← België

Beslissing ten gronde nr. 61/2020

Geschillenkamer Beslissing ten gronde 61/2020 van 8 september 2020 Dossiernummer : DOS-2019-04058 Betreft : klacht wegens de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens na raadpleging in het Rijksregister door een instelling van openbaar nut De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter en de heren Jelle Stassijns en Christophe Boeraeve, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna AVG; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna WOG; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; . . . Beslissing ten gronde 61/2020 - 2 heeft de volgende beslissing genomen inzake: 1. Mevr. X1, hierna “de eerste klager”, dhr. X2, hierna “de tweede klager” en dhr. X3, hierna “de derde klager”, of hierna gezamenlijk als “de klagers” en, 2. Y 1. Feiten en procedure Feiten 1. Op 23 juli 2019 ontvangt de Gegevensbeschermingsautoriteit een klacht van de drie klagers. 2. De klacht kan worden samengevat als volgt. Ingevolge een door de verweerster – als handhavende overheidsinstelling – vastgestelde inbreuk op gewestelijke regelgeving1 met betrekking tot sluikstorten door de eerste klager, had de verweerster de persoonsgegevens in het Rijksregister met betrekking tot de eerste klager geraadpleegd en verder gebruikt. In de Beslissing van de heer Directeur-generaal van de verweerster ingevolge de inbreuken op de Ordonnanties […] (hierna: “de Beslissing”) wordt vermeld dat de eerste klager samenwoont met de tweede klager, alsook dat de derde klager de vader betreft van de tweede klager. Volgens de klagers zijn deze persoonsgegevens niet noodzakelijk voor de uitvoering van de wettelijke opdrachten van de verweerster, en daarom inbreuken op de wetgeving inzake persoonsgegevensbescherming. Meer specifiek worden vragen gesteld bij de raadpleging(

  1. en)van de persoonsgegevens van de klagers in het Rijksregister. Procedure 3. Op 8 augustus 2019 verklaart de Eerstelijnsdienst de klacht ontvankelijk op grond van artikel 62, §1 WOG. 4. Op 23 augustus 2019 beslist de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 95, §1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. Het gaat om de Ordonnantie van 14 juni 2012 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) betreffende afvalstoffen, B.S. 27 juni 2012, hierna ‘de eerste Ordonnantie’ en de Ordonnantie van 25 maart 1999 (Brussels Hoofdstedelijk Gewest) houdende het Wetboek van preventie, vaststelling en bestraffing van milieumisdrijven, en milieuaansprakelijkheid, B.S. 24 juni 1999, hierna ‘de tweede Ordonnantie’; gezamenlijk worden de eerste Ordonnantie en de tweede Ordonnantie hierna aangeduid als ‘de Ordonnanties’ . 1 Beslissing ten gronde 61/2020 - 3 5. Per aangetekende brief van 23 augustus 2019 worden de klagers en de verweerster op de hoogte gesteld van voormelde beslissing van de Geschillenkamer. In deze brief worden ook de conclusietermijnen meegedeeld aan de partijen overeenkomstig artikelen 98 en 99 WOG. De Geschillenkamer vraagt daarbij onder andere in het bijzonder naar het standpunt van de partijen met betrekking tot de twee volgende punten: - of de persoonsgegevens al dan niet bij het Rijksregister werden opgevraagd en op basis van welke machtiging deze eventuele toegang, en navolgende opvraging van persoonsgegevens, plaatsvond; - het beginsel van minimale persoonsgegevensverwerking (artikel 5, lid 1, punt
  2. c)AVG getoetst aan de verwerkingen van persoonsgegevens die werden uitgevoerd in het kader van de Beslissing van de verweerster; De verweermiddelen van de verweerster 6. Op 27 september 2019 maakt de verweerster haar conclusie over aan de Geschillenkamer. Een kopie wordt door de verweerster aan de klagers bezorgd per aangetekend schrijven. 7. De verweerster haalt aan dat er op 14 september 2018 verscheidene inbreuken op de eerste Ordonnantie werden vastgesteld, waarna een proces-verbaal werd opgesteld. Overeenkomstig de tweede Ordonnantie werd de eerste klager, die volgens de vaststelling van de verweerster de inbreuken pleegde op de eerste Ordonnantie, aangeschreven met een kopie van het proces-verbaal die de voornoemde inbreuken vaststelt en“een uitnodiging om de verwijderingskosten van het afval overeenkomstig de toepasselijke regeling te betalen.” 8. Dit schrijven werd per aangetekende brief tot de eerste klager gericht na een opzoeking door de verweerster in het Rijksregister, teneinde de eerste klager volledig en juist te kunnen identificeren en teneinde haar op het juiste adres te kunnen aanschrijven. 9. Op 12 november 2018 werd, aldus de verweerster, het proces-verbaal opnieuw aan de eerste klager overgemaakt, gezien er geen antwoord was gekomen op het aangetekend schrijven van de verweerster. 