← België

Beslissing ten gronde nr. 53/2026

1/10 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 53/2026 van 10 maart 2026 Dossiernummer : DOS-2025-00839 Betreft : Klacht inzake de naleving van de informatieverplichting bij de verwerking van loggegevens op het burgerplatform « MyMinfin » De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, vertegenwoordigd door meesters Tim Melis en Thomas Martens, advocaten, hierna “de klager”; De verweerder: Federale Overheidsdienst Financiën, met maatschappelijke zetel te Koning Albert II-laan 33 bus 1, 1030 Schaarbeek, met ondernemingsnummer 0308.357.159, vertegenwoordigd door meesters Frederic Debusseré, Ruben Roex en Jolien Clemens, advocaten, hierna “de verweerder of “FOD Financiën”. Beslissing ten gronde 53/2026 — 2/10 I. 1. Feiten en procedure Op 25 februari 2025 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit. De klager voert op het ogenblik van de indiening van de klacht een gerechtelijke procedure tegen de verweerder met betrekking tot een aanslag in de personenbelasting. De klager legt uit dat een onderdeel van dit geschil het tijdstip betreft waarop hij kennis heeft genomen van het aanslagbiljet, aangezien dit tijdstip van kennisname doorslaggevend is voor de vraag of hij tijdig bezwaarschrift heeft ingediend tegen voormelde aanslag. 2. In het kader van voornoemde gerechtelijke procedure, heeft de behandelende ambtenaar van de FOD Financiën een afschrift van data bijgebracht die worden verzameld op het online platform « MyMinfin ». Op dit online platform kunnen burgers hun fiscaal dossier beheren, hun persoonlijke fiscale documenten raadplegen en online diensten van de FOD Financiën gebruiken. Uit voornoemd afschrift leidt de klager af dat de FOD Financiën gegevens bijhoudt over de handelingen die hij op het platform verricht, zoals onder meer: welke documenten hij raadpleegt, het exacte tijdstip van die raadpleging, alsmede de vraag of deze documenten op papier werden afgedrukt. 3. Het voorwerp van de klacht betreft de vermeende niet-naleving door de verweerder van de op haar rustende transparantieverplichtingen krachtens de AVG. De klager voert aan dat de verweerder hem op geen enkele wijze heeft geïnformeerd over de verzameling en verdere verwerking van zijn loggegevens via het online burgerplatform « MyMinfin ». Volgens de klager is deze informatie evenmin terug te vinden op de website van de FOD Financiën, noch in de daar gepubliceerde cookieverklaring. De klager stelt voorts dat hij op 20 augustus 2024 via zijn raadslieden bij de verweerder een verzoek tot inzage heeft ingediend overeenkomstig artikel 15 AVG. Dit verzoek strekte er met name toe de in artikel 15.1 AVG bedoelde informatie te verkrijgen met betrekking tot voornoemde verwerking. De klager voert aan dat hij op 14 november 2024 de bevestiging van de verweerder kreeg dat de informatie omtrent de verwerking van loggegevens op « MyMinfin » nog niet werd opgenomen in haar privacyverklaring, doch dat zij werkt aan een nieuwe versie van een privacyverklaring die deze informatie wel zal opnemen. 4. Op 28 februari 2026 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 5. Op 5 juni 2025 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. Op dezelfde datum worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Beslissing ten gronde 53/2026 — 3/10 De partijen werden gevraagd hun verweermiddelen aangaande de volgende vermeende inbreuken te formuleren: ▪ Vermeende schending van de artikel 12.3 AVG, aangezien de verweerder zou hebben nagelaten om binnen één maand na ontvangst van het inzageverzoek krachtens artikel 15 AVG de klager te informeren over de afhandeling van zijn verzoek, dan wel de redenen mede te delen waarom niet binnen deze termijn aan het verzoek kon worden voldaan. ▪ Vermeende schending van artikel 5.1.

