← België

Beslissing ten gronde nr. 58/2024

Publicatie dd. 9 juli 2024 1/14 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 58/2024 van 22 april 2024 Dossiernummer : DOS-2022-02599 Betreft : het nalaten gevolg te geven aan een verzoek tot inzage van een uitlezingsrapport van een wagen De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Frank De Smet, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, vertegenwoordigd door meester A. VANBETS, hierna “de klager” De verweerder: Y, vertegenwoordigd door meester S. PAPEN, hierna “de verweerder” Beslissing ten gronde 58/2023 — 2/14 I.

  1. Feiten en procedure Op 21 juni 2022 dient de klager een bemiddelingsverzoek Gegevensbeschermingsautoriteit, behandeld door de bemiddelingsverzoek is aan Y (hierna: bemiddelingsverzoek wordt gericht op 24 garage juni 2022 bij de Eerstelijnsdienst. Dit de Het ontvankelijk in verweerder). verklaard door de Eerstelijnsdienst.
  2. Diezelfde dag werd het bemiddelingsverzoek overgemaakt aan verweerder via het emailadres […]. Dit is het e-mailadres waarmee de klager reeds contact had gehad met de verweerder en dat bovendien op de website van de verweerderstaat vermeld. Een herinnering volgt op 18 juli 2022 nadat antwoord vanwege de verweerder uitblijft. Op 8 augustus 2022 stelt de Eerstelijnsdienst de klager ter kennis van het uitblijven van respons, waardoor deze zijn bemiddelingsverzoek omzet in een klacht.
  3. Op 9 augustus 2022 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG en wordt deze op grond van artikel 62, § 1, van de WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
  4. Het voorwerp van de klacht betreft de uitoefening van het recht van inzage door de klager die de verwerkingsverantwoordelijke heeft verzocht om het volledige diagnoseverslag met freeze frame data met betrekking tot zijn voertuig te verstrekken in het kader van een expertise. Op 2 juni 2022 werd een expertise uitgevoerd op het voertuig van de klager bij de verweerder. De deskundige aanwezig op de expertise verzocht later het volledige diagnoseverslag met freeze frame data 1 van de klager. Deze trachtte dit bij verweerder te verkrijgen, via het algemene e-mailadres [..], maar stuitte op een weigering vanwege een interne beleidsregel van Z
  5. De deskundige verduidelijkt in een brief dat zij zonder de opgevraagde informatie geen tussentijds verslag kan schrijven. Zij zal hiervoor het uitleesverslag met de freeze frame data nodig hebben. Deze gegevens zijn tevens raadpleegbaar door een directe lezing te doen, zo vermeldt zij, maar verweerder heeft ondertussen de actieve storingen gewist, waardoor zij deze data niet langer zelf kan raadplegen. Zij voegt hieraan toe dat het een verplichting is voor de constructeurs om technische data ter beschikking te stellen zodat ook herstellers buiten het constructeursnetwerk onderhoud en herstellingen kunnen uitvoeren
  6. Via e-mail verzendt de klager op 15 juni 2022 een aanmaning, gericht aan […]. Hierin verwijst de raadsman van de klager naar de AVG om inzage verleend te krijgen. Bovendien vraagt de 1 2 Het betreft de freeze frame data via een gewone OBDII uitlezing. Zie Verordening (EU) 461/2010 van de Commissie van 27 mei 2010 betreffende de toepassing van artikel 101, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen in de motorvoertuigensector (https://eur-lex.europa.eu/legalcontent/NL/ALL/?uri=celex%3A32010R0461). Beslissing ten gronde 58/2023 — 3/14 klager om “[mee te] delen welke onderdelen [de verweerder] precies heeft vervangen of wenst te vervangen met vermelding van het onderdeelnummer alsmede een gedetailleerde uiteenzetting van alle geplande of uitgevoerde werkzaamheden”.
  7. De verweerder antwoordt op 17 juni 2022 dat de gevraagde gegevens niet kunnen worden overgemaakt aan de klager, gelet op het verbod om interne documenten te delen met derden buiten het Z2 netwerk. Zij geeft wel verdere toelichting over de uitgevoerde werken op het voertuig van de klager.
  8. Op 26 september 2022 neemt de Geschillenkamer beslissing 136/2022 waarin de verwerkingsverantwoordelijke overeenkomstig artikel 95, §1, 5°, WOG wordt bevolen om te voldoen aan het verzoek van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen, meer bepaald het recht van inzage (artikel 15.1 en 15.3 AVG), en over te gaan tot het verstrekken aan de klager van de door hem gevraagde informatie. Deze beslissing is abusievelijk gericht tegen en geadresseerd aan garage Z1 (hierna: de carrosseriegarage), met maatschappelijke zetel te (adres), als gevolg van een materiële vergissing. De oorspronkelijke verwerkingsverantwoordelijke was immers verweerder (adres). Deze entiteit werd door de klager aangesproken en hieraan werd ook het oorspronkelijke bemiddelingsverzoek gericht.
  9. Op 27 oktober 2022 reageert de carrosseriegarage op de genomen beslissing van de Geschillenkamer door een procedure ten gronde, overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG te verzoeken. In dit verzoek laat de carrosseriegarage verstaan dat zij “niet akkoord [gaat] met deze beslissing en [zij] verzoekt dat de zaak ten gronde [wordt] behandeld krachtens art. 98 e.v. WOG.” Zij voegt hieraan toe dat “de behandeling ten gronde bovendien reeds ambtshalve [werd] bevolen door Uw Geschillenkamer, aangezien cliënte (terecht) de gevraagde informatie thans nog niet bezorgd heeft aan de heer X.” Terzelfdertijd aanvaardt de carrosseriegarage elektronisch alle communicatie omtrent de zaak en geeft zij te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG.
  10. Op 30 november 2022 brengt de klager de Geschillenkamer op de hoogte van het plaatsvinden van recente communicatie met de raadsman die zowel de carrosseriegarage als de verweerder vertegenwoordigt. Op 2 november 2022 ontvangt de raadsman van de klager het diagnoseverslag. Op 14 november 2022 laat de raadsman van de klager weten dat het ontvangen diagnoseverslag niet overeenkomt met het gevraagde uitleesverslag.
  11. Op 9 december 2022 worden de tot hiertoe betrokken partijen per aangetekende zending op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Deze conclusiekalender is gericht aan de carrosseriegarage. Immers de abusievelijke aanwijzing van deze garage als de verweerder is op dat moment nog niet gesignaleerd aan de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 58/2023 — 4/14
  12. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de ‘verweerder’ werd daarbij vastgelegd op 20 januari 2023, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 10 februari 2023 en deze voor de conclusie van repliek van de ‘verweerder’ op 3 maart
  13. Op 9 december 2022 aanvaardt de klager elektronisch alle communicatie omtrent de zaak.
  14. Op 20 januari 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de carrosseriegarage voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. In hun conclusies vermelden zij dat ze geen overeenkomst hebben gesloten met de klager en dus ook niet als verwerkingsverantwoordelijk in de zin van artikel 4.7 AVG kunnen worden beschouwd.
  15. Op 10 februari 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager, voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. Allereerst benadrukt zij de laattijdigheid van het verzoek van de carrosseriegarage, dat op 27 oktober 2022 werd ingediend, één dag na het verstrijken van de beroepstermijn. Bovendien wijst ze erop dat er in de tussentijd wel een verslag is overgemaakt aan de klager, hoewel er op het moment van het indienen van de conclusies nog twijfel bestond over de adequaatheid ervan. Dit houdt een inwilliging van het inzageverzoek in volgens de klager, waardoor de verweerder de gegrondheid van het verzoek zou erkennen. Ten slotte merkt de klager op dat beslissing 136/2022 de carrosseriegarage vermeldt als verweerder in plaats van de eigenlijke ? verweerder. Ze voegt hier echter aan toe dat beide vestigingen opereren onder hetzelfde ondernemingsnummer, en dat door simpelweg de verwerkingsverantwoordelijkheid te ontkennen de procedure slechts onnodig wordt verlengd.
  16. Op 2 maart 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de ‘verweerder’ voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. De carrosseriegarage maakt in haar conclusies duidelijk dat zij moet worden gezien als een verschillende entiteit van verweerder. Het gaat om twee verschillende rechtspersonen die verschillende activiteiten uitoefenen. Zij benadrukt bovendien dat de termijn van veertien dagen slechts een termijn van orde, en dus ook geen vervaltermijn, is, waaraan geen sanctie gekoppeld is. Ten slotte geeft zij aan dat de klager het diagnoseverslag reeds heeft ontvangen van verweerder.
  17. Op 17 augustus 2023 worden de tot hiertoe betrokken partijen per aangetekende zending op grond van artikel 99 WOG opnieuw in kennis gesteld van nieuwe termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. Ditmaal wordt verweerder aangeschreven, en niet de carrosseriegarage. In de brief van de Geschillenkamer van 17 augustus 2023 staat het volgende vermeld: Beslissing ten gronde 58/2023 — 5/14 “Er moet gewezen worden op de conclusies die reeds werden neergelegd in het kader van deze procedure. Deze conclusies worden als bijlage bij deze brief gevoegd. Naar aanleiding van deze conclusies werd onder de aandacht van de Geschillenkamer gebracht dat Z1 verkeerdelijk in het dossier betrokken is. Op basis van de elementen aangebracht door de onderneming die in een eerdere fase van de procedure werd aangeschreven, stelt de Geschillenkamer vast dat niet die onderneming de verwerende partij uitmaakt. Na onderzoek naar deze vermeende vergissing, stelt de Geschillenkamer vast dat daadwerkelijk Y als verwerkingsverantwoordelijke moet worden gehouden. De Geschillenkamer nodigt bijgevolg Y uit om, in hoedanigheid van verweerder, te concluderen in lijn met onderstaande conclusiekalender. Klager kan in diens conclusie van repliek naar reeds ingediende conclusies verwijzen.” De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 12 oktober 2023, deze voor de conclusie van repliek van de klager op 9 november 2023 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 7 december
  18. Op 11 oktober 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de verweerder. Deze conclusies worden ingediend in naam van zowel verweerder, als de carrosseriegarage.
  19. Zij verzoeken allereerst om de carrosseriegarage officieel buiten vervolging te stellen. Bovendien stellen zij dat de Geschillenkamer geen rechtsmacht heeft in een procedure tegen verweerder, dit omdat de Geschillenkamer op basis van artikel 811 Ger.W. niet ambtshalve een derde in het geding kan betrekken. Daarenboven stelt het verweer dat de klacht geen betrekking had op verweerder. Ten slotte wordt aangevoerd dat de klager intussen het desbetreffende verslag heeft mogen ontvangen. De klacht is dus zonder voorwerp.
  20. Op 8 november 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. De klager benadrukt dat de klacht aanvankelijk gericht was aan verweerder, waardoor de rechtsmacht van de Geschillenkamer niet in twijfel moet worden getrokken. Bovendien stelt zij dat het intussen ontvangen verslag niet met zekerheid het gevraagde document is, aangezien het tijdstip van de lezing niet overeenkomt, alsook er een hoog aantal foutmeldingen ontbreekt, dewelke de deskundige wel nodig had om haar expertiseverslag te vervolledigen.
  21. Op 7 december 2023 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de verweerder. Deze zijn wederom ingediend in naam van zowel de carrosseriegarage, als verweerder. Beslissing ten gronde 58/2023 — 6/14
  22. In diens conclusies haalt deze opnieuw aan dat het over twee verschillende ondernemingen gaat en dat de carrosseriegarage in casu niet de verwerkingsverantwoordelijkheid draagt. De verweerder weerlegt het argument van de klager dat de procedure ten gronde onontvankelijk zou zijn door aan te stippen dat de niet-uitvoering van beslissing 136/2022 ambtshalve een procedure ten gronde initieert, zoals dit is opgenomen in de beslissing zelf.
  23. De verweerder stelt bovendien dat de huidige procedure ten gronde vervalt wegens gebrek aan voorwerp: “Evenwel, indien het standpunt van de heer X bijgetreden zou worden dat Uw Kamer geen rechtsmacht heeft opzichtens Z1, dan dient opgemerkt te worden dat de prima facie beslissing dd. 26.09.2022 die de basis vormt voor huidige procedure ten gronde, vervallen is wegens gebrek aan voorwerp. In die hypothese was er immers geen verwerende partij waarover Uw Kamer rechtsmacht had en dan kon zij uiteraard ook geen prima facie beslissing vellen. Daarop voortbouwend, indien er geen geldige prima facie beslissing is, dan is huidige procedure ten gronde ook vervallen vermits deze geënt is op de prima facie beslissing 136/2022 dd. 26.09.
  24. In beide hypothesen is het resultaat echter hetzelfde: Z1 dient buiten vervolging gesteld te worden.”
  25. In de dupliek van de verweerder wordt vervolgens aangebracht dat de Geschillenkamer geen rechtsmacht heeft ten aanzien van verweerder, aangezien de oorspronkelijke klacht hier niet tegen gericht was. Volgens artikel 2 juncto artikel 811 Ger.W. is het bovendien onmogelijk dat de Geschillenkamer een derde in het geding betrekt.
  26. Op 27 februari 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 28 maart
  27. Op 28 maart 2024 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. De klager zet nogmaals de feiten van onderhavige zaak uiteen en benadrukt dat deze steeds verweerder heeft aangeschreven. Uiteindelijk werd hen, nadat er reeds een bevel overeenkomstig artikel 95 WOG werd uitgeschreven door de Geschillenkamer (zij het ten aanzien van de carrosseriegarage), alsnog een verslag opgestuurd. Dit was hen aanvankelijk geweigerd vanwege interne richtlijnen van Z
  28. Hij eindigt door te stellen dat het onduidelijk is of het verkregen rapport nu effectief het goede rapport is. De deskundige die ten tijde van de uitlezing aanwezig was vermoedt van niet. De verweerder haalt tijdens zijn spreektijd nog aan dat er geen sprake is geweest van een manipulatie van het reeds overgemaakte verslag, en dat zij bovendien niet in het bezit zijn van een ander (al dan niet uitgebreider) rapport. Beslissing ten gronde 58/2023 — 7/14 Hij herhaalt dat hij aanvankelijk de richtlijnen van Z2 volgde, die hem verboden om dergelijke documenten te delen met entiteiten buiten het netwerk. Later volgde de toestemming van Z2 om dit alsnog te doen, waarna zij zijn ingegaan op het verzoek van de klager en alsnog het uitleesverslag hebben verstuurd in november
  29. De verweerder begrijpt dan ook niet waarom deze procedure wordt verdergezet indien er reeds is tegemoet gekomen aan het verzoek van de klager.
  30. Op verzoek van de aanwezige leden wordt de relatie tussen Z2 en de verweerder besproken. De verweerder erkent dat hij in dit geval de verwerkingsverantwoordelijke is, maar benadrukt dat zij wel de richtlijnen van Z2 volgen. Tot slot verzoekt de voorzitter van de Geschillenkamer tijdens de hoorzitting of de carrosseriegarage ermee akkoord gaat indien zij buiten vervolging zou worden gesteld. De raadsman van de carrosseriegarage bevestigt dit.
  31. Op 2 april 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. De Geschillenkamer ontvangt geen opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal van de partijen. II. Motivering
  32. Wanneer de Geschillenkamer in deze beslissing verder verwijst naar “de verweerder”, wordt uitsluitend verwezen naar verweerder (en dus niet de carrosseriegarage). II.1.
  33. Bevoegdheid van de Geschillenkamer
  34. In deze zaak moet de Geschillenkamer vaststellen dat in beslissing 136/2022 de verkeerde verwerkingsverantwoordelijke is aangesproken, ingevolge een vergissing in hoofde van de Geschillenkamer, waardoor een andere onderneming, met een eigen ondernemingsnummer, werd aangesproken.
  35. De Geschillenkamer dient in dezen te benadrukken dat het oorspronkelijke bemiddelingsverzoek van de klager wel degelijk gericht was aan verweerder. Het verzoek van klager d.d. 21 juni 2022 klinkt als volgt: “Ik wens u [sic.] tussenkomst voor bemiddeling bij Z2 garage […].”
  36. Hieruit volgt dat de verweerder wel degelijk is aangesproken in de bemiddelingsprocedure. Het aangewende e-mailadres […] is bovendien het e-mailadres waarmee de originele communicatie tussen de klager en de verweerder heeft plaatsgevonden. Ook op de website van verweerder staat dit e-mailadres opgegeven. Het nalaten reactie te geven op de poging tot bemiddeling is dus in hoofde van verweerder. Het daaropvolgend omzetten van de klacht heeft bijgevolg ook betrekking op de verweerder. Beslissing ten gronde 58/2023 — 8/14
  37. Beslissing 136/2022 werd vervolgens geadresseerd aan de carrosseriegarage. Aangezien destijds het e-mailadres op de website van de carrosseriegarage identiek was aan dat van verweerder 3, bleef deze vergissing onopgemerkt bij het verzenden ervan. Het is naar aanleiding van de eerste conclusieronde dat deze vergissing onder de aandacht van de Geschillenkamer werd gebracht. Naar aanleiding hiervan heeft de Geschillenkamer een tweede conclusieronde opgestart, opdat verweerder eveneens over de mogelijkheid zou beschikken diens verweermiddelen aan de Geschillenkamer voor te leggen. De uitnodiging tot hoorzitting werd vervolgens geadresseerd aan verweerder. Op deze hoorzitting werd de verweerder vertegenwoordigd door dezelfde raadsman als de carrosseriegarage. Tijdens de hoorzitting werd de carrosseriegarage buiten vervolging gesteld.
  38. De verweerder haalt in diens conclusies aan dat de Geschillenkamer geen rechtsmacht zou hebben ten aanzien van hem. Zoals hierboven in de randnummers 30 en 31 uiteengezet, kan echter geconcludeerd worden dat dit niet klopt. Verweerder is geen “derde” in het geding, zoals de verweerder verkeerdelijk beweert.
  39. In dit verband kan – ten overvloede –tevens worden gewezen op de status van de Geschillenkamer als administratief rechtscollege, waardoor artikel 811 Ger.W. 4 geen toepassing vindt. Het aanhangig maken van een klachtdossier kan daardoor ook niet worden gezien als een rechtspleging in de zin van artikel 2 Ger.W. De procedure voor de Geschillenkamer is een sui generis administratiefrechtelijke procedure waarin toezicht wordt gehouden op de naleving van de AVG en, zodoende mag “de zogenaamde ‘procedure’ bij de behandeling van een klacht voor de Geschillenkamer niet zomaar […] vergeleken worden met de rechtspleging in een gerechtelijke procedure”
  40. Bovendien moet opgemerkt worden dat er geen corrigerende maatregel meer wordt opgelegd aan de carrosseriegarage. Door het aanvatten van de procedure ten gronde ingevolge artikel 98 WOG wordt beslissing 136/2022 immers automatisch vervangen door onderhavige beslissing ten gronde. Het bevel in beslissing 136/2022 bepaalt immers dat de Geschillenkamer “onder voorbehoud van de indiening van een verzoek door de verwerkingsverantwoordelijke tot behandeling ten gronde overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG” een bevel oplegt.
  41. Beide partijen verzoeken ten slotte ook een verwijzing van de andere partij in de kosten. De Geschillenkamer is echter niet bevoegd om enige partij in het geding in de kosten te verwijzen. In de artikelen 95 en 100 van de WOG worden de corrigerende maatregelen en sancties waartoe zij kan besluiten, op restrictieve wijze opgesomd. De verwijzing in de kosten behoort niet tot de maatregelen die in deze artikelen worden genoemd, met name in 3 Ondertussen heeft carrosseriegarage een eigen e-mailadres, zijnde […]. 4 Art. 811 Ger.W.: “De hoven en rechtbanken kunnen niet ambtshalve bevelen dat een derde in het geding worden betrokken.” 5 Brussel (Marktenhof) 7 juli 2021, nr. 2021/AR/320, NDPK nv t. GBA (de Roze Doos), p.
  42. Beslissing ten gronde 58/2023 — 9/14 artikel 100 van de WOG, dat in de onderhavige zaak van toepassing is
  43. Bovendien, en voor zover nodig, voegt de Geschillenkamer eraan toe dat het Gerechtelijk Wetboek, waarvan artikel 1022 voorziet in de toewijzing van de kosten, niet van toepassing is op de Geschillenkamer in haar hoedanigheid van een geschillenorgaan van een onafhankelijke administratieve autoriteit, behalve in de gevallen waarin, zoals in artikel 57 van het Reglement van interne orde, de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek uitdrukkelijk is voorzien. Artikel 100 WOG bevat een opsomming van de bevoegdheden van de Geschillenkamer. Gezien de toekenning van een schadeloosstelling hierin niet voorkomt, kan de Geschillenkamer geen gevolg geven aan de verzoeken van de partijen hieromtrent. De Geschillenkamer kan derhalve geen gevolg geven aan het verzoek van partijen om elkaar te verwijzen in de kosten en een rechtsplegingsvergoeding op te leggen. De verzoeken van beide partijen worden afgewezen. II.1.
  44. Ontvankelijkheid van de procedure ten gronde
  45. De klager haalt aan dat de procedure ten gronde niet ontvankelijk is, aangezien het verzoek tot behandeling ten gronde overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG laattijdig werd ingediend. In beslissing 136/2022 staat aangegeven dat de Geschillenkamer een bevel oplegt aan de verwerkingsverantwoordelijke “onder voorbehoud van de indiening van een verzoek door de verwerkingsverantwoordelijke tot behandeling ten gronde overeenkomstig artikel 98 e.v. WOG”. In de beslissing zelf is dus geen termijn opgenomen wat betreft het verzoek tot behandeling ten gronde.
  46. Het is de praktijk van de Geschillenkamer dat zij een termijn van dertig dagen verleent aan de verwerkingsverantwoordelijke om eventueel een verzoek tot behandeling van de zaak ten gronde te vragen. De kennisgeving van de beslissing dateert van 27 september
  47. Het verzoek tot behandeling ten gronde dateert van 27 oktober
  48. De Geschillenkamer oordeelt dat het verzoek tot behandeling ten gronde niet laattijdig werd ingediend. II.1.
  49. Verwerkingsverantwoordelijkheid
  50. De verweerder houdt in het onderhavige dossier voor dat zij de verwerkingsverantwoordelijke is. Dit wordt ook herhaaldelijk benadrukt in de conclusies. In de praktijk blijkt echter dat de verweerder richtlijnen opgelegd krijgt door Z2, aangezien dit de franchisehouder is. Verweerder zou gebonden zijn door deze richtlijnen, en uit de praktijk 6 Brussel (Marktenhof) 26 mei 2021, nr. 2021/AR/205, HITT bvba t. GBA, p. 34: „De Geschillenkamer heeft geen rechtsmacht om de subjectieve rechten van de partijen te beoordelen en er gevolgen aan voor te behouden in het kader van een geschil. Enkel de hoven en rechtbanken van de rechterlijke macht zijn hiertoe bevoegd (artikel 144 Grondwet).” Beslissing ten gronde 58/2023 — 10/14 blijkt duidelijk dat dit het geval is. Het betreffende uitleesverslag is immers pas aan de klager verstrekt nadat Z2 hiervoor toestemming heeft gegeven.
  51. De Geschillenkamer onderzoekt daarom of er in casu geen sprake is van een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid. Het Europees Comité voor Gegevensbescherming (hierna: EDPB) beschrijft een belangrijk criterium voor het vaststellen van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid als een situatie waarin de verwerking niet mogelijk zou zijn zonder de deelname van beide partijen. Dit houdt in dat de verwerking door elke partij onscheidbaar is, oftewel onlosmakelijk verbonden met die van de andere partij. De gezamenlijke deelname moet zowel de vaststelling van het doel als de vaststelling van de middelen omvatten. 7 De EDPB verduidelijkt verder dat “voor de beoordeling van het bestaan van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken moet daarom worden onderzocht of de vaststelling van het doel en de middelen die een verwerkingsverantwoordelijke kenmerken, door meer dan één partij wordt bepaald. In dit verband moet “gezamenlijk” worden uitgelegd als “samen met” of “niet alleen” in verschillende vormen en combinaties (…).” 8
  52. Het Hof van Justitie heeft inzake gespecifieerd dat “het bestaan van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de verschillende actoren niet noodzakelijk tot een gelijkwaardige verantwoordelijkheid voor één en dezelfde verwerking van persoonsgegevens [leidt]. Integendeel, de actoren kunnen in verschillende stadia en in verschillende mate bij deze verwerking betrokken zijn, zodat bij de beoordeling van het niveau van verantwoordelijkheid van ieder van hen rekening moet worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het concrete geval.” 9
  53. De Geschillenkamer concludeert daarom dat verweerder een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke is met Z2 . De verweerder heeft enige vrijheid om de 10 verwerkingsactiviteiten zelf te organiseren, maar dit verloopt duidelijk in samenspraak met Z2, waardoor Z2 ook als een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke moet worden beschouwd.
  54. De Geschillenkamer richt zich uitsluitend tot verweerder in de onderhavige procedure. De klacht is immers uitsluitend tegen hem ? gericht. De Geschillenkamer is eveneens van mening dat, indien er daadwerkelijk een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijkheid bestaat, zij beide entiteiten voor deze praktijk kan aanspreken. Dit volgt onder meer uit de Richtsnoeren 07/2020, waarin wordt bepaald door de EDPB dat “toezichthoudende 7 Richtsnoeren 07/2020 over de begrippen “verwerkingsverantwoordelijke” en “verwerker” in de AVG; 7 juli 2021, p.
  55. Hierna: Richtsnoeren 07/
  56. 8 Richtsnoeren 07/2020, p.
  57. 9 HvJEU, arrest van 10 juli 2018, Tietosuojavaltuutettu t. Jehovan todistajat — uskonnollinen yhdyskunta, C-25/17, ECLI:EU:C:2018:551, para. 66 en HvJEU Arrest van 29 juli 2019, Fashion ID GmbH & Co. KG, C-40/17, ECLI:EU:C:2019:629, para.
  58. 10 Artikel 26 van de AVG: “Wanneer twee of meer verwerkingsverantwoordelijken gezamenlijk de doeleinden en middelen van de verwerking bepalen, zijn zij gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken.” Beslissing ten gronde 58/2023 — 11/14 autoriteiten niet gebonden [zijn] door de voorwaarden van de regeling wat betreft de kwestie van de kwalificatie van de partijen als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken of het aangewezen contactpunt.” 11 Het is voor de Geschillenkamer duidelijk dat ook als de verweerder een gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke is, de klager in principe beide ondernemingen (zowel Z2 als de verweerder) zou moeten kunnen aanspreken om zijn rechten overeenkomstig hoofdstuk III van de AVG uitgeoefend te zien
  59. II.1.
  60. Verzoek tot inzage van de klager
  61. Op 15 juni 2022 werd de verweerder aangeschreven door de raadsman van de klager, met een aanmaning van het inzageverzoek van de klager. De verweerder reageerde hierop op 17 juni 2022, echter met een negatieve reactie. Vervolgens werd de bemiddelingsprocedure bij de Eerstelijnsdienst opgestart, waarop reactie vanwege de verweerder uitbleef.
  62. Op 26 september 2022 wordt beslissing 136/2022 genomen, gericht tegen de carrosseriegarage. Dit kan inderdaad enige verwarring veroorzaken, maar de beslissing werd wel verzonden naar het algemene e-mailadres van de verweerder, waardoor deze in principe (ook) op de hoogte zou kunnen zijn van het opgelegde bevel tot het uitvoeren van het inzageverzoek van de klager. In deze beslissing staat een uitvoeringstermijn van veertien dagen vermeld.
  63. Uiteindelijk wordt op 2 november 2022, ruimschoots een maand na het versturen van de beslissing en vijf maanden na het initiële verzoek tot inzage, alsnog een diagnoseverslag verstuurd naar de klager.
  64. De Geschillenkamer laat het feit dat de verweerder niet tijdig gereageerd heeft op het bevel van beslissing 136/2022 toch buiten beschouwing omdat, dit immers te wijten kan zijn aan een materiële vergissing bij de Geschillenkamer, aangezien het bevel gericht was aan de foute verwerkingsverantwoordelijke. Dit neemt echter niet weg dat er hoe dan ook te laat is tegemoet gekomen aan het inzageverzoek van de klager en dat er bovendien onzekerheid bestaat (zonder dat de Geschillenkamer hiervoor bewijzen heeft) over de adequaatheid van het doorgestuurde rapport. Het blijft onduidelijk of dit alle opgevraagde en uitgelezen persoonsgegevens van de klager bevat. In de eerste synthesebesluiten van de klager staat het volgende te lezen: “Bovendien bestaat er geen zekerheid over de conformiteit van de alsnog verstrekte gegevens en slagen verweersters ook niet in de ter zake op hun rustende bewijslast dat dit wel het geval zou zijn. 11 12 Richtsnoeren 07/2020, p.
  65. In de richtsnoeren 07/2020 staat het volgende op p. 22 c'est en p. 5 et en p. 57 que ce passage est mentionné, quid ?: “Ongeacht de voorwaarden van de regeling kunnen betrokkenen hun rechten met betrekking tot en jegens iedere verwerkingsverantwoordelijke uitoefenen.” Beslissing ten gronde 58/2023 — 12/14 Na voorlegging van het aangeleverde diagnoseverslag aan de bij de expertise namens concluant aanwezige expert heeft deze een aantal anomalieën vastgesteld zoals verwoord in haar schrijven van 10/11/2022 dat als stuk aan het bundel van concluant wordt toegevoegd;” Het is voor de Geschillenkamer daarom thans onmogelijk om met zekerheid te kunnen vaststellen of het juiste verslag nu al dan niet werd overgemaakt en of de klager zijn recht op inzage uiteindelijk succesvol en volledig heeft kunnen uitvoeren.
  66. Omwille van de initiële weigering van de verweerder om het inzageverzoek tijdig in te willigen en de laattijdige uiteindelijke uitvoering ervan, acht de Geschillenkamer artikel 12.3 AVG geschonden. Omwille van de onzekerheid die er bestaat omtrent de juistheid van het verstrekte rapport kan de Geschillenkamer geen uitspraak doen over een eventuele schending van artikel 15.3 AVG. II.
  67. Corrigerende maatregelen
  68. Volgens artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° de klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of Beslissing ten gronde 169/2023 — 57/60 een internationale instelling te bevelen; Beslissing ten gronde 58/2023 — 13/14 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings van Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
  69. De Geschillenkamer heeft een schending van artikel 12.3 van de AVG vastgesteld, omdat de verweerder aanvankelijk onrechtmatig geweigerd heeft uitvoering te geven aan het verzoek tot inzage van de klager.
  70. In het kader van een effectieve rechtsbescherming onder artikel 47 van het Handvest van de Europese Unie, en de effectieve handhaving die de wetgever met de AVG nastreeft, is het allereerst aan de orde de verweerder hieromtrent terecht te wijzen.
  71. Om die reden komt het de Geschillenkamer opportuun voor de verweerder te berispen omwille van het nalaten tijdig uitvoering te geven aan het inzageverzoek.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.