijn rechten niet kan garanderen. 73. De derde verwerende partij is tegen deze beslissing 37/2020 in beroep gegaan, met name tegen de kwestie van de bevoegdheid van de Geschillenkamer om haar corrigerende maatregelen en/of sancties op te leggen. 74. In een arrest van 30 juni 2021 heeft het Marktenhof onder meer het volgende verklaard: - Het begrip "verwerkingsverantwoordelijke" is cruciaal en een gegevensbeschermingsautoriteit kan geen sancties opleggen aan rechtspersonen die geen "verwerkingsverantwoordelijken" zijn; - De verwijzing is niet tot stand gebracht door de derde verwerende partij; - Moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van beslissingen (bv. met betrekking tot in de VS gevestigde entiteiten zoals de tweede verweerder) kunnen geen grondslag vormen voor de bevoegdheid van de GBA; - Het betoog van de Geschillenkamer toont niet aan dat er een onlosmakelijk verband zou bestaan tussen de tweede en de derde verweerder wat de verwerking van specifieke gegevens betreft. Het was dit gebrek aan bewijs dat het Marktenhof ertoe heeft gebracht te oordelen dat de Geschillenkamer niet gerechtigd was om zowel het uitgevaardigde nalevingsbevel als de geldboete aan de derde verweerder op te leggen. Het Marktenhof concludeert in dit verband in de volgende bewoordingen: "Dans la mesure où la Chambre Contentieuse de l'APD détermine que le responsable du traitement litigieux est bien GOOGLE LLC [lees: de tweede verwerende partij] mais qu'elle poursuit et sanctionne néanmoins (seulement et à l'exclusion de ce responsable du traitement GOOGLE LLC [lees: de tweede verwerende partij]) une toute autre personne juridique (à savoir GOOGLE BELGIUM [lees: de derde verwerende partij]), la Décision Attaquée n'est pas correctement motivée puisqu'elle ne donne pas une motivation adéquate (ou satisfaisante) - au sens de la loi du 29 juillet 1991 - pouvant justifier à la Chambre Contentieuse la compétence adéquate, basée sur l'interprétation des arrêts de la Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 22/40 Cour de Justice, pour diriger des poursuites et d'infliger des sanctions (les points 2 à 5 de la Décision Attaquée) uniquement à GOOGLE BELGIUM SA [lees: de derde verwerende partij] qui n'est pas Ie responsable du traitement qui fait l'objet de la plainte et dont il n'est pas établi sans ambiguïté et sans contradiction des motifs (voir ci-avant) qu'elle serait - en l'espèce - indissociablement liée 21 avec le responsable du traitement (GOOGLE LLC [lees: de tweede verwerende partij]. Dans la mesure ou la plainte doit être dirigée contre le responsable du traitement et que ce n'est que moyennant la preuve que l'établissement local est indissociablement lié à ce responsable du traitement, que l'APD nationale peut poursuivre l'établissement local22, la preuve de ce prétendu lien ne peut pas être présumée, ni démontrée par renvoi à des décisions - fussent des décisions judiciaires en force de chose jugée - d'autres juridictions nationales ou juridictions d'autres États Membres ou de l'Union. La Décision Attaquée doit être annulée pour défaut de motivation." A.4.2 Conclusie: de redenen waarom de activiteiten van Google LLC (tweede verweerder) en Google Belgium (derde verweerder) onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden 75. In casu beschikt de Geschillenkamer niet over voldoende elementen om met zekerheid te besluiten tot de hoedanigheid van de derde verweerder als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7) van de AVG. De Geschillenkamer betwist overigens niet dat het begrip "verwerkingsverantwoordelijke" centraal staat in de AVG, noch dat het de toewijzing van verplichtingen en verantwoordelijkheden aan de verwerkingsverantwoordelijke met zich meebrengt. Het HvJEU heeft echter verduidelijkt dat een gegevensbeschermingsautoriteit onder bepaalde omstandigheden sancties kan opleggen aan een vestiging van een verwerkingsverantwoordelijke (waarbij die vestiging geen verwerkingsverantwoordelijke is), op voorwaarde dat er een onlosmakelijk verband tussen beide bestaat. De Geschillenkamer heeft hierboven aangetoond dat dit onlosmakelijk verband zeker bestaat, wat de tweede en derde verweerders erkennen door de toepasselijkheid van artikel 3.1. van de AVG te erkennen. 76. Onverminderd het bovenstaande sluit de Geschillenkamer zeker niet uit dat de tweede verweerder de aanvraag onderzoekt zonder dat de derde verweerder daarbij – opzettelijk – betrokken is. Zoals hierboven vermeld, is deze betrokkenheid niet strikt noodzakelijk om artikel 3.1. van de AVG van toepassing te doen zijn. De medewerking van de derde verweerder lijkt evenwel onontbeerlijk (of op zijn minst wenselijk) om het antwoord op het verzoek om verwijdering van links, en met name de afwijzing ervan, naar behoren te kunnen motiveren, tenzij opzettelijk iedere betrokkenheid van de derde verweerder wordt uitgesloten om zich te onttrekken aan de toepasselijkheid van het Unierecht, wat onaanvaardbaar is. Zoals de Geschillenkamer in haar inleidende opmerkingen (punt 21 De Geschillenkamer onderlijnt. 22 De Geschillenkamer onderlijnt. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 23/40 38) reeds heeft opgemerkt, brengt de vraag of de omstreden publicaties met betrekking tot de klager toegankelijk moeten blijven op basis van een zoekopdracht naar de voornaam en de naam van de klager via de Google-zoekmachine, noodzakelijkerwijs een onderzoek van nationale factoren met zich mee. Gelet op de toe te passen criteria (titel B) moest in dit geval in concreto worden onderzocht of de klager een publiek persoon is en is geweest, wat de reputatie was van de persuitgevers achter de publicaties en wat de mogelijke rechtsgevolgen zijn van de schrapping van de klager als advocaat, alsook wat de in zijn motivering naar voren gebrachte voorwaarden en gevolgen van de rehabilitatie zijn. 77. In dit opzicht zou een businessmodel waarbij, zonder de derde verweerder (de in België gevestigde vestiging) – opzettelijk – in het geding te brengen, in plaats daarvan Belgische werknemers die uitsluitend binnen de tweede verwerende partij in de Verenigde Staten actief zijn, worden belast met de taak om de relevantie van het behoud van de toegankelijkheid van de omstreden publicaties te beoordelen, niet tot gevolg mogen hebben dat de daadwerkelijke uitoefening door de betrokkenen van hun rechten wordt afgezwakt. 