  1. a)en artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG aangezien de verweerder voor wat betreft het verwerken van loggegevens op het online burgerplatform « MyMinfin » zou hebben nagelaten om de in die bepalingen opgesomde informatie op transparante wijze aan de betrokkenen te verstrekken. II. Motivering II.1. Afbakening van het voorwerp van het geschil 6. De Geschillenkamer stelt vast dat de klager in zijn conclusie van 16 september 2025 nieuwe vermeende inbreuken op de AVG aanvoert die geen deel uitmaakten van het voorwerp van de klacht zoals deze oorspronkelijk werd ingediend bij de Eerstelijnsdienst en nadien aan de Geschillenkamer werd overgemaakt. Bijgevolg werden de partijen in de brief van de Geschillenkamer van 5 juni 2025 niet uitgenodigd om hierover standpunt in te nemen. 7. De verweerder voert hieromtrent in haar syntheseconclusie aan dat de klager de scope van het geschil zodoende heeft verruimd. Desalniettemin gaat zij in op de door de klager opgeworpen aantijgingen. 8. Met inachtneming van de rechten van verdediging 1, besluit de Geschillenkamer om de nieuw aangedragen aantijgingen buiten beschouwing te laten en zich in onderhavige beslissing uitsluitend uit te spreken over de in de conclusiebrief geformuleerde aantijgingen. II.2. Aangaande middel van de verweerder met betrekking tot het klachtenformulier 9. In haar syntheseconclusie van 8 oktober 2025 voert de verweerder aan dat een gedeelte van het klachtenformulier onleesbaar zou zijn. Meer bepaald stelt zij dat zij onder de rubriek “1. Beschrijving van de verwerking van persoonsgegevens waarover uw klacht gaat” slechts de eerste vijf regels van de door de klager ingevulde tekst zou kunnen lezen. 1 In het bijzonder, het recht van de verweerder om op de hoogte te worden gebracht van de aard en de redenen van de tegen hem uitgebrachte aantijgingen, en het recht te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van haar verdediging (artikel 6.3 EVRM). Beslissing ten gronde 53/2026 — 4/10 10. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder hiermee kennelijk verwijst naar de afdruk van het klachtenformulier zoals gevoegd bij haar e-mail van 28 augustus 2025. Deze e-mail werd evenwel op verzoek van de verweerder aan haar overgemaakt en had uitsluitend tot doel haar in kennis te stellen van de bijlagen bij de klacht, met name de door de klager toegevoegde communicatie tussen de partijen. Deze bijkomende verzending strekte er derhalve niet toe om het oorspronkelijke klachtenformulier opnieuw of integraal over te maken. De Geschillenkamer benadrukt dat het volledige en originele klachtenformulier reeds op 5 juli 2025 aan de verweerder werd overgemaakt tezamen met de uitnodiging tot concluderen. Bovendien merkt de Geschillenkamer op dat de verweerder zich in haar conclusies inhoudelijk heeft verweerd tegen alle door de klager aangevoerde punten, hetgeen aantoont dat zij daadwerkelijk kennis heeft genomen van de volledige inhoud van de originele klacht en zich daartegen heeft kunnen verdedigen. 11. Om bovenvermelde redenen, oordeelt de Geschillenkamer het door de verweerder aangedragen middel, en met name dat zij geen volledige inzage zou hebben gekregen in het klachtenformulier, ongegrond. II.3. Betreffende de termijn voor het antwoorden op het inzageverzoek van de klager (artikel 12.3 AVG). Stanpunt van de verweerder 12. De verweerder voert aan dat zij artikel 12.3 AVG geenszins heeft geschonden gezien het verzoek tot inzage dd. 20 augustus 2024 ten persoonlijke titel werd ingediend door de raadslieden van de klager, zonder dat de naam van de klager op enige wijze in het verzoek werd vermeld. De advocaten van de klager hebben tevens nergens vermeld dat zij namens de klager optraden. Om die reden stelt zij dat zij nooit een inzageverzoek van de klager heeft ontvangen, waardoor het haar per definitie niet verweten kan worden niet tijdig geantwoord te hebben. 