10. Op de aangetekende brief, noch op de gewone brief dd. 12 november 2018, kwam een antwoord van de eerste klager. Tegelijkertijd werd door de verweerster besloten, overeenkomstig de bepalingen van de tweede Ordonnantie, om een administratieve geldboete aan de eerste klager op te leggen. Beslissing ten gronde 61/2020 - 4 11. Op 5 maart 2019 voerde de verweerster een tweede opzoeking uit in het Rijksregister, waaruit bleek dat de naam van de eerste klager was gewijzigd, en dat zij niet langer woonachtig was op hetzelfde adres waarop de verweerster de eerste klager de eerste keren had aangeschreven. 12. De verweerster richtte hierna een aangetekend schrijven aan de eerste klager, met de uitnodiging tot het voorleggen van verweermiddelen in de procedure bij de verweerster. Hierop kreeg de verweerster een antwoord dat ondertekend was door de derde klager. Dit antwoord was volgens de verweerster aan haar overgemaakt “zonder rechtvaardiging van een vertegenwoordigingsmandaat, waarbij [de derde klager] zich er, op basis van zijn titel van gepensioneerd [politie] commissaris, toe verbond een betwisting ten gronde te formuleren op basis van het gebruik van talen van bestuurszaken enerzijds en de ontkenning van de feiten anderzijds.” 13. De verweerster communiceerde vervolgens met de derde klager, die namens de eerste klager correspondeerde, doch hiervoor geen vertegenwoordigingsmandaat had voorgelegd. Het is na het plaatsvinden van die correspondentie dat de Beslissing door de verweerster werd genomen, waarin werd verwezen naar de tweede en derde klager, en een mogelijke familieband tussen die twee laatsten. 14. De verweerster wijst erop dat het van belang is – in het kader van diens sanctionerende bevoegdheden – dat zijn medewerkers toegang krijgen tot bepaalde persoonsgegevens in het Rijksregister. De verweerster wijst er ook op dat deze toegang in casu beperkt is tot informatie “zoals de naam, voornaam, geboortedatum, nationaliteit, adres van wettelijke verblijfplaats en de gezinssamenstelling […]” 15. De verweerster stelt ook dat hij “niet in staat is om een minder indringende zoekopdracht [in het Rijksregister] uit te voeren”. De gezinssamenstelling wordt bij een zoekopdracht die noodzakelijk is voor een opzoeking in het kader van de voornoemde bevoegdheden inzake het bestrijden van sluikstorten, steeds vermeld bij een opzoeking. De verweerster bevestigt dat de persoonsgegevens van de eerste klager in het Rijksregister op twee onderscheiden momenten werden geraadpleegd, namelijk op 17 september 2018 en op 5 maart 2019. 16. Het vermelden van de namen en voornamen van de tweede en derde klager door de verweerster zijn het gevolg van de tussenkomst van de derde klager, aldus de verweerster. De verweerster stelt dat de persoonsgegevens van de derde klager “door de betrokkene zelf aan de verweerster zijn verstrekt” . Hierdoor was de vermelding van de naam en voornaam van de derde klager in de Beslissing “noodzakelijk”. Daarnaast volgde de vermelding van de Beslissing ten gronde 61/2020 - 5 naam en voornaam van de tweede klager in de Beslissing uit de raadpleging van de persoonsgegevens van de eerste klager in het Rijksregister. Het verzamelen van die gegevens noemt de verweerster in haar conclusie “een ongelukkig maar noodzakelijk gevolg van het onderzoek naar [de eerste klager]. Zij vormt derhalve geen inbreuk op het beginsel van minimale gegevensverwerking zoals opgelegd in artikel 5 [AVG]” 17. Het aanhalen van een mogelijke familieband tussen de tweede en derde klager, gezien zij dezelfde naam dragen, vloeit niet voort “uit een specifieke gegevensverzameling ”, stelt de verweerster. De vermelding van die mogelijke familieband in de beslissing is volgens de verweerster “slechts een veronderstelling in een motivering die zeker ijverig is, maar de facto geen afbreuk doet aan het privéleven van de [klagers].” 18. De verweerster stelt dat uit haar verweer volgt “dat de verwerking van persoonsgegevens door verweerster juridisch gerechtvaardigd, proportioneel en verenigbaar is met het beginsel van minimale gegevensverwerking zoals vastgelegd in artikel 5, lid 1,
  3. c)van de [AVG]. De klacht is bijgevolg ongegrond.” De conclusie van repliek van de klagers 19. De conclusie van repliek van de klagers vermeldt vooreerst dat zowel de communicatie van de Gegevensbeschermingsautoriteit, als die van de (vertegenwoordigers van) de verweerster, niet de vermelding ‘PERSOONLIJK – VERTROUWELIJK’ bevatten, iets wat volgens de klagers “inherent [is] aan de vertrouwelijke inhoud inzake persoonsgegevens.” Bovendien zouden de omslagen die de verweerster heeft gebruikt voor het overmaken van haar initiële conclusie “van inferieure kwaliteit” zijn. De klagers bezorgen bij hun conclusie geen visueel of enigerlei bewijsstuk dienaangaande. De klagers hebben ook hun bedenkingen bij het verzoek van de raadsman van de verweerster verweerster om bevestiging van de ontvangst van haar stukken per e-mail te bezorgen, “zonder evenwel mee te delen of hij over een voldoende beveiligde verbinding beschikte.” 