← België

Beslissing ten gronde nr. 55/2025

1/21 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 55/2025 van 20 maart 2025 In zijn arrest van 15 oktober 2025 (2025/AR/679) heeft het Marktenhof het beroep van de verzoeker, dat ontvankelijk maar ongegrond was verklaard, afgewezen. Dossiernummer: DOS-2023-03049 Betreft: klacht tegen de Dienst Vreemdelingenzaken (FOD Binnenlandse Zaken – IBZ) wegens de onrechtmatige verwerking van met name gerechtelijke gegevens van de klager, de onregelmatige verzameling daarvan en het uitblijven van een reactie op een verzoek tot inzage De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve en Yves Poullet, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna "WOG"; Gelet op het Reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 20191; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: 1 X, vertegenwoordigd door meester Agathe DE BROUWER, hierna "de klager" Het nieuwe Reglement van interne orde van de GBA, als gevolg van de wijzigingen door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), is op 1 juni 2024 in werking getreden. Overeenkomstig artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het enkel van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn aangevangen: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-degegevensbeschermingsautoriteit.pdf. Dossiers die zijn aangevat vóór 1 juni 2024, zoals in dit geval, zijn onderworpen aan de bepalingen van de WOG zoals deze bestond vóór de wijzigingen door de wet van 25 december 2023, en aan de bepalingen van het Reglement van interne orde zoals het bestond vóór die datum. Beslissing ten gronde 55/2025 — 2/21 De verweerder: Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken – Algemene Directie Dienst Vreemdelingenzaken, met maatschappelijke zetel te Pachecolaan 44 – 1000 Brussel, ingeschreven onder het ondernemingsnummer 0308.356.862, vertegenwoordigd door meester Elisabeth DERRIKS, hierna "de verweerder" I. 1. Feiten en procedure Op 3 oktober 2023 dient de klager bij de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht in tegen de verweerder. 2. De klacht heeft betrekking op de verwerking van persoonsgegevens – waaronder gerechtelijke gegevens – van de klager. 3. De klager, van buitenlandse nationaliteit, zit in de gevangenis wegens strafbare feiten die hij heeft gepleegd en waarvoor hij tot een gevangenisstraf is veroordeeld. 4. Op 26 april 2023 neemt de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing tot beëindiging van het verblijf van de klager wegens de bovengenoemde feiten. Deze beslissing is gedeeltelijk gebaseerd op de – niet gepubliceerde – ministeriële omzendbrief nr. 1815bis van 27 november 2017 betreffende gedetineerde vreemdelingen. De advocate van de klager heeft tegen deze beslissing beroep aangetekend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, dat momenteel aanhangig is. 5. Op 4 juli 2023 dient de advocate van de klager een informatieverzoek in bij de GBA. Zij wenst namelijk verduidelijking over de rechtmatigheid van de raadpleging van penitentiaire gegevens van gedetineerden door de Dienst Vreemdelingenzaken. In dit verband wijst zij erop dat de wet van 5 mei 2019 houdende diverse bepalingen inzake informatisering van Justitie, modernisering van het statuut van rechters in ondernemingszaken en inzake de notariële aktebank (hierna "de wet van 5 mei 2019") in artikel 3 een geïnformatiseerde gegevensbank met de naam "Sidis Suite" opricht 2. De advocate preciseert dat artikel 7, § 1, van die wet de Dienst Vreemdelingenzaken het recht toekent om de in "Sidis Suite" opgeslagen gegevens te lezen. De advocate voegt er echter aan toe dat paragraaf 2 van hetzelfde artikel het volgende bepaalt: "De Koning bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, de omvang en de modaliteiten van dat leesrecht en preciseert per overheid, orgaan of dienst voor welke specifieke doeleinden de gegevens kunnen worden aangewend." De advocate merkt op dat dit koninklijk besluit nog niet is aangenomen. Bovendien verwijst de advocate naar de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis betreffende gedetineerde 2 vreemdelingen, die volgens haar contacten Voor meer informatie hierover, zie de punten 41 tot en met 49 van de onderhavige beslissing. met de Dienst Beslissing ten gronde 55/2025 — 3/21 Vreemdelingenzaken de basis zou vormen waarop die laatste zich beroept om toegang te krijgen tot penitentiaire gegevens van gedetineerden. 6. Op 1 augustus 2023 antwoordt de Eerstelijnsdienst (hierna "ELD") dat hij hierover geen informatie heeft en raadt hij de advocate aan om een bemiddelingsverzoek of een klacht in te dienen bij de GBA. 7. Op 18 augustus 2023 richt de advocate van de klager de bovenvermelde vaststellingen aan de functionaris voor gegevensbescherming (hierna "DPO") van de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierop wordt niet gereageerd. 8. Op 3 oktober 2023 dient de advocate van de klager in naam en voor rekening van die laatste een klacht in. 9. Op 9 februari 2024 wordt de klacht ontvankelijk verklaard door de Eerstelijnsdienst op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG en wordt de klacht overgemaakt aan de Geschillenkamer op grond van artikel 62, § 1, van de WOG. 10. Op 21 maart 2024 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1°, en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 11. Op dezelfde datum worden de betrokken partijen per aangetekende brief in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, en in artikel 98 van de WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG op de hoogte gebracht van de termijnen om hun conclusies in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd vastgelegd op 3 mei 2024, die voor de conclusie van repliek van de klager op 27 mei 2024 en die voor de conclusie van dupliek van de verweerder op 18 juni 2024. 12. Op 22 maart 2024 stemmen de klager en de verweerder ermee in om alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen. De klager verzoekt in dezelfde e-mail om een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3°, van de WOG), die hem op 8 april 2024 wordt bezorgd. 