13. Met betrekking tot de pertinente feiten voert de verweerder daarnaast aan dat zij voor het eerst op 16 september 2024 op het inzageverzoek heeft geantwoord, en niet pas op 14 november 2024, zoals verkeerdelijk weerhouden door de klager. In haar antwoord van 16 september 2024 meldt de verweerder dat zij zich genoodzaakt ziet om in toepassing van artikel 12.3 AVG de antwoordtermijn te verlengen tot 20 november 2025, gelet op de complexiteit van het verzoek. De verweerder heeft vervolgens binnen deze verlengde termijn een inhoudelijk antwoord geformuleerd op het verzoek, waarna zij geen verdere vragen of opmerkingen meer heeft ontvangen vanwege de klager of diens raadslieden. Zij ging er aldus vanuit dat het verzoek tot inzage voldoende werd beantwoord. Beslissing ten gronde 53/2026 — 5/10 Standpunt van de klager 14. De klager voert aan dat hij zijn recht van inzage daadwerkelijk en effectief heeft uitgeoefend via zijn advocaten. Deze waren krachtens hun mandaat ad litem gerechtigd om het inzageverzoek namens hem te formuleren en in te dienen. Volgens de klager rust er geen verplichting op advocaten om hun mandaat in die context bijkomend aan te tonen. 15. Overigens stelt de klager zich vragen bij de kwalificatie van zijn inzageverzoek als ‘complex’. Het verzoek van de klager beperkte zich immers uitsluitend tot het bekomen van de informatie zoals bedoeld in artikel 15.1 AVG, hetgeen naar verwachting eenvoudig kan worden teruggevonden in de interne documentatie van de verweerder. Oordeel de Geschillenkamer 16. De Geschillenkamer benadrukt dat het recht van inzage uit artikel 15 AVG in wezen een subjectief recht is dat drie onderscheiden componenten omvat. In de eerste plaats heeft de betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over de vraag of hem betreffende persoonsgegevens al dan niet worden verwerkt. Indien dit het geval is, beschikt hij ten tweede over het recht om inzage te krijgen in die persoonsgegevens. Ten derde heeft hij recht op informatie over de verwerking van deze gegevens, zoals opgenomen in artikel 15.1.
  2. a)t.e.m.
  3. h)AVG en artikel 15.2 AVG. 17. De Geschillenkamer stelt in casu vast dat het inzageverzoek van 20 augustus 2025 inderdaad werd ingediend door de advocaten van de klager, zonder dat deze de identiteit van de klager meedelen. Daarnaast stelt de Geschillenkamer vast dat het inzageverzoek de facto overeenkomt met een verzoek om algemene informatie over de verwerking van loggegevens door de verweerder via de toepassing « MyMinfin ». Het verzoek vermeldt op geen enkele wijze dat een kopie van persoonsgegevens wordt verlangd, doch heeft enkel betrekking op de “informatiecomponent” zoals opgenomen in artikel 15.1.
  4. a)t.e.m.
  5. h)AVG: “Wij contacteren u met een aanvraag tot informatie met betrekking tot een toepassing die wordt beheerd door de FOD Financiën, namelijk MyMinFin. […] Blijkbaar houdt deze toepassing talrijke informatie bij over de handelingen die een rechtsonderhorige stelt op deze toepassing […]. Daarom verzoeken wij u om mededeling te krijgen van de volgende informatie over de verwerking: • de vewerkingsdoeleinden; • de betrokken categorieën van deze persoonsgegevens; • de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie deze persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt; Beslissing ten gronde 53/2026 — 6/10 • indien mogelijk, de periode gedurende welke deze persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen; • de rechten die rechtsonderhorigen kunnen laten gelden met betrekking tot deze verwerking van persoonsgegevens; • alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens; • wanneer deze persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, informatie over de passende waarborgen inzake deze doorgifte; • waar in het privacybeleid van de FOD Financiën melding wordt gemaakt van de verwerking van deze persoonsgegevens.”2 18. De Geschillenkamer benadrukt dat het inzagerecht enkel kan worden uitgeoefend voor persoonsgegevens “betreffende” de betrokkene. De informatie-elementen opgesomd onder
  6. a)tot en met
  7. h)van artikel 15.1 AVG, waaronder de verwerkingsdoeleinden, de categorieën van persoonsgegevens, de ontvangers, de bewaartermijn en het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, moeten niet in abstracto verstrekt worden, maar in functie van de concrete verwerking van persoonsgegevens van een betrokkene die door de verwerkingsverantwoordelijke kan worden geïdentificeerd. Een verzoek dat uitsluitend strekt tot het verkrijgen van algemene informatie over een verwerkingsactiviteit, zoals hier aan de orde, kan niet worden aangemerkt als een verzoek in de zin van artikel 15 AVG.3 19. Gezien de Geschillenkamer vaststelt dat het verzoek van 20 augustus 2025 zoals ingediend door de advocaten van de klager geen inzageverzoek in de zin van artikel 15 AVG vormt, oordeelt zij dat de verweerder geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 12.3 AVG. II.4. Aangaande de transparantie omtrent de informatie over verwerking van loggegevens via de toepassing « MyMinfin » (artikel 5.1.
