1/11 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 55/2024 van 9 april 2024 Dossiernummer : DOS-2022-05244 Betreft : Klacht wegens niet/onvoldoende meedelen van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Frank De Smet, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: de heer X, hierna “de klager”; en De verweerder: Y, vertegenwoordigd door Mr. Anneleen Van de Meulebroucke en Mr. Laure Mortier, beiden kantoorhoudende te 1050 Brussel, Louizalaan 90, hierna “de verweerder”. Beslissing ten gronde 55/2024 — 2/11 I.
- Feiten en procedure De verweerder werd in de nacht van 5 op 6 december 2022 het slachtoffer van een ransomware aanval door een hackersgroep (hierna: cyberaanval).
- Op 18 december 2022 heeft de klager een e-mail gericht aan de verweerder met vragen omtrent de impact van de cyberaanval op zijn persoonsgegevens. De klager stelt op dat moment geen informatie te hebben ontvangen via de media, noch aan hem rechtstreeks (via e-mail, sms, brief,…) omtrent de eventuele hoge impact op zijn privacy zoals omschreven in artikel 34 AVG. De klager wenst te vernemen welke verdachte acties hij in de gaten moet houden of waar hij terecht kan.
- Op 21 december 2022 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen verweerder.
- Op 22 december 2022 informeert de verweerder de klager o.a. omtrent het feit dat er geen indicaties waren dat burgergegevens zouden zijn buitgemaakt. Daarbij verwijst de verweerder eveneens naar zijn website waar een pagina werd voorzien waarop meer informatie beschikbaar was over de cyberaanval. De verweerder wijst erop dat deze pagina op de website beschikbaar was vanaf 21 december
- Op 27 december 2022 maakt de klager een kopie over van de informatie over de cyberaanval zoals die beschikbaar was op de website van de verweerder aan de Geschillenkamer ter aanvulling op zijn klacht.
- Op 4 augustus 2023 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
- Op 18 september 2023 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
- Op 18 september 2023 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder vastgelegd op 30 oktober 2023, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 20 november 2023 en ten slotte deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 11 december
- Op 28 september 2023 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3° WOG), dewelke hem werd overgemaakt op 2 oktober
- Beslissing ten gronde 55/2024 — 3/11
- Op 19 september 2023 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak.
- Op 12 oktober 2023 aanvaardt de verweerder elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft hij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG.
- Op 30 oktober 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht en de procedure voert de verweerder in hoofdorde aan dat de procedure is aangetast wegens ongeldige rechtsingang alsook enkele procedurele punten waardoor de rechten van verdediging zouden zijn geschonden. In ondergeschikte orde betreffende de ontvankelijkheid betoogt de verweerder dat de klacht van de klager onontvankelijk is bij gebrek aan eigen belang, bij gebrek van de mogelijkheid om namens een collectief belang te handelen en wegens het verdwijnen van het voorwerp van de klacht. Met betrekking tot de gegrondheid van de klacht, werpt de verweerder in hoofdorde op dat hij in ieder geval artikel 34 AVG wel heeft nageleefd. De verweerder stelt dat er geen verplichting was om betrokkenen te informeren op basis van artikel 34 AVG, maar dat hij dat niettemin toch gedaan heeft. Het was daarbij niet mogelijk om de betrokkenen individueel te informeren. In ondergeschikte orde voert de verweerder aan dat de klager wel degelijk geïnformeerd was en bijgevolg geen bewijs van de vermeende inbreuk aanbrengt.
- Op 17 november 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. De klager voert aan dat hij sinds 2020 en dus ook ten tijde van de cyberaanval woont in [XXX] en dat sinds vele jaren het kantoor van zijn vennootschap in [XXX] gelegen is. De klager wijst erop dat de klacht werd ingediend voor alle betrokkenen als goede burger. Vervolgens betoogt de klager dat hij sinds de cyberaanval, en voorafgaand aan zijn klacht bij de GBA, op geen enkele wijze geïnformeerd werd over de mogelijke privacy-impact voor zichzelf, en dat dit duidelijk blijkt uit de stukken van vóór 19 december 2022 die de verweerder aanhaalt. Ten gronde voert de klager aan dat de verweerder iedereen/alle betrokkenen zo snel mogelijk had moeten informeren, in plaats van te wachten op wat de echte/potentiële impact is op de verwerking van persoonsgegevens. Na forensisch onderzoek en het hiermee gepaarde voortschrijdend inzicht kan bericht worden over een eventuele inperking van mogelijke doelgroepen, soorten gegevens, aantal betrokkenen etc. Voor wat betreft de inhoud van de communicatie van de verweerder naar aanleiding van de cyberaanval voert de klager aan dat deze hoofdzakelijk ging over de cyberaanval en de onbeschikbaarheid van de diensten, eerder dan over de mogelijke privacy-impact voor de burger.
- Op 11 december 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van dupliek van de verweerder. In deze syntheseconclusie herneemt de verweerder zijn standpunten van de conclusie van antwoord. Beslissing ten gronde 55/2024 — 4/11
- Op 1 februari 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 20 maart
- Op 20 maart 2024 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer.
- Op 29 maart 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
- Op 29 maart 2024 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager het bericht dat deze geen enkele opmerking met betrekking tot het proces-verbaal van de hoorzitting heeft.
- Op 2 april 2024 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder het bericht dat deze twee opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal van de hoorzitting heeft, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. II. Motivering II.
- Ontvankelijkheid van de klacht
- De Geschillenkamer gaat allereerst in op de argumenten van de verweerder met betrekking tot de ontvankelijkheid van de klacht.
- Voor wat betreft de ontvankelijkheid van de klacht en de rechtmatigheid van de procedure voert de verweerder in hoofdorde twee middelen aan. Het eerste middel luidt dat de procedure is aangetast wegens een ongeldige rechtsingang en het tweede middel luidt dat de beslissing van de Geschillenkamer geen blijk geeft van de naleving van artikel 4, §3 WOG en algemene bepalingen van behoorlijk bestuur. In ondergeschikte orde betoogt de verweerder dat de klacht onontvankelijk is bij gebrek aan eigen persoonlijk belang van de klager, bij gebrek aan de mogelijkheid om in het collectief belang te handelen en wegens het verdwijnen van het voorwerp van de klacht. II.1.
- Kennisgeving van beslissing inzake ontvankelijkheid en beslissing inzake het gereed zijn, de motiveringsplicht en beginselen van behoorlijk bestuur Standpunt van de verweerder
- De verweerder stelt dat, voor zover dat kan worden nagegaan op basis van de gegevens waarover hij momenteel beschikt, de Eerstelijnsdienst op 4 augustus 2023 de klacht van klager ontvankelijk zou hebben verklaard en aan de Geschillenkamer hebben overgemaakt. De verweerder voegt daaraan toe dat het voor hem onbekend is of er een beslissing van de Eerstelijnsdienst bestaat. Het mailbericht zelf bevat geen enkele motivering in dat verband. Het mailbericht bevat ook geen bijlage, zoals bijvoorbeeld de desbetreffende beslissing van de Eerstelijnsdienst waarin een motivering kan worden gevonden. Nochtans bepaalt artikel 4, §3 WOG: “Elke juridisch bindende beslissing van de Gegevensbeschermingsautoriteit wordt gedateerd, ondertekend en met redenen omkleed en vermeldt het rechtsmiddel dat Beslissing ten gronde 55/2024 — 5/11 tegen de beslissing kan worden ingesteld.” De beslissing van de Eerstelijnsdienst is een dergelijke juridische beslissing volgens de verweerder. Als orgaan van een administratieve overheid is de Eerstelijnsdienst bovendien gebonden door algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het motiveringsbeginsel volgens dewelke iedere beslissing verantwoord moet worden op basis van motieven die in feite en in rechte aanwezig zijn en daarnaast ook pertinent en juist moeten zijn. Bij niet-naleving van het motiveringsbeginsel, zoals in casu het geval, is de beslissing nietig, zo concludeert de verweerder.
- Voor wat betreft het tweede middel, nl. “de beslissing van de Geschillenkamer geeft geen blijk van de naleving van artikel 4, §3 WOG en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur”, stelt de verweerder dat hij niet in kennis werd gesteld van enige beslissing van de Geschillenkamer. De verweerder beweert dat de Geschillenkamer de motiveringsplicht niet heeft gerespecteerd doordat de motieven op basis waarvan de Geschillenkamer oordeelde dat het dossier gereed was voor behandeling ten gronde (artikel 95, § 1, 1° WOG) hem niet ter kennis werd gebracht waardoor het voor de verweerder onduidelijk is waarom de Geschillenkamer niet heeft geoordeeld om gebruik te maken van de mogelijkheden voorzien in artikel 95, § 1, 2°- 8° WOG.
- In een e-mail van 9 augustus 2023 informeerde de Geschillenkamer de klager bovendien over het feit dat zijn klacht wordt onderzocht, waaruit klager reeds op 9 augustus 2023 kon afleiden dat de Eerstelijnsdienst de klacht van klager ontvankelijk had verklaard. Verweerder had die info niet. Dit vormt een schending van het beginsel van wapengelijkheid, dat vervat is in het ruimer beginsel van het recht op een eerlijk proces van artikel 6 EVRM, zo betoogt de verweerder. Bovendien komt dit neer op een schending van een aantal andere algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het onpartijdigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het fair-play beginsel. Beoordeling door de Geschillenkamer
- De Geschillenkamer verduidelijkt dat de beslissing van de Eerstelijnsdienst tot ontvankelijkheid van de klacht is opgenomen in een e-mail gericht aan de Geschillenkamer. De betreffende e-mail maakt integraal deel uit van het administratief dossier. De Geschillenkamer heeft ingevolge daarvan de procedure tot behandeling ten gronde aangevat. De Geschillenkamer brengt de partijen (zowel klager, als verweerder) in één enkele brief op de hoogte van zowel de ontvankelijkheid van de klacht overeenkomstig artikel 61 WOG – deze bepaling vereist sensu stricto dat enkel de klager in kennis wordt gesteld van de ontvankelijkheid van zijn klacht – als het aanvatten van de procedure ten gronde met daarin alle informatie overeenkomstig artikel 98 WOG juncto artikel 95, §2 WOG. Dienaangaande is de Geschillenkamer van oordeel dat de mail dd. 9 augustus 2023 aan de klager dat het dossier nog in behandeling is, geen enkel nadeel ten aanzien van verweerder heeft veroorzaakt. Beslissing ten gronde 55/2024 — 6/11
- Met betrekking tot de beslissing inzake ontvankelijkheid, alsook de beslissing dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde, verwijst de Geschillenkamer dan ook naar dezelfde e-mail d.d. 18 september 2023 met de brief die daaraan werd gehecht als bijlage, waarin partijen uitdrukkelijk in kennis worden gesteld van het feit dat de klacht op 4 augustus 2023 door de Eerstelijnsdienst werd ontvankelijk verklaard en de Geschillenkamer heeft beslist dat het gereed is voor behandeling ten gronde. Dit betekent aldus dat de brief met conclusiekalender als dusdanig geldt als kennisgeving aan de partijen, zowel van de beslissing inzake ontvankelijkheid als inzake het gereed zijn voor behandeling ten gronde, zodat aldus zowel artikel 61 WOG, als artikel 98 WOG juncto artikel 95, §2 WOG werden gerespecteerd.
- In zoverre de verweerder opwerpt dat de beslissing van de Eerstelijnsdienst inzake de ontvankelijkheid van de klacht niet aangeeft op welke motieven deze beslissing steunen, heeft het Marktenhof in haar arrest van 1 december 2021 reeds gesteld: “Overeenkomstig artikel 60 WOG onderzoekt de Eerstelijnsdienst of de klacht of het verzoek ontvankelijk is. Een klacht is ontvankelijk wanneer: zij opgesteld is in één van de landstalen; een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij betrekking heeft; zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit. De beslissing inzake de ontvankelijkheid van de klacht of het verzoek wordt ter kennis gebracht van de klager of de verzoeker (artikel 61 WOG). De ontvankelijke klachten worden door de Eerstelijnsdienst overgemaakt aan de Geschillenkamer (art. 62 § 1 WOG). Conform artikel 92 WOG kan de Geschillenkamer, voor de behandeling van een klacht, door de Eerstelijnsdienst, overeenkomstig artikel 62, § 1 worden gevat. De WOG stelt geen andere formaliteiten. Deze vormvereisten zijn te dezen nageleefd. Het middel dat de regelmatigheid aanvecht waardoor de Geschillenkamer werd gevat, is niet gegrond.”1
- Ten overvloede heeft het Marktenhof in haar arrest van 8 juni 2022 gesteld: “La Cour souligne en outre qu’au terme de l’article 108 de la LCA, seules les décisions de la Chambre contentieuse de l’APD sont susceptibles de recours devant la Cour des marchés. Or, la LCA ne prévoit pas que la Chambre contentieuse, 1 Arrest 2021/AR/1044 van het Hof van beroep Brussel, sectie Marktenhof van 1 december 2021, p.
- Beslissing ten gronde 55/2024 — 7/11 une fois saisie d’une plainte, puisse prendre de décision sur la recevabilité des plaintes adressées à l’APD. ”2 3 en «Une fois saisie, la Chambre contentieuse peut, quant à elle, prendre l’une des décisions énumérées par les articles 94, 95 et 100 de la LCA. Il ressort de la lecture de ces articles que le législateur n’a pas prévu, pour la Chambre contentieuse, la possibilité de prendre une décision quant à la recevabilité de la plainte dont elle a été saisie : […] »4 5
- Uit het voorgaande is duidelijk dat de Geschillenkamer de inhoud van de ontvankelijkheidsbeslissing van de Eerstelijnsdienst niet mag toetsen.
- Daarenboven is in deze fase van het geschil de verweerder geen partij bij de ontvankelijkheidsbeslissing. Het komt de Eerstelijnsdienst immers niet toe om vaststellingen te doen aangaande de verwerkingsverantwoordelijke of verwerker waartegen de klacht is gericht. De beslissing omtrent de ontvankelijkheid richt zich immers slechts naar de klager. Indien een klacht ontvankelijk wordt verklaard, ontvangt de klager daarvan bericht zodra de behandeling van de klacht door de Geschillenkamer wordt aangevangen. De verweerder is pas vanaf dat moment betrokken bij de procedure.
- In zoverre de verweerder opwerpt dat de beslissing van de Geschillenkamer inzake het gereed zijn voor behandeling ten gronde niet aangeeft op welke motieven deze steunen, heeft het Marktenhof in haar arrest van 1 december 2021 reeds gesteld: “Een administratieve vaststelling dat het dossier gereed is voor behandeling grieft de betrokkene niet nu deze zich tegen de klacht kan verdedigen.”6
- De brief met conclusiekalender bevat alle informatie die is voorgeschreven door artikel 98 WOG en is er precies op gericht om op basis van de verweermiddelen ingediend door de partijen, met respect voor de rechten van verdediging, de beslissing van de Geschillenkamer te motiveren. 2 Arrest 2022/AR/42 van het Hof van beroep Brussel, sectie Marktenhof van 8 juni 2022, p.
- 3 Machinale vertaling: Het Hof wees er ook op dat op grond van artikel 108 WOG alleen tegen beslissingen van de Geschillenkamer van de GBA beroep kan worden ingesteld bij het Marktenhof. De WOG bepaalt echter niet dat de Geschillenkamer, wanneer een klacht eenmaal bij haar aanhangig is gemaakt, een beslissing kan nemen over de ontvankelijkheid van aan de GBA gerichte klachten. 4 Ibidem, p.
- 5 Machinale vertaling: Nadat een zaak naar de Geschillenkamer is verwezen, kan deze een van de beslissingen nemen die zijn opgesomd in de artikelen 94, 95 en 100 van de WOG. Uit deze artikelen blijkt duidelijk dat de wetgever niet heeft voorzien in de mogelijkheid dat de Geschillenkamer een beslissing neemt over de ontvankelijkheid van de naar haar verwezen klacht: 6 Arrest 2021/AR/1044 van het Hof van beroep Brussel, sectie Marktenhof van 1 december 2021, p.
- Beslissing ten gronde 55/2024 — 8/11
- Er geldt bovendien geenszins een negatieve motiveringsplicht, zodat de Geschillenkamer er niet toe is gehouden te motiveren waarom zij geen gebruik zou hebben gemaakt van de andere mogelijkheden voorzien in artikel 95, §1 WOG.7 II.1.
- Vermeend gebrek aan eigen belang, bij gebrek aan de mogelijkheid om namens een collectief belang te handelen en wegens het verdwijnen van het voorwerp van de klacht
- In ondergeschikte orde werpt de verweerder op dat uit de klacht niet naar voor komt dat er een voldoende eigen belang is van de klager in onderhavige zaak. De klager had volgens de verweerder via verschillende kanalen, met name de website van de verweerder waarnaar de klager zelf verwijst en via e-mail als antwoord op de vraag van de klager aan de verweerder, kennis kunnen nemen van de informatie over de cyberaanval en de impact hiervan op de persoonsgegevens van burgers. De klager maakt volgens de verweerder niet aannemelijk dat hij niet op de hoogte was van de impact van de cyberaanval. De verweerder werpt op dat de klager zelf enerzijds via e-mail en via de website kennis heeft genomen van de informatie over de cyberaanval en anderzijds zelf heel nauwkeurig en regelmatig het communicatiekanaal op de website van de verweerder kon opvolgen/heeft opgevolgd. Bij gebrek aan eigen belang en bij gebrek aan mogelijkheid om op basis van een publiek belang te handelen, dient de klacht volgens de verweerder onontvankelijk verklaard te worden.
- De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 58 WOG het volgende bepaalt: ”Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit”. Conform artikel 60, alinea 2 WOG is een klacht ontvankelijk wanneer zij: -opgesteld is in één van de landstalen; -een uiteenzetting van de feiten bevat, alsook de nodige indicaties voor de identificatie van de verwerking waarop zij betrekking heeft; -zij behoort tot de bevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit”.
- De Geschillenkamer heeft in een eerdere beslissing als volgt overwogen omtrent deze kwestie: “Hoewel de AVG de ‘klacht’ benadert vanuit het standpunt van de betrokkene, door de controleautoriteiten verplichtingen op te leggen wanneer een persoon een klacht indient (zie de artikelen 57, 1., f) en 77 van de AVG), belet de AVG niet dat het nationaal recht andere personen dan de betrokkenen de mogelijkheid geeft om een klacht in te dienen bij de nationale controleautoriteit. De mogelijkheid van een dergelijke aanhangig making stemt overigens overeen met de opdrachten die door de AVG aan de controleautoriteiten worden 7 Zie in die zin ook de Beslissing ten gronde 133/2021 d.d. 2 december 2021 van de Geschillenkamer, randnummer
- Beslissing ten gronde 55/2024 — 9/11 toegekend. In dat opzicht en algemeen genomen, zorgt elke controleautoriteit voor: de monitoring en handhaving van de toepassing van de AVG (artikel 57, 1.,a) AVG), en de verrichting van alle andere taken die verband houden met de bescherming van persoonsgegevens (artikel 57, 1., v) AVG).”8
- Kortom, de WOG sluit niet uit dat een ander dan de betrokkene of de persoon die door de betrokkene gemachtigd is, zoals bedoeld in artikel 220 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, een klacht kan indienen bij de GBA.
- Meer bepaald oordeelt de Geschillenkamer dat artikel 58 WOG elke persoon de mogelijkheid biedt een klacht in te dienen, op voorwaarde dat de klager blijk geeft dat hij er voldoende belang bij heeft.9 Dienaangaande dient de Geschillenkamer vooreerst vast te stellen dat uit de conclusies van de verweerder blijkt dat op het moment van het schrijven ervan er geen aanwijzingen bestaan dat er door de cyberaanval persoonsgegevens van burgers zouden buitgemaakt zijn. Bijgevolg is het onduidelijk of de persoonsgegevens van de klager betrokken waren bij de cyberaanval.
- Vervolgens merkt de Geschillenkamer op dat de klager op 27 december 2022 per e-mail een aanvulling op zijn klacht stuurt, namelijk de informatie over de cyberaanval die de klager op die dag kon terugvinden op de website van de verweerder. Vervolgens bevestigde de klager per e-mail aan de verweerder op 15 februari 2023 dat er informatie beschikbaar is op de website maar dat de klager nog geen brief of andere communicatie ontvangen heeft die de gehele bevolking “ook deze die geen website kunnen bezoeken of lezen” kan bereiken.
- Wanneer de verweerder dit ook opwerpt in zijn conclusie van antwoord, betoogt de klager in zijn conclusie van repliek dat hij de klacht heeft ingediend voor alle betrokkenen “ […] als een goede burger. De GBA en zijn onderdelen is zelf bevoegd om zaken te onderzoeken die een groot deel van de maatschappij treffen: publiek belang dus. Deze actie beoogde ik”.
- Gelet op het bovenstaande stelt de Geschillenkamer vast dat de klager noch in zijn klacht, noch in zijn conclusie van antwoord, noch tijdens de hoorzitting aantoont op welke manier hij over het vereiste belang zou beschikken.
- Bijgevolg stelt de Geschillenkamer vast dat de klager in casu gewag maakt van een publiek belang bestaande uit de bescherming van de rechten van alle betrokkenen met betrekking tot de gegevensbescherming in het kader van de cyberaanval. De stelling van de klager dat hij de klacht heeft ingediend voor alle betrokkenen, als goede burger, kan niet als afdoende worden beschouwd. Het louter nastreven van een publiek belang volstaat immers niet om te 8 Zie o.a. Beslissing 106/2022 d.d. 28 juni 2022 van de Geschillenkamer; Beslissing 117/2021 d.d. 22 oktober 2021 van de Geschillenkamer en Beslissing 80/2020 d.d. 17 december 2020 van de Geschillenkamer. Zie ook beslissing 30/2020 van de Geschillenkamer 9 Zie in die zin ook Marktenhof, 2022/AR/42 dd. 8 juni
- Beslissing ten gronde 55/2024 — 10/11 doen blijken van een voldoende belang. De klager heeft aldus niet aannemelijk gemaakt over enig persoonlijk belang te beschikken.
- Na onderzoek van de klacht in de procedure ten gronde is dus gebleken dat de klager niet aantoont dat hij over een belang beschikt dat voldoende concreet is om klacht te kunnen indienen.
- Hoewel het gebrek aan belang in hoofde van de klager volstaat om tot een technisch sepot van deze klacht over te gaan, wijst de Geschillenkamer erop, voor de volledigheid, dat de verweerder slachtoffer werd van een grote cyberaanval waarop zij – en er is geen bewijs van het tegendeel - dadelijk het nodige onderzoek gedaan heeft, en nog steeds doet, om de aanval in te dijken en de omvang en eventuele gevolgen ervan in kaart te brengen. De verweerder heeft echter in deze moeilijke omstandigheden binnen enkele uren na ontdekking van de cyberaanval een persbericht verstuurd over de aanval met het oog op het informeren van de burgers. Daags na de aanval publiceerde de verweerder een pagina op de website toegewijd aan de cyberaanval met daarop onder andere informatie over stappen die genomen kunnen worden door burgers om eventuele getroffen persoonsgegevens verder te beschermen, gelet op de onduidelijkheid over of en welke persoons- of administratieve gegevens er precies gestolen werden. Later werd ook aanvullende informatie gecommuniceerd door de verweerder van zodra meer informatie beschikbaar was. Informatie over de cyberaanval werd gecommuniceerd via de daartoe bestemde website, via verwijzingen op alle stedelijke websites naar de specifieke website omtrent de cyberaanval en via sociale media. De verweerder kan dus niet verweten worden niet snel gereageerd te hebben, dit blijkt uit de communicatie over de cyberaanval van zodra deze informatie beschikbaar was. Elk mogelijk slachtoffer van de cyberaanval individueel aanschrijven per brief, zoals de klager aangeeft, zou niet proportioneel zijn en evenmin effectief, indien het al mogelijk zou zijn de slachtoffers te kunnen identificeren. De verweerder werpt ook op dat de klacht zonder voorwerp is geworden aangezien zij op 22 december 2022 de burgers geïnformeerd heeft over de cyberaanval, dus daags na het indienen van de klacht. De verweerder was op dat moment ook niet op de hoogte van het feit dat een klacht werd ingediend omwille van bovenstaande feiten en de door de klager aangevoerde inbreuk op artikel 34 AVG. Gelet op het bovenstaande stelt de Geschillenkamer dan ook vast dat de verweerder geen afwachtende houding aangenomen heeft en dat door de maatregelen die zij genomen heeft, het voorwerp van de klacht verdwenen is.