78. Wat betreft de redenering van het Marktenhof dat eventuele moeilijkheden bij de tenuitvoerlegging van beslissingen (bijvoorbeeld met betrekking tot in de VS gevestigde entiteiten, zoals de tweede verweerder) geen grondslag kunnen zijn voor de bevoegdheid van de GBA, wenst de Geschillenkamer het volgende te verduidelijken. - De organisatie van de onderneming Google en van haar dochterondernemingen met een eigen rechtspersoonlijkheid is een organisatorische keuze van Google die geen afbreuk kan doen aan de volledige en effectieve bescherming van de AVG, zoals wordt onderstreept door de vaste rechtspraak van het HvJEU. - Zoals uitvoerig uiteengezet in haar beslissing 37/200 en hierboven in herinnering gebracht, verzet de Geschillenkamer zich tegen een lezing van de artikelen 3.1. en 3.2. van de AVG op grond waarvan een onderneming als Google enerzijds zou kunnen aanvoeren dat zij geen vertegenwoordiger hoeft aan te wijzen omdat zij een vestiging (in casu haar dochteronderneming in België – namelijk de derde verweerder) in de EU heeft, en anderzijds dat deze vestiging haar niet zou vertegenwoordigen. - In de hierboven besproken zaak-Google Spain (punt 65 e.v.) heeft het HvJEU in dezelfde context uitdrukkelijk de aansprakelijkheid van een Europese dochteronderneming van een multinationale onderneming erkend. - Het nuttige effect van het EU-recht is een belangrijke factor in de rechtspraak van het HvJEU en wordt regelmatig ingeroepen ter ondersteuning van de interpretatie van wetgevingsinstrumenten. Punt 58 van het Google Spain-arrest is hiervan een illustratie: "[...] kan Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 24/40 niet worden aanvaard dat de ten behoeve van de werking van deze zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens zou zijn vrijgesteld van de verplichtingen en waarborgen van richtlijn 95/46, waardoor afbreuk zou worden gedaan aan het nuttig effect van deze richtlijn en aan de doeltreffende en volledige bescherming van de fundamentele vrijheden en rechten van natuurlijke personen die zij beoogt te verzekeren [...]." Deze redenering gaat ook op voor de AVG. 79. Concluderend verklaart de Geschillenkamer zich bevoegd om aan de derde verwerende partij corrigerende maatregelen en/of sancties op te leggen, aangezien, zonder dat die partij als verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7), van de AVG kan worden aangemerkt, de tekortkomingen van de tweede verwerende partij haar wel kunnen worden toegerekend ter uitvoering van artikel 3.1. van de AVG, toegepast in het licht van de rechtspraak van het HvJEU; in het bijzonder omdat een onlosmakelijk verband tussen de activiteiten van de tweede en de derde verwerende partij voldoende is vastgesteld en aangetoond. A.5 Conclusie met betrekking tot de drie verwerende partijen 80. De drie verwerende partijen maken deel uit van dezelfde onderneming of behoren op zijn minst tot dezelfde groep van ondernemingen in de zin van artikel 4.19) van de AVG. Zoals in overweging 37 van de AVG23 is bepaald, dient een "concern [...] te bestaan uit een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover zeggenschap wordt uitgeoefend". 81. In deze zaak is een dergelijke band op zichzelf niet voldoende om de verantwoordelijkheden van de verschillende entiteiten van de groep vast te stellen. Het beslissende criterium is dat er een onlosmakelijk verband moet bestaan tussen de activiteiten van de entiteiten van de groep in de zin van de aangehaalde rechtspraak van het HvJEU. 82. Op grond van de door de klager ingediende klachten moet de Geschillenkamer uitspraak doen over de verantwoordelijkheid van de verschillende entiteiten van het Google-concern. De Geschillenkamer concludeert in dit verband als volgt: - De eerste verwerende partij (Google Ireland Limited) maakt niet langer deel uit van de debatten (punt A.1.). - De tweede verwerende partij (Google LLC) wordt beschouwd als de "verwerkingsverantwoordelijke" voor de betrokken verwerkingen in de zin van artikel 4.7) van de AVG. 23 Overweging 37 van de AVG: Een concern dient te bestaan uit een onderneming die zeggenschap uitoefent en de ondernemingen waarover zeggenschap wordt uitgeoefend, waarbij de onderneming die zeggenschap uitoefent de onderneming dient te zijn die overheersende invloed kan uitoefenen over de andere ondernemingen uit hoofde van bijvoorbeeld eigendom, financiële deelneming of op haar van toepassing zijnde regels, of op grond van de bevoegdheid om regels inzake de bescherming van persoonsgegevens te doen uitvoeren. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 25/40 - De betrokken verwerkingen kunnen aan de derde verwerende partij (Google Belgium) worden toegerekend, wanneer wordt vastgesteld dat haar activiteiten onlosmakelijk verbonden zijn met die van de verwerkingsverantwoordelijke. 83. Zoals hierboven is uiteengezet, benadrukt de Geschillenkamer dat het, gelet op de vereiste van volledige en effectieve bescherming van de rechten van betrokkenen, noodzakelijk is om – in voorkomend geval – niet alleen corrigerende maatregelen en/of sancties op te leggen aan een entiteit, maar er ook voor te zorgen dat de toezichthoudende autoriteit over voldoende waarborgen beschikt om de naleving van die corrigerende maatregelen en/of sancties door de betrokken entiteit te garanderen. 84. Wanneer deze waarborgen alleen met betrekking tot de derde verwerende partij bestaan, beslist de Geschillenkamer om te concluderen tot een inbreuk op de AVG uit hoofde van zowel de tweede als de derde verwerende partij en om eventuele corrigerende maatregelen en sancties alleen aan die laatste partij op te leggen. B. Betreffende om de verzoeken om verwijdering van links B.1. Met betrekking tot de weigering van de gegevenswissing (artikel 17 van de AVG) 85. De door de klager ingediende verzoeken tot verwijdering van links moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 17 van de AVG, de criteria en regels die het HvJEU heeft vastgesteld in zijn voornoemde arrest-Google Spain, de richtsnoeren van de Werkgroep Artikel 29 met betrekking tot dat arrest (hierna de richtsnoeren van de Groep 29 24), de lessen van het eveneens reeds vermelde arrest van het HvJEU in de zaak GC et al. t./CNIL van 24 september 2019, en de richtsnoeren 5/2019 betreffende de criteria voor het recht om vergeten te worden in de zoekmachinezaken krachtens de AVG25 (hierna de richtsnoeren van de EDPB), teneinde een billijk evenwicht te waarborgen tussen de rechten van de betrokkene en de vrijheid van meningsuiting van de internetgebruikers en hun recht op informatie. Bij het zoeken naar dit billijke evenwicht moet rekening worden gehouden met verschillende criteria, waaronder met name de doelstelling van re-integratie na verloop van tijd, re-integratie van bijvoorbeeld de betrokkene die, zoals de klager in deze zaak, strafbare feiten heeft gepleegd. Het "recht om te worden vergeten" (of meer bepaald het recht op gegevenswissing, zoals vastgelegd in artikel 17 van de AVG) kan echter niet worden gelijkgesteld 24 Groep Artikel 29, Richtsnoeren betreffende de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Google Spain en Inc./Agencia espanola de protección de datos (aepd) en Mario Consteja González (C-131/12, vastgesteld op 26 november 2014), hier beschikbaar: https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/667236/en. 25 European Data Protection Board (EDPB), Richtsnoeren 05/2019 betreffende de criteria voor het recht om vergeten te worden in de zoekmachinezaken krachtens de AVG, versie 2.0. van 7 juli 2020 https://edpb.europa.eu/our-work-tools/ourdocuments/guidelines/guidelines-52019-criteria-right-be-forgotten-search-engines_nl. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 26/40 met een recht op een tweede kans zonder meer. Dit recht op gegevenswissing beoogt de betrokkene te beschermen tegen verwerkingen die niet – langer – rechtmatig zouden zijn. 86. Allereerst moet worden opgemerkt dat indien een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als gevolg van een verwijzing kan worden versterkt door de onontkoombare rol van zoekmachines bij de toegang tot informatie via het internet, op dezelfde wijze en om dezelfde reden de verwijdering van een link gevolgen kan hebben voor de vrijheid van informatie van de internetgebruikers. Er moet dus noodzakelijkerwijs een evenwicht tussen de twee belangen worden gevonden. 87. In een arrest GC et al. t./CNIL stelt het HvJEU in dit verband het volgende: "66. In ieder geval moet de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek om verwijdering van een link nagaan of de opname van de link naar de betreffende webpagina op de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van de betrokkene noodzakelijk is voor de uitoefening van het door artikel 11 van het Handvest beschermde recht op vrijheid van informatie. Ofschoon de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest beschermde rechten van de betrokkene in de regel voorrang hebben op dit recht van vrijheid van informatie van internetgebruikers, kan dit evenwicht in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt [...]. 67. Hierbij komt het feit dat in het geval de verwerking betrekking heeft op de bijzondere categorieën gegevens als bedoeld in artikel 8, leden 1 en 5, van richtlijn 95/46, of artikel 9, lid 1, en artikel 10 van verordening 2016/679, de inbreuk op de grondrechten van eerbiediging van het privéleven en van de bescherming van de persoonsgegevens van de betrokkene, zoals in punt 44 van dit arrest is opgemerkt, mogelijk bijzonder ernstig is vanwege de gevoeligheid van deze gegevens." 88. Groep 29 legt ook het volgende uit: "Deze criteria hebben globaal genomen tot doel om te beoordelen of de informatie in een zoekresultaat al dan niet relevant is overeenkomstig het belang dat het publiek erbij heeft om toegang te krijgen tot de informatie. Relevantie staat voorts ook in nauw verband met de ouderdom van de gegevens. Afhankelijk van de feiten van het geval, kan informatie die lang geleden is gepubliceerd, bv. 15 jaar geleden, minder relevant zijn dan informatie die 1 jaar geleden werd gepubliceerd. De gegevensbeschermingsautoriteiten zullen de relevantie in overeenstemming met de hieronder uiteengezette factoren beoordelen. a. Houden de gegevens verband met het beroepsleven van de betrokkene? De gegevensbeschermingsautoriteiten moeten eerst een onderscheid tussen privé- en beroepsleven Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 27/40 maken bij de beoordeling van verzoeken tot verwijdering. Gegevensbescherming — en in ruimere zin, de privacywetgeving — is er voornamelijk op gericht de naleving van het grondrecht van de persoon op persoonlijke levenssfeer (en gegevensbescherming) te waarborgen." 89. Wat de elementen betreft waarmee bij de uit te voeren analyse rekening moet worden gehouden, baseert de Geschillenkamer zich in deze zaak op de door het HvJEU, de Groep 29 en de EDPB vastgestelde criteria, en wel op de volgende elementen: De omstreden inhoud werd verwerkt voor journalistieke doeleinden en is afkomstig van betrouwbare journalistieke bronnen 90. Het verzoek van klager om gegevenswissing is in feite gericht tegen de verwijzing naar persartikelen van erkende uitgevers, van wie de professionaliteit niet in twijfel wordt getrokken. De klager betwist noch de waarheidsgetrouwheid noch de rechtmatigheid van de inhoud in kwestie 91. De persartikelen in kwestie geven geen blijk van enscenering of sensatiezucht en aan de Geschillenkamer is niet meegedeeld dat zij op het tijdstip van hun publicatie op enigerlei wijze werden betwist. De waarheidsgetrouwheid van de informatie die zij doorgeven, staat ook niet ter discussie; De betwiste inhoud heeft betrekking op feiten in verband met het beroepsleven van de klager; 92. De persartikelen in kwestie handelen over strafrechtelijke veroordelingen wegens feiten die klager in zijn hoedanigheid van advocaat heeft gepleegd. De betwiste inhoud heeft betrekking op de strafrechtelijke veroordelingen van de klager voor verschillende ernstige strafbare feiten 93. De klager is immers tweemaal na elkaar veroordeeld wegens feiten waarop strafsancties staan, waarbij hij misbruik heeft gemaakt van zijn titels van advocaat en curator en van het vertrouwen van derden in deze hoedanigheden. In het geval van gevoelige gegevens, in het bijzonder gegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen in de zin van artikel 10 van de AVG, is het zeker van belang rekening te houden met deze gevoeligheid, aangezien de verwerking van dergelijke gegevens de betrokkene potentieel meer kan schaden dan de verwerking van andere soorten Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 28/40 gegevens, met name wegens het risico op discriminatie of stigmatisering. In haar richtsnoeren26 heeft Groep 29 dit echter genuanceerd door het volgende te stellen: "De gegevensbeschermingsautoriteiten zullen deze gevallen behandelen in overeenstemming met de desbetreffende nationale beginselen en benadering. In de regel spreken de gegevensbeschermingsautoriteiten zich vaker uit voor de verwijdering van zoekresultaten in verband met betrekkelijk kleine overtredingen die lang geleden zijn begaan, terwijl zij zich vaker uitspreken tegen de verwijdering van resultaten in verband met ernstigere feiten die recenter hebben plaatsgevonden. Deze kwesties moeten in elk geval zorgvuldig in beschouwing worden genomen en geval tot geval worden behandeld." 