  8. a)en artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG) Standpunt van de klager 20. De klager voert aan dat de verweerder hem op het moment van verkrijging van zijn persoonsgegevens niet heeft geïnformeerd over de verzameling en verdere verwerking van zijn loggegevens via het online burgerplatform « MyMinfin ». Volgens de klager is deze informatie evenmin terug te vinden op de website van de FOD Financiën, noch in de daar gepubliceerde privacy- en cookieverklaring. Standpunt van de verweerder 2 Uit het verzoek van 20 augustus 2024 zoals toegevoegd door de klager. 3 EDPB, Richtsnoeren 01/2022 over de rechten van betrokkenen – Recht van inzage, Versie 2.1., 30 mei 2024, para. 44 Beslissing ten gronde 53/2026 — 7/10 21. In haar antwoord op het verzoek van de klager van 14 november 2024 geeft de verweerder aan dat deze informatie inderdaad nog niet werd opgenomen in haar privacyverklaring, doch dat zij op dat ogenblik reeds werkt aan een nieuwe versie waarin de informatie zal worden opgenomen. Tevens in haar conclusies erkent zij deze tekortkoming. 22. In haar conclusies stelt de verweerder dat zij haar privacyverklaring inmiddels heeft aangepast en dat deze via de MyMinfin-website raadpleegbaar is, zowel voor als na het inloggen. Oordeel van de Geschillenkamer 23. De Geschillenkamer wijst op artikel 5.1.
  9. a)AVG, waarin onder meer het transparantiebeginsel is verankerd. Dit artikel schrijft voor dat persoonsgegevens verwerkt moeten worden op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is. De nadere concretisering van dit transparantiebeginsel is opgenomen in de artikelen 12.1, 13 en 14 AVG, waarin de op de verwerkingsverantwoordelijke rustende transparantie- en informatieverplichtingen zijn vastgelegd. 24. De Geschillenkamer herinnert eraan dat, wanneer persoonsgegevens rechtstreeks bij de betrokkene worden verzameld, de verwerkingsverantwoordelijke de in artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG opgesomde informatie dient mee te delen aan de betrokkene op het moment van verkrijging van de persoonsgegevens. Ingevolge artikel 12.1 AVG dient deze informatie in beginsel schriftelijk te worden verstrekt in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in een duidelijke en eenvoudige taal. 25. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder de persoonsgegevens van de klager via de toepassing Myminfin heeft verzameld, zonder de in artikel 13 AVG opgesomde informatie mede te delen op het moment van de verkrijging ervan. Gezien de verweerder deze tekortkoming bovendien zelf toegeeft, oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder een inbreuk heeft gepleegd op artikel 5.1.