13. Op 26 april 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de verweerder. Die conclusie kan als volgt worden samengevat: • Hij verklaart dat de verwerking van persoonsgegevens die hij in het onderhavige geval heeft uitgevoerd, in overeenstemming is met de artikelen 5.1.a), 6.1 en 10 van de AVG. Hij baseert zich daarbij op wettelijke bepalingen uit de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna "de wet van 15 december 1980"), in het Beslissing ten gronde 55/2025 — 4/21 bijzonder op artikel 74/8, § 1, tweede lid 3, dat voorziet in een verplichting tot uitwisseling van informatie tussen de penitentiaire autoriteiten en de Dienst Vreemdelingenzaken met betrekking tot verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in onregelmatig verblijf bevinden. De verweerder verwijst ook naar de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis van 27 november 2017, die de bovengenoemde verplichting tot uitwisseling van informatie preciseert en met name de migratiebegeleider van de Dienst Vreemdelingenzaken inzage verleent in het opsluitingsdossier van de betrokkene. In ieder geval merkt hij op dat artikel 7, § 2, van de wet van 5 mei 2019 niet in het geding is, aangezien de gegevens niet via de gegevensbank Sidis Suite worden verzameld. • Hij verklaart dat de verwerking van persoonsgegevens die hij in het onderhavige geval heeft uitgevoerd, in overeenstemming is met de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG. Hij verwijst naar artikel 62, § 1, van de wet van 15 december 1980, dat elke persoon ten aanzien van wie wordt overwogen om het verblijf te beëindigen of in te trekken, de mogelijkheid biedt om te worden gehoord en om alle relevante elementen schriftelijk mee te delen. De verweerder concludeert dat dit resulteert in een verzameling van persoonsgegevens, waarvan de betrokkene op de hoogte wordt gebracht. • Hij geeft geen commentaar op de grief over het uitblijven van een reactie op het verzoek tot inzage van de klager. 14. Op 27 mei 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. Die conclusie kan als volgt worden samengevat: • De verweerder heeft de artikelen 5.1.a), 6.1 en 10 van de AVG geschonden, aangezien de betrokken verwerking op geen enkele wettelijke basis berust. De klager is van oordeel dat de verwerking in het onderhavige geval niet kan worden gebaseerd op artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980, zoals aangevoerd door de verweerder, aangezien deze bepaling van toepassing is op gedetineerden in onregelmatig verblijf. De klager wijst er echter op dat hij zich in regelmatig verblijf bevond. Wat de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis betreft, stelt de klager dat deze evenmin een rechtmatigheidsgrond kan vormen in de zin van artikel 6.1.

  1. c)en e), aangezien de brief niet kan worden beschouwd als een formele wettelijke bron in de zin van artikel 22 van de Grondwet. • De verweerder heeft de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG geschonden, aangezien de klager weliswaar een formulier "Recht om te worden gehoord" heeft 3 In zijn conclusie verwijst de verweerder naar artikel 74/8, § 2, van de wet van 15 december 1980. Aangezien het hier om een loutere materiële vergissing gaat, voert de Geschillenkamer deze rectificatie door. Beslissing ten gronde 55/2025 — 5/21 ontvangen, waarin hij persoonsgegevens heeft verstrekt, maar dit formulier geen betrekking had op de gegevens die zijn verwerkt in het kader van de procedure voorafgaand aan de beslissing tot intrekking van de verblijfstitel van 26 april 2023. Bovendien merkt de klager op dat, toen hij de e-mail met het formulier "Recht om te worden gehoord" ontving, geen informatie werd verstrekt over de gegevens waartoe de Dienst Vreemdelingenzaken toegang zou hebben, noch over de omvang van deze toegang, noch over de nagestreefde doeleinden. Hierdoor kon de klager niet vaststellen welke gegevens in aanmerking zijn genomen bij het nemen van de beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken, met name die met betrekking tot zijn tuchtrechtelijke antecedenten. • De verweerder heeft de artikelen 12.3 en 15.1 van de AVG geschonden door geen gevolg te geven aan de uitoefening van het recht van inzage van de klager. 15. De verweerder heeft geen conclusie van dupliek ingediend. 16. Op 18 december 2024 worden de partijen in kennis gesteld van het feit dat de hoorzitting op 23 januari 2025 zal plaatsvinden. 17. Op 23 januari 2025 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 18. Op 18 februari 2025 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen toegezonden. 19. De Geschillenkamer ontvangt van de partijen geen opmerkingen over het proces-verbaal van de hoorzitting, met uitzondering van een formele rectificatie die in aanmerking is genomen. II. Motivering II.1. Wat betreft de vermeende schending van de artikelen 5.1.a), 6.1 en 10 van de AVG II.1.1. Inleidende overwegingen 20. Artikel 5.1.
  2. a)van de AVG stelt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die "rechtmatig, behoorlijk en transparant"4 is. 21. Artikel 6.1 van de AVG noemt zes verschillende rechtmatigheidsgronden. Daarin wordt in het bijzonder bepaald dat de verwerking rechtmatig is indien deze "[...] noodzakelijk [is] voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is 4 De Geschillenkamer onderstreept. Beslissing ten gronde 55/2025 — 6/21 opgedragen"5. Dit vormt de rechtmatigheidsgrond waarop de verweerder zich beroept met betrekking tot de verwerking die in de onderhavige zaak ter discussie staat. 22. Het inroepen van deze rechtmatigheidsgrond veronderstelt dat aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan: - volgens artikel 6.3.
  3. b)van de AVG, gelezen in het licht van de overwegingen 41 en 45 van diezelfde verordening, moet de verwerkingsverantwoordelijke zijn belast met de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag op grond van een wettelijke basis, hetzij krachtens het recht van de Europese Unie, hetzij krachtens het recht van de lidstaat; - de doeleinden van de verwerking moeten noodzakelijk zijn voor de vervulling van de taak van algemeen belang of de uitoefening van het openbaar gezag. 23. Bovendien blijkt uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat artikel 6.3 van de AVG6, gelezen in samenhang met overweging 45 ervan, vereist dat "[...] de rechtsgrond voor de in artikel 6, lid 1, onder e), van die verordening bedoelde verwerking [wordt] vastgesteld bij het Unierecht of het lidstatelijke recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Bovendien moet het Unierecht of het lidstatelijke recht beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel."7 De Geschillenkamer preciseert dat de verwerking van persoonsgegevens op grond van artikel 6.1.