94. De door de klager aangevoerde maatregelen van uitstel en van opschorting van de uitspraak die door de hoven en rechtbanken van de gerechtelijke orde zijn toegekend of de afwezigheid van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, alsook van een verbod op het voeren van commerciële activiteiten, doen naar het oordeel van de Geschillenkamer op zich geen afbreuk aan de ernst van de feiten. 95. De klager voert ook aan dat hij bijna de voorwaarden heeft bereikt om een aanvraag tot rehabilitatie in te dienen, waarna zijn strafrechtelijke veroordelingen uit zijn strafregister zouden worden geschrapt. In dit verband acht hij het principieel onaanvaardbaar dat een particuliere onderneming als Google informatie over zijn veroordelingen nog langer ter beschikking van het publiek mag houden dan mogelijk zou zijn voor overheidsinstanties die bevoegd zijn inzake justitie. 96. De Geschillenkamer merkt om te beginnen op dat klager niet aangeeft dat hij daadwerkelijk is gerehabiliteerd, noch dat hij een verzoek in die zin heeft ingediend. 97. De Geschillenkamer wijst er voorts op dat het recht op vrije meningsuiting en de informatie aan het publiek enerzijds en het strafregister anderzijds verschillende doelstellingen hebben. 98. Zoals bepaald in artikel 589 van het Wetboek van Strafvordering (Sv.), is het strafregister het geautomatiseerde nationale register van strafrechtelijke veroordelingen en bepaalde andere beslissingen (ter bescherming van de maatschappij) met betrekking tot een bepaalde persoon. Het wordt gehouden onder het gezag van de minister van Justitie. Een van de doelstellingen ervan is de rechter in staat te stellen de meest geschikte straf op te leggen. De magistraat kan immers vaststellen dat een persoon recidiveert, en in bepaalde gevallen daaruit afleiden dat de toekenning van een uitstel voortaan verboden is of dat het uitstel ditmaal moet worden herroepen. Kennis van iemands gerechtelijke antecedenten stelt de magistraat ook in staat om te beoordelen of de verdachte in voorarrest moet worden geplaatst wanneer er net een strafbaar feit tegen hem is 26 Groep Artikel 29, Richtsnoeren betreffende de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Google Spain en Inc./Agencia espanola de protección de datos (aepd) en Mario Consteja González (C-131/12, vastgesteld op 26 november 2014), p. 23, hier beschikbaar: https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/667236/en. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 29/40 vastgesteld. Voor deze doeleinden zijn de gerechtelijke autoriteiten de eerste ontvangers van het strafregister. 99. Teneinde het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer te eerbiedigen en de sociale reclassering van veroordeelden te bevorderen, en tegelijkertijd de strafrechtspleging mogelijk te maken, heeft de wet de instanties die kennis mogen nemen van de in het strafregister opgenomen gegevens, beperkt volgens nadere regels die variëren naargelang van de hoedanigheid van de ontvangers en het gebruik waarvoor de gegevens zijn bestemd. Naast de gerechtelijke autoriteiten, die beschikken over de ruimste toegang in het kader van de hun bij wet opgedragen taken (punt 98), hebben de administratieve autoriteiten die belast zijn met de tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen, particulieren (toegang tot uittreksels uit het strafregister door werkgevers in bepaalde activiteitensectoren) en buitenlandse autoriteiten onder strikte voorwaarden toegang tot bepaalde gegevens uit het strafregister (artikel 589 van het Sv.). Het grote publiek heeft er geen toegang toe. Het grote publiek mag echter niet verstoken blijven van het voordeel van de door de pers verstrekte informatie over de strafbare feiten en de dader ervan, alsook over de veroordelingen. 100. Herstel in eer en rechten is de mogelijkheid voor een natuurlijke persoon of een rechtspersoon die door de rechter is veroordeeld, om alle in België uitgesproken veroordelingen uit zijn strafregister te laten schrappen. Herstel in eer en rechten wordt geregeld door de artikelen 621 tot 634 van het Sv. Het wordt in voorkomend geval toegekend door de kamer van inbeschuldigingstelling, die beoordeelt of de verzoeker voldoet aan de in de wet gestelde voorwaarden. Herstel in eer en rechten heeft tot gevolg dat alle gevolgen van de veroordeling in de toekomst niet meer op de veroordeelde van toepassing zijn, onverminderd de rechten van derden. Het doet met name de onbekwaamheden ophouden die uit de veroordeling zijn voortgevloeid en verhindert dat die beslissing als grondslag dient voor bijvoorbeeld de herhaling (artikel 634 van het Sv.). 101. Het verleende herstel in eer en rechten wordt evenmin als de in het strafregister opgenomen gegevens ter kennis van het publiek gebracht. Het gevolg van het feit van het herstel in eer en rechten is ook niet dat het publiek, als rechtstreeks gevolg (dat de wetgever echter niet heeft voorzien), geen belang meer zou hebben bij het ontvangen van deze informatie. Er kan geen automatisme uit worden afgeleid aangezien met de verwerking van gegevens door het strafregister (en in voorkomend geval met het wissen ervan) een doel wordt nagestreefd dat verschilt van dat van het recht op vrije meningsuiting en informatie zoals dat concreet vorm krijgt in de activiteit van de pers. Spreken van het behoud van een virtueel strafblad om de blijvende toegankelijkheid van persartikelen na een herstel in eer en rechten te beschrijven, is semantisch kort door de bocht en is niet bestand tegen een analyse. 102. Het voorgaande betekent echter niet dat een aan een veroordeelde verleend herstel in eer en rechten geen gevolgen heeft voor het recht van diezelfde veroordeelde op verwijdering van links naar persartikelen over deze veroordelingen. Herstel in eer en rechten is slechts één van de vele elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van het algemeen belang Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 30/40 bij de handhaving van de toegankelijkheid van informatie. Zoals Google tijdens de hoorzitting van 27 september 2021 heeft verklaard, kan dit, afhankelijk van de omstandigheden van de zaak en in voorkomend geval in combinatie met andere criteria, de balans verder doen doorslaan in het voordeel van schrapping. De klager heeft een rol in het openbare leven gespeeld en blijft dat doen 103. De Geschillenkamer merkt in dit verband op dat de klager beweert geen openbaar persoon te zijn of geen rol te spelen in het openbare leven in de zin van de reeds geciteerde richtsnoeren van de Groep van artikel 2927. 104. Daarover zegt Groep 29: "Het is niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen welk type rol in het openbare leven een persoon moet hebben om de publieke toegang tot informatie over hem via een zoekresultaat te rechtvaardigen. Echter, bijvoorbeeld politici, hooggeplaatste ambtenaren, zakenmensen en leden van (gereglementeerde) beroepen worden doorgaans aangemerkt als mensen die een rol in het openbare leven spelen. Er wordt wel betoogd dat het publiek informatie moet kunnen opzoeken die relevant is voor hun openbare rol en activiteiten. Een goede vuistregel daarbij is proberen vast te stellen of het feit dat het publiek toegang heeft tot de bepaalde informatie – die ter beschikking is gesteld via een zoekopdracht op de naam van de betrokkenen – hen zou beschermen tegen ongepast openbaar of professioneel gedrag. Het is evenzeer moeilijk om de subgroep "publieke personen" te definiëren. Over het algemeen kan men stellen dat publieke personen, personen zijn die vanwege hun functies/verplichtingen in de belangstelling van de media staan. Resolutie 1165