  10. a)AVG en artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG. 26. De Geschillenkamer stelt evenwel vast dat de aangepaste privacyverklaring, mede in het licht van artikel 11 van de wet van 3 augustus 2021 4 die op de verweerder van toepassing is, 4 Artikel 11, §1, van de Wet van 3 augustus 2012 houdende bepalingen betreffende de verwerking van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst Financiën in het kader van zijn opdrachten, zoals gewijzigd door de Wet van 5 september 2018 tot oprichting van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/E: “§1 In afwijking van de artikelen 13 en 14 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), kan het recht op informatie worden uitgesteld, beperkt of uitgesloten voor wat betreft verwerkingen van persoonsgegevens waarvan de Federale Overheidsdienst Financiën verwerkingsverantwoordelijke is om de doelstellingen van algemeen belang van monetaire, budgettaire en fiscale aangelegenheden te waarborgen, en voor zover artikel 14, lid 5, d), in het specifieke geval niet kan worden ingeroepen. […] Onverminderd de bewaring die noodzakelijk is voor de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of Beslissing ten gronde 53/2026 — 8/10 de in artikel 13 AVG opgesomde informatie op het eerste zich voldoende duidelijk en transparant lijkt weer te geven, waardoor aan voormelde inbreuk werd geremedieerd. III. Sancties en corrigerende maatregelen 27. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° de klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings van Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. statistische doeleinden bedoeld in artikel 89 van Verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), worden de persoonsgegevens die voortkomen uit de in het eerste lid bedoelde afwijking niet langer bewaard dan noodzakelijk voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, met een maximale bewaartermijn die één jaar na de definitieve beëindiging van de rechterlijke, administratieve en buitengerechtelijke procedures en beroepen die voortvloeien uit de beperking van de rechten van de betrokkene bedoeld in het eerste lid niet mag overschrijden.” Beslissing ten gronde 53/2026 — 9/10 28. Gelet op de vaststelling van een inbreuk op de artikel 5.1.
  11. a)AVG en artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG, alsmede op het feit dat de niet-naleving van de daarin opgenomen informatieverplichtingen mogelijk gevolgen heeft voor een groot aantal betrokkenen, acht de Geschillenkamer het passend om op grond van artikel 58.2.
  12. b)AVG en artikel 100, §1, 5° WOG een berisping te formuleren. Bij het formuleren van deze sanctie houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de naleving van de verplichtingen tot informatie uit artikel 13 AVG essentieel is, gezien het betrokkenen in staat om op geïnformeerde wijze hun rechten uit te oefenen en controle te behouden over de verwerking van hun persoonsgegevens. Daarnaast houdt de Geschillenkamer rekening met de voorbeeldfunctie die FOD Financiën heeft als verwerkingsverantwoordelijke van grote hoeveelheden persoonsgegevens van alle belastingplichtige inwoners van België, overigens zonder dat de Geschillenkamer een administratieve geldboete kan opleggen 5, alsook met het feit dat de verweerder de inbreuk inmiddels heeft geremedieerd. IV. Publicatie van de beslissing 29. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing Gegevensbeschermingsautoriteit. Het is gepubliceerd evenwel niet op de nodig website dat van de daartoe de identificatiegegevens van de klager in de publiek toegankelijke versie worden bekendgemaakt. 30. Gelet op de hoedanigheid van overheidsinstantie van de verweerder is de Geschillenkamer daarentegen van oordeel dat het opportuun en aangewezen is om de identificatiegegevens van de verweerder wel publiek bekend te maken, temeer daar de verweerder hoe dan ook rechtstreeks identificeerbaar is op basis van de beschrijving van de feiten en de context van de verwerkingen die het voorwerp uitmaken van de klacht. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - Op grond van artikel 58.2.
  13. b)AVG en artikel 100, §1, 5° WOG, ten aanzien van de verweerder een berisping te formuleren voor de schending van artikel 5.1.
  14. a)AVG en artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG; 5 Zie artikel 221, § 2 van de Privacywet van 30 juli 2018. Beslissing ten gronde 53/2026 — 10/10 Op grond van artikel 108, § 1 van de WOG, kan binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving tegen deze beslissing beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep Brussel), met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Een dergelijk beroep kan worden aangetekend middels een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek opgesomde vermeldingen dient te bevatten 6. Het verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.7, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (Get). Hielke HIJMANS Directeur van de Geschillenkamer 6 7 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.