← België

Beslissing ten gronde nr. 56/2021

1/41 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 56/2021 van 26 april 2021 Dossiernr. : DOS-2019-02288 Betreft: klacht wegens onrechtmatige raadpleging van persoonsgegevens en weigering van het recht van inzage De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, en de heren Yves Poullet en Christophe Boeraeve, leden, die de zaak in deze samenstelling in behandeling neemt; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit , hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: - De klager : mevrouw X, vertegenwoordigd door haar raadsman meester Victor Rouard, Kunstlaan 46, 1000 Brussel, - De verweerder: de nv Y, vertegenwoordigd door haar raadslieden, meester Didier Putzeys en meester Bernadette De Graeuwe, Brigade Pironlaan 132, 1080 Brussel. Beslissing ten gronde 56/2021- 2/41 1. Procedurele voorgeschiedenis 1. Gelet op de eerste klacht die door de klager op 15 april 2019 bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) werd ingediend, gevolgd door een tweede klacht op 20 april 2020; 2. Gelet op de beslissing van 21 april 2020 van de Eerstelijnsdienst van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna GBA) de klacht ontvankelijk te verklaren, en de toezending van de klacht aan de Geschillenkamer op dezelfde datum; Gelet op de brief van 31 juli 2020 van de Geschillenkamer waarin deze de partijen in kennis stelt van haar beslissing om het dossier op grond van artikel 98 WOG te beschouwen als klaar voor behandeling ten gronde, en de mededeling van het tijdschema voor de uitwisseling van de conclusies; 3. Gelet op de conclusies van de verweerder, ontvangen op 8 september 2020; 4. Gelet op de conclusies van de klager, ontvangen op 30 september 2020; 5. Gelet op de syntheseconclusies van de verweerder, ontvangen op 21 oktober 2020; 6. Gelet op de hoorzitting van 7 januari 2021 in aanwezigheid van de klager, haar raadsman mr. Rouard, en de verweerder, vertegenwoordigd door haar raadsman mr. De Graeuwe, alsmede de DPO, mevrouw Z1, en de Compliance Officer, de heer Z2; 7. Gelet op de toezending aan de partijen van het PV van de hoorzitting en de opmerkingen van de partijen; 8. Gelet op de afzonderlijke behandeling van de procedures tegen de ex-man van de klager en tegen de verweerder; 9. Gelet op het aan de verwerende partij toegezonden formulier voor de boete en de opmerkingen daarbij. 2. Feiten en voorwerp van de klacht Beslissing ten gronde 56/2021- 3/41 10. De klager verneemt in april 2019 dat haar persoonsgegevens tussen 2016 en 2018 door de verweerder twintig keer zijn geraadpleegd in haar bestand bij de Centrale voor kredieten aan particulieren (hierna CKP) bij de Nationale Bank van België (hierna NBB). 11. De verweerder is actief in de sector financiële diensten, waaronder kredieten aan particulieren. De ex-echtgenoot van de klager, met wie zij na hun scheiding in 2015 uit onverdeeldheid trad, is in dienst bij de verweerder. De klager verklaart dat door het raadplegen van haar gegevens in haar bestand bij de NBB en aldus de informatie betreffende haar kredieten, haar ex-man de overhand in de onverdeelde boedel heeft gekregen en haar financiële en morele schade heeft berokkend. 12. De ex-man van de klager heeft bovendien erkend ten onrechte de gegevens van de klager te hebben geraadpleegd1. 13. Op 14 november 2018 richt de klager zich tot de NBB om de lijst op te vragen van de financiële instellingen die het CKP-bestand op haar naam hebben geraadpleegd. 14. Op 24 januari 2019 wendt de klager zich tot de verweerder met de vraag “wat uw criteria zijn om de bestanden van de Nationale Bank van België van uw cliënten te raadplegen en of Y of enig andere persoon gemachtigd is om deze te raadplegen zonder specifieke financieringsaanvraag”. 15. Op 1 februari 2019 antwoordt de voormalige functionaris voor gegevensbescherming (DPO) van de verweerder dat de bestanden van de NBB “uitsluitend worden geraadpleegd in het kader van de toekenning of het beheer van kredieten of betalingsdiensten, die mogelijk het privévermogen van een natuurlijke persoon kunnen bezwaren en waarvan de uitvoering kan worden voortgezet (sic) op het privévermogen van die persoon”. 16. De klager verklaart echter dat zij geen enkel open kredietdossier bij de verweerder heeft. Tijdens de hoorzitting van 7 januari 2021 heeft de DPO van de verweerder bevestigd dat de klager geen lopend dossier heeft, maar wel een afgesloten dossier thuis, wat uit technisch oogpunt verklaart dat de ex-echtgenoot toegang heeft kunnen krijgen tot het NBB-bestand. 17. Op 13 maart 2019 vraagt de klager wat de sancties zijn voor een werknemer die zich niet houdt aan de regels inzake gegevensbescherming. De DPO antwoordt op 21 maart 2019 met een verzoek om aanvullende informatie. Hij stelt een telefonisch onderhoud voor om de communicatie te vergemakkelijken. 1 cf. aanvullende en syntheseconclusies van de verweerder blz. 14. Beslissing ten gronde 56/2021- 4/41 18. De klager antwoordt instemmend, maar preciseert daarbij dat "het zeer delicaat is, aangezien ik in eerste instantie geen zin heb om wie dan ook nadeel te berokkenen, ook al heb ik officiële bewijsstukken". Het telefoongesprek tussen de nieuwe DPO van de verweerder en de klager vond plaats. 19. In een mail van 5 april 2019 verstrekt de klager een overzicht van de raadplegingen van haar CKPbestand, ontvangen van de NBB op 14 november 2018, dat betrekking heeft op de periode van april 2016 tot augustus 2018. 20. Zij voegt dat document bij haar mail. In deze mail beschuldigt zij haar ex-man ervan de auteur te zijn van de 20 raadplegingen door de verweerder van haar CKP-bestand sinds 2016. 21. Zij vraagt geen bevestiging van haar beweringen, maar voordat zij klacht neerlegt tegen haar exman, vraagt zij welke sancties hem zijn opgelegd voor deze inmenging in haar persoonlijke levenssfeer. 22. Op 11 april 2019 - antwoordt de nieuwe DPO van de verweerder dat zij niet over de elementen beschikt om alle raadplegingen die zijn opgenomen in de door de NBB verstrekte lijst, te rechtvaardigen, - bevestigt zij de regels voor raadpleging van het NBB-register die van toepassing zijn op de werknemers van de verweerder, - bevestigt zij het bestaan van disciplinaire maatregelen tegen werknemers die deze regels niet naleven, en - weigert zij te antwoorden op de vragen van de klager over de aard van de aan haar exman opgelegde sanctie, uit hoofde van het privéleven van de werknemers van de nv. 23. Op 15 april 2019 dient de klager een eerste klacht in bij de GBA voor onrechtmatige raadpleging van haar gegevens bij de NBB door haar ex-man, via zijn functies bij de verweerder, en vraagt zij in kennis te worden gesteld van de sancties die haar ex-man heeft opgelopen. 24. Op 5 september 2019 neemt de Eerstelijnsdienst (ELD) van de GBA contact op met de verweerder om te melden dat hij een klacht van de klager had ontvangen, en om te vragen naar de Beslissing ten gronde 56/2021- 5/41 rechtsgrond en de rechtvaardiging voor de twintig raadplegingen door de verweerder van de gegevens van de klager in de gegevensbank van de NBB. De dienst verzoekt de verweerder tevens de klager de lijst mee te delen van alle raadplegingen van de gegevensbank van de CKP, de identiteit van de personen die de raadplegingen hebben verricht en de geraadpleegde gegevens. 25. Op 13 september 2019 antwoordt de verweerder de GBA: - dat zij nooit de raadpleging door een van haar werknemers van gegevens betreffende de klager in de CKP heeft goedgekeurd, noch gedoogd; - dat elke raadpleging buiten het kader van de sluiting van een consumentenkredietovereenkomst of het beheer ervan verboden is; - dat er controlemaatregelen en een tuchtprocedure bestaan om dergelijke handelwijzen te voorkomen en te sanctioneren en dat de auteur van deze onrechtmatige raadplegingen gesanctioneerd is; - dat zij geen rechtsgrond kan geven, aangezien deze raadplegingen buiten de normale procedures om zijn verricht, en dat zij noch de namen van de personen die de raadpleging hebben verricht, noch de geraadpleegde gegevens kan verstrekken, noch de lijst kan meedelen van die raadplegingen, omdat het computersysteem geen enkel spoor van de verwerking zoals uitgevoerd door de ex-man van de klager bewaart. De ex-man van de klager heeft als leidinggevende immers een andere toegang tot het register van de NBB dan niet-leidinggevende werknemers ("medewerkers"). Door de technische kenmerken van het toegangssysteem is het volgens de verweerder onmogelijk om enig spoor van de door hem verrichte raadplegingen te bewaren2. 26. Op 21 oktober 2019 antwoordt de ELD dat de verwerkingsverantwoordelijke moet zorgen voor de veiligheid en de vertrouwelijkheid van de gegevens die hij verzamelt, en dat hij moet antwoorden op het verzoek om inzage overeenkomstig artikel 15 van de AVG. De klager heeft dus recht op de lijst van de geraadpleegde gegevens, de identiteit van de personen die de raadplegingen hebben verricht, het doeleinde en de rechtgrond. Deze informatie is niet aan de klager verstrekt. 27. Op 20 april 2020 dient de klager een nieuwe klacht in bij de GBA tegen haar ex-man en tegen de verweerder wegens onrechtmatige raadpleging van haar persoonlijke bestanden bij de NBB via de functies van haar ex-man bij de verweerder. Zij vraagt ook dat haar ex-man op passende wijze wordt gesanctioneerd en dat zij van die sanctie in kennis wordt gesteld. 2 Zie aanvullende en syntheseconclusies van de verweerder, blz. 18. Beslissing ten gronde 56/2021- 6/41 28. Naar aanleiding van de afzonderlijke behandeling van de procedures worden de partijen op de hoogte gebracht van het feit dat het gedeelte van de klacht met betrekking tot de ex-man van de klager in een apart dossier zal worden behandeld. De onderhavige beslissing betreft enkel het gedeelte van de klacht met betrekking tot de verweerder. 29. Uit de juridische analyse van de klacht - gestaafd door de conclusies van de klager - blijkt: - de schending van de beginselen van doelbinding, behoorlijkheid, transparantie, en informatie (de artikelen 5, 12, 13, 14 van de AVG) - de schending van de verplichtingen tot beveiliging (artikel 32, in combinatie met de artikelen 5, lid 2, en 24 van de AVG) - het - het nalaten van Y om de uitoefening door de eiser van haar rechten te faciliteren, en de gebrek aan onafhankelijkheid van de DPO (artikel 38 van de AVG) schending van haar recht van inzage. 30. In haar conclusies verzoekt de klager de Geschillenkamer om: - de verweerder te gelasten haar een overzicht te geven van alle raadplegingen van haar gegevens door de verweerder (met de datum, identiteit van de persoon die de raadplegingen heeft verricht, en of de raadpleging al dan niet rechtmatig was); - de verweerder te gelasten de verwerking van de in het kader van haar activiteiten geraadpleegde gegevens in overeenstemming te brengen, en haar de corrigerende maatregelen te doen toekomen die zijn genomen om de beveiliging van de verwerkingen te verzekeren; - de verweerder een geldboete op te leggen, rekening houdend met de ernst van de inbreuken, de duur ervan, het aantal betrokkenen en de houding van de verweerder. 31. De verweerder weerlegt de klachten. 