(1998)van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa over het recht op persoonlijke levenssfeer bevat een mogelijke definitie van "publieke personen". In de resolutie wordt het begrip als volgt omschreven: "publieke personen zijn personen die een openbare functie uitoefenen en/of gebruikmaken van openbare middelen en, meer in het algemeen, al diegenen die een rol spelen in het openbare leven, zij het op politiek, economisch, artistiek, sociaal, sportief of een ander gebied"." 27 Groep Artikel 29, Richtsnoeren betreffende de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Google Spain en Inc./Agencia espanola de protección de datos (aepd) en Mario Consteja González (C-131/12, vastgesteld op 26 november 2014), hier beschikbaar: https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/667236/en. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 31/40 105. Ter ondersteuning van deze overwegingen is de Geschillenkamer van oordeel dat de klager ten tijde van de feiten ongetwijfeld een rol speelde in het (lokale) openbare leven gezien zijn hoedanigheid als advocaat, gelet op zijn reputatie in zijn professionele omgeving (met name door zijn juridische publicaties) en zijn rol als curator van andere vennootschappen die de aandacht van de media trokken, los van de strafbare feiten waarvan hij later zal worden beschuldigd. Het feit dat de klager sinds zijn veroordelingen geen media-aandacht meer heeft gekregen, zal door de Geschillenkamer in aanmerking worden genomen. Gezien de aard van de activiteit van de klager als juridisch adviseur, behoudt hij echter een zekere rol in het openbare leven in die zin dat, zoals de Groep 29 in zijn bovengenoemde richtsnoeren opmerkt, "er redenen zijn om het publiek toe te staan informatie te vragen over de rol en de activiteiten van deze personen in het openbare leven". De vraag of er voldoende redenen zijn, wordt niet alleen aan de hand van dit criterium beoordeeld, maar aan de hand van alle criteria, en dat is wat de Geschillenkamer probeert vast te stellen. De in de betwiste inhoud beschreven feiten zijn nog vrij recent en zijn in elk geval nog relevant voor de huidige beroepsactiviteiten van de klager 106. De Geschillenkamer merkt in dit verband op dat de klager beweert dat de publicaties van ongeveer tien jaar of minstens zeven of acht jaar geleden dateren. Gezien dit tijdsverloop en zijn verandering van beroepsactiviteit (de klager verwijst naar zijn huidige functie als jurist in een kmo), voert de klager aan dat de informatie die deze publicaties nog steeds verspreiden, niet langer relevant is. De Geschillenkamer betwist niet dat het oudere karakter van de feiten een criterium is waarmee rekening moet worden gehouden en dat, afhankelijk van de concrete omstandigheden van elk verzoek, een termijn van tien jaar al dan niet als buitensporig lang kan worden beschouwd. In casu blijft zelfs na tien jaar de relevantie van de toegankelijkheid van de door de omstreden artikelen verstrekte informatie bestaan, aangezien de klager weliswaar niet langer de functie van advocaat uitoefent, maar zijn loopbaan voortzet in de sector van juridisch advies, een sector die eveneens op een vertrouwensrelatie is gebaseerd. Zijn huidige loopbaan ligt onmiskenbaar in het verlengde van de functie van advocaat, die hij, na zijn schrapping als lid van de balie, niet meer mag uitoefenen. Conclusie 107. Concluderend is de Geschillenkamer van oordeel dat uit de afweging van alle voorgaande elementen volgt dat het publiek nog steeds een strikt noodzakelijk belang heeft bij de toegang tot de omstreden persartikelen. De ernst van de feiten (strafrechtelijke en deontologische inbreuken), het vrij recente karakter ervan, de relevantie voor de huidige beroepsactiviteit van de klager en de hoedanigheid van de klager – zowel nu als meer nog ten tijde van de feiten – zijn doorslaggevend voor de beslissing van de Geschillenkamer. Het tijdsverloop, de wijziging van de beroepsactiviteit van de klager (die wel nog steeds verband houdt met zijn vroegere hoedanigheid van advocaat) of de maatregelen van uitstel kunnen dit belang niet zodanig doen verwateren dat de verwijdering van Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 32/40 de betrokken artikelen gerechtvaardigd is. De vermelding van de betwiste inhoud wordt derhalve strikt noodzakelijk geacht voor de vrijheid van meningsuiting en van informatie in overeenstemming met artikel 17.3. van de AVG. 108. Derhalve, en ter ondersteuning van de bovenstaande redenering, beslist de Geschillenkamer de klacht te seponeren ten aanzien van de tweede en de derde verweerder (wat deze laatste betreft wordt verwezen naar de motivering van de Geschillenkamer in titel A.4.) op grond van de technische reden dat de klager zich ten onrechte beroept op een schending van artikel 17 van de AVG door deze laatste partijen doordat "Google" zou hebben geweigerd de link naar de omstreden artikelen te verwijderen. 