20. Vervolgens stellen de klagers zich vragen bij de toereikende beveiliging van hun persoonsgegevens en het respecteren van de basisbeginselen inzake persoonsgegevensverwerking door de raadsmannen van de verweerster. 21. De klagers wijzen verder op de mogelijke verdere verspreiding van de persoonsgegevens in de Beslissing, onder meer in beroepsprocedures, alsook het gebrekkig gemotiveerde doel waarvoor de verwerking van de genoemde persoonsgegevens plaatsvindt. Ook de onjuistheid van de verwerkte persoonsgegevens, vormt voor de klagers een schending van de bepalingen Beslissing ten gronde 61/2020 - 6 in de AVG. Dit is met name het geval wat betreft het onjuiste adres van de eerste klager “op het ogenblik van de feiten en de vaststellingen door verweerster”, en daarnaast voor de geponeerde familiale band tussen de tweede en de derde klager. Dit laatste kon niet met zekerheid blijken uit de opzoeking van de eerste klager door de verweerster in het Rijksregister, aldus de klagers. 22. Tot slot halen de klagers aan dat de stukken gevoegd bij de conclusie van antwoord van de verweerster persoonsgegevens bevatten, met name van de eerste klager, die niet strikt noodzakelijk zijn voor het gevoerde verweer. 23. Een heel aantal andere elementen die worden aangehaald door de klagers in hun repliekconclusie acht de Geschillenkamer niet relevant voor de behandeling van het onderhavig dossier door de Gegevensbeschermingsautoriteit, waar de feiten vermeld in de klacht betrekking op hebben. Het gaat dan bijvoorbeeld om het respecteren van het zorgvuldigheidsprincipe door de verweerster en de taken en identificatie van haar agenten en andere personeelsleden in de uitoefening van de bevoegdheden van de verweerster ingevolge de Ordonnanties. 24. Met name laat de Geschillenkamer alle nieuwe elementen in de repliekconclusie van de klagers buiten beschouwing: o gezien in onderhavig dossier de klacht van de klagers duidelijk en formeel afdoend was geformuleerd; o gezien de Geschillenkamer werd gevat overeenkomstig artikel 92, 1° WOG en heeft besloten op grond van artikel 94, 3° WOG de klacht te behandelen zonder de Inspectiedienst te vatten; o gezien het de bedoeling is van de wetgever overeenkomstig artikel 98 WOG dat de partijen zich terdege kunnen verdedigen omtrent de elementen van het dossier – de inhoudelijke omvang is te dezen per definitie beperkt tot de inhoud van de klacht; o gezien op basis van de voorgaande overwegingen, het niet alleen inhoudelijk onwenselijk is om de nieuwe elementen in de repliekconclusies te behandelen – omwille van het grote aantal nieuwe elementen, de prima facie beperkte bewijslast wegens het ontbreken van enige additionele stukken en het betrekken van andere verwerkingsverantwoordelijken – maar ook in de gegeven omstandigheden procedureel niet wenselijk is, om de omvang van het dossier dermate uit te breiden; Beslissing ten gronde 61/2020 - 7 o gezien het aan de klagers vrij staat een nieuwe klacht of nieuwe klachten in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit wanneer zij zich geschonden voelen in de rechten waarover de Gegevensbeschermingsautoriteit toezicht uitoefent. 25. Hierbij brengt de Geschillenkamer haar eerdere beslissing 17/2020 2 in herinnering. waarbij zij uitlegt dat de Geschillenkamer in beginsel niet gebonden is aan de inhoud van de klacht, vermits aan enkele voorwaarden wordt voldaan. Die voorwaarden doen zich hier niet voor. De conclusie van repliek van de verweerster 26. De conclusie van repliek van de verweerster herneemt grotendeels de elementen uit de conclusie van antwoord. In hoofdorde stelt de verweerster weliswaar dat de AVG op de feiten waarop de klacht betrekking heeft niet van toepassing is: “Zoals uw Autoriteit zal hebben vastgesteld op basis van hoger aangehaalde voorstelling van het wettelijk kader, heeft verweerster in onderhavig geschil gehandeld met het oog op het doen naleven van een strafrechtelijke regelgeving. Overeenkomstig artikel 2, §2, d), van de AVG is de Verordening niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde autoriteiten met het oog op het voorkomen en het opsporen van strafbare feiten, op onderzoek en vervolging in de materie of op de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en het voorkomen van bedreigingen voor de openbare veiligheid.” 27. Verder reageert de verweerster op hetgeen door de eisers in de conclusie van repliek werd gesteld met betrekking tot inhoudelijke en procedurele aspecten die geen betrekking hebben op de elementen vermeld in de klacht. Met betrekking tot die elementen ontkent de verweerster dat er enige inbreuk op de wetgeving inzake persoonsgegevensbescherming is gepleegd. 