3. Wat betreft de redenen voor de beslissing II - Over de bevoegdheden van de GBA 32. In toepassing van artikel 4, §1, van de WOG, is de GBA verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, zoals bevestigd door de AVG en andere wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens. Beslissing ten gronde 56/2021- 7/41 33. In toepassing van artikel 33, §1, van de WOG, is de Geschillenkamer het administratief geschillenorgaan van de GBA3. Zij behandelt de klachten die de ELD haar overeenkomstig artikel 62, §1, van de WOG toezendt, d.w.z. klachten die ontvankelijk zijn indien zij overeenkomstig artikel 60, tweede lid, van de WOG in een van de nationale talen zijn opgesteld, een uiteenzetting bevatten van de feiten en de informatie die nodig is om de verwerking van persoonsgegevens waarop zij betrekking hebben te identificeren, en die onder de bevoegdheid vallen van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 34. Overeenkomstig de artikelen 51 e.v. van de AVG en artikel 4, §1, van de WOG is het de taak van de Geschillenkamer als administratief geschillenorgaan van de GBA om een effectieve controle van de toepassing van de AVG uit te voeren en de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking te beschermen, alsmede het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken. 35. Zoals de Geschillenkamer reeds eerder heeft uiteengezet 4, vinden gegevensverwerkingen plaats in vele sectoren, met name in een professionele context, zoals hier het geval is. Desalniettemin is de bevoegdheid van de GBA in het algemeen en van de Geschillenkamer in het bijzonder, beperkt tot de controle op de naleving van de regelgeving die van toepassing is op gegevensverwerkingen, ongeacht de sector waarin deze gegevensverwerkingen plaatsvinden. Het is niet haar taak om de rechtbanken te vervangen bij de uitoefening van hun bevoegdheden. Zoals de verweerder overigens in haar conclusies opmerkt, is de Geschillenkamer dus niet bevoegd om zich uit te spreken over de inhoud van de disciplinaire sanctie die door de verweerder aan de ex-echtgenoot van de klager is opgelegd naar aanleiding van de onrechtmatige raadplegingen die hij heeft verricht. De GBA blijft overeenkomstig artikel 51 van de AVG evenwel bevoegd om de doeltreffendheid te verifiëren van de organisatorische maatregelen die in geval van een inbreuk op de bepalingen van de AVG zijn genomen, met name die met betrekking tot de beveiliging van de verwerkingen. In die zin behoudt de GBA zich het recht voor om van de verweerder de mededeling te verkrijgen van de aard van de disciplinaire sanctie die is opgelegd aan de ex-man van de klager, evenals van alle andere maatregelen die zijn getroffen om nieuwe onrechtmatige verwerkingen door de werknemers van de verweerder te voorkomen. 36. Zoals hierboven vermeld, naar aanleiding van de beslissing van de Geschillenkamer om de procedures afzonderlijk te behandelen, wordt in de onderhavige beslissing niet het gedeelte van 3 Het administratieve karakter van de geschillen voor de Geschillenkamer is bevestigd door het Marktenhof, de beroepsinstantie tegen de beslissingen van de Geschillenkamer. Zie met name het arrest van 12 juni 2019, gepubliceerd op de website van de GBA, evenals beslissing 17/2020 van de Geschillenkamer. 4 Zie met name beslissing 03/2020 van de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 56/2021- 8/41 de klacht met betrekking tot de ex-man van de klager onderzocht, maar enkel het gedeelte met betrekking tot de verweerder. Aangezien de verweerder actief is in de banksector en grote hoeveelheden gevoelige financiële gegevens behandelt, en rekening houdend met het feit dat zij deel uitmaakt van een multinational die meer dan 10.000 werknemers in België in dienst heeft, en gelet op het feit dat de effectieve uitoefening van de rechten van de betrokkenen (waaronder het recht van inzage) een van de thematische prioriteiten van de GBA is 5, acht de Geschillenkamer het gepast dit gedeelte van de klacht met voorrang te onderzoeken. 37. De Geschillenkamer wijst er ook op dat het conflict tussen de klager en haar ex-man verband houdt met hun echtscheiding en uitonverdeeldheidtreding, aspecten die niet vallen onder het recht op gegevensbescherming. 38. Voorts merkt de Geschillenkamer op dat zij niet bevoegd is voor onrechtmatige raadplegingen die hebben plaatsgevonden vóór 25 mei 2018, de datum van invoering van de AVG, maar wel voor latere raadplegingen. Voor zover de raadplegingen na augustus 2018 hebben plaatsgevonden, is de Geschillenkamer bevoegd. II- Ten gronde II.1- Wat betreft de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke en verwerker II.1.1- Definities en hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke en verwerker 39. Overeenkomstig artikel 4, lid 7, van de AVG dient als verwerkingsverantwoordelijke te worden beschouwd: "een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat, alleen of samen met anderen, het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt". 40. Artikel 4, lid 8, van de AVG bepaalt dat als verwerker dient te worden beschouwd: "een natuurlijke persoon of rechtspersoon, een overheidsinstantie, een dienst of een ander orgaan die/dat ten behoeve van de verwerkingsverantwoordelijke persoonsgegevens verwerkt". 41. De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft verder de volgende aspecten van de hoedanigheid van verwerker gespecificeerd: "Het bestaan van de onderaanneming hangt af van de verwerkingsverantwoordelijke die beslist moet hebben om de verwerking waarvan hij de beslissingsbevoegdheid over de doeleinden en/of de middelen heeft, niet zelf uit te voeren maar 5 Zie de prioriteiten 2019-2025 van de GBA in haar Strategisch Plan, dat op de website is gepubliceerd. Beslissing ten gronde 56/2021- 9/41 deze geheel of gedeeltelijk over te laten aan een andere externe persoon of organisatie. Deze andere persoon moet juridisch verschillen van de organisatie van de verwerkingsverantwoordelijke en dient de gedelegeerde verwerkingsactiviteiten uit te voeren voor rekening van deze laatste en dit overeenkomstig zijn geschreven instructies."6 (wij onderstrepen) 42. Overeenkomstig Richtsnoeren 07/2020 van de EDPB 7, evalueert de Geschillenkamer concreet de rol en de hoedanigheid van de verwerkingsverantwoordelijke(n). 43. In dit geval stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder het doel van en de middelen voor de verwerking vaststelt. De raadplegingen van de CKP van de NBB vinden immers uitsluitend plaats in het kader van de toekenning van kredieten aan particulieren of het beheer van deze dossiers. Het is overigens de verweerder die de middelen ter beschikking stelt om deze verwerking uit te voeren (via zijn computersystemen). Zij moet dus worden beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke. 44. Niettemin moet dadelijk worden onderstreept dat, zoals het HvJ-EU in zijn arrest Wirtschaftsakademie van 5 juni 2018 opmerkt, "het begrip "voor de verwerking verantwoordelijke" doelt op het lichaam dat "alleen of tezamen met anderen" het doel van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens vaststelt; dit begrip verwijst niet noodzakelijkerwijs naar een enkel lichaam en kan betrekking hebben op meerdere deelnemers (…)”8. Dat de verweerder verwerkingsverantwoordelijke is voor de raadplegingen van haar werknemers van het CKP-register betekent in dit geval dus niet dat zij als enige die hoedanigheid heeft. Er moet immers een onderscheid worden gemaakt tussen de raadplegingen van het CKP-register in het kader van de doeleinden van de verweerder (toekenning of beheer van kredieten), en de onrechtmatige raadplegingen voor privédoeleinden die door de ex-man van de klager zijn verricht. Zoals hieronder wordt aangegeven, ook al heeft hij gebruik gemaakt van de middelen die hem ter beschikking werden gesteld door de verweerder, toch moet de ex-man van de klager voor zover hij omstreden raadplegingen heeft verricht die buiten het kader van zijn taken als werknemer van de verweerder vallen, specifiek als verwerkingsverantwoordelijke voor deze onrechtmatige raadplegingen worden beschouwd. 6 Nota van de GBA "Overzicht van de begrippen verwerkingsverantwoordelijke/verwerker in het licht van de Verordening (EU) nr. 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens (AVG) en enkele specifieke toepassingen voor vrije beroepen zoals advocaten", september 2018, blz. 2. 7 Zie Guidelines EDPB 07/2020 on the concepts of controller and processor in the GDPR, 2 september 2020, punt 12. 8 HvJ-EU, zaak C-210/16, 5 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:388, §29. Beslissing ten gronde 56/2021- 10/41 45. Zoals de EDPB opmerkt, ontheft dit de verweerder als verwerkingverantwoordelijke van de raadplegingen van het CKP-register echter niet van haar verplichting de beveiliging van de verwerkingen te waarborgen9. Dit aspect wordt hieronder (zie II.1.2- Over de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke) besproken. 46. Wat de hoedanigheid van verwerker betreft, is de Geschillenkamer van mening dat de klager niet kan worden gevolgd in haar argumentatie dat de ex-man van de klager verwerker van de verweerder is. Aan de twee bovengenoemde voorwaarden wordt immers niet voldaan. De ex-man van de klager is als werknemer geen van de verweerder te onderscheiden juridische entiteit, en hij heeft de verwerking niet voor rekening en in opdracht van de verweerder uitgevoerd. 47. De klacht over de niet-naleving van de verplichtingen inzake de verwerking door een verwerker (artikel 28 AVG) zoals uiteengezet door de klager, is niet ter zake dienend, en wordt niet verder onderzocht in het kader van deze beslissing. II.1.2- Over de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke 48. De verweerder verwijst naar Auidvies 1/2020 van de Groep artikel 29 over de begrippen "voor de verwerking verantwoordelijke" en "verwerker" 10 om te betogen dat zij geen verwerkingsverantwoordelijke is en dat die hoedanigheid aan de ex-man van de klager moet worden toegeschreven. 49. De Geschillenkamer wijst op de volgende passages uit dat advies (blz 16-19): "Vanuit het strategische oogpunt van het beleggen van verantwoordelijkheden, en om betrokkenen stelselmatig duidelijkheid te bieden over de vraag waar zij hun rechten op grond van de richtlijn kunnen uitoefenen, moet bij voorkeur de onderneming of instantie zelf als voor de verwerking verantwoordelijk worden beschouwd, en niet een specifieke persoon binnen de onderneming of instantie. De onderneming of instantie zal uiteindelijk worden beschouwd als de partij die verantwoordelijk is voor de verwerking van gegevens en de naleving van de wettelijke verplichtingen voor gegevensbescherming, tenzij duidelijk blijkt dat een natuurlijke persoon verantwoordelijk is. In algemene zin moet worden aangenomen dat een onderneming of instantie als zodanig verantwoordelijk is voor de verwerkingen die plaatsvinden in het kader van de activiteiten en risico’s van die onderneming of instantie. 9 Advies 1/2010 over de begrippen “voor de verwerking verantwoordelijke” en “verwerker”, WP169, blz. 17. 10 Advies 1/2010 over de begrippen “voor de verwerking verantwoordelijke” en “verwerker”, WP169, blz. 17. Beslissing ten gronde 56/2021- 11/41 50. Soms stellen ondernemingen en overheidsorganen een specifieke persoon aan als verantwoordelijke voor de uitvoering van de verwerkingen. Ook in dergelijke gevallen, wanneer een specifieke natuurlijke persoon wordt aangesteld om de naleving van de beginselen voor gegevensbescherming te waarborgen of om persoonsgegevens te verwerken, is deze persoon echter niet de voor de verwerking verantwoordelijke maar handelt hij/zij namens de rechtspersoon (onderneming of overheidsorgaan), die in zijn hoedanigheid van voor de verwerking verantwoordelijke aansprakelijk blijft voor inbreuken op de beginselen." (wij onderstrepen) 51. De verweerder verwijst meer in het bijzonder naar de volgende paragraaf van het advies: « Nader onderzoek is noodzakelijk wanneer een natuurlijke persoon die binnen een rechtspersoon handelt gegevens gebruikt voor eigen doeleinden, die buiten het kader van de activiteiten van de rechtspersoon en het toezicht daarop vallen. In dat geval zou de betrokken natuurlijke persoon verantwoordelijk zijn voor de vastgestelde verwerking, en daarnaast ook verantwoordelijk voor dit gebruik van persoonsgegevens. Degene die oorspronkelijk voor de verwerking verantwoordelijk was, zou niettemin enige verantwoordelijkheid kunnen behouden wanneer de nieuwe verwerking kan plaatsvinden als gevolg van ontoereikende beveiligingsmaatregelen. » 52. De Geschillenkamer onderstreept het volgende gedeelte van hetzelfde advies: "Samenvattend kan uit bovenstaande overwegingen worden geconcludeerd dat voor overtredingen op het gebied van gegevensbescherming altijd de voor de verwerking verantwoordelijke aansprakelijk is, dus de rechtspersoon (onderneming of overheidsorgaan) of de natuurlijke persoon die formeel volgens de criteria van de richtlijn is geïdentificeerd. Wanneer een natuurlijke persoon die werkzaam is bij een onderneming of overheidsinstantie gegevens voor eigen doeleinden gebruikt buiten het kader van de activiteiten van de onderneming, wordt deze persoon als de facto voor de verwerking verantwoordelijk beschouwd en is hij als zodanig aansprakelijk." (blz. 20) (wij onderstrepen) 53. De Groep geeft zelf een voorbeeld: "Voorbeeld 4: Heimelijk toezicht op werknemers Een directielid van een onderneming besluit om heimelijk toezicht te houden op de werknemers van de onderneming, hoewel dit besluit niet formeel door de directie is bekrachtigd. De onderneming dient als voor de verwerking verantwoordelijke te worden beschouwd en is aansprakelijk jegens de werknemers van wie de persoonsgegevens zijn misbruikt. Beslissing ten gronde 56/2021- 12/41 De aansprakelijkheid van de onderneming vloeit met name voort uit het feit dat deze als voor de verwerking verantwoordelijke verplicht is om de naleving van de regelgeving met betrekking tot beveiliging en vertrouwelijkheid te waarborgen. Misbruik door een functionaris van de onderneming of een werknemer kan worden beschouwd als een gevolg van ontoereikende beveiligingsmaatregelen. Dit staat los van een eventuele aansprakelijkheidsstelling in een later stadium van het directielid of andere natuurlijke personen binnen de onderneming, zowel vanuit civielrechtelijk – ook jegens de onderneming – als vanuit strafrechtelijk oogpunt. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer het directielid de verzamelde gegevens gebruikt om persoonlijke gunsten van werknemers te verkrijgen: het moet dan als “voor de verwerking verantwoordelijke” worden beschouwd en is aansprakelijk voor dit specifieke gebruik van gegevens. " (blz. 18-19) 54. Dit Advies 1/2020 is vervangen door Richtsnoeren 07/2020 van de EDPB (opvolger van de Groep artikel 29), die het volgende bepalen: “Whereas the terms “personal data”, “data subject”, “controller” and “processor” are defined in the Regulation, the concept of “persons who, under the direct authority of the controller or processor, are authorised to process personal data” is not. It is, however, generally understood as referring to persons that belong to the legal entity of the controller or processor (an employee or a role highly comparable to that of employees, e.g. interim staff provided via a temporary employment agency) but only insofar as they are authorized to process personal data.”11 (Vrije vertaling: 55. De termen "persoonsgegevens", "betrokkene", "verwerkingsverantwoordelijke" en "verwerker" worden in de verordening gedefinieerd, maar dat is niet het geval voor het begrip "personen onder rechtstreeks gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker, die gemachtigd zijn persoonsgegevens te verwerken". Over het algemeen wordt met het begrip echter verwezen naar personen die deel uitmaken van de juridische entiteit van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker (een werknemer of een functie die in hoge mate te vergelijken is met die van een werknemer, bijvoorbeeld uitzendkrachten die via een uitzendbureau ter beschikking worden gesteld), maar enkel voor zover zij gemachtigd zijn om persoonsgegevens te verwerken".) 11 Guidelines 07/2020 on the concepts of controller and processor in the GDPR, 2 september 2020, punt 86, blz. 27. Beslissing ten gronde 56/2021- 13/41 56. Uit aandachtige lezing van het advies blijkt dat daarentegen een werknemer die in het kader van zijn functie geen toegang heeft tot persoonsgegevens die hij voor eigen doeleinden zou gebruiken, moet worden beschouwd als een derde partij, d.w.z. als een entiteit die verschillend is van zijn werkgever: 57. « An employee etc. who obtains access to data that he or she is not authorised to access and for other purposes than that of the employer does not fall within this category. Instead, this employee should be considered as a third party vis-à-vis the processing undertaken by the employer. Insofar as the employee processes personal data for his or her own purposes, distinct from those of his or her employer, he or she will then be considered a controller and take on all the resulting consequences and liabilities in terms of personal data processing”.12 (Vrije vertaling: 58. Een werknemer enz. die toegang krijgt tot gegevens waartoe hij niet gemachtigd is en voor andere doeleinden dan die van de werknemer, valt niet onder deze categorie. Deze werknemer moet veeleer worden beschouwd als een derde ten aanzien van de door de werkgever uitgevoerde verwerking. Voor zover de werknemer persoonsgegevens verwerkt voor eigen doeleinden die verschillen van die van de werkgever, zal hij worden beschouwd als verwerkingsverantwoordelijke en zal hij alle gevolgen en verantwoordelijkheden inzake de verwerking van persoonsgegevens dragen die daaruit voortvloeien.) 59. In het onderhavige geval had de ex-man van de klager toegang tot de CKP op grond van zijn taak om kredietdossiers te controleren, maar zijn de omstreden raadplegingen uitgevoerd buiten het kader van zijn taken als werknemer. De redenering van de EDPB in Richtsnoeren 07/2020 moet worden gevolgd, en bijgevolg moet de ex-man worden beschouwd als een derde partij die verschillend is van de verweerder, met name voor wat betreft de onrechtmatige raadplegingen. 60. De verweerder moet derhalve worden gevolgd in haar argumentatie dat de ex-man verwerkingsverantwoordelijke voor de onrechtmatige raadplegingen is. 61. De Geschillenkamer wijst er echter op dat de verantwoordelijkheid van de ex-man in de onderhavige beslissing niet wordt onderzocht, maar enkel die van de verweerder, aangezien de procedures tegen deze twee partijen van elkaar zijn gescheiden. 62. De Geschillenkamer maakt dus een onderscheid tussen de verwerkingen die zijn verricht in het kader van de raadplegingen van het CKP-register voor de doeleinden van de verweerder en de 12 Ibid. Beslissing ten gronde 56/2021- 14/41 onrechtmatige verwerkingen die zijn verricht door de ex-man van de klager. Deze is verwerkingsverantwoordelijke voor de onrechtmatige raadplegingen, maar de verweerder blijft verwerkingsverantwoordelijke voor de raadplegingen van het CKP-register in het kader van de door haar vastgestelde doeleinden (toekenning of beheer van kredieten aan particulieren). In dat kader blijft zij onderworpen aan het verantwoordingsbeginsel (artikel 5, lid 2, en artikel 24 van de AVG) als verwerkingsverantwoordelijke en werkgever, evenals aan artikel 29 AVG 13 en artikel 32 AVG, met name lid 4 daarvan14. 63. Voor zover de verwerkingsverantwoordelijke de beveiliging van de verwerkingen moet waarborgen (met inbegrip van de toegang tot gegevens door zijn werknemers overeenkomstig de AVG), had de verweerder passende technische en organisatorische maatregelen moeten treffen om onrechtmatige raadplegingen door haar werknemers te voorkomen, zoals in het onderhavige geval (dit aspect worden hieronder uitgewerkt). Dit geldt des te meer in het licht van de gevoelige aard van de gegevens waartoe de werknemers van de verweerder toegang hebben (financiële gegevens). Dit standpunt is ook het standpunt dat in de doctrine wordt verdedigd 15. 64. Indien daarentegen, zoals de verweerder beweert, de werkgever geen beveiligingsverantwoordelijkheid zou dragen voor ongeoorloofde verwerkingen van zijn werknemers in het kader van de uitoefening van hun functies, zelfs voor eigen doeleinden, zou dit een deel van het nuttige effect van de AVG en de bescherming van persoonsgegevens wegnemen. 65. De Geschillenkamer benadrukt evenwel dat ongeacht de vraag wie verwerkingsverantwoordelijke voor de onrechtmatige raadplegingen is, het de plicht van de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke is om de beveiliging van de gegevens en de verwerkingen, die in deze beslissing centraal staat, te waarborgen. In het onderhavige geval betwist de verweerder niet dat hij de plicht heeft de toegang van zijn werknemers tot het CKP-register en in ruimere zin de gegevens van de NBB, te beveiligen. Dit aspect worden hieronder uitgewerkt. II.2- Wat betreft het verantwoordingsbeginsel en de plicht tot beveiliging van persoonsgegevens 13Artikel 29 van de AVG: "De verwerker en eenieder die onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker handelt en toegang heeft tot persoonsgegevens, verwerkt deze uitsluitend in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke, tenzij hij Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk tot de verwerking gehouden is » 14Artikel 32, lid 4, van de AVG: "De verwerkingsverantwoordelijke en de verwerker treffen maatregelen om ervoor te zorgen dat iedere natuurlijke persoon die handelt onder het gezag van de verwerkingsverantwoordelijke of van de verwerker en toegang heeft tot persoonsgegevens, deze slechts in opdracht van de verwerkingsverantwoordelijke verwerkt, tenzij hij daartoe Unierechtelijk of lidstaatrechtelijk is gehouden. » 15 Delforge, A., « Titre 8 - Les obligations générales du responsable du traitement et la place du sous-traitant » in Le règlement général sur la protection des données (RGPD/GDPR), Brussel, Éditions Larcier, 2018, blz. 374. Beslissing ten gronde 56/2021- 15/41 II.2.1- Verantwoordingsbeginsel 66. Artikel 24, lid 1, van de AVG bepaalt het volgende: "Rekening houdend met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking, alsook met de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, treft de verwerkingsverantwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Die maatregelen worden geëvalueerd en indien nodig geactualiseerd." Dit artikel weerspiegelt het beginsel van verantwoordingsplicht of "accountability" in artikel 5, lid 2, van de AVG, dat bepaalt dat "de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordelijk is voor de naleving van lid 1 en kan deze aantonen ("verantwoordingsplicht")." 67. Artikel 24, lid 2, van de AVG bepaalt dat, wanneer zulks in verhouding staat tot de verwerkingsactiviteiten, de in artikel 24, lid 1, van de AVG genoemde maatregelen, een passend gegevensbeschermingsbeleid omvatten dat door de verwerkingsverantwoordelijke wordt uitgevoerd. 68. Overweging 74 van de AVG voegt hieraan toe: "De verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke moeten worden vastgesteld voor elke verwerking van persoonsgegevens die door of namens hem wordt uitgevoerd. Meer bepaald dient de verwerkingsverantwoordelijke te worden verplicht passende en effectieve maatregelen uit te voeren en te kunnen aantonen dat elke verwerkingsactiviteit overeenkomstig deze verordening geschiedt, ook wat betreft de doeltreffendheid van de maatregelen. Bij die maatregelen moet rekening worden gehouden met de aard, de omvang, de context en het doel van de verwerking en het risico voor de rechten en vrijheden van natuurlijke personen." 69. Hij moet eveneens, overeenkomstig artikel 25 van de AVG (gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen) de noodzakelijke naleving van de AVG-regels vooraf in zijn handelingen en procedures inbouwen (bijvoorbeeld door te zorgen voor het bestaan en de doeltreffendheid van controleprocedures voor medewerkers, maar ook voor kaderleden, bij hun toegang tot gegevens van de CKP). 70. De verwerkingsverantwoordelijke is bovendien verplicht, op grond van artikel 32 van de AVG, de beveiliging van de verwerking te waarborgen, "rekening houdend met de stand van de techniek, de uitvoeringskosten, alsook met de aard, de omvang, de context en de verwerkingsdoeleinden en de qua waarschijnlijkheid en ernst uiteenlopende risico's voor de rechten en vrijheden van personen". De Geschillenkamer stelt echter vast dat de verweerder niet heeft voldaan aan de Beslissing ten gronde 56/2021- 16/41 plicht tot waarborging van de beveiliging van de verwerking, die deel uitmaakt van het verantwoordingsbeginsel. Dit verzuim wordt hieronder nader besproken. 71. Dit niet-nakomen van de plicht om de beveiliging van de verwerking te waarborgen, vormt de grondslag van de onderhavige beslissing en de sancties die daarin worden opgelegd. Het ontbreken van technische en organisatorische maatregelen om de ongeoorloofde en onvoldoende beveiligde toegang door een werknemer tot de CKP-gegevensbank van de NBB te voorkomen, en a fortiori het ontbreken van een controlesysteem achteraf van de toegangen die hebben plaatsgevonden, wordt als een ernstige inbreuk beschouwd. De leidinggevende positie van deze werknemer kan dit gebrek aan beveiligingsmaatregelen niet rechtvaardigen. II.2.2.