  4. e)van de AVG moet worden geregeld door voldoende duidelijke en nauwkeurige regelgeving, zodat de verwerking voor de betrokkenen voorspelbaar is8. De vereiste van voorspelbaarheid houdt in dat bepaalde essentiële elementen van de betrokken verwerking zijn vastgesteld in een formele wettelijke norm9 in de zin van artikel 22 van de Grondwet, waaronder in het bijzonder, maar niet uitsluitend, het doeleinde van de verwerking. 5 De Geschillenkamer onderstreept. 6 Artikel 6.3 van de AVG: "De rechtsgrond voor de in lid 1, punten
  5. c)en e), bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij:
  6. a)Unierecht; of
  7. b)lidstatelijk recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is. Het doel van de verwerking wordt in die rechtsgrond vastgesteld of is met betrekking tot de in lid 1, punt e), bedoelde verwerking noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of voor de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend. Die rechtsgrond kan specifieke bepalingen bevatten om de toepassing van de regels van deze verordening aan te passen, met inbegrip van de algemene voorwaarden inzake de rechtmatigheid van verwerking door de verwerkingsverantwoordelijke; de types verwerkte gegevens; de betrokkenen; de entiteiten waaraan en de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens mogen worden verstrekt; de doelbinding; de opslagperioden; en de verwerkingsactiviteiten en -procedures, waaronder maatregelen om te zorgen voor een rechtmatige en behoorlijke verwerking, zoals die voor andere specifieke verwerkingssituaties als bedoeld in hoofdstuk IX. Het Unierecht of het lidstatelijke recht moet beantwoorden aan een doelstelling van algemeen belang en moet evenredig zijn met het nagestreefde gerechtvaardigde doel." 7 HvJ-EU, arrest Norra Stockholm Bygg AB t. Per Nycander AB van 2 maart 2023, C-268/21, ECLI:EU:C:2023:145, punt 31. 8 Zie advies nr. 76/2024 van de Autorisatie- en Adviesdienst (vroeger "het Kenniscentrum") van de GBA, beschikbaar via: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/advies-nr.-76-2024.pdf. 9 Wet, decreet of ordonnantie. Beslissing ten gronde 55/2025 — 7/21 24. Wat de voorwaarde van noodzakelijkheid betreft, heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) in zijn arrest Huber het volgende bepaald: "Gelet op het doel, een gelijkwaardige bescherming te bieden in alle lidstaten, kan het begrip noodzakelijkheid zoals dit naar voren komt uit artikel 7, sub e10, van richtlijn 95/46, dat een nauwkeurige afbakening wil geven voor een van de gevallen waarin de verwerking van persoonsgegevens geoorloofd is, dus niet een inhoud hebben die verschilt van lidstaat tot lidstaat. Het gaat bijgevolg om een autonoom begrip van het gemeenschapsrecht, dat moet worden uitgelegd op een wijze die volledig beantwoordt aan het doel van de richtlijn zoals omschreven in artikel 1, lid 1."11 25. In zijn conclusie12 in deze zaak verklaart de advocaat-generaal in dat verband: "Het noodzakelijkheidsbegrip heeft een lange geschiedenis in het gemeenschapsrecht en vormt een vast onderdeel van het evenredigheidscriterium. Het houdt in dat de autoriteit die ter bereiking van een legitiem doel een maatregel vaststelt die een door het gemeenschapsrecht gewaarborgd recht aantast, moet aantonen dat deze maatregel de minst beperkende is ter bereiking van dit doel. Wanneer bovendien de verwerking van persoonsgegevens kan leiden tot een inbreuk op het grondrecht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, moet tevens rekening worden gehouden met artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven waarborgt. Zoals het Hof heeft verklaard in het arrest Österreichischer Rundfunk e.a., kan een nationale regeling die niet strookt met artikel 8 EVRM, evenmin voldoen aan het in artikel 7, sub e, van richtlijn 95/46 neergelegde vereiste. Artikel 8, lid 2, EVRM bepaalt dat inmenging in het privéleven is toegestaan voor zover hiermee een van de hierin opgesomde doelstellingen wordt nagestreefd en deze „in een democratische samenleving noodzakelijk is”. Volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens houdt het bijvoeglijk naamwoord „noodzakelijk” in dat een „dwingende maatschappelijke behoefte” aan een bepaald optreden van de overheid bestaat en dat de maatregel evenredig is aan het nagestreefde legitieme doel." 26. De Groep artikel 29 concludeert, onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat het bijvoeglijk naamwoord "noodzakelijk" niet dezelfde soepelheid heeft als termen zoals "aanvaardbaar", "normaal", "nuttig", "redelijk" of "opportuun"13. 10 "De Lid-Staten bepalen dat de verwerking van persoonsgegevens slechts mag geschieden indien: (…)
  8. e)de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van algemeen belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag die aan de voor de verwerking verantwoordelijke of de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, drager is opgedragen." 11 HvJ-EU, 16 december 2008, arrest Heinz Huber tegen Bundesrepublik Deutschland, C-524/06, punt 52. 12 Conclusie van advocaat-generaal Poiares Maduro van 3 april 2008 in het kader van de procedure voor het HvJ-EU die heeft geleid tot het arrest dat wordt vermeld in voetnoot 11 hierboven (C-524/06). 13 Groep artikel 29, Advies 06/2014 van 9 april 2014 over het begrip "gerechtvaardigd belang van de voor de gegevensverwerking verantwoordelijke" in artikel 7 van Richtlijn 95/46/EG, WP 217. Beslissing ten gronde 55/2025 — 8/21 27. Artikel 10 van de AVG bepaalt bovendien het volgende: "Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid."14 II.1.2. Praktische toepassing 28. De verweerder verwijst naar de politieopdracht die hem is opgedragen krachtens artikel 44bis, §§ 2 en 415, en artikel 45, §§ 1 en 216, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, en die hem oproept tot het beschermen van de openbare orde en de nationale veiligheid, welke opdracht ook de verwerking van persoonsgegevens inhoudt, zonder dat dit in deze bepalingen nauwkeurig wordt omschreven. 29. Hij verwijst bovendien naar artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 17, dat voorziet in een verplichting tot uitwisseling van informatie tussen de penitentiaire autoriteiten en de Dienst Vreemdelingenzaken met betrekking tot verdachten of 14 In vet aangeduid door de Geschillenkamer. 15 Artikel 44bis, §§ 2 en 4: "§ 2. De minister kan een einde maken aan het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden die krachtens de artikelen 42quinquies en 42sexies een duurzaam verblijfsrecht hebben verkregen, alleen om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid. […] § 4. Wanneer de minister of zijn gemachtigde overweegt een beslissing zoals bedoeld in de paragrafen 1, 2 of 3 te nemen, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de burger van de Unie of zijn familielid op het grondgebied van het Rijk, zijn leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong." 16 Artikel 45, §§ 1 en 2: "§ 1. De redenen van openbare orde, nationale veiligheid en volksgezondheid bedoeld in de artikelen 43 en 44bis mogen niet worden aangevoerd voor economische doeleinden. § 2. De in de artikelen 43 en 44bis bedoelde beslissingen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokken burger van de Unie of zijn familielid. Eerdere strafrechtelijke veroordelingen zijn als zodanig geen reden voor dergelijke beslissingen. Het gedrag van de burger van de Unie of van zijn familielid moet een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving zijn. Motiveringen die los staan van het individuele geval of met algemene preventieve redenen verband houden, mogen niet worden aangevoerd. Om te beoordelen of de burger van de Unie of zijn familielid een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid vormt, kan de minister of zijn gemachtigde, bij de afgifte van de verklaring van inschrijving of van de verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie, en als hij het onontbeerlijk acht, aan de lidstaat van oorsprong en, eventueel aan andere lidstaten, inlichtingen vragen over de gerechtelijke antecedenten van de betrokkene. Deze raadpleging mag geen systematisch karakter dragen." 