2 Geschillenkamer GBA, Beslissing ten gronde 17/2020 van 28 april 2020, paragrafen 20-35 van de beslissing. Beslissing ten gronde 61/2020 - 8 2. Motivering 2.1 Procedurele elementen in onderhavig dossier en de bevoegdheid van de Geschillenkamer (artikel 100 WOG) 28. Hoewel de Geschillenkamer reeds aanhaalde dat een aantal elementen in de conclusie van repliek van de klagers niet relevant zijn voor de behandeling van onderhavige klacht, wenst de Geschillenkamer een aantal zaken toe te lichten, teneinde het gedegen verloop van de procedure te verzekeren. Ook wat betreft de vermeende onbevoegdheid van de Geschillenkamer die de verweerster aanhaalt, licht de Geschillenkamer hiernavolgend een en ander toe. 2.1.1. Taal van de procedure en het verloop van de procedure 29. De taal van de procedure die de Gegevensbeschermingsautoriteit – de Geschillenkamer incluis – in onderhavig dossier hanteert, betreft het Nederlands, overeenkomstig artikel 57 WOG. Dit verhindert niet dat er bewijsstukken kunnen worden neergelegd bij de Geschillenkamer door één of meerdere partijen, in een andere landstaal of in het Engels. 30. Zonder hic et nunc vast te stellen of er al dan niet inbreuken op de AVG en andere relevante wetgeving met betrekking tot persoonsgegevensbescherming zijn gepleegd door de verweerster op basis van onderhavig dossier ingevolge een klacht, onderstreept de Geschillenkamer dat de verweerster recht heeft op een eerlijk verloop van de procedure (met inbegrip van de handelingen door haar vertegenwoordigers, in casu een advocaat); ingevolge artikel 98 WOG heeft de verweerster het recht verweermiddelen over te maken aan de Geschillenkamer.3 31. In die zin kan worden gewezen op de stukken die door de verweerster aan de Geschillenkamer zijn overgemaakt en toegevoegd aan het dossier. Die stukken werden gebruikt als bewijs voor het nemen van de Beslissing die het voorwerp uitmaakt van onderhavige klacht. Inderdaad, de stukken geven een aantal persoonsgegevens weer, zoals de naam, de voornaam, het adres en financiële gegevens. Het overmaken van de voornoemde stukken maakt ook een verwerking van persoonsgegevens uit in de zin van artikel 4, punt 2) AVG. 32. De Geschillenkamer kan echter niet in dit kader enig misbruik, laat staan een flagrant misbruik, vaststellen van de rechten van de klagers tijdens de behandeling ten gronde in onderhavige 3 Artikel 98, 2° WOG. Beslissing ten gronde 61/2020 - 9 procedure, in die zin dat er een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens van de klagers of derden zou hebben plaatsgevonden. Verwerkingen van persoonsgegevens die plaatsvinden gedurende - en als onderdeel van - een behandeling ten gronde van een dossier bij de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, maken per definitie geen deel uit van de klacht die aan de basis ligt van dat dossier of van de inhoud van het dossier. De Geschillenkamer zal zich dan ook, in het kader van de integriteit van de procedure, niet verder uitspreken omtrent de beweringen van de klagers hieromtrent in hun conclusie van repliek, zoals reeds hoger werd toegelicht. 33. De Geschillenkamer wenst voor de volledigheid te belichten dat het aandragen van verweermiddelen door de verweerster een zekere discretionaire beoordeling voor die partij meebrengt, in die zin dat de verwerende partij zelf kan bepalen welke stukken zij wenst toe te voegen aan haar dossier, zo lang dit als noodzakelijk wordt beschouwd in het kader van een eerlijke procesvoering.4 Dit geldt evenzeer voor de andere partijen in de procedure. 2.1.2. Het toepassingsgebied van de AVG en de bevoegdheid van de Geschillenkamer 34. In hoofdorde argumenteert de verweerster dat de AVG niet van toepassing zou zijn in dit dossier, gezien de verweerster in onderhavig geschil zou hebben gehandeld “met het oog op het doen naleven van een strafrechtelijke regelgeving.” De verweerster verwijst naar artikel 2, lid 2, punt
  4. d)AVG. 35. Voor de volledigheid kan worden opgemerkt dat overeenkomstig artikel 55, lid 3 AVG en artikel 4, §2, eerste lid WOG de Gegevensbeschermingsautoriteit niet bevoegd is om toe te zien op verwerkingen door gerechten bij de uitoefening van hun rechterlijke taken. Dit betekent niet dat de AVG niet van toepassing is op de activiteiten van gerechten en gerechtelijke autoriteiten.5 36. Vervolgens kan worden ingegaan op hetgeen de verweerster in concreto vooropstelt, namelijk de toepasselijkheid van artikel 2, lid 2, punt
  5. d)AVG, hetgeen luidt als volgt: “2. Deze verordening is niet van toepassing op de verwerkingen van persoonsgegevens: (…)
  6. d)door de bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de 4 Artikel 98, 3° WOG – de partijen worden in kennis gesteld van “de mogelijkheid om alle stukken die zij nuttig achten bij het dossier te voegen.” 5 Overweging 20 AVG. Beslissing ten gronde 61/2020 - 10 opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, met inbegrip van de bescherming tegen en de voorkoming van gevaren voor de openbare veiligheid.” 37. Overweging 19 AVG verduidelijkt dat er in dit kader een bijzondere regeling van kracht is in de vorm van een Europese richtlijn.6 Die Richtlijn is in het Belgisch nationaal recht geïmplementeerd middels de Wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens). 7 38. In artikel 26, 7° Gegevensbeschermingswet worden limitatief de bevoegde overheden in dit kader opgesomd. De verweerster, met inbegrip van haar medewerkers, behoren niét tot de overheden die dienaangaande bevoegd zijn in de zin van artikel 2, lid 2, punt