109. Onverminderd het voorgaande wenst de Geschillenkamer hieraan toe te voegen dat zij niettemin van oordeel is dat de motivering op grond waarvan de tweede verwerende partij haar standpunt aan de klager kenbaar heeft gemaakt, met name in haar antwoord van 19 september 2019, bijzonder zwak was (zie 11). In deze motivering had moeten worden aangetoond welke criteria in aanmerking zijn genomen en hoe deze zijn toegepast op de concrete feiten van het verzoek van de klager. Het is immers van belang dat de betrokkene beschikt over een voldoende gemotiveerde beslissing om alle elementen te begrijpen waarop de verwerkingsverantwoordelijke zijn beslissing heeft gebaseerd. Deze motivering moet de klager ook in staat stellen de beslissing aan te vechten bij de GBA. De Geschillenkamer voegt daaraan toe dat gestandaardiseerde beslissingen in ieder geval niet toelaatbaar zijn. 110. Ter ondersteuning van het voorgaande stelt de Geschillenkamer vast dat de tweede verweerder artikel 12.1. van de AVG28 juncto artikel 17.3. van de AVG niet heeft nageleefd, welk verzuim zij bovendien toerekent aan de derde verweerder ter ondersteuning van haar in titel A.4 ontwikkelde redenering. Zoals zij hierna zal uiteenzetten (punten 114 e.v.), overschrijdt de Geschillenkamer hiermee haar bevoegdheden niet, aangezien de door de klager ingediende klacht een schending van artikel 17 van de AVG aan de kaak stelt, die moet worden toegepast op de wijze waarin is voorzien in artikel 12 van de AVG, onder meer door het geven van een antwoord op de uitoefening van dit recht dat begrijpelijk, in gemakkelijk toegankelijk vorm en in duidelijke en eenvoudige taal is geformuleerd, zoals vereist door artikel 12.1. van de AVG 29. 28 Artikel 12.1. luidt als volgt: "1. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is." 29 Zie in die zin ook beslissing 127/2021 van de Geschillenkamer, punten 38 en volgende. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 33/40 B.2. Wat de door de klager aangevoerde schending van artikel 12.1.-2., van de AVG en artikel 12.3. van de AVG juncto artikel 17 van de AVG betreft 111. De klager verzoekt de Geschillenkamer ook vast te stellen dat "Google" de artikelen 12.1. en 12.2. van de AVG niet heeft nageleefd doordat "Google" hem geen duidelijke, begrijpelijke en toegankelijke informatie heeft verstrekt over de wijze waarop hij een verzoek om verzoek om verwijdering van een link kon indienen en doordat "Google" derhalve de uitoefening van zijn recht niet heeft gefaciliteerd, door hem van de ene entiteit naar de andere door te verwijzen (punten 1215 en 29). 112. De klager wijst er ook op dat de Geschillenkamer dient vast te stellen dat "Google" niet op passende wijze gevolg heeft gegeven aan zijn op 24 februari 2021 ingediende verzoek door hem pas op 27 april 2021 een antwoord te geven, wat in strijd is met artikel 12.3. van de AVG 30 (punten 24, 26 en 29). 113. De Geschillenkamer merkt op dat de grieven inzake schending van deze bepalingen weliswaar voor het eerst uitdrukkelijk door de klager zijn geformuleerd in zijn syntheseconclusies (punt 29). Deze bepalingen dragen desalniettemin bij tot de doeltreffende toepassing van artikel 17 van de AVG, aangezien zij de modaliteiten bepalen volgens welke de rechten van de betrokkenen (in dit geval het recht op gegevenswissing) moeten worden toegepast, alsook de verplichtingen die daaruit voortvloeien voor de verwerkingsverantwoordelijke. 114.In dit verband benadrukt de Geschillenkamer dat zij, in het kader van de door de Europese wetgever (artikel 58 van de AVG) en door de Belgische wetgever (artikel 4 van de WOG) aan de GBA (waarvan zij de administratieve geschilleninstantie
- is)toevertrouwde taak van toezicht op de naleving van de AVG, de door de klager gemelde feiten onderzoekt in het licht van de artikelen van de AVG waarnaar hij in zijn klacht verwijst, alsook van de artikelen van de AVG waarnaar hij in een tweede fase verwijst via zijn conclusies, voor zover deze verband houden met die welke in de klacht zijn aangevoerd. De Geschillenkamer beslist hier, net zoals in haar beslissingen 19/2020 en 38/2021, dat van de klager niet kan worden verlangd dat hij duidelijk, nauwkeurig en uitputtend aangeeft op basis van welke wettelijke bepalingen hij een klacht indient. De kwalificatie van de feiten – die in 30 De Geschillenkamer herinnert eraan dat in artikel 12.3. van de AVG het volgende is bepaald: "De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene onverwijld en in ieder geval binnen een maand na ontvangst van het verzoek krachtens de artikelen 15 tot en met 22 [en dus met inbegrip van artikel 17 dat in casu wordt aangewend] informatie over het gevolg dat aan het verzoek is gegeven. Afhankelijk van de complexiteit van de verzoeken en van het aantal verzoeken kan die termijn indien nodig met nog eens twee maanden worden verlengd. De verwerkingsverantwoordelijke stelt de betrokkene binnen één maand na ontvangst van het verzoek in kennis van een dergelijke verlenging." Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 34/40 voorkomend geval inbreuken op de geldende reglementering inzake gegevensbescherming vormen – behoort tot de bevoegdheid van de Inspectiedienst en de Geschillenkamer. 115.Indien de Geschillenkamer zou weigeren de grieven te onderzoeken die de klager in de loop van de procedure heeft aangevoerd met betrekking tot de in zijn klacht aan de kaak gestelde feiten, zou ze de doeltreffendheid van de uitoefening van het in artikel 77 van de AVG erkende recht om een klacht in te dienen, aanzienlijk beperken of zelfs ernstig in gevaar brengen. Anders zou van de klager worden verlangd dat hij in de formulering van zijn klacht een nauwkeurige omschrijving geeft van alle grieven in verband met de door hem aangeklaagde feiten. Dit zou, zo benadrukt de Geschillenkamer, een onaanvaardbare aantasting betekenen van het recht om een klacht in te dienen en, meer in het algemeen, van het grondrecht op gegevensbescherming, dat, om doeltreffend te zijn, door de toezichthoudende autoriteiten moet kunnen worden gecontroleerd, met name via de klachten die zij ontvangen. De controle op het grondrecht op gegevensbescherming door een onafhankelijke autoriteit maakt immers deel uit van de essentie van dit recht en is vastgelegd in artikel 8.3. van het Handvest van de grondrechten. 116.Aangezien de feiten in deze zaak niet worden betwist en geen aanvullende vaststellingen vereisen, heeft de Geschillenkamer geen beroep gedaan op de Inspectie, wat zij krachtens artikel 94.3° van de WOG kan doen. Het ontbreken van een beroep op de Inspectie wanneer de feiten duidelijk vaststaan, mag niet tot gevolg hebben dat de Geschillenkamer het recht wordt ontnomen de in de klacht aan de kaak gestelde feiten te onderzoeken in het licht van alle relevante grieven, op voorwaarde dat het gaat om juridische argumenten die verband houden met de in de klacht vermelde feiten en met inachtneming van het debat op tegenspraak, zoals zij in haar beslissing 17/202031 heeft benadrukt. In het onderhavige geval zijn de grieven op grond van de niet-naleving van de verschillende paragrafen van artikel 12 van de AVG die door klager in zijn conclusies naar voren zijn gebracht, intrinsiek verbonden met de schending van artikel 17 van de AVG die op haar beurt van bij het begin door de klager naar voren is gebracht via zijn klachten. De verwerende partijen hebben trouwens de gelegenheid gekregen zich met betrekking tot deze grief te verdedigen in hun (synthese)conclusies (punten 26 en 27). B.2.1. Wat de inbreuken op artikel 12.1. en 12.2. van de AVG juncto artikel 17 van de AVG betreft 117. Met betrekking tot de door klager aangevoerde inbreuken op artikel 12.1. en 12.2. van de AVG wordt niet betwist dat de klager aanvankelijk van de derde verweerder te horen kreeg dat hij zijn verzoek tot verzoek om verwijdering van links aan de eerste verwerende partij moest richten. Er wordt 31 Punten 20 tot 28. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 35/40 evenmin betwist dat toen hij zich tot laatstgenoemde wendde, zij hem doorverwees naar de tweede verwerende partij (punten 13-15). 118. Het feit dat elk antwoord een link naar het juiste formulier bevatte, kon volgens de Geschillenkamer de verwarring die bij klager was ontstaan door deze opeenvolgende verwijzingen naar de ene en de andere entiteit van Google, niet ongedaan maken. Van de betrokkene kan immers niet redelijkerwijs worden verwacht dat hij de rollen en verantwoordelijkheden van elk van de Google-entiteiten kent. 119. Ter ondersteuning van het voorgaande stelt de Geschillenkamer vast dat de tweede verwerende partij de artikelen 12.1. en 12.2. juncto artikel 17 van de AVG niet heeft nageleefd, een tekortkoming die zij ook de derde verwerende partij toerekent ter ondersteuning van de redenering die zij in titel A.4. heeft ontwikkeld. B.2.2. Wat betreft de schending van artikel 12.3. van de AVG juncto artikel 17 van de AVG 120. Zoals hierboven vermeld, wordt niet betwist dat de tweede verweerder pas op 27 april 2021 heeft geantwoord op het verzoek van de klager van 24 februari 2021 (punten 24 en 26). Dit antwoord werd dus meer dan twee maanden na het verzoek van klager gegeven, zonder dat de klager op de hoogte werd gebracht van een verlenging van de termijn waarbinnen Google zich ertoe had verbonden hem te antwoorden, noch, a fortiori, van de redenen die de verlenging van deze termijn zouden hebben gerechtvaardigd. De Geschillenkamer is evenwel van oordeel dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de klager op 24 februari 2021 reeds klacht nr. 2 had ingediend bij de GBA, waarvan de tweede verweerder sinds 26 februari op de hoogte was, toen de raadsman van de klager de raadsman van de tweede verweerder hiervan had ingelicht. Indien er strikt genomen sprake is van een schending van artikel 12.3. van de AVG juncto artikel 17 van de AVG door de tweede verweerder, een schending die trouwens ook aan de derde verweerder kan worden toegerekend ter ondersteuning van de door de Geschillenkamer in titel A.4. ontwikkelde redenering, maakt de Geschillenkamer van meet af aan duidelijk dat zij, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, op deze grond geen sanctie zal opleggen. 121. Daarnaast wijst de Geschillenkamer erop dat het haar bekend is dat het Marktenhof in zijn arresten 2019/AR/1006 van 9 oktober 2019 32 en 2019/AR/1234 van 23 oktober 201933 heeft 32 Het arrest van het Marktenhof is gepubliceerd op de website van de https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/arret-du-9-octobre-2019-de-la-cour-des-marches-disponible-enneerlandais.pdf. GBA: 33 GBA: Het arrest van het Marktenhof is gepubliceerd op de website van https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-23-oktober-2019-van-het-marktenhof.pdf. de Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 36/40 geconcludeerd, zoals de verwerende partijen opmerken, dat overschrijding van de termijn van artikel 12.3. van de AVG "niet op zich bij wijze van een wettelijke regeling is gesanctioneerd". 122. De Geschillenkamer benadrukt niettemin dat de uitoefening van de rechten van de betrokkene pas echt doeltreffend kan zijn wanneer de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is om binnen een redelijke termijn te reageren op de uitoefening van die rechten. Die termijn is door de Europese wetgever vastgesteld op één maand, met enkele uitzonderingen. Zo niet, dan zou de verwerkingsverantwoordelijke de mogelijkheid hebben niet of te laat te reageren, zodat de uitoefening van het recht door de betrokkene volstrekt vergeefs zou zijn. In haar Richtsnoeren inzake transparantie34 stelt Groep 29 dat, hoewel de elementen van het recht op informatie zoals vastgelegd in de artikelen 13 en 14 van de AVG uiteraard aan de betrokkene moeten worden meegedeeld op het moment van verzameling van de gegevens of uiterlijk binnen een maand na ontvangst ervan, er specifieke feitelijke omstandigheden zijn die vereisen dat deze informatie wordt verstrekt vóór het verstrijken van de termijn van een maand, wil zij nuttig blijven. Hetzelfde geldt voor de termijn waarbinnen moet worden geantwoord op een verzoek om uitoefening van een recht zoals bedoeld in artikel 12.3. van de AVG, met name omdat de oorspronkelijke termijn van één maand kan worden verlengd in geval van een complex verzoek, op voorwaarde dat de verwerkingsverantwoordelijke de aanvrager daarvan in kennis stelt. Artikel 12 van de AVG wordt, net als de in hoofdstuk III van de AVG vastgelegde rechten van de betrokkene, ook uitdrukkelijk bestraft door artikel 83.5.b), van de AVG35. 123. De Geschillenkamer is van mening dat, indien zij, quod non, de rechtspraak van het Marktenhof zou volgen (punt 121), zij nog steeds bevoegd zou zijn om een inbreuk op de uitoefening van een recht van de betrokkene, bijvoorbeeld de artikelen 15 of 17 van de AVG, om er maar twee te noemen, vast te stellen en te bestraffen indien geen of een te laat – zelfs gunstig – antwoord zou zijn gegeven. Artikel 12 van de AVG bepaalt immers, zoals reeds is opgemerkt, de wijze waarop de rechten moeten worden uitgeoefend en is derhalve van invloed op de vaststelling van de naleving of de nietnaleving van deze rechten. Betreffende de corrigerende maatregelen en de sancties 124. Volgens artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° de klacht te seponeren; 34 Artikel 83.5.b): "Inbreuken op onderstaande bepalingen zijn overeenkomstig lid 2 onderworpen aan administratieve geldboeten tot 20 000 000 EUR of, voor een onderneming, tot 4 % van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar, indien dit cijfer hoger is: (...)