- De verplichting tot beveiliging van persoonsgegevens en de registratie van IT-logs a- De reikwijdte van de verplichting tot beveiliging 72. Op grond van artikel 5, lid 1, punt f), van de AVG moeten persoonsgegevens "door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging". Bij gebrek aan passende maatregelen om de persoonsgegevens van de betrokkenen te beveiligen, kan de doeltreffendheid van het fundamentele recht op privacy en de bescherming van de persoonsgegevens niet worden gewaarborgd16, des te meer in het licht van de cruciale rol die de informatie- en communicatietechnologieën in onze samenleving spelen. 73. Zoals hierboven vermeld, vormt het niet-nakomen van de plicht om de beveiliging van de verwerking te waarborgen, de kern van deze beslissing. De impact voor de eerbiediging van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de klager ten gevolge van het ontbreken van technische en organisatorische maatregelen ter voorkoming van de ongeoorloofde en onvoldoende beveiligde toegang door een werknemer tot de CKP-gegevensbestand van de NBB, wordt bovendien versterkt door het ontbreken van de mogelijkheid om achteraf de verrichte raadplegingen na te trekken. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de gecombineerde lezing van artikel 32 (verplichting om de beveiliging van de verwerking te waarborgen), en de artikelen 5, lid 2, en 24 van de AVG (die de verwerkingsverantwoordelijke de verantwoordingsplicht opleggen) de verwerkingsverantwoordelijke verplicht de naleving van artikel 32 aan te tonen door 16 De cruciale rol die gegevensbeveiliging speelt voor de doeftreffende uitoefening van de rechten van de betrokkenen is met name vastgelegd door het EHRM in zijn arrest van 17 juli 2008, I. tegen Finland, nr. 20511/03, waarin het Hof unaniem een schending vaststelde van artikel 8 door de Finse autoriteiten, op basis van een onvoldoende beveiliging tegen de ongeoorloofde toegang tot het medische dossier van een seropositieve verpleegster. Beslissing ten gronde 56/2021- 17/41 passende technische en organisatorische maatregelen te treffen, op transparante en traceerbare wijze. Het bijhouden van een register van IT-logs of "loggen" vormt het uitgangspunt van deze verplichting, meer bepaald de traceerbaarheid van de verwerkingen, en draagt bij tot de noodzakelijke "beschikbaarheid"17 van de verwerkte gegevens. 74. De Geschillenkamer herinnert bovendien aan het vereiste van artikel 25 (gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstelllingen), dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht de noodzakelijke naleving van de AVG-regels vooraf in zijn handelingen en procedures in te bouwen (bijvoorbeeld door te zorgen voor het bestaan en de doeltreffendheid van controleprocedures voor medewerkers, maar ook voor kaderleden, bij hun toegang tot gegevens van de CKP). 75. Er zij op gewezen dat het beveiligingsbeginsel met zijn verschillende componenten integriteit, vertrouwelijkheid18 en beschikbaarheid19 in de artikelen 5, lid 1, punt f), en 32 van de AVG is opgenomen, en thans in de AVG is verheven tot dezelfde rang als de beginselen van rechtmatigheid, transparantie en behoorlijkheid. 76. De verplichtingen van verwerkingsverantwoordelijken in verband met de beveiliging van de verwerking zijn gebaseerd op de artikelen 32 en volgende van de AVG. 77. De klassieke componenten van de aanbevelingen in verband met informatiebeveiliging , zoals vervat in de ISO27xxx-serie20, zijn de vertrouwelijkheid van gegevens, hun integriteit en hun beschikbaarheid. Hieraan wordt het begrip "toerekenbaarheid" toegevoegd "dat toelaat voor alle gedane handelingen de personen, de systemen of processen te identificeren die eraan voorafgaan (identificatie) en de auteur en de handeling te volgen (traceerbaarheid)".21 78. De toerekenbaarheid komt concreet tot uiting door middel van het bijhouden van logbestanden. 79. Het loggen bestaat in het registreren van relevante informatie over de gebeurtenissen in een informaticasysteem (toegang tot het systeem of een van de dossiers ervan, wijziging van een bestand, overdracht van gegevens...) in bestanden, genaamd "logbestanden". De opgenomen 17 Artikel 32, lid 1, punt a), van de AVG. 18 Volgens de Groep artikel 29 kan de integriteit van gegevens worden gedefinieerd als "de eigenschap dat gegevens authentiek zijn en niet per ongeluk of moedwillig zijn gewijzigd tijdens de verwerking, opslag of toezending. Het begrip integriteit kan worden uitgebreid naar IT-systemen en vereist dat de verwerking van persoonsgegevens op deze systemen ongewijzigd blijft." Groep 29, WP 196, Advies 05/2012 over cloud computing, blz. 18. 20 De ISO27xxx norm is een van de belangrijkste internationale informatiebeveiligingsnormen. 21 Dumortier, F., « Chapitre 4 - Cybersécurité, vie privée, imputabilité, journalisation et log files » in Les obligations légales de cybersécurité et de notifications d’incidents, Brussel, Politeia, 2019, blz. 187, en GBA "Nota inzake de beveiliging van persoonsgegevens" blz. 2. Beslissing ten gronde 56/2021- 18/41 informatie bestaat onder andere uit de geraadpleegde gegevens, de datum, het soort van gebeurtenis, de gegevens aan de hand waarvan de auteur van de gebeurtenis kan worden geïdentificeerd, evenals de reden van die toegang. Dit maakt het met name mogelijk elke onrechtmatige raadpleging van persoonsgevens te identificeren, of om de raadpleging voor een niet-legitiem doeleinde, of de oorsprong van een incident vast te stellen. 80. Al wordt het loggen niet uitdrukkelijk in de AVG vermeld 22, toch vormt het bijhouden van logbestanden een technische en organisatorische maatregel die in artikel 32 van de AVG wordt bedoeld. Het is een goede praktijk die door de Geschillenkamer voor iedere verwerkingsverantwoordelijke aangeraden wordt. Deze maatregelen moeten aan de risico's worden aangepast. 81. De voorganger van GBA (de Privacycommissie - hierna CBPL) wees in haar Richtsnoeren met betrekking tot de informatiebeveiliging van persoonsgegevens 23 en in haar aanbeveling24 aan de steden en gemeenten25 over het bijhouden van logbestanden, reeds op het feit dat het loggen een essentieel onderdeel uitmaakt van elk informatiebeveiligingsbeleid, omdat het de traceerbaarheid van de toegang tot informatiesystemen mogelijk maakt 26. 22 Richtlijn (EU) 2016/680 hecht daarentegen bijzonder belang aan de raadpleging en openbaarmaking (de meest courante verwerkingen), en verplicht tot de identificatie van de auteur van de verwerking, en van de ontvangers in geval van openbaarmaking, het exacte tijdstip, en de rechtvaardiging van de verwerking (van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens). 23Beschikbaar via de link https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/richtsnoeren-metbetrekking-tot-informatiebeveiliging.pdf.. 24 Aanbeveling aan de steden en gemeenten over de registratie van de reden voor de raadpleging van het Rijksregister door hun personeelsleden (CO-AR-2017-013), 30 augustus 2017, blz. 7. 25 In deze aanbeveling aan de steden en gemeenten over het bijhouden van logbestanden, onderstreept de CBPL het belang van het logboek als "essentieel onderdeel van elk informatiebeveiligingsbeleid" en wijst op: « 21. De uitwerking van een gedegen informatieveiligheidsbeleid is noodzakelijk om maatregelen te treffen die ongeoorloofde toegang uitsluiten en dit op een gedocumenteerde manier die de gemeente toelaat om aan haar verantwoordingsplicht te voldoen. In haar referentiemaatregelen inzake beveiliging die van toepassing zijn op elke verwerking van persoonsgegevens, heeft de Commissie reeds benadrukt dat het instellen van een selectief zoek- en logmechanisme een essentieel onderdeel uitmaakt van elk informatiebeveiligingsbeleid. (...) deze richtsnoeren bepalen dat elke toegang tot een computersysteem traceerbaar moet zijn om na te gaan wie toegang heeft gehad, wanneer, waartoe en om welke reden. (…) 23. Tot slot heeft ook de Commissie zelf herhaaldelijk aangegeven dat het van cruciaal belang is om de reden van de raadpleging van het Rijksregister te registreren. In haar aanbevelingen met betrekking tot het toegangsen gebruikersbeheer in de overheidssector en het verkrijgen van informatie uit de bevolkingsregisters onderstreept de Commissie het belang van een volledige tracing (wie, wat, waar, wanneer, waarom) die elke raadpleging van de bevolkingsregisters logt zodat de raadpleging van de gegevens voor een niet-legitiem doeleinde of ten persoonlijke titel kan worden gedetecteerd en gesanctioneerd. Bij uitbreiding geldt deze verplichting ook voor de raadpleging en bijwerking van het Rijksregister. » (blz. 8) (de Geschillenkamer onderstreept) 26 Deze aanbeveling richt zich tot gemeenten en steden, maar de redenering is van toepassing op andere soorten gegevensverwerkingen, des te meer indien het gaat om gevoelige gegevens. Beslissing ten gronde 56/2021- 19/41 b- Verband tussen de beveiligingsverplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke en de beginselen van verantwoording en transparantie. 82. De Geschillenkamer herinnert eraan dat artikel 32 van de AVG moet worden gelezen in combinatie met artikel 5, lid 2, van de AVG, op grond waarvan de verwerkingsverantwoordelijke onderworpen is aan het verantwoordingsbeginsel. Het is aan de verwerkingsverantwoordelijke om aan te tonen dat hij de bepalingen van de AVG naleeft door passende technische en organisatorische maatregelen te nemen, op transparante en traceerbare wijze, zodat hij in het geval van controle het bewijs van de toegepaste waarborgen kan leveren. 83. Het verantwoordingsbeginsel, gelezen in samenhang met het transparantiebeginsel (artikel 5, lid 1, punt a), van de AVG) maakt het voor de betrokkenen mogelijk hun rechten uit te oefenen en de overeenstemming van de verwerkingen die met hun persoonsgegevens zijn verricht te controleren. Dit laat toe de verantwoordelijkheid op zich te nemen27. 84. Bovendien voegt overweging 63 van de AVG hieraan toe dat dit recht van inzage dient te worden opgevat als een controlemechanisme: “Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren.” 85. Deze beginselen van verantwoording en transparantie zijn verweven met artikel 15 van de AVG, dat het recht van inzage van de betrokkene van zijn verwerkte persoonsgegevens waarborgt. De CBPL is reeds tot een eenduidige conclusie over het loggen gekomen: 86. « Indien de logfile onvolledig is en niet de reden van de raadpleging vermeldt, schaadt dit de nuttige uitoefening van het inzage- en controlerecht waarover de betrokkene beschikt. Bovendien frustreert dit eveneens de uitoefening van andere rechten zoals het recht op rectificatie (artikel 16 van de AVG), het recht op vergetelheid (artikel 17 van de AVG) en het recht op de beperking van het gebruik van onrechtmatig verwerkte gegevens (artikel van de 18 AVG)."28 (blz. 10) (wij onderstrepen) 27 Zie overweging 78 van de AVG. 28 Aanbeveling aan de steden en gemeenten over de registratie van de reden voor de raadpleging van het Rijksregister door hun personeelsleden (CO-AR-2017-013), 30 augustus 2017, blz. 10. In dezelfde zin, zie beslissing van het Sectoraal Comité van het Rijksregister van 11/01/2012. Beslissing ten gronde 56/2021- 20/41 87. De Geschillenkamer beveelt het bijhouden van een logboek als goede praktijk aan, voor zover het loggen nuttig is voor de verwerkingsverantwoordelijke, in de zin dat het hem toelaat het beginsel van beschikbaarheid te concretiseren, dat zelf nauw verbonden is met de beginselen van vertrouwelijkheid en integriteit van de gegevens. 88. Zoals hierboven vermeld is de doeltreffendheid van de grondrechten van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van persoonsgegevens in hoge mate afhankelijk van de maatregelen die voor de beveiliging ervan zijn getroffen 29, en wordt het bijhouden van een logboek door de Geschillenkamer aangemoedigd, hoewel dit als zodanig niet door de AVG wordt opgelegd. 89. Dit geldt des te meer voor kredietinstellingen, voor zover de wet hen verplicht de kredietstatus van de betrokkenen bij de NBB na te gaan voordat zij een krediet verlenen. II.2.3- Toepassing op het onderhavige geval 90. In het licht van het voorgaande en meer bepaald voor zover de raadpleging van de persoonsgegevens in verband met kredieten van de betrokkenen een ingrijpende verwerking van gevoelige gegevens vormt, is de Geschillenkamer van mening dat de getroffen maatregelen des te passender moeten zijn, hoe groter de risico's voor de grondrechten van de betrokkenen zijn. 91. Het belang van deze risico's als factor wordt benadrukt in meerdere relevante artikelen van de AVG, waaronder de artikelen 24, 25 en 32. 92. In het onderhavige geval heeft een werknemer van de verweerder echter 20 keer een onrechtmatige raadpleging van die gevoelige financiële gegevens kunnen uitvoeren, gedurende de periode van april 2016 tot augustus 2018. 93. Dit in combinatie met het ontbreken van een toegangslogboek of enige andere controle van de toegang van kaderleden (waarvan de ex-man deel uitmaakte) tot de registers van de NBB door de verweerder vóór het incident, bewijst de ontoereikendheid van de door de verweerder getroffen maatregelen. 94. Hoewel de DPO tijdens de hoorzitting de nadruk legde op het bestaan van een logboek voor de toegang van niet-leidinggevende werknemers, en op het deontologisch reglement dat elk misbruik 29 Dumortier, F., « Chapitre 4 - Cybersécurité, vie privée, imputabilité, journalisation et log files » in Les obligations légales de cybersécurité et de notifications d’incidents, Brussel, Politeia, 2019, blz. 141. Beslissing ten gronde 56/2021- 21/41 van toegang verbiedt, bevestigde zij dat er geen controlesysteem voor de toegang door kaderleden bestond. 95. Dit vormt een ernstige schending van artikel 32 van de AVG (beveiliging van de verwerking), gelezen in combinatie met artikel 5, lid 2, en artikel 24 van de AVG. 96. Door dit ontbreken van een logboek of van andere beveiligingsmaatregelen bij de verweerder kan de klager haar recht van inzage niet uitoefenen in verband met de onrechtmatige verwerkingen die zijn uitgevoerd door haar ex-man, een werknemer van de verweerder, aangezien de verweerder er geen enkel spoor van heeft. 97. De ELD van de GBA heeft in zijn brief van 5 september 2019 de verweerder gevraagd de klager de lijst van raadplegingen en betrokken gegevens, en de identiteit van de auteur van de raadplegingen, mee te delen. 98. Dit aspect van de uitoefening van het recht van inzage wordt hieronder behandeld (zie punt II.4). 99. De verweerder vermeldt voorts dat "tal van maatregelen zijn getroffen (...) om zoveel mogelijk het risico van ongeoorloofde raadplegingen van de Centrale van kredieten aan particulieren door zijn personeelsleden te beperken".30 100. Zij beroept zich op deze maatregelen en merkt op dat deze na de onrechtmatige raadpleging door de ex-man van de klager zijn versterkt. 101. Zij vermeldt het volgende: • personeelsselectie op basis van betrouwbaarheid en beveiligingsopleiding voor het personeel (waaronder een examen voor de werknemers die toegang hebben tot gegevens van de CKP); • technische beperkingen voor de toegang tot de gegevens van de CKP: o er moet een kredietdossier bestaan; o indien toegang plaatsvindt via het systeem voor niet-leidinggevende werknemers, wordt de raadpleging en de identiteit van de werknemer geregistreerd; o indien toegang via de site van de CKP (voor kaderleden) is die toegang enkel mogelijk via de computers van de kaderleden, en is een gebruikersnaam en paswoord (uniek voor alle kaderleden van de

  1. nv)nodig; 30 Zie aanvullende en syntheseconclusies van de verweerder, blz. 12. Beslissing ten gronde 56/2021- 22/41 • menselijke controles op verschillende niveaus. 102. Dit neemt niet weg dat de klager kan worden gevolgd wanneer zij erop wijst dat de verweerder in haar conclusies toegeeft dat haar kaderleden uitgebreide toegang tot de gegevens in de CKP hebben, maar enkel en alleen voor de volgende doeleinden: "het aanbrengen van correcties in de gecodeerde gegevens in de CKP, de raadpleging van de contactgegevens van de bemiddelaar in geval van een collectieve schuldenregeling en de verrichting genaamd "clean NBB", d.w.z. de vergelijking van de in de CKP opgenomen gegevens met de bestanden van de verweerder" 31. 103. Er is geen enkel systeem voor toezicht op de raadplegingen van de gegevens bij de CKP. 104. De verweerder wijst er in dit verband zelf op dat het bij de kaderleden onmogelijk is de persoon te identificeren die de gegevens heeft geraadpleegd. 105. De verweerder erkent dit overigens impliciet wanneer zij aanvoert dat sinds de door de klager aan de kaak gestelde raadplegingen binnen de vennootschap een aantal aanvullende maatregelen zijn getroffen (waaronder een AVG-opleiding voor de kaderleden, versterking van de eerstelijnscontrole (d.w.z. van niet-leidinggevende werknemers)). 106. Met name ten aanzien van de kaderleden, heeft de DPO van de verweerder, die tijdens de hoorzitting werd gevraagd naar de beveiligingsmaatregelen die specifiek zijn genomen met betrekking tot de toegang van kaderleden tot de registers van de NBB sinds het incident, verklaard dat de toegang voortaan beperkt is tot twee supervisors (in plaats van vijf zoals voordien), en dat het paswoord tweemaal is gewijzigd (eenmaal in 2019 en eenmaal in 2020). 107. Zij voegt eraan toe dat de verweerder op het einde van 2020 (dus onlangs) de NBB heeft gevraagd om haar de lijst van toegangen van de NBB mee te delen, om deze met de lijst te vergelijken die wordt bijgehouden door de twee kaderleden die toegang tot de registers van de NBB hebben, om eventuele verschillen vast te stellen met het oog op de controle van de activiteiten van de kaderleden. 108. De Geschillenkamer neemt nota van de geleverde inspanningen, die in haar ogen onvoldoende blijven ten aanzien van de kaderleden die toegang tot de registers van de NBB hebben, maar dit doet niets af aan het feit dat de verweerder haar verplichting tot beveiliging, overeenkomstig het verantwoordingsbeginsel, niet is nagekomen. 31 Aanvullende en syntheseconclusies, blz. 10. Beslissing ten gronde 56/2021- 23/41 109. Zij stelt ook vast dat haar geen bewijs van die aanvullende maatregelen werd verstrekt. 110. De verweerder wijst er verder op dat zij elk jaar tienduizenden rechtmatige raadplegingen van de CKP uitvoert, en dat het aantal onrechtmatige raadplegingen beperkt is tot 20, verspreid over de periode van april 2016 tot augustus 2018. 111. De Geschillenkamer neemt hiervan akte, maar herinnert eraan dat dit niets afdoet aan het onrechtmatige en herhaalde karakter van de raadplegingen van gevoelige financiële persoonsgegevens. 112. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder in gebreke is gebleven en in gebreke blijft de passende technische en organisatorische maatregelen te nemen, vereist door artikel 24, leden 1 en 2, van de AVG, om niet alleen de beveiliging van de gegevens te waarborgen door onrechtmatige raadplegingen te voorkomen, maar ook een daadwerkelijke uitoefening van de rechten van betrokkenen zoals de klager bij gebreke aan vastlegging, te waarborgen. 113. De verweerder benadrukt voorts dat de klager zeven maanden na de laatste onrechtmatige raadpleging voor de eerste keer melding maakte van een "inbreuk", hoewel zij er al vier maanden van op de hoogte was. Dit is niet relevant, aangezien de klager vrij is haar rechten op elk moment uit te oefenen. 114. De verweerder heeft derhalve artikel 32, gelezen in combinatie met artikel 5, lid 2, en artikel 24, van de AVG, geschonden. II.3- Wat betreft de naleving van de beginselen van doelbinding, transparantie en informatie II.3.1- Over de beginselen behoorlijkheid, transparantie en informatie 115. Overeenkomstig artikel 5, lid 1, punt a), moeten persoonsgegevens "worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is (rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie)"; 116. Op grond van de artikelen 13 en 14 van de AVG moet elke persoon wiens persoonsgegevens worden verwerkt, naargelang het feit of de gegevens rechtstreeks bij hem of bij derden worden verzameld, op de hoogte worden gesteld van de in die artikelen genoemde elementen (leden 1 Beslissing ten gronde 56/2021- 24/41 en 2)32. Wanneer de gegevens rechtstreeks bij de betrokkene worden verzameld, wordt deze op de hoogte gebracht van de in de leden 1 en 2 van artikel 13 van de AVG genoemde elementen, met name: • de identiteit en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke, en eventueel de contactgegevens van de functionaris voor gegevensbescherming • de verwerkingsdoeleinden en de rechtsgrond voor de verwerking (indien de verwerking is gebaseerd op het gerechtvaardigd belang van de verwerkingsverantwoordelijke moet dit belang worden gepreciseerd) • de ontvangers of categorieën van ontvangers van de verwerking • het voornemen van de verwerkingsverantwoordelijke om gegevens buiten de Europese Economische Ruimte door te geven • de vaststelling van de opslagperiode van de gegevens, • de rechten die de AVG hem toekent, met inbegrip van het recht om zijn instemming te allen tijde in te trekken, en het recht om een klacht in te dienen bij de gegevensbeschermingsautoriteit (in onderhavig geval de GBA) • informatie over de vraag of de verstrekking van persoonsgegevens een wettelijke of contractuele verplichting is en wat de gevolgen zijn wanneer zij niet worden verstrekt, en het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van profilering, als bedoeld in artikel 22 van de AVG. 117. De Geschillenkamer wijst er ook op dat in het geval van rechtstreekse verzameling (artikel 13 van de AVG) niet in een uitzondering is voorzien. 118. In artikel 14, leden 1 en 2, worden soortgelijke elementen opgesomd, met dien verstande dat artikel 14 van de AVG betrekking heeft op gegevens die niet rechtstreeks bij de betrokkene worden verzameld, maar bij derden. 119. Deze informatie moet op grond van artikel 13 of artikel 14 van de AVG aan de betrokkene worden verstrekt overeenkomstig de bepalingen van artikel 12 van de AVG. II.3.2- Het standpunt van de klager met betrekking tot de toepassing van de beginselen van behoorlijkheid, transparantie en informatie 32 In haar richtsnoeren inzake het transparantiebeginsel (punt 23), vermeldt de Groep 29 het volgende: " (...) het standpunt van de WP29 is dat er geen statusverschil bestaat tussen de informatie die op grond van de leden 1 en 2 van respectievelijk artikel 13 en artikel 14 moet worden verstrekt. Alle informatie uit hoofde van deze leden is even belangrijk en moet worden verstrekt aan de betrokkene." De Geschillenkamer sluit zich met name in haar beslissing 41/2020 (blz. 19) bij dit standpunt aan. Beslissing ten gronde 56/2021- 25/41 120. De klager onderstreept dat de verweerder, toen zij via haar uitwisselingen met de klager had kennisgenomen van de door haar werknemer uitgevoerde onrechtmatige raadplegingen, door deze laatste trouwens toegegeven, naliet haar het overgrote deel van de krachtens artikel 14 van de AVG vereiste informatie te verstrekken. Zij heeft aangegeven wat het verwerkingsdoeleinde was (raadpleging van de gegevens van de CKP op grond van zijn wettelijke verplichting en in het kader van het beheer van de kredietovereenkomsten), maar heeft haar niet haar privacyverklaring toegezonden. Zij heeft de klager bijvoorbeeld niet geïnformeerd over de bewaartermijn van de gegevens. 121. Het feit dat de klager al in het bezit was van de lijst van raadplegingen (verkregen via de NBB) doet niets af aan de vaststelling dat de verweerder haar niet de andere krachtens artikel 14 vereiste informatie heeft verstrekt, die zij haar wel kon geven. 122. II.3.3- Het standpunt van de verweerder met betrekking tot de toepassing van de beginselen van behoorlijkheid, transparantie en informatie 123. De verweerder voert in de eerste plaats aan dat de klager voor het eerst om de krachtens artikel 14 vereiste informatie heeft verzocht in haar conclusies, en dat zij dit verzoek in de uitwisselingen tussen de partijen nooit eerder heeft geuit. De Geschillenkamer is van mening dat dit wijst op kwade trouw, aangezien de ELD de GBA de verweerder 33 formeel heeft verzocht om deze informatie aan de klager te verstrekken, maar er geen gevolg aan is gegeven. 124. Artikel 14, lid 3. van de AVG bepaalt: "De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie:
  2. a)binnen een redelijke termijn, maar uiterlijk binnen één maand na de verkrijging van de persoonsgegevens, afhankelijk van de concrete omstandigheden waarin de persoonsgegevens worden verwerkt;
  3. b)indien de persoonsgegevens zullen worden gebruikt voor communicatie met de betrokkene, uiterlijk op het moment van het eerste contact met de betrokkene; of
  4. c)indien verstrekking van de gegevens aan een andere ontvanger wordt overwogen, uiterlijk op het tijdstip waarop de persoonsgegevens voor het eerst worden verstrekt." (wij onderstrepen) 33 Brief van 21 oktober 2019 van de ELD. Beslissing ten gronde 56/2021- 26/41 125. De verwerkingsverantwoordelijke moet dus de vereiste informatie op eigen initiatief verstrekken, in plaats van te wachten tot de betrokkene hierom verzoekt. In het onderhavige geval, aangezien de persoonsgegevens gebruikt moesten worden voor de communicatie met de klager, had die informatie haar uiterlijk op het moment van de eerste communicatie tussen de partijen moeten worden meegedeeld. 126. De verweerder probeert zich voorts aan haar verantwoordelijkheid te onttrekken, door het argument te herhalen dat zij geen verwerkingsverantwoordelijke is voor de onrechtmatige raadplegingen van de gegevens van de klager, en dat de verplichting om de in artikel 14 van de AVG vereiste informatie te verstrekken op de ex-man van de klager rust. 127. Zoals hierboven gezegd, kan deze redenering niet worden gevolgd. 128. De verweerder is immers gehouden aan het beginsel van transparantie en informatie (artikel 14 van de AVG in dit geval), een fundamenteel artikel dat verwerkingsverantwoordelijken duidelijke en essentiële verplichtingen oplegt om ervoor te zorgen dat de betrokkenen hun rechten kunnen uitoefenen. 129. Voorts legt de verweerder uit dat geen registers worden bijgehouden in het kader van het systeem voor de raadpleging van gegevens van de CKP, dat is voorbehouden aan toezichthoudende kaderleden, zoals de ex-man van de klager, en dat het voor haar dus materieel onmogelijk is informatie over de geraadpleegde gegevens te verstrekken. 130. De Geschillenkamer is van mening dat dit een erkenning vormt, zoals hierboven aangegeven, van de niet-naleving door de verweerder van het verantwoordingsbeginsel en het beginsel van beveiliging (artikel 5, lid 2, en de artikelen 24 en 32 van de AVG). 131. De door de verweerder aangevoerde argumenten om zich aan haar verplichting te onttrekken om de beginselen van behoorlijkheid, transparantie en informatie in acht te nemen, kunnen niet worden aanvaard. 132. Bijgevolg, en aangezien de verweerder niet aantoont dat de informatie die de verweerder uit hoofde van artikel 14 kon verstrekken (ondanks het feit dat met geavanceerde techniek niet kon worden gezorgd voor bijvoorbeeld de lijst van geraadpleegde gegevens) aan de klager is meegedeeld, concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder haar verplichting om de klager te informeren niet is nagekomen. 133. De Geschillenkamer herinnert eraan dat een essentieel aspect van het transparantiebeginsel, Beslissing ten gronde 56/2021- 27/41 zoals benadrukt in de artikelen 12, 13 en 14 van de AVG, is dat de betrokkene van tevoren moeten kunnen bepalen wat de reikwijdte en de gevolgen van de verwerking zijn, om in een later stadium niet verrast te zijn over de manier waarop zijn persoonsgegevens zijn gebruikt. 134. De informatie moet concreet en betrouwbaar zijn, niet op abstracte of dubbelzinnige wijze worden geformuleerd en niet vatbaar zijn voor verschillende interpretaties. Meer in het bijzonder moeten de doeleinden en de rechtsgronden van de verwerking van persoonsgegevens duidelijk zijn. II.4- Wat betreft het faciliteren van de rechten van de klager en haar recht van inzage 135. Artikel 12 van de AVG bepaalt: "1. De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is. 2. De verwerkingsverantwoordelijke faciliteert de uitoefening van de rechten van de betrokkene uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22. In de in artikel 11, lid 2, bedoelde gevallen mag de verwerkingsverantwoordelijke niet weigeren gevolg te geven aan het verzoek van de betrokkene om diens rechten uit hoofde van de artikelen 15 tot en met 22 uit te oefenen, tenzij de verwerkingsverantwoordelijke aantoont dat hij niet in staat is de betrokkene te identificeren. " (wij onderstrepen) 136. Artikel 15 van de AVG bepaalt: "1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:
  5. a)de verwerkingsdoeleinden;
  6. b)de betrokken categorieën van persoonsgegevens; Beslissing ten gronde 56/2021- 28/41
  7. c)de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers gevestigd in derde landen of internationale organisaties;
  8. d)indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;
  9. e)dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;
  10. f)dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;
  11. g)wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;
  12. h)het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene. 2. Wanneer persoonsgegevens worden doorgegeven aan een derde land of een internationale organisatie, heeft de betrokkene het recht in kennis te worden gesteld van de passende waarborgen overeenkomstig artikel 46 inzake de doorgifte. 3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding vragen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt. 4. Het in lid 3 bedoelde recht om een kopie te verkrijgen, doet geen afbreuk aan de rechten en vrijheden van anderen.” 137. De klager voert aan dat de verweerder de uitoefening van haar rechten niet heeft gefaciliteerd en terughoudend was ten aanzien van haar verzoek om uitleg (door de in artikel 14 vereiste informatie bijvoorbeeld niet te verstrekken). De verweerder antwoordt dat de klager niet heeft gevraagd haar deze informatie door te geven. Aangezien deze kwestie hierboven is besproken en het argument van de verweerder is verworpen, verwijst de Geschillenkamer naar punt II.3. Beslissing ten gronde 56/2021- 29/41 138. De klager beweert ook dat "menen dat (de klager) haar recht van inzage niet heeft uitgeoefend, hoewel zij uitdrukkelijk heeft verzocht om een motivatie voor de raadplegingen, getuigt van een zekere kwade trouw" (conclusies van de klager, blz. 18). 139. Volgens het vaste standpunt van de Geschillenkamer 34 kan het formuleren van een verzoek om inzage of de uitoefening van enig ander recht - ook al is het onvolledig of gebaseerd op een onjuiste bepaling, of het gevolg van een verkeerd begrip of een verkeerde interpretatie van het ingeroepen recht - voor de verwerkingsverantwoordelijke geen voorwendsel zijn om geen nuttig gevolg te geven aan het verzoek. Dit moet van geval tot geval worden bekeken. 140. In het onderhavige geval, bij lezing van de e-mails die de partijen hebben uitgewisseld, is de Geschillenkamer van mening dat het niet voldoende duidelijk is dat de klager om de uitoefening van haar recht van inzage heeft verzocht. In haar e-mails vraagt de klager immers voornamelijk uitleg over de procedures voor toegang tot de CKP-gegevens en over de sancties tegen een werknemer die misbruik maakt van zijn toegang tot het bestand, zoals haar ex-man35. 141. Niettemin, hoewel een onderscheid moet worden gemaakt tussen e-mails waarin uitleg wordt gevraagd over de procedures voor toegang tot de CKP-gegevens en de sancties tegen een werknemer die misbruik maakt van zijn toegang tot het bestand, en een verzoek om inzage van haar persoonsgegevens, herinnert de Geschillenkamer eraan dat de ELD in zijn e-mail van 21 oktober (stuk 4 van de klager) de verweerder formeel heeft verzocht (namens de klager) de klager de informatie uit hoofde van artikel 14 te verstrekken en gevolg te geven aan haar recht van inzage van de gegevens waarover de verweerder beschikt. De verweerder heeft geen gevolg gegeven aan deze brief. 142. Door niet in te gaan op het verzoek om inzage van de klager heeft de verweerder derhalve artikel 15 van de AVG geschonden. 34 Zie met name beslissing 41/2020 van 29 juli 2020 van de Geschillenkamer. 35 Zo kan in de e-mails van de klager naar de DPO van de verweerder bijvoorbeeld het volgende worden gelezen: - "(...) Dank dat u de ernst van de feiten in aanmerking neemt. Ik wens echter niet dat mijn ex-man regelrecht wordt ontslagen, ik wil alleen dat hij door de tegen hem genomen sanctie beseft dat zijn gedrag mij financieel nadeel heeft berokkend... " (e-mail van 8 april 2019) - Ik zou niettemin willen weten wat de gevolgen zijn voor een werknemer die de gegevensbescherming schendt " (e-mail van 13 maart 2019) - "Hoe dan ook zou ik, voordat ik mijn klacht indien, willen weten wat de gevolgen voor mijn ex-man zijn voor het plegen van die inbreuk op mijn privé-leven. Dan zal ik u zijn naam geven, zodat u hem enkel kunt sanctioneren" (e-mail van 5 april 2019). Beslissing ten gronde 56/2021- 30/41 II.5- Wat betreft de onafhankelijkheid van de functionairis voor gegevensbescherming 143. De klager voert aan dat de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) van de verweerder niet voldoet aan de voorwaarde van onafhankelijkheid overeenkomstig artikel 38, lid 3, van de AVG, vanwege haar professionele achtergrond, de cumulatie van haar functie als DPO met die van CISO (Chief Information Security Officer), en vanwege het feit dat zij de "belangen" van de verweerder "vertegenwoordigde" tijdens haar interacties met de klager. Deze argumenten worden hieronder achtereenvolgens besproken. II.5.1- De professionele achtergrond van de DPO leidt niet tot een belangenconflict 144. De klager beweert dat de DPO vroeger directeur van de juridische dienst van de verweerder is geweest. De verweerder verklaart echter dat de DPO die functie heeft bekleed, maar bij het bedrijf "W", waarmee er geen band was. Dit argument wordt dus verworpen. II.5.2- De cumulatie van de functies van DPO en CISO leidt niet tot een belangenconflict 145. Artikel 38, lid 6, bepaalt: "De functionaris voor gegevensbescherming kan andere taken en plichten vervullen. De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker zorgt ervoor dat deze taken of plichten niet tot een belangenconflict leiden." 146. Volgens de richtsnoeren van de EDPB "kan de functionaris voor gegevensbescherming binnen de organisatie geen functie bekleden waarbij hij of zij de doelstellingen van en de middelen voor de verwerking van persoonsgegevens moet bepalen. Gezien de specifieke organisatiestructuur van elke organisatie moet dit geval per geval worden beoordeeld." 36 147. Er is dus sprake van een wezenlijk belangenconflict, dat met name kan ontstaan wanneer dezelfde persoon tegelijk als controleur en als gecontroleerde optreedt (bijvoorbeeld een projectof afdelingsverantwoordelijke die gegevens verwerkt, die tegelijk de functie van DPO bekleedt, omdat hij in die hoedanigheid de overeenstemming van de verwerking in het kader van zijn project zou moeten controleren). 36 EDPB, Richtlijnen voor functionarissen voor gegevensbescherming (DPO), 5 april 2017, blz. 19. Beslissing ten gronde 56/2021- 31/41 148. Er moet derhalve rekening worden gehouden met de vraag of de functionaris voor gegevensbescherming al dan niet beslissingsbevoegdheid heeft bij de uitoefening van zijn andere functie37. 149. De klager wijst op een belangenconflict bij de cumulatie van de functies van DPO en CISO door dezelfde persoon binnen de verwerende partij, omdat deze persoon een beslissingsbevoegdheid zou hebben met betrekking tot de technische en organisatorische maatregelen die binnen de NV zijn genomen, maatregelen die de klager ontoereikend en in strijd met artikel 32 van de AVG acht. 150. De verweerder verklaart in haar conclusies en tijdens de hoorzitting dat de functies van DPO en CISO geen uitvoerende functies zijn, maar adviserende functies, waarbij risico's in kaart worden gebracht. Tijdens de hoorzitting verklaarde de DPO van de verweerder dat zij het management van de onderneming wijst op de risico's en het belang ervan en dat het aan dat management is om te beslissen of de genomen maatregelen volstaan om de risico's aan te pakken. Verder preciseerde zij dat in geval van onenigheid tussen haar en het management over de genomen maatregelen, en niettegenstaande de opmerkingen aan het adres van deze laatste, de beslissing niet tot haar bevoegdheid behoort. Zij preciseert bovendien dat de beveiligingsmaatregelen de verantwoordelijkheid van de IT-afdeling is, en niet van de CISO. 151. Zij wijst er ook op dat in het organigram van de verwerende nv de functies van CISO en DPO vallen binnen de "tweede verdedigingslinie", waarbij de eerste wordt gevormd door operationele functies, in tegenstelling tot de tweede. 