17 Artikel 74/8, § 1, tweede lid "§ 1 […] Indien een verdachte of een veroordeelde, een vreemdeling in onregelmatig verblijf is, wordt de minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen of zijn gemachtigde door de directeur van de strafinrichting op de hoogte gebracht van zijn opsluiting in de strafinrichting en dit van bij de aanvang van zijn hechtenis. Na ontvangst van deze informatie gaat de minister of zijn gemachtigde over tot de identificatie door de nationale overheden van zijn land van herkomst. De minister of zijn gemachtigde is gerechtigd om alle documenten en inlichtingen die voor de vaststelling van de identificatie nuttig zijn, door elke Belgische overheid te doen overleggen. Van zodra de identificatie is afgerond, zendt de minister of zijn gemachtigde onmiddellijk een document over aan de directeur van de strafinrichting dat aantoont dat de betrokkene is geïdentificeerd overeenkomstig artikel 1, 14°." Beslissing ten gronde 55/2025 — 9/21 veroordeelden van buitenlandse nationaliteit die zich in onregelmatig verblijf in België bevinden. 30. De verweerder voegt hieraan toe dat deze verplichting tot uitwisseling van informatie is gepreciseerd in de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis. In deze omzendbrief worden met name de praktische modaliteiten vastgesteld volgens welke de migratiebegeleider van de Dienst Vreemdelingenzaken toegang kan krijgen tot het opsluitingsdossier van de betrokkene. Hieraan moet worden toegevoegd dat de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis geen onderscheid maakt tussen een vreemdeling in regelmatig verblijf en een vreemdeling in onregelmatig verblijf, waardoor het toepassingsgebied van artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 wordt uitgebreid. 31. De Geschillenkamer merkt in de eerste plaats op dat artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, van de wet van 15 december 1980 moeten worden gelezen in het licht van artikel 74/8, § 1, tweede lid, van dezelfde wet. Uit de lezing van deze bepalingen blijkt immers dat artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 specifieker is dan artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, van de wet van 15 december 1980, aangezien het voorziet in een verplichting tot uitwisseling van informatie tussen de penitentiaire autoriteiten en de Dienst Vreemdelingenzaken, terwijl artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, van de wet van 15 december 1980 zich, wat de verwerking van persoonsgegevens betreft, beperken tot algemene overwegingen. Er moet echter worden opgemerkt dat artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 alleen betrekking heeft op verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in onregelmatig verblijf bevinden. Op het moment van de betwiste verwerking bevond de klager zich echter in regelmatig verblijf, waardoor hij niet onder het toepassingsgebied van deze bepaling viel. 32. De vraag die zich in het onderhavige geval stelt, betreft dan ook de verhouding tussen artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, van de wet van 15 december 1980, en artikel 74/8, § 1, tweede lid, van diezelfde wet. Meer bepaald gaat het erom of artikel 74/8, § 1, tweede lid, moet worden geïnterpreteerd als een belemmering voor de Dienst Vreemdelingenzaken om zich te baseren op artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, om toegang te krijgen tot het opsluitingsdossier van verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in regelmatig verblijf bevinden, zoals dat het geval was voor de klager op het moment van de betwiste feiten. De Geschillenkamer is van oordeel dat een negatief antwoord in feite het gevolg is van de formulering van artikel 74/8, § 1, tweede lid. 33. De Geschillenkamer begrijpt uit de gecombineerde lezing van de wettelijke bepalingen dat, door in artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980 specifiek te voorzien in een verplichting tot uitwisseling van informatie tussen de penitentiaire autoriteiten en de Dienst Vreemdelingenzaken – waarvan het toepassingsgebied uitdrukkelijk beperkt is tot enkel verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in onregelmatig verblijf Beslissing ten gronde 55/2025 — 10/21 bevinden –, de Belgische wetgever a contrario van oordeel is dat de verwerking van persoonsgegevens met betrekking tot het opsluitingsdossier van verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in regelmatig verblijf bevinden, niet kan worden gebaseerd op artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, van de wet van 15 december 1980. 34. Deze laatste bepalingen stellen namelijk dat de Dienst Vreemdelingenzaken een beslissing tot beëindiging van het verblijf kan nemen, dat deze beslissing uitsluitend op het gedrag van de betrokkene gebaseerd moet zijn en dat de Dienst Vreemdelingenzaken zich niet uitsluitend op het bestaan van eerdere strafrechtelijke veroordelingen mag baseren. Indien de Dienst Vreemdelingenzaken bijgevolg persoonsgegevens moet verwerken om zijn taak van algemeen belang te vervullen, mag uit een algemene norm echter niet worden afgeleid dat deze dezelfde rechtsgevolgen heeft als een meer specifieke norm, en dit ten aanzien van personen die zelfs niet onder die specifieke norm vallen (generalia specialibus non derogant). Indien de wetgever had gewild dat de verplichting tot uitwisseling van informatie tussen de penitentiaire autoriteiten en de Dienst Vreemdelingenzaken niet alleen zou gelden voor verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in onregelmatig verblijf bevinden, maar ook voor verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in regelmatig verblijf bevinden, dan zou hij dit onderscheid niet hebben gemaakt in artikel 74/8, § 1, tweede lid, van de wet van 15 december 1980. Als die laatste bepaalt dat een dergelijke verplichting tot uitwisseling van informatie enkel betrekking mag hebben op verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in onregelmatig verblijf bevinden, moet men uit een lezing a contrario van die bepaling afleiden dat de wetgever niet beoogde dat die verplichting tot uitwisseling van informatie ook zou gelden voor verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in regelmatig verblijf bevinden. Daarom kunnen artikel 44bis, §§ 2 en 4, en artikel 45, §§ 1 en 2, van de wet van 15 december 1980 niet worden beschouwd als geldige grondslagen in de zin van artikel 6.1.