- b)de rechten van de betrokkenen overeenkomstig de artikelen 12 tot en met 22." 35 Groep 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, WP 260, punten 30-32 en 48. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 37/40 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings van Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 125. In deze zaak werd de Geschillenkamer, gelet op de door de klager ingediende klachten, verzocht een beslissing te nemen over de kwestie of Google terecht weigerde in te gaan op het verzoek van de klager tot verwijdering van de omstreden artikelen. Uit de bovenstaande analyse volgt dat de tweede verweerder inderdaad terecht het verzoek van de klager om verwijdering niet heeft ingewilligd. De Geschillenkamer heeft in dit verband geen tekortkoming door de tweede verweerder vastgesteld (punten 107-108). Wat de derde verwerende partij betreft, kan haar, gelet op de door de Geschillenkamer in titel A.4. ontwikkelde motivering, geen schending worden verweten betreffende deze beweerde tekortkoming. Tot slot is de eerste verwerende partij buiten vervolging gesteld in overeenstemming met de motivering in de voorgaande punten 39-43. 126. Gelet op het voorgaande en op basis van de bevoegdheden die de wetgever haar heeft verleend op grond van artikel 100.1. van de WOG, beslist de Geschillenkamer dan ook om de zaak – althans gedeeltelijk wat de tweede en de derde verweerder betreft (zie infra) – te seponeren in overeenstemming met artikel 100.1., 1° van de WOG. 127. Wat seponering betreft, moet de Geschillenkamer haar beslissing stapsgewijs met redenen omkleden: - en een technische seponering uitspreken indien het dossier geen of onvoldoende elementen bevat die tot een sanctie kunnen leiden of indien er een technische belemmering is in het dossier waardoor zij niet tot een beslissing kan komen; Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 38/40 - of de zaak seponeren om reden van opportuniteit indien, ondanks de aanwezigheid van elementen die tot een sanctie kunnen leiden, een verder onderzoek van het dossier haar niet opportuun lijkt, gelet op haar prioriteiten. 128. Indien de zaak op grond van meer dan één reden (respectievelijk om technische of om opportuniteitsredenen) wordt geseponeerd, moeten de redenen voor de seponering in volgorde van belangrijkheid worden behandeld. 129. In casu beslist de Geschillenkamer dan ook de zaak te seponeren om technische redenen krachtens artikel 100.1., 1° van de WOG, aangezien de Geschillenkamer na onderzoek van de klacht en van de daarin vermelde feiten tot de volgende conclusie komt: - met betrekking tot de eerste verwerende partij: dat haar geen schending kan worden verweten omdat zij niets met de omstreden verwerking te maken heeft (titel A.2.); - met betrekking tot de tweede en de derde verwerende partij: dat zij niet over bewijzen beschikt die zouden kunnen leiden tot de vaststelling van een schending van de AVG door hen met betrekking tot de weigering tot verwijdering die de tweede verwerende partij opwerpt tegen de verzoeken van de klager (punten 100-101). 130. Wat betreft de niet-naleving door de tweede en de derde verwerende partij van artikel 12.1. van de AVG (gebrek aan kwaliteit van het antwoord op het verzoek om gegevenswissing – punt 110) juncto artikel 17.3. van de AVG, en de niet-naleving, eveneens door de tweede en de derde verwerende partij, van artikel 12.1. en 12.2. van de AVG (gebrek aan transparantie en aan facilitering van de rechten van de klager – punt 119) juncto artikel 17 van de AVG, besluit de Geschillenkamer tot een berisping van de derde verwerende partij, gelet op alle omstandigheden van deze zaak. Om de hierboven uiteengezette redenen (punten A.4. en A.5.) beperkt de Geschillenkamer zich ertoe deze sanctie aan de derde verweerder op te leggen, met uitsluiting van de tweede verweerder, niettegenstaande de vaststelling van een tekortkoming van deze laatste. III. Publicatie van de beslissing 131. Gelet op het belang van transparantie in het besluitvormingsproces en de beslissingen van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing op de website van de GBA gepubliceerd met schrapping van de directe identificatiegegevens van de klager en van de genoemde personen, ongeacht of het natuurlijke of rechtspersonen zijn, met uitzondering van de verwerende partijen. 132. De Geschillenkamer specificeert dat de bekendmaking van deze beslissing met vermelding van de identiteit van de verwerende partijen verschillende doelstellingen nastreeft. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 39/40 133. In de eerste plaats streeft de bekendmaking een doelstelling van algemeen belang na, omdat deze beslissing de kwestie van de verantwoordelijkheden (van dochterondernemingen in de Europese Unie) van Google in het kader van de AVG behandelt. Gelet op het belang van de zoekmachine "Google" voor een zeer groot aantal internetgebruikers en op het feit dat op de één of andere manier in de Google-zoekmachine links zijn opgenomen die verwijzen naar heel veel in België verblijvende personen, acht de Geschillenkamer het gepast om deze beslissing openbaar te maken, om zo de internetgebruikers attent te maken op hun rechten op grond van de AVG. Als zodanig is de beslissing, ook al heeft ze rechtstreeks alleen betrekking op de klager, ook van belang voor een groot deel van het grote publiek36. 134. De identificatie van de verweerders is ook noodzakelijk voor een goed begrip van de beslissing en dus voor de verwezenlijking van de doelstelling van transparantie die wordt nagestreefd door het beleid van de Geschillenkamer inzake de publicatie van haar beslissingen. 36 Zie beslissing 37/2020 van de Geschillenkamer, punten 183 e.v. Zie ook beslissing 63/2020 van de Geschillenkamer, punt 30: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-63-2020.pdf. Beslissing ten gronde 38/ 2022 - 40/40 OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit na beraadslaging: - de klachten nr. 1 en nr. 2 tegen de eerste verwerende partij te seponeren op grond van artikel 100, 1°, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: de WOG) om technische reden; - de klachten nr. 1 en nr. 2 tegen de tweede en de derde verwerende partij op grond van artikel 100, 1°, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: de WOG) om technische reden te seponeren, aangezien de klager ten onrechte een schending van artikel 17 van de AVG ten aanzien van laatstgenoemden heeft aangevoerd, maar enkel voor zover "Google" heeft geweigerd om de verwijzing naar de omstreden artikelen te verwijderen; - de derde verwerende partij een berisping te geven op grond van artikel 100, 5°, van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: de WOG), gelet op de inbreuken op de artikelen 12.1. en 12.2. juncto artikel 17 van de AVG, zoals uiteengezet in deze beslissing. Krachtens artikel 108, § 1 van de WOG kan tegen deze beslissing binnen 30 dagen na de kennisgeving ervan beroep worden ingesteld bij het Marktenhof, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verwerende partij. (ondertekend). Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer