1/6 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 41/2022 van 18 maart 2022 Dossiernummer : DOS-2020-03145 / DOS-2020-3155 / DOS-2020-03156 Betreft : Oneigenlijk gebruik van e-mailadressen De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter en de heren Dirk Van Der Kelen en Christophe Boeraeve, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; heeft de volgende beslissing genomen inzake: . De klagers: Mevr. X1, hierna “klager 1”; . De heer X2, hierna “klager 2”; . De heer X3, hierna “klager 3”; De verweerder: Mevr. Y, hierna “de verweerder” Beslissing ten gronde 41/2022 - 2/6 I. Feiten en procedure 1. Op 29 juni 2020 dienden de klagers elk afzonderlijk een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerder. Het voorwerp van de klacht betreft het gebruik door de verweerder, schepen van de gemeente (…), van e-mailadressen verkregen via het algemeen mailadres van de gemeente (…) in het kader van een oproep naar vrijwilligers voor de bedeling van mondmaskers, om de vrijwilligers persoonlijk te contacteren via haar eigen professionele e-mailadres (…). 2. Op 6 juli 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, §1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 3. Op 23 september 2020 beslist de Geschillenkamer om de drie klachten te voegen, aangezien het voorwerp van de klacht hetzelfde is. Op grond van artikel 95, §1, 1° en artikel 98 WOG wordt eveneens beslist dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde en worden de betrokken partijen in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, §2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 3 november 2020, deze voor de conclusie van repliek van de klagers op 24 november 2020 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 15 december 2020. 4. Op 23 september 2020 vraagt klager 3 een kopie van het dossier (art. 95, §2, 3° WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 21 oktober 2020. 5. Op 29 oktober 2020 stelt de verweerder dat verweermiddelen zullen worden ingediend en geeft te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 6. Op 2 november 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder. Zij stelt dat zij als schepen van communicatie op 19 mei 2020 de toestemming kreeg van het College van Burgemeester en Schepenen om de coördinatie en communicatie te doen van de bedeling van de mondmaskers in samenspraak met een ambtenaar. De gegevens die de vrijwilligers hebben opgegeven, werden volgens de verweerder enkel gebruikt voor het doel waarvoor ze bestemd waren, namelijk de organisatie van de bedeling van mondmaskers. Zij heeft zich gericht tot de vrijwilligers als schepen van communicatie via haar gemeentelijk e-mailadres en uitsluitend voor het beoogde doel. De bestemmelingen van de e-mail werden in “bcc” geplaatst en de e-mailadressen werden na de verzending van de uitnodiging gewist. Beslissing ten gronde 41/2022 - 3/6 7. Op 23 november 2020 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van klagers 1 en 2 waarin wordt gesteld dat vooralsnog bewijs ontbreekt dat de verweerder de toestemming had verkregen van het College van Burgemeester en Schepenen en de algemeen directeur. Klagers 1 en 2 voegen toe dat een beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen niet strijdig mag zijn met de geldende wetgeving. Diezelfde dag ontvangt de Geschillenkamer eveneens de conclusie van repliek van klager 3. Deze bevat, in hoofdlijnen, de stelling dat de mondmaskerbedeling ambtelijk werd toegewezen en niet aan een mandataris. De verweerder is geen verwerker of verwerkingsverantwoordelijke. Er zou volgens klager 3 een onverenigbare verdere verwerking hebben plaatsgevonden en hij verwijst daartoe naar artikel 75, 2° van de wet van 30 juli 20181. Ook voor wat betreft de rechtsgrond baseert klager 3 zich op de wet van 30 juli 2018, inzonderheid artikel 74, 4°. 8. De verweerder heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om nog een conclusie van repliek in te dienen. 9. Op 13 januari 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 10 maart 2022. 10. Op 10 maart 2022 worden klager 3 en de verweerder gehoord door de Geschillenkamer. Klagers 1 en 2 zijn niet verschenen. 11. Op 11 maart 2022 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 12. Op 11 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de reactie van de verweerder dat deze geen opmerkingen heeft met betrekking tot de samenvatting van hetgeen op de hoorzitting is naar voor gebracht. 13. Op 17 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager de mededeling dat hij geen opmerkingen heeft met betrekking tot het proces-verbaal. Wel brengt hij een precisering aan, dewelke de Geschillenkamer beslist mee op te nemen in haar beraad. II. Motivering 14. De klagers werpen op dat hun e-mailadressen aan de hand waarvan zij zich hadden gericht tot het algemeen mailadres van de gemeente (…) teneinde zich op te geven als kandidaat-vrijwilliger voor de bedeling van mondmaskers, werden aangewend door de verweerder om hen persoonlijk te contacteren. De klagers voeren aan dat de verweerder geen toegang tot de betreffende emailadressen mocht krijgen en deze persoonsgegevens aldus niet mocht verwerken, aangezien de verweerder deze gegevens niet nodig had voor het uitvoeren van haar functie. De klagers steunen 1 Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens Beslissing ten gronde 41/2022 - 4/6 hun argument op de afwezigheid van enige beslissing van het schepencollege waarin de verweerder een taak zou zijn toegewezen in het kader van de organisatie van de vrijwilligerswerking bij de bedeling van mondmaskers. 15. De Geschillenkamer stelt vast dat de e-mailadressen van de klagers door henzelf uit eigen beweging werden verstrekt als vrijwilligers binnen het kader van de door de gemeente georganiseerde bedeling van mondmaskers. De gemeente moet worden aangemerkt als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4. 7) AVG 2, aangezien zij de instantie is die het doel en de middelen voor de verwerking van de persoonsgegevens, in casu de betreffende emailadressen, bepaalt. De rechtsgrond3 voor de gemeente om de persoonsgegevens van de vrijwilligers – waaronder dus hun e-mailadressen – te verwerken, is de noodzaak om een taak van algemeen belang te vervullen (artikel 6.1
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.