  9. e)van de AVG voor de betrokken verwerking. 35. Ten slotte, wat de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis betreft, moet allereerst worden opgemerkt dat ministeriële omzendbrieven de laagste positie innemen binnen de hiërarchie van de normen. Bovendien zijn ministeriële omzendbrieven niet bedoeld om rechtsregels te wijzigen en zijn zij niet bindend. Over het algemeen bevatten deze teksten "loutere gedragsregels, inlichtingen of toelichtingen betreffende met name de bestaande wetgeving of regelgeving, of zelfs een niet-bindende uitlegging daarvan"18 (vrije vertaling). 36. Dit heeft echter weinig gevolgen in het onderhavige geval. 37. Zoals reeds werd opgemerkt in punt 23, moet, wanneer een verwerking van persoonsgegevens gebaseerd is op artikel 6.1.
  10. e)van de AVG, deze verwerking steunen op 18 Raad van State, arrest nr. 256.927 van 23 juni 2023, punt 14. Beslissing ten gronde 55/2025 — 11/21 een formele wet in de zin van artikel 22 van de Grondwet en moet die wet bepaalde essentiële elementen van de verwerking bevatten, waaronder minstens het nagestreefde doeleinde. Niet-essentiële elementen van de verwerking kunnen in een koninklijk besluit worden opgenomen, mits de wetgever die taak uitdrukkelijk aan de uitvoerende macht heeft gedelegeerd. In dit verband zij erop gewezen dat uit de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de Grondwet de wetgever niet verbiedt om de uitvoerende macht de taak te delegeren om bepaalde bij de wet vastgestelde beginselen nader uit te werken. Die delegatie mag echter uitsluitend betrekking hebben op de tenuitvoerlegging van wat in de wet is bepaald, en mag dus niet dienen om onduidelijkheden in de wet op te vullen19. 38. In het onderhavige geval is de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis geen formele wet; de brief kan evenmin worden beschouwd als een reglementaire handeling. Daarenboven is de brief niet gepubliceerd en kan deze moeilijk tegen justitiabelen worden ingeroepen. 39. Bijgevolg kan niet worden aangenomen dat een taak van algemeen belang, die de raadpleging van het opsluitingsdossier van vreemdelingen in regelmatig verblijf inhoudt, haar grondslag zou kunnen vinden in de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis, op een wijze die in overeenstemming is met artikel 22 van de Grondwet en artikel 6.1.
  11. e)van de AVG, gelezen in het licht van de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 40. Bij wijze van conclusie stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder, door het penitentiair dossier (of opsluitingsdossier) van de klager in diens penitentiaire inrichting te raadplegen zonder geldige rechtmatigheidsgrond, de artikelen 5.1.a), 6.1 en 10 van de AVG heeft geschonden. II.1.3. Gebruik van de gegevensbank "Sidis Suite" 41. Opsluitingsdossiers van personen met een buitenlandse nationaliteit zijn zowel in fysieke vorm beschikbaar bij de griffie van de gevangenis waar de betrokkene is gedetineerd, als in digitale vorm in de gegevensbank "Sidis Suite". In het onderhavige geval heeft de verweerder het opsluitingsdossier van de klager uitsluitend in fysieke vorm geraadpleegd, en op basis daarvan heeft de Geschillenkamer de juridische beoordeling onder punt II.1.2. van deze beslissing uitgevoerd. Tijdens de hoorzitting verklaarde de verweerder dat het gebruikelijk is bij de Dienst Vreemdelingenzaken om het opsluitingsdossier van betrokkenen zowel in fysieke als in digitale vorm te raadplegen. Bovendien preciseerde de verweerder dat het dossier dat via Sidis Suite toegankelijk is, vergelijkbaar is met het dossier dat via de griffie van de gevangenis toegankelijk is, met als verschil dat in deze gegevensbank geen toegang kan worden verkregen tot informatie over de tuchtrechtelijke antecedenten van de 19 Arbitragehof, arrest nr. 33/1992 van 7 mei 1992, punt B.5.2. Beslissing ten gronde 55/2025 — 12/21 betrokkene. Bijgevolg acht de Geschillenkamer het belangrijk om ook enkele opmerkingen te formuleren over de raadpleging van het opsluitingsdossier via Sidis Suite. 42. Artikel 3, eerste lid, van de wet van 5 mei 2019 definieert Sidis Suite als "een geïnformatiseerde gegevensbank [...] waarin de gegevens worden verwerkt die nodig zijn voor de adequate uitoefening van de wettelijke opdrachten van de penitentiaire administratie [...]". 43. Artikel 7, § 1, 7°, van de wet van 5 mei 2019 20 kent de Dienst Vreemdelingenzaken een leesrecht toe met betrekking tot de in Sidis Suite verwerkte gegevens. De tweede paragraaf van hetzelfde artikel bepaalt het volgende: "De Koning bepaalt, na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, de omvang en de modaliteiten van dat leesrecht en preciseert per overheid, orgaan of dienst voor welke specifieke doeleinden de gegevens kunnen worden aangewend." 44. Het koninklijk besluit dat de omvang en de modaliteiten van dat leesrecht voor de Dienst Vreemdelingenzaken moet regelen, is tot op heden nog steeds niet aangenomen. Een ontwerp van dit koninklijk besluit is nog niet ter advies voorgelegd aan de GBA. 45. Bovendien merkt de Geschillenkamer op dat, hoewel Sidis Suite een hele reeks persoonsgegevens verwerkt en verzamelt, waaronder de opsluitingsdossiers van verdachten of veroordeelden die vreemdeling zijn, ongeacht de regelmatigheid van hun verblijf, de wet van 5 mei 2019 niet precies bepaalt wat de omvang is van het leesrecht met betrekking tot deze gegevens voor de overheidsinstanties waaraan dit recht is toegekend. 46. Artikel 7, § 1, van de wet van 5 mei 2019 bepaalt immers dat overheidsinstanties met een leesrecht toegang moeten hebben tot de gegevens die nodig zijn voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten. Voor het overige heeft de wetgever de Koning de taak gedelegeerd om de omvang van dat leesrecht te bepalen. 47. Aangezien koninklijke besluiten in de hiërarchie van de normen onder de wetten 21 staan, kunnen zij niet in strijd zijn met de wil van de wetgever. In die zin verwijst de Geschillenkamer naar punt 37 van de onderhavige beslissing. 48. De Geschillenkamer heeft vastgesteld dat uit de wil van de wetgever niet blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken het opsluitingsdossier van verdachten of veroordeelden die zich als vreemdeling in regelmatig verblijf bevinden, mag raadplegen. De Geschillenkamer verwijst in dit verband naar de punten 28 tot en met 40 van deze beslissing. 20 Artikel 7, § 1: "Aan de volgende overheden, organen of diensten wordt een leesrecht toegekend met betrekking tot de in Sidis Suite verwerkte gegevens die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten : […] 7° de Dienst vreemdelingenzaken;" 21 Wet, decreet of ordonnantie. Beslissing ten gronde 55/2025 — 13/21 49. Een verwerking van persoonsgegevens die zogenaamd op grond van artikel 6.1.
  12. e)plaatsvindt, maar die geen wettelijke basis heeft of op een ongepaste wettelijke basis berust (zie in die zin de punten 20 tot en met 26 van deze beslissing), is in feite onrechtmatig in de zin van de AVG. II.2. Wat betreft de vermeende schending van de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG 50. Artikel 5.1.
  13. a)van de AVG stelt dat persoonsgegevens moeten worden verwerkt op een wijze die "rechtmatig, behoorlijk en transparant"22 is. 51. Artikel 12.1 van de AVG bepaalt het volgende: "De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. [...]" 52. Artikel 14 van de AVG bepaalt dat wanneer de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens van de betrokkene op onrechtstreekse wijze verzamelt, hij de betrokkene daarvan binnen één maand na het verkrijgen van die gegevens in kennis moet stellen, tenzij er op basis van de verzamelde gegevens al communicatie met de betrokkene heeft plaatsgevonden of de gegevens aan een andere ontvanger zijn verstrekt, in welk geval de in artikel 14.3.
  14. a)vastgestelde termijn van één maand kan worden verkort. De informatie die aan de betrokkene moet worden verstrekt, is opgesomd in de punten
  15. a)tot en met
  16. f)van artikel 14.123 van de AVG, en – indien de informatie nodig is ter waarborging van een behoorlijke en transparante verwerking – in de punten
  17. a)tot en met
  18. g)van artikel 14.224 van dezelfde verordening. 22 De Geschillenkamer onderstreept. 23 Artikel 14.1 van de AVG: "§ 1 […] 24
  19. a)de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en, in voorkomend geval, van de vertegenwoordiger van de verwerkingsverantwoordelijke;
  20. b)in voorkomend geval, de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming;
  21. c)de verwerkingsdoeleinden waarvoor de persoonsgegevens zijn bestemd, en de rechtsgrond voor de verwerking;
  22. d)de betrokken categorieën van persoonsgegevens;
  23. e)in voorkomend geval, de ontvangers of categorieën van ontvangers van de persoonsgegevens;
  24. f)in voorkomend geval, dat de verwerkingsverantwoordelijke het voornemen heeft de persoonsgegevens door te geven aan een ontvanger in een derde land of aan een internationale organisatie; of er al dan niet een adequaatheidsbesluit van de Commissie bestaat; of, in het geval van de in artikel 46, artikel 47 of artikel 49, lid 1, tweede alinea, bedoelde doorgiften, welke de passende of geschikte waarborgen zijn, hoe er een kopie van kan worden verkregen of waar ze kunnen worden geraadpleegd." Artikel 14.2 van de AVG: "§ 2 […]
  25. a)de periode gedurende welke de persoonsgegevens zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
  26. b)de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, indien de verwerking op artikel 6, lid 1, punt f), is gebaseerd; Beslissing ten gronde 55/2025 — 14/21 53. Het recht op informatie en het recht van inzage vormen samen twee aspecten van hetzelfde beginsel: het transparantiebeginsel. Waar het recht van inzage de actieve kant vertegenwoordigt – aangezien het een actie van de betrokkene vereist –, vertegenwoordigt het recht op informatie daarentegen de passieve kant – aangezien de relevante informatie aan de betrokkene moet worden meegedeeld, zonder dat deze daar enige actie voor hoeft te ondernemen. De verwerkingsverantwoordelijke heeft immers een positieve verplichting om hiertoe het initiatief te nemen. 54. De Geschillenkamer voegt eraan toe dat transparantie een fundamenteel beginsel is van het recht op bescherming van persoonsgegevens. Het stelt betrokkenen niet alleen in staat om kennis te nemen van de verwerking van hun persoonsgegevens, maar ook om er tegelijkertijd controle over uit te oefenen – wat ertoe kan leiden dat de betrokkene, in voorkomend geval, bepaalde acties onderneemt. 55. Dit wordt bijvoorbeeld concreet gemaakt in artikel 21.1 van de AVG, dat het volgende bepaalt: "De betrokkene heeft te allen tijde het recht om vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar te maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6, lid 1, onder
  27. e)of f), van artikel 6, lid 1, met inbegrip van profilering op basis van die bepalingen."25 Om de doeltreffendheid van het recht van bezwaar te waarborgen, moet de betrokkene dus noodzakelijkerwijs worden geïnformeerd over het bestaan zelf van de verwerking van zijn persoonsgegevens en de daarmee verband houdende informatie. 56. Het is overigens juist om die reden dat de Europese wetgever in de AVG de verplichting om betrokkenen te informeren over de verwerking van hun persoonsgegevens heeft aangescherpt door er kenmerken aan toe te voegen die niet aanwezig waren in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming 25 van natuurlijke personen in verband met de verwerking van
  28. c)dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken om inzage van en rectificatie of wissing van persoonsgegevens of om beperking van de hem betreffende verwerking, alsmede het recht tegen verwerking van bezwaar te maken en het recht op gegevensoverdraagbaarheid;
  29. d)wanneer verwerking op artikel 6, lid 1, punt
  30. a)of artikel 9, lid 2, punt a), is gebaseerd, dat de betrokkene het recht heeft de toestemming te allen tijde in te trekken, zonder dat dit afbreuk doet aan de rechtmatigheid van de verwerking op basis van de toestemming vóór de intrekking daarvan;
  31. e)dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
  32. f)de bron waar de persoonsgegevens vandaan komen, en in voorkomend geval, of zij afkomstig zijn van openbare bronnen;
  33. g)het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene." In vet aangeduid door de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 55/2025 — 15/21 persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, zoals beknoptheid, transparantie, begrijpelijkheid en gemakkelijke toegankelijkheid 26. 57. Artikel 62, § 1, van de wet van 15 december 1980 bepaalt het volgende: "§ 1 Wanneer er wordt overwogen om het verblijf van een vreemdeling die gemachtigd of toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden op het grondgebied van het Rijk of die het recht heeft om er meer dan drie maanden te verblijven, te beëindigen of in te trekken wordt de betrokkene hiervan schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt hem de mogelijkheid geboden om de relevante elementen aan te voeren die het nemen van een beslissing kunnen verhinderen of beïnvloeden. Vanaf de ontvangst van het in het eerste lid bedoelde geschrift beschikt de betrokkene over een termijn van vijftien dagen om de relevante elementen schriftelijk over te zenden. Rekening houdend met de omstandigheden eigen aan het geval kan deze termijn worden ingekort of verlengd, indien dat nuttig of noodzakelijk blijkt te zijn voor het nemen van een beslissing. De in het eerste lid bedoelde verplichting is niet van toepassing in de volgende gevallen : 1° indien redenen van Staatsveiligheid zich daartegen verzetten; 2° indien de bijzondere omstandigheden, eigen aan dit geval, dit in de weg staan of dit verhinderen, omwille van hun aard of ernst; 3° de betrokkene is onbereikbaar." 58. In het onderhavige geval voert de verweerder aan dat hij de persoonsgegevens van de klager naar behoren bij laatstgenoemde heeft verzameld en dat hij laatstgenoemde hierover correct heeft geïnformeerd via het formulier "Recht om te worden gehoord". Zoals hierboven uiteengezet, bepaalt artikel 62, § 1, van de wet van 15 december 1980 dat de vreemdeling ten aanzien van wie wordt overwogen het verblijf te beëindigen of in te trekken, over een bepaalde termijn beschikt om de elementen die hij relevant acht, schriftelijk kenbaar te maken. 26 Artikel 12.1 van de AVG: "1. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is. [...]" Beslissing ten gronde 55/2025 — 16/21 59. Dit staat echter in geen verband met de raadpleging van het opsluitingsdossier, die een onrechtstreekse verzameling van de persoonsgegevens van de klager vormt en waarover de partijen zijn verzocht te concluderen. Het feit dat de verweerder op grond van artikel 62, § 1, van de wet van 15 december 1980 rechtstreeks gegevens van de klager heeft verzameld, staat in de onderhavige zaak niet ter discussie. 60. Wat de raadpleging van het opsluitingsdossier betreft, stelt de verweerder dat deze "tot doel heeft de eerbiediging van het recht van de betrokkene om te worden gehoord te waarborgen en hem te identificeren"27 (vrije vertaling), zonder aan te geven hoe dit zou voldoen aan de verplichtingen die op hem rusten krachtens de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG. 61. Voorts verklaart de verweerder in zijn conclusie dat de betrokkene wordt geïnformeerd over de verwerking en de doeleinden daarvan via het bezoek van de migratiebegeleider. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 12.1 van de AVG bepaalt dat de in artikel 14 van de AVG bedoelde informatie schriftelijk moet worden meegedeeld, of mondeling indien de betrokkene daar uitdrukkelijk om heeft verzocht. De verweerder levert echter geen bewijs voor het een noch voor het ander. 62. Ten slotte heeft de verweerder tijdens de hoorzitting opgemerkt dat hij de klager een informatiefiche heeft verstrekt met informatie over de verschillende procedures die na een strafrechtelijke veroordeling kunnen worden ingesteld. De verweerder heeft een exemplaar van deze informatiefiche aan de Geschillenkamer overgelegd als aanvulling op zijn conclusie van antwoord, maar geeft aan niet te kunnen aantonen dat hij deze daadwerkelijk aan de klager heeft verstrekt, aangezien deze overhandiging in de huidige praktijk niet formeel wordt vastgelegd. Dit is echter niet relevant in het licht van de feiten en de vermeende inbreuk op de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG waarover de partijen werden uitgenodigd om te concluderen. In de onderhavige zaak staat niet ter discussie of de verweerder de klager al dan niet op geldige wijze heeft geïnformeerd over de procedures die na de strafrechtelijke veroordeling van de klager zouden kunnen worden ingesteld – wat duidelijk niet onder de bevoegdheid van de Geschillenkamer valt. 63. De Geschillenkamer is van oordeel dat, in het licht van de bovenstaande elementen, de verweerder de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG heeft geschonden, aangezien hij niet kan aantonen dat hij de relevante informatie over de onrechtstreekse verzameling van de persoonsgegevens van de klager, namelijk die met betrekking tot de raadpleging van het opsluitingsdossier van de klager, heeft verstrekt. De Geschillenkamer houdt ook rekening met het feit dat de DPO van de verweerder in juni 2020 aan laatstgenoemde had aanbevolen om documentatie op te stellen waarmee personen die zich in een vergelijkbare situatie als 27 Conclusie van antwoord van de verweerder, p. 13. Beslissing ten gronde 55/2025 — 17/21 de klager bevinden, contact kunnen opnemen met de DPO en hun rechten op grond van de AVG kunnen uitoefenen, maar dat deze aanbeveling niet is opgevolgd. 64. De Geschillenkamer benadrukt nogmaals dat de AVG op 24 mei 2016 in werking is getreden. Het was sindsdien aan de overheidsinstanties om alle technische en organisatorische maatregelen te treffen die nodig zijn om te voldoen aan alle bepalingen van de AVG bij de uitvoering van de hen regelmatig toevertrouwde taken van algemeen belang. Zij kunnen zich niet onttrekken aan de verplichting om hun praktijken te toetsen en uit te oefenen in het licht van de AVG en, meer in het algemeen, aan het grondrecht op bescherming van persoonsgegevens. Overheidsinstanties hebben een voorbeeldfunctie. II.3. Wat betreft de vermeende schending van de artikelen 12.3 en 15.1 van de AVG 65. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de klager op 18 augustus 2023 zijn recht van inzage heeft uitgeoefend, en dat de verweerder hierop ten minste tot op het moment van de indiening van de klacht niet heeft gereageerd 28. In zijn conclusie gaf de verweerder aan dat hij hierover geen opmerkingen heeft. 66. Het recht van inzage bestaat uit drie componenten. Ten eerste heeft de betrokkene krachtens artikel 15.1 van de AVG het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens. Ten tweede heeft de betrokkene, wanneer persoonsgegevens worden verwerkt, het recht om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van een reeks informatie die in artikel 15.1.a)–
  34. h)wordt opgesomd. Ten derde heeft de betrokkene krachtens artikel 15.3 van de AVG bovendien het recht om een kopie te verkrijgen van de persoonsgegevens die worden verwerkt. 67. Artikel 12 van de AVG betreffende de nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkenen bepaalt in lid 3 dat de verwerkingsverantwoordelijke uiterlijk binnen een maand na het verzoek, tenzij een gemotiveerd verzoek tot verlenging is gedaan, informatie moet verstrekken over het gevolg dat aan het verzoek van de betrokkene is gegeven. 68. De Geschillenkamer wijst erop dat het recht van inzage een vereiste is van het recht op bescherming van persoonsgegevens, aangezien het de "toegangspoort" is tot de uitoefening van de andere rechten die de AVG aan de betrokkene toekent 29. 69. In het onderhavige geval is er sprake van een inbreuk op de artikelen 12.3 en 15 van de AVG, aangezien, zoals beschreven in punt 65 van deze beslissing, de verweerder niet binnen de in 28 29 De klacht werd ingediend op 3 oktober 2023. HvJ-EU, arrest van 12 januari 2023, Österreichische Post AG, C-154/12, punten 37 en 38; HvJ-EU, arrest van 20 december 2017, Nowak, C-434/16, punt 57; HvJ-EU, arrest van 17 juli 2014, YS e.a., C-141/12 en C-372/12, punt 44; HvJ-EU, arrest van 7 mei 2009, Rijkeboer, punt 52. Beslissing ten gronde 55/2025 — 18/21 artikel 12.3 van de AVG gestelde termijn gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot inzage van de klager. 70. Bij wijze van conclusie stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder de artikelen 12.3 en 15 van de AVG heeft geschonden. 71. Daarnaast acht de Geschillenkamer het belangrijk om de omstandigheden van het onderhavige geval te benadrukken. Er zij namelijk op gewezen dat de klager zijn verzoek bij de DPO van de verweerder heeft ingediend. Tijdens de hoorzitting gaf de DPO aan dat hij pas op 21 maart 2024 op de hoogte werd gebracht van het verzoek van de klager, namelijk op het moment dat de verweerder in kennis werd gesteld van het bestaan van de klacht. De DPO verklaarde tijdens de hoorzitting dat het verzoek van de klager wel degelijk door de verweerder was ontvangen, maar dat dit als gevolg van een interne fout niet aan hem was doorgegeven. III. Sancties en corrigerende maatregelen 72. Overeenkomstig artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Beslissing ten gronde 55/2025 — 19/21 73. Samengevat heeft de verweerder de volgende artikelen geschonden: de artikelen 5.1.a), 6.1 en 10 van de AVG (inbreuk 1); de artikelen 5.1.a), 12.1 en 14 van de AVG (inbreuk 2); en de artikelen 12.3 en 15 van de AVG (inbreuk 3). 74. Wat inbreuk 1 betreft, stelt de Geschillenkamer vast dat de betrokken verwerking, namelijk de raadpleging van het opsluitingsdossier van een persoon met een buitenlandse nationaliteit die zich in regelmatig verblijf op het grondgebied van het Koninkrijk België bevindt, onrechtmatig is. De wet biedt geen enkele rechtmatigheidsgrond voor de betrokken verwerking. Bijgevolg legt de Geschillenkamer de verweerder een berisping op. 75. Wat inbreuk 2 betreft, legt de Geschillenkamer eveneens een berisping op aan de verweerder wegens de inbreuk op de artikelen 5.1.a), 12 en 14 van de AVG, en beveelt zij hem om zich in overeenstemming te brengen met de AVG. Dit houdt ten minste het volgende in: a. het publiceren van de ministeriële omzendbrief nr. 1815bis en het verstrekken van informatie over de inhoud ervan aan de betrokken justitiabelen; b. het treffen van technische en organisatorische maatregelen om: (
  35. i)enerzijds te voorkomen dat een migratiebegeleider, zoals in het onderhavige geval, meer gegevens kan raadplegen en verzamelen bij de griffie van de gevangenis dan toegelaten is. Dit vereist het opstellen en het verspreiden onder de ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken van documenten waarin wordt afgebakend welke gegevens migratiebegeleiders in dit kader mogen raadplegen en verzamelen; (
  36. ii)anderzijds, in overeenstemming met de artikelen 5.1.a), 12 en 14 van de AVG, ervoor te zorgen dat verdachten of veroordeelden die vreemdeling zijn, geïnformeerd worden over de onrechtstreekse verzameling van hun gegevens die plaatsvindt wanneer de Dienst Vreemdelingenzaken hun opsluitingsdossiers raadpleegt. c. het systematisch betrekken van de DPO bij het opstellen van de bovengenoemde documenten. 76. Het bovenstaande vormt slechts een minimum aan maatregelen die de verweerder moet treffen, en kan worden aangevuld met andere maatregelen. 77. De verweerder beschikt over een termijn van drie maanden om zich in overeenstemming te brengen. De termijn begint te lopen vanaf de dag waarop hij de aangetekende brief ontvangt waarin hij in kennis wordt gesteld van de onderhavige beslissing, of vanaf de dag waarop de termijn verstrijkt waarbinnen de verweerder, indien van toepassing, de voormelde aangetekende brief op het postkantoor moet afhalen. Beslissing ten gronde 55/2025 — 21/21 Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1, van de WOG, beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Een dergelijk beroep kan worden ingesteld door middel van een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) opgesomde elementen dient te bevatten30. Dit verzoek op tegenspraak moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.31, of via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get.) Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 30 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: de dag, de maand en het jaar; de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregisternummer of ondernemingsnummer; 3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. 1° 2° 31 Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.