152. Aangezien de CISO in het onderhavige geval niet verantwoordelijk is voor een operationele afdeling38, kan de klager niet worden gevolgd in haar betoog dat de persoon die tegelijk DPO en CISO is, beslissingsbevoegdheid heeft met betrekking tot de technische en operationele maatregelen die bij de verweerder zijn genomen. II.5.3- De inhoud van de antwoorden van de DPO aan de klager wijst niet op een schending van haar rol 153. Artikel 38, lid 4, van de AVG bepaalt: "Betrokkenen kunnen met de functionaris voor gegevensbescherming contact opnemen over alle aangelegenheden die verband houden met de verwerking van hun gegevens en met de uitoefening van hun rechten uit hoofde van deze verordening." 37 Rosier, K., « Délégué à la protection des données :une fonction multifacette» in Le règlement général sur la protection des données (RGPD/GDPR), Brussel, Éditions Larcier, 2018, blz. 578. 38 Anderzijds is de Geschillenkamer van mening dat er sprake is van een belangenconflict wanneer de DPO tegelijk verantwoordelijk is voor verschillende operationele afdelingen (zie beslissing 18/2020, blz. 15 e.v.). Beslissing ten gronde 56/2021- 32/41 154. De DPO fungeert dus onder andere als contactpunt voor personen die hun rechten bij de verwerkingsverantwoordelijke willen uitoefenen. 155. De klager beweert dat de DPO partij zou hebben gekozen voor de verweerder (zijn werkgever), in plaats van de klacht van de klager onafhankelijk te onderzoeken. De klager baseert zich daarbij op de inhoud van de antwoorden van de DPO op de e-mails van de klager, waarin zij het woord "wij" gebruikt ("wij kunnen u niet meer informatie geven", "wij hebben onze excuses aangeboden", "wij hebben uiteraard dwangmaatregelen getroffen"...). 156. Hoewel de klager haar frustratie uitte over de kwaliteit van de bijstand van de DPO om de uitoefening van haar rechten te vergemakkelijken, blijkt uit het onderzoek van de schriftelijke uitwisselingen tussen de klager en de DPO echter niet dat de DPO zich niet overeenkomstig haar rol heeft gedragen. Zoals de DPO tijdens de hoorzitting verklaarde, waren de verzoeken van de klager voornamelijk gericht op de door haar ex-man opgelopen sanctie, die geen deel uitmaakt van de persoonsgegevens van de klager. De Geschillenkamer herinnert er voorts aan dat de DPO gehouden is aan de geheimhoudingsplicht (artikel 38, lid 5), en volgt de DPO wanneer zijn ter zitting uitlegt dat zij om die reden de klager niet kon antwoorden in verband met de door haar exman opgelopen sancties. 157. Concluderend kan de klager niet worden gevolgd wanneer zij stelt dat de DPO niet voldoet aan de voorwaarde van onafhankelijkheid vanwege haar professionele achtergrond, de cumulatie van haar functies als DPO en CISO, en vanwege het "behartigen van de belangen" van de verweerder in haar interacties met de klager. 158. Derhalve is er geen sprake van een inbreuk op artikel 38 van de AVG. 4. Wat betreft corrigerende maatregelen en sancties 4.1- Corrigerende maatregelen en sancties Krachtens artikel 100 WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; Beslissing ten gronde 56/2021- 33/41 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 159. In bovengenoemd artikel 100 wordt de lijst van sancties van artikel 58, lid 2, van de AVG gespecificeerd. Wat betreft de administratieve geldboete die kan worden opgelegd overeenkomstig de artikelen 83 van de AVG en de artikelen 100, 13°, en 101 van de WOG, bepaalt artikel 83 van de AVG : "1. Elke toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel worden opgelegd voor de in de leden 4, 5 en 6 vermelde inbreuken op deze verordening in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. 2. Administratieve geldboeten worden, naargelang de omstandigheden van het concrete geval, opgelegd naast of in plaats van de in artikel 58, lid 2, onder
  13. a)tot en met
  14. h)en onder j), bedoelde maatregelen. Bij het besluit over de vraag of een administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan wordt voor elk concreet geval naar behoren rekening gehouden met het volgende:
  15. a)de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade;
  16. b)de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk; Beslissing ten gronde 56/2021- 34/41
  17. c)de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken;
  18. d)de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is gezien de technische en organisatorische maatregelen die hij heeft uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25 en 32;
  19. e)eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker;
  20. f)de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken;
  21. g)| de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft;
  22. h)de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, met name of, en zo ja in hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk heeft gemeld;
  23. i)de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen;
  24. j)het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes overeenkomstig artikel 40 of van goedgekeurde certificeringsmechanismen overeenkomstig artikel 42; en
  25. k)elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor, zoals gemaakte financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien." 160. De niet-naleving van artikel 32, in combinatie met de artikelen 5 en 24, en van artikel 15, van de AVG moet in de juiste context worden geplaatst om de meest geschikte corrigerende maatregelen vast te stellen. 161. In dit verband zal de Geschillenkamer rekening houden met alle omstandigheden van de zaak, met inbegrip - binnen de hierna gepreciseerde grenzen - van de reactie van de verweerder op het voorgestelde bedrag van de geldboete dat haar is meegedeeld (zie procedurele voorgeschiedenis). In dit verband wijst de Geschillenkamer erop dat het genoemde formulier uitdrukkelijk vermeldt dat het geen heropening van de procedure inhoudt. Het enige doel ervan is het verkrijgen van de reactie van de verweerder op het bedrag van de voorgestelde geldboete. 162. De Geschillenkamer wenst er tevens aan te herinneren dat het haar soevereine verantwoordelijkheid is als onafhankelijke administratieve autoriteit - met inachtneming van de relevante artikelen van de AVG en van de WOG - om de passende corrigerende maatregel(
  26. en)en sanctie(
  27. s)te bepalen. Beslissing ten gronde 56/2021- 35/41 163. Het is dus niet aan de klager om de Geschillenkamer te verzoeken een bepaalde corrigerende maatregel of sanctie op te leggen. Indien ondanks het voorgaande de klager de Geschillenkamer toch verzoekt een of andere maatregel en/of sanctie op te leggen, is het dus niet aan de Geschillenkamer om te motiveren waarom zij een van de verzoeken van de klager niet zou inwilligen. Deze overwegingen laten de verplichting van de Geschillenkamer onverlet om de keuze te motiveren van de maatregelen en sancties (uit de lijst van maatregelen en sancties die haar op grond van artikel 58 van de AVG en artikel 100 van de WOG ter beschikking staan) die zij passend acht om de partij waartegen de klacht is gericht te veroordelen. 164. De Geschillenkamer wijst erop dat in het onderhavige geval de klager met name de Geschillenkamer verzoekt te bevelen dat de raadplegingen van de CKP van de kaderleden in overeenstemming worden gebracht met de AVG (met name artikel 32, in combinatie met de artikelen 5 en 24). 165. De klager vordert eveneens de oplegging van een administratieve geldboete. De Geschillenkamer onderstreept dat het haar taak is erover te waken dat de regels van de AVG doeltreffend worden toegepast. Andere maatregelen, zoals bijvoorbeeld een nalevingsbevel of een verbod om bepaalde verwerkingen te blijven uitvoeren, kunnen worden gebruikt om een einde te maken aan een vastgestelde schending. Zoals blijkt uit overweging 148 van de AVG worden in geval van ernstige inbreuken sancties opgelegd, met inbegrip van administratieve geldboeten, naast of in plaats van passende maatregelen. Daarom kan een administratieve boete zeker worden gebruikt om een ernstige inbreuk te sanctionneren die tijdens de procedure is verholpen of die op het punt staat te worden verholpen. De Geschillenkamer zal bij het vaststellen van het bedrag van de geldboete evenwel rekening houden met de maatregelen die zijn getroffen naar aanleiding van het incident. 4.2- Wat betreft de schendingen 166. De Geschillenkamer heeft een schending vastgesteld van artikel 32, in combinatie met de artikelen 5 en 24, alsmede van artikel 15 van de AVG. 167. De Geschillenkamer neemt verder nota van het feit dat de verweerder in haar conclusies en tijdens de hoorzitting heeft erkend dat haar een schending van artikel 32 kan worden verweten 39. Zij heeft overigens verklaard dat een nieuwe organisatorische maatregel is ingesteld naar aanleiding van het incident (slechts twee kaderleden hebben momenteel toegang tot het CKPregister van de NBB, en zij houden nu een register bij dat zal worden vergeleken met het register van de NBB bij wijze van controlemaatregel). 39 Aanvullende en syntheseconclusies van Y, blz. 9. Beslissing ten gronde 56/2021- 36/41 168. Hoewel zij akte neemt van deze inspanningen, is de Geschillenkamer van mening dat deze niet voldoende zijn en dat andere maatregelen moeten worden getroffen door de verweerder om haar verplichtingen uit hoofde van de AVG na te komen. Derhalve legt de Geschillenkamer haar op de procedure voor toegang van de kaderleden tot de NBB in overeenstemming te brengen. Zij beveelt het bijhouden van een toegangsregister ook sterk aan, te vergelijken met het register van de NBB, en in overeenstemming met alle hierboven genoemde aanwijzigingen (zie II.2.2). 169. De Geschillenkamer is voorts van mening dat het gevoelige karakter van de door de verweerder op grote schaal verwerkte gegevens, de verweerder er al eerder had moeten toe aanzetten de bovengenoemde beginselen van de AVG beter na te leven (waaronder gegevensbeveiliging), met name door het anticiperen op de risico's die aan dergelijke inbreuken verbonden zijn. 170. Behalve dit bevel tot naleving, is de Geschillenkamer van mening dat hier bovendien een administratieve geldboete gerechtvaardigd is om de hierna genoemde redenen, geanalyseerd op basis van artikel 83, lid 2, van de AVG, en in overeenstemming met de recente rechtspraak van het Marktenhof.40 171. De rechten van de betrokkenen, evenals het beginsel beveiliging, behoren tot de essentie van de AVG en inbreuken hierop worden bestraft met de hoogste geldboeten, overeenkomstg artikel 83, lid 5, van de AVG. In deze geest kunnen deze ernstige inbreuken gesanctioneerd worden met dienovereenkomstig hoge geldboeten, afhankelijk van de omstandigheden van het geval in kwestie. In dit verband kan worden verwezen naar de richtsnoeren van de Groep artikel 29 voor de toepassing en de vaststelling van administratieve geldboeten41, die het volgende bepalen: "Geldboeten zijn een belangrijk instrument dat de toezichthoudende autoriteiten in passende omstandigheden moeten gebruiken. De toezichthoudende autoriteiten worden aangemoedigd om bij het gebruik van corrigerende maatregelen een weloverwogen en evenwichtige aanpak te hanteren, teneinde zowel een doeltreffende en afschrikkende als een evenredige reactie op de inbreuk te bewerkstelligen. Het gaat er niet om de geldboeten als laatste redmiddel aan te merken, noch om ervoor terug te deinzen geldboeten op te leggen, maar wel om ze niet zodanig te gebruiken dat hun doeltreffendheid als instrument zou worden aangetast .” 172. Artikel 83, lid 2, punt
  28. a)heeft betrekking op "de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade". 40 Hof van Beroep van Brussel, 19e kamer, sectie Marktenhof, arrest van 27 januari 2021, blz. 21-24. 41 Groep 29, Richtsnoeren voor de toepassing en vaststelling van administratieve geldboeten in de zin van Verordening (EU) 2016/679, WP 253, aangenomen op 3 oktober 2017, blz. 7. Beslissing ten gronde 56/2021- 37/41 173. De Geschillenkamer merkt op dat zowel het beginsel beveiliging (artikel 5, lid 1, punt f), van de AVG) (en de daaruit voortvloeiende verplichtingen - artikel 32 van de AVG) als het recht van inzage (artikel 15), kernbeginselen zijn van de beschermingsregeling die bij de AVG is ingesteld. Het in artikel 5, lid 2, van de AVG vastgelegde en in artikel 24 verder uitgewerkte verantwoordingsbeginsel vormt de kern van de AVG en weerspiegelt de paradigmaverschuiving die de AVG teweegbrengt, namelijk een verschuiving van een regeling die gebaseerd is op voorafgaande verklaringen en machtigingen van de toezichthoudende autoriteit naar een grotere verantwoordingsplicht en verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijke. Dit maakt het des te belangrijker dat deze laatste aan zijn verplichtingen voldoet en dit kan aantonen. Schendingen van deze beginselen vormen ernstige schendingen. 174. Wat meer in het bijzonder de aard van de onrechtmatig geraadpleegde gegevens betreft, benadrukt de Geschillenkamer dat de verweerder actief is in de banksector en grote hoeveelheden gevoelige financiële gegevens verwerkt (gegevens met betrekking tot de kredieten van de betrokkenen). De gegevens met betrekking tot de kredieten van de klager zijn in casu onrechtmatig geraadpleegd gedurende de periode van april 2016 tot augustus 2018, en dit niet minder dan 20 keer. De Geschillenkamer concludeert hieruit dat de onrechtmatige raadplegingen in kwestie, door de aard, de ernst en de duur ervan, ernstige inbreuken vormen. 175. Zij merkt tevens op dat het niet onredelijk is aan te nemen dat zonder een klacht van de klager dergelijke onrechtmatige raadplegingen hadden kunnen blijven doorgaan en ongestraft waren gebleven, aangezien de verweerder pas na de klacht aanvullende maatregelen heeft genomen en zijn schuldige werknemer heeft gesanctioneerd. 176. De Geschillenkamer merkt verder op dat in het CKP-register van de NBB de persoonsgegevens van bijna 6 miljoen personen zijn opgenomen, en dat de werknemers van de verweerder, waaronder kaderleden, deze op regelmatige basis raadplegen. 177. Met betrekking tot de vraag of de inbreuken al dan niet opzettelijk (door nalatigheid) zijn gepleegd (artikel 83, lid 2, punt b), van de AVG), herinnert de Geschillenkamer eraan dat "niet opzettelijk" betekent dat het niet de bedoeling was de inbreuk te plegen, hoewel de verwerkingsverantwoordelijke niet had voldaan aan de zorgvuldigheidsplicht die krachtens de wetgeving op hem rustte. In het onderhavige geval is de Geschillenkamer van mening dat de vastgestelde inbreuken - hoe ernstig ook - niet wijzen op een doelbewuste intentie van de verweerder om de AVG te schenden. Punt
  29. d)van artikel 83, lid 2, van de AVG verwijst naar de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke verantwoordelijk is gezien de technische en organisatorische maatregelen (artikel 32 van de AVG). De Geschillenkamer verwijst hier naar de Beslissing ten gronde 56/2021- 38/41 bovenstaande ontwikkelingen waaruit blijkt dat de verweerder geen beveiligingsmaatregelen had getroffen met betrekking tot de toegang van kaderleden tot de gegevens van het CKP-register voordat de onrechtmatige raadplegingen werden uitgevoerd. Uit de verklaringen van de DPO van de verweerder blijkt ook dat naar aanleiding van het incident, de enige nieuwe ingevoerde maatregel beperkt blijft (vermindering van het aantal kaderleden dat toegang tot het CPK-register heeft van vijf naar twee, en het bijhouden van een toegangsregister door deze kaderleden). 178. Artikel 83, lid 2, punt e), betreft "eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker". De Geschillenkamer wijst er in dat verband op dat de groep waarvan de verweerder deel uitmaakt, door een andere toezichthoudende autoriteit is gesanctioneerd. 179. De Geschillenkamer neemt nota van de inspanningen van de verweerder met betrekking tot zijn medewerkende personeelsleden (nieuwe AVG-opleiding, bewustmaking van het personeel...), maar stelt vast, zoals hierboven aangegeven, dat de specifieke bijkomende beveiligingsmaatregelen voor de toegang van kaderleden, zwak blijven. De enige nieuwe maatregel naar aanleiding van het incident bestaat immers in een vermindering van 5 naar 2 van het aantal kaderleden dat toegang tot de CKP heeft. De Geschillenkamer merkt eveneens op dat de verweerder zich pas in december 2020 bewust werd van de mogelijkheid om de toegangslijst van kaderleden die zij (
  30. nu)heeft te vergelijken met de lijst die de NBB bijhoudt, hoewel de klager de onrechtmatige raadplegingen had gemeld en zij door de dader (de ex-man van de klager) al in 2019 waren erkend. 180. De Geschillenkamer stelt vast dat de andere criteria van artikel 83, lid 2, van de AVG niet relevant zijn en geen invloed kunnen hebben op haar beslissing om een administratieve geldboete op te leggen of op het bedrag ervan. Volgens artikel 83, lid 5, punt a), van de AVG kunnen inbreuken op deze bepalingen oplopen tot 20 000 000 EUR of, in het geval van een onderneming, tot 4% van de totale wereldwijde jaaromzet in het voorgaande boekjaar. De maximumbedragen van de boetes die voor inbreuken op deze bepalingen kunnen worden opgelegd, zijn hoger dan die welke voor andere soorten overtredingen in artikel 83, lid 4, van de AVG zijn opgesomd. Aangezien het gaat om schendingen van een grondrecht, neergelegd in artikel 8 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, zal de beoordeling van de ernst ervan, zoals de Geschillenkamer reeds eerder heeft onderstreept, ter ondersteuning van artikel 83, lid 2, punt a), van de AVG, op autonome wijze gebeuren42. 42 Zie beslissing 64/2020 van de Geschillenkamer (punt 45), beschikbaar https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/beslissing-ten-gronde-nr.-64-2020.pdf. via: Beslissing ten gronde 56/2021- 39/41 181. De Geschillenkamer herinnert aan het in artikel 83, lid 4, van de AVG bepaalde, dat de inbreuken waarvoor de geldboeten tot 10 000 000 EUR kunnen oplopen of, in het geval van een onderneming, tot 2% van de jaarlijkse wereldwijde omzet van het voorgaande boekjaar. De overtredingen van de artikelen 8, 11, 25 tot en met 39, 42 en 43, worden in aanmerking genomen. Dergelijke inbreuken betreffen onder andere het verzuim om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om de naleving van de AVG te waarborgen, de schending van de verplichting tot gegevensbeveiliging, de verplichting tot gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen, en de verplichting tot het bijhouden van verwerkingsregisters. In het onderhavige geval, stelt de Geschillenkamer, zoals hierboven vermeld, een schending vast van de verplichting tot het treffen van passende technische en organisatorische maatregelen om de overeenstemming met de AVG te waarborgen, de verplichting tot gegevensbeveiliging, en de verplichting tot gegevensbescherming door ontwerp en door standaardinstellingen. Het maximumbedrag van de geldboete in dit geval, zoals bepaald in artikel 83, lid 5, is derhalve 10 000 000 EUR. 182. De verweerder maakt bovendien deel uit van een grote multinational, hetgeen tijdens de hoorzitting is bevestigd. Bij het bepalen van het bedrag van de geldboete houdt de Geschillenkamer rekening met het begrip onderneming (artikel 83, lid 5, van de AVG). De Geschillenkamer houdt ook rekening met het advies van het Europees Comité voor gegevensbescherming, waarvan zij met name het volgende in aanmerking neemt: « Om geldboeten op te leggen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn, gebruikt de toezichthoudende autoriteit de definitie van het begrip onderneming zoals vastgesteld door het Hof van Justitie van de Europese Unie voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 VWEU, namelijk dat het begrip onderneming wordt begrepen als een economische eenheid die door de moedermaatschappij en alle betrokken dochterondernemingen kan worden gevormd. Overeenkomstig het EU-recht en de jurisprudentie moet een onderneming worden gezien als een economische eenheid die commerciële/economische activiteiten uitoefent, ongeacht de rechtsvorm ervan (overweging 150). » 183. Concluderend, in het licht van de hierboven ontwikkelde elementen die specifiek zijn voor deze zaak, is de Geschillenkamer van oordeel dat de bovengenoemde schendingen rechtvaardigen dat als doeltreffende, evenredige en afschrikkende sanctie zoals bepaald in artikel 83 van de AVG en rekening houdend met de in artikel 83, lid 2, van de AVG opgesomde beoordelingsfactoren en de reactie van de verweerder op de voorgestelde geldboete, een nalevingsbevel, vergezeld van een administratieve geldboete van 100 000 EUR (artikel 100.1, 13° en 101 WOG) aan de verweerder worden opgelegd. Beslissing ten gronde 56/2021- 40/41 184. Het bedrag van 100 000 EUR blijft in het licht van deze elementen in verhouding staan tot de gemelde schendingen. Dit bedrag ligt bovendien ver onder het maximumbedrag van 10 000 000 EUR waarin artikel 83, lid 5, van de AVG voorziet (zie hierboven). 185. Dit bedrag is gerechtvaardigd om de bovengenoemde redenen, waaronder de gevoelige aard van de gegevens die het voorwerp uitmaken van de betwiste verwerkingen (financiële gegevens over het krediet van de klager), de lange periode gedurende welke de verwerkingen hebben plaatsgevonden, en het grote aantal keren dat de verwerkingen werden uitgevoerd

(20). Andere overwegingen die dit bedrag rechtvaardigen zijn gebaseerd op het feit dat er sinds het incident door de verweerder weinig aanvullende maatregelen zijn getroffen ter versterking van haar gegevensbeveiliging, op het feit dat het niet onredelijk is aan te nemen dat zonder de indiening van de klacht de onrechtmatige raadplegingen hadden kunnen blijven doorgaan zonder dat de tekortkomingen van haar beveiligingsmaatregelen onder de aandacht van de verweerder waren gekomen, die bovendien een grote hoeveelheid gevoelige financiële gegevens verwerkt (6 miljoen raadplegingen van het CKP-register per jaar, volgens haar verklaringen). De Geschillenkamer is van mening dat een lagere geldboete in het onderhavige geval niet zou beantwoorden aan de criteria van artikel 83, lid 1, van de AVG, volgens welke de administratieve geldboete niet alleen evenredig, maar ook doeltreffend en afschrikkend moet zijn. Deze elementen vormen een specificatie van de algemene verplichting van de lidstaten uit hoofde van het recht van de Europese Unie, gebaseerd op het beginsel van loyale samenwerking (artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie). 186. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing overeenkomstig artikel 100, §1, 16°, van de WOG, bekendgemaakt op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, met weglating van de identificatiegegevens van de partijen, aangezien deze identificatiegegevens niet noodzakelijk en relevant zijn in het kader van de bekendmaking van de onderhavige beslissing. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, - de verweerder te bevelen, overeenkomstig artikel 100, §1, 9°, van de WOG, de toegang tot het CK-register door leidinggevende werknemers in overeenstemming te brengen met artikel 5, lid 1, punt f), en artikel 32, van de AVG. Hiervoor geeft de Geschillenkamer de verweerder een termijn van drie maanden en verwacht zij dat de verweerder haar binnen dezelfde termijn rapporteert over het in overeenstemming brengen van de verwerking met de bovengenoemde bepalingen. Beslissing ten gronde 56/2021- 41/41 - op grond van artikel 83 van de AVG en de artikelen 100, 13° en 101 van de WOG, de verweerder een administratieve geldboete van 100 000 EUR op te leggen wegens schending van bovengenoemde artikelen. Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1, van de WOG, beroep worden aangetekend bij het Marktenhof, binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. (get) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.