  7. d)AVG. Dat bepaalde ambtenaren van de verweerster ingevolge artikel 5, §2 van de tweede Ordonnantie worden aangesteld om hen de hoedanigheid van officiers van de gerechtelijke politie te geven, betekent immers niet dat voornoemde ambtenaren deel uitmaken van de politiediensten.8 39. Tot slot kan worden vastgesteld dat de verweerster gemachtigd is om in specifieke omstandigheden het Rijksregister te raadplegen.9 Dit wordt uiteengezet in een Koninklijk Besluit, dat ook de voorwaarden van de toegang tot het Rijksregister uiteenzet.10 Die machtiging wordt dus verleend aan de verweerster als overheidsinstelling. 11 De bepalingen van de AVG en de bepalingen van de Wet Rijksregister die de Geschillenkamer relevant acht voor de beoordeling van dit dossier, zijn dus onverkort van toepassing op de verweerster. 40. Ingevolge artikel 4 van de WOG is de Gegevensbeschermingsautoriteit bevoegd om toezicht te houden op de “wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens.” Gezien er in casu geen andere toezichthoudende autoriteit bevoegd is ingevolge de vigerende wetgeving, en gezien geen enkele bevoegdheid in deze specifieke 6 Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/997/JBZ van de Raad. 7 B.S. 5 september 2018, hierna: Gegevensbeschermingswet. 8 Politiediensten in de zin van artikel 2 van de Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op 2 niveaus (B.S. 5 januari 1999). 9 Met “het Rijksregister” wordt in deze Beslissing bedoeld: het systeem voor informatieverwerking in de zin van artikel 1 van de Wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen, B.S. 21 april 1984 (hierna: Wet Rijksregister). 10 Koninklijk Besluit waarbij Y gemachtigd wordt toegang te hebben tot de informatiegegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, (hierna: KB Y). 11 De verweerster betreft een instelling van openbaar nut conform Ordonnantie houdende oprichting van Y. Beslissing ten gronde 61/2020 - 11 context aan de Gegevensbeschermingsautoriteit is onttrokken, is zij de bevoegde toezichthoudende autoriteit.12 2.2 De rechtmatigheid van de verwerking van persoonsgegevens, verkregen na het raadplegen van het Rijksregister (artikel 6, lid 1 AVG) 2.2.1. De toegang tot en het gebruik van persoonsgegevens uit het Rijksregister 41. De Geschillenkamer sprak zich eerder al uit in een zaak die betrekking had op een raadpleging van het Rijksregister.13 Hier betrof de klacht echter de rechtmatigheid van de raadpleging van het Rijksregister op zich. In voorliggend geval betreft de klacht een verwerking van persoonsgegevens, waarbij het initieel raadplegen van de gegevens van de eerste klager in het Rijksregister toegelaten was onder de vigerende regelgeving en machtigingen. 42. Een en ander wenst de Geschillenkamer in die zin toe te lichten, teneinde eventuele onduidelijkheid hieromtrent weg te nemen. 43. Artikel 5, §1 van de Wet Rijksregister bepaalt dat de minister van Binnenlandse zaken bevoegd is om een machtiging te verlenen aan, inter alia, openbare instellingen van Belgisch recht zoals de verweerster, om toegang te hebben tot de “informatiegegevens” in het Rijksregister. Dit is met name relevant voor informatiegegevens die zulke instellingen gemachtigd zijn te kennen uit hoofde van een wetgevend document zoals een ordonnantie. 14 Ten tijde van de machtiging die aan de verweerster werd gegeven, stelde de Wet Rijksregister dat het de Koning was die deze machtiging verleende.15 44. Artikel 1 van het KB Y specifieert dat het de Directeur-generaal van de verweerster is die toegang heeft tot het Rijksregister, en elk personeelslid van de verweerster die door de Directeur-generaal bij naam en schriftelijk is aangewezen, op basis van haar of zijn functie en binnen de perken van diens respectieve bevoegdheden. 12 Artikel 4, §2, tweede lid WOG. 13 Geschillenkamer GBA, Beslissing ten gronde 19/2020 van 19 april 2020. 14 Artikel 5, §1, 2° Wet – er kan voor de rechtsgrondslag worden gekeken naar zowel de eerste Ordonnantie als de tweede Ordonnantie. 15 KB Y. Beslissing ten gronde 61/2020 - 12 45. Volgens artikel 3 van het KB Y dient de verweerster jaarlijks “aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer” een lijst te bezorgen met de aangewezen personen voor de raadpleging van het Rijksregister. De verweerster heeft bij haar conclusies een stuk gevoegd dat een lijst bevat die werd overgemaakt aan de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (hierna: CBPL) en dateert van 1 februari 2018. 46. De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft geen bevoegdheden meer die betrekking hebben op machtigingen, dan wel beraadslagingen, om toegang te verlenen tot het Rijksregister. Er kan dienaangaande aangestipt worden dat het KB Y niet in overeenstemming werd gebracht met de AVG - die de verwerkingsverantwoordelijkheid centraal stelt - alsmede met de Wet Rijksregister. Voor de volledigheid kan eveneens worden vermeld dat het Informatieveiligheidscomité niet bevoegd is wanneer andere reglementaire normen de toegang tot persoonsgegevens in overheidsdatabanken en -toepassingen regelt. 16 Dit is in dezen het geval, gezien artikel 5 Wet Rijksregister de bevoegdheid om toegang tot het Rijksregister te verlenen, specifiek aan de Minister van Binnenlandse Zaken toebedeelt. 17 2.2.2. De twee extracties uit het Rijksregister door de verweerster van de persoonsgegevens van de eerste klager 47. Of de raadpleging van persoonsgegevens rechtmatig is, en of de verdere verwerkingen van die persoonsgegevens na die raadpleging elk afzonderlijk, rechtmatige verwerkingen betreffen, dient meer in het bijzonder te worden onderzocht in het licht van artikel 6 AVG. 48. De Geschillenkamer herhaalt en verduidelijkt dat hetgeen door de klagers werd opgeworpen met betrekking tot het verloop van de procedure bij de verweerster (onder meer het naleven van de vigerende taalwetgeving door de verweerster), niet onder de beoordelingsbevoegdheid van de Gegevensbeschermingsautoriteit valt. Dit verhindert de Geschillenkamer niet om zich uit te spreken over die aspecten die betrekking hebben op de bescherming van de persoonsgegevensbescherming van de klagers. 49. De verweerster heeft op twee onderscheiden momenten de persoonsgegevens uit het Rijksregister met betrekking tot de eerste klager geraadpleegd. Dit was met name het geval op 17 september 2018 en op 5 maart 2019. 16 Artikel 35/1, tweede lid van de Wet Federale Dienstenintegrator betreft de Wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, B.S. 29 augustus 2012 17 En dus niet aan de kamer federale overheid van het informatieveiligheidscomité overeenkomstig artikel 86 Wet van 5 september 2018 tot oprichting van het informatieveiligheidscomité en tot wijziging van diverse wetten betreffende de uitvoering van verordening (EU) 2016/679 van 27 april 2016 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG, B.S. 10 september 2019. Beslissing ten gronde 61/2020 - 13 50. De eerste raadpleging van het Rijksregister dd. 17 september 2018 kwam er naar aanleiding van de vaststellingen van de verweerster die zij overeenkomstig de eerste Ordonnantie en de tweede Ordonnantie heeft gedaan.18 De verweerster, zo stelt zij zelf in haar syntheseconclusie, heeft “een proces-verbaal opgestuurd tot vaststelling van overtredingen van de afvalstoffenwetgeving […]”. 51. Met “de afvalstoffenwetgeving” verwijst de verweerster meer bepaald naar de bevoegdheden die haar één of meer van haar personeelsleden hebben in het kader van de vaststellingen van inbreuken op de eerste Ordonnantie – het gaat in dezen om inbreuken op artikel 18, §1 en artikel 19, §4 – op basis van artikel 5, §2 van de tweede Ordonnantie. 52. Zoals in het begin van onderdeel 2.2. werd toegelicht, heeft de verweerster de mogelijkheid om het Rijksregister te raadplegen, en meer bepaald omwille van de volgende reden: “(…) voor het vervullen van de taken die [de verweerster] zijn toevertrouwd inzake preventie en beheer van afvalstoffen, met name de opsporing, de vaststelling, de vervolging en de bestraffing van misdrijven inzake leefmilieu.” 19 53. De tweede raadpleging vloeide voort uit het ontbreken van enige antwoord door de eerste klager op de brieven van de verweerster dd. 25 september 2018 (per aangetekend schrijven) en vervolgens dd. 12 november 2018 (per gewone brief). De tweede raadpleging dd. 5 maart 2019 bracht naar voren dat zowel de naam van de eerste klager, als haar postadres, gewijzigd waren. Dit noodzaakte het verzenden van een nieuwe brief door de verweerster aan de eerste klager op datum van 15 maart 2019 (per aangetekend schrijven). 54. De raadpleging van het Rijksregister door de Directeur-generaal of een door de Directeurgeneraal schriftelijk aangewezen personeelslid, in navolging van de vaststellingen met betrekking tot sluikstorten die de personeelsleden van de verweerster hadden gedaan, kaderen in de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verweerster is opgedragen. De rechtmatigheid dient daarom meer in het bijzonder in het licht van artikel 6, lid 1, punt
  8. e)AVG te worden onderzocht. 55. De Geschillenkamer stelt vast dat de bevoegdheden en het bijhorende openbaar gezag dat aan de verweerster is opgedragen, concreet zijn toegewezen aan de verweerster ingevolge de eerste Ordonnantie en de tweede Ordonnantie. Het vastleggen van de taken van openbaar 18 Een uittreksel van de eerste raadpleging werd aangeleverd in de conclusie van antwoord van de verweerster, stuk 2. 19 Artikel 1, eerste lid KB Y. Beslissing ten gronde 61/2020 - 14 gezag in deze twee wetteksten is overeenkomstig artikel 6, lid 2 AVG noodzakelijk om onder de rechtmatigheidsgrondslag in de zin van artikel 6, lid 1, punt
  9. e)AVG te kunnen ressorteren.20 56. De vraag is daarnaast of de raadpleging van de persoonsgegevens in het Rijksregister ‘noodzakelijk’ was in het kader van de uitoefening van taken van openbaar gezag. In die zin zijn enkel verwerkingen van persoonsgegevens zinvol die informatie bevatten die voor het doel van de uitoefening van het openbaar gezag noodzakelijk zijn. 21 57. De Geschillenkamer acht de beide raadplegingen van de persoonsgegevens van de eerste klager in het Rijksregister, en de verdere verwerkingen van haar persoonsgegevens, en met name haar naam, voornaam en adresgegevens, inderdaad noodzakelijk voor het uitoefenen taken van het openbaar gezag. De raadpleging is noodzakelijk voor een correcte en volledige identificatie van de eerste klager, met inbegrip van haar contactgegevens. Dit kan alleen op rechtmatige en voldoende wijze plaatsvinden door middel van een raadpleging van haar persoonsgegevens in het Rijksregister. 58. De tweede raadpleging was meer specifiek noodzakelijk, gezien er geen antwoord van de eerste klager kwam op de eerste brieven van de verweerster, en er dus een te goeder trouw vermoeden bestond in hoofde van de verweerster dat de adresgegevens van de eerste klager gewijzigd waren. Dit bleek inderdaad het geval, en wordt bijkomend geïllustreerd door het feit dat na de brieven door de verweerster ingevolge de tweede raadpleging van het Rijksregister (op een ander postadres), wél een antwoord kwam van de eerste klager, hoewel die communicatie zonder vertegenwoordigingsmandaat gevoerd werd door de derde klager in diens eigen naam. Bovendien bleek de naam van de eerste klager gewijzigd in de periode tussen de eerste en tweede raadpleging van het Rijksregister, iets wat de verweerster enkel zelf op formele wijze had kunnen vaststellen door de raadpleging van het Rijksregister. 59. Voor de volledigheid kan vermeld worden dat de persoonsgegevens van de tweede klager zichtbaar waren bij het raadplegen van de persoonsgegevens van de eerste klager in het Rijksregister, gezien het niet mogelijk is voor de verweerster om op passende wijze de persoonsgegevens van de eerste klager te raadplegen, zonder dat een aantal persoonsgegevens van de tweede klager zichtbaar zijn, gezien de tweede klager wettelijk samenwoont met de eerste klager. 20 In die zin: W. KOTSCHY, “Lawfulness of processing” in C. KUNER, L.A. BYGRAVE en C. DOCKSEY, The EU General Data Protection Regulation (GDPR): A Commentary, Oxford, 2020,

(321)335. Cfr. analoge redenering in Arrest HvJEU, Heinz Huber t. Bundesrepublik Deutschland, C-524/06, ECLI:EU:C:2008:724, par. 59: “Er moet echter op worden gewezen dat een dergelijk register geen andere informatie mag bevatten dan voor het doel 21 noodzakelijk is.” Beslissing ten gronde 61/2020 - 15 60. Echter, het vermelden van de band tussen de eerste en de tweede klager behoeft een afzonderlijke analyse van de verwerkingsgrondslag, die ook de rechten van de eerste klager aanbelangen, gezien de loutere band met een andere natuurlijke persoon, op zich een persoonsgegeven uitmaakt. Dit wordt verder onderzocht onder deel 2.2.3. 61. Op basis van al hetgeen voorafgaat, besluit de Geschillenkamer dat de twee extracties van de persoonsgegevens van de eerste klager uit het Rijksregister, en de verdere verwerking van die persoonsgegevens, rechtmatig zijn overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt
  1. e)AVG, gezien er een noodzaak is om de persoonsgegevens van die eerste klagers precies, volledig en actueel te kennen en dit alles kadert binnen de proportionele uitvoering van de bevoegdheden die de Ordonnanties aan de verweerster toebedelen. 2.2.3. De extractie van persoonsgegevens aangaande de tweede klager tijdens het raadplegen van de persoonsgegevens van de eerste klager in het Rijksregister en het door de verweerster verondersteld familiaal verband tussen de tweede klager en de derde klager 62. De vraag of de vermelding van de persoonsgegevens van de tweede en derde klager in de Beslissing van de verweerster ‘noodzakelijk’ waren in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt
  2. e)AVG, dient door de Geschillenkamer afzonderlijk te worden behandeld. 63. Er kan opgemerkt worden dat de klagers en de verweerster aanhalen dat de derde klager in eigen naam maar voor rekening van de eerste klager verweermiddelen aanvoerde in de procedure die de verweerster volgens haar bevoegdheden overeenkomstig de Ordonnanties voerde. Er is dus een reëel belang voor de verweerster om de naam van de derde klager te vermelden in de Beslissing, teneinde het verweer van de eerste klager – in feite gevoerd door de derde klager zonder vertegenwoordigingsmandaat – duidelijk toe te lichten. 64. Het staat de Geschillenkamer daarentegen voor dat de tweede klager, als wettelijk samenwonende partner van de eerste klager, op geen enkel moment in de procedure bij de verweerster betrokken was, en de vermelding van diens persoonsgegevens in de beslissing dus geenszins relevant waren voor het doel van die Beslissing – met name het sanctioneren van de eerste klager. Ook de eerste klager wordt hier in haar rechten geschonden, gezien de vermelding van haar familiale of wettelijke banden geenszins een noodzakelijke verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 6, lid 1, punt
  3. e)AVG inhoudt. 65. Daarnaast kan worden aangeduid dat het vaststellen van een mogelijke familieband tussen de tweede klager en de derde klager, enerzijds niet relevant is voor het doel van de Beslissing, Beslissing ten gronde 61/2020 - 16 en anderzijds niet formeel vastgesteld is door de verweerster. Wat betreft dit laatste aspect, stelt de Geschillenkamer vast dat de familieband als persoonsgegeven verondersteld wordt door de verweerster, wat betekent dat dit persoonsgegeven mogelijk fout kan zijn. Dit is niet in de geest van de persoonsgegevensbeschermingswetgeving. Die stelt in artikel 5, lid 1, punt
  4. d)AVG onder meer dat persoonsgegevens die verwerkt worden juist moeten zijn. 66. De Geschillenkamer oordeelt ten eerste dat er geen rechtmatige verwerking plaatsvindt in de zin van artikel 6, lid 1, punt
  5. e)AVG, wanneer de verweerster de persoonsgegevens van de tweede klager – die zij heeft verkregen bij het raadplegen van de persoonsgegevens van de eerste klager in het Rijksregister – vermeldt in de Beslissing, zonder noodzakelijk te zijn voor het doel van de uitoefening van haar openbaar gezag. Dit schaadt ook de rechten van de eerste klager, gezien het vermelden van de wettelijke en familiale band tussen haar en de tweede klager, geen rechtmatige verwerking uitmaakt in de zin van artikel 6, lid 1, punt
  6. e)AVG. De verweerster haalt ook geen andere mogelijke grondslag aan, en de Geschillenkamer kan geen andere rechtmatigheidsgrondslag in artikel 6, lid 1 AVG vaststellen, op basis van hetgeen haar werd voorgelegd. 67. De Geschillenkamer oordeelt ten tweede dat het aanhalen van een mogelijke familieband tussen de tweede klager en de derde klager geen rechtmatige verwerking is overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt
  7. e)AVG, gezien dit geen noodzakelijke informatie is voor het doel van de uitoefening van het openbaar gezag door de verweerster middels de Beslissing. Bovendien is de familieband een veronderstelling, hetgeen niet in de geest is van artikel 5, lid 1, punt
  8. d)AVG, welkeen vooropstelt dat persoonsgegevens die verwerkt worden, juist dienen te zijn. Tot slot is het vermelden van een mogelijke familieband niet beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden van de Beslissing, hetgeen niet in overeenstemming is met het principe van minimale gegevensverwerking in de zin van artikel 5, lid 1, punt
  9. c)AVG. 3. Inbreuken op de AVG en de verzoeken van de klager 68. De Geschillenkamer acht inbreuken op de volgende bepalingen door de verweerster bewezen: a. artikel 6, lid 1, punt
  10. e)AVG, gezien het vermelden in de Beslissing van de persoonsgegevens van de tweede klager, alsook de band tussen de eerste en de tweede klager en tussen de tweede en de derde klager, niet noodzakelijk was in de uitoefening van de taken van openbaar gezag van de verweerster, haar toebedeeld door de bepalingen in de Ordonnanties; b. artikel 5, lid 1, punt
  11. d)en punt
  12. c)AVG, gezien de verweerster onvoldoende maatregelen heeft getroffen om zich ervan te vergewissen dat de bewering dat er Beslissing ten gronde 61/2020 - 17 een familieband zou bestaan tussen de tweede en derde klager juist is, en gezien het vaststellen van een dergelijke familieband niet noodzakelijk is voor de voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt. 69. Gelet op het belang van transparantie met betrekking tot de besluitvorming van de Geschillenkamer, wordt deze beslissing gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, waarbij de directe identificatiegegevens van de genoemde partijen en natuurlijke personen zullen worden verwijderd. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om de verweerster:  overeenkomstig artikel 100, §1, 5° WOG en artikel 58, lid 2, punt
  13. b)AVG te berispen omwille van het onrechtmatig overnemen en dus verwerken van de persoonsgegevens van de tweede klager uit het Rijksregister, en het verder gebruiken van die persoonsgegevens om bepaalde niet noodzakelijke verbanden te leggen tussen de eerste en de tweede klager, respectievelijk de tweede en de derde klager, hetgeen een inbreuk uitmaakt op artikel 6, lid 1 AVG; bovendien heeft de verweerster niet alle passende maatregelen getroffen om te verzekeren dat die verbanden als persoonsgegevens juist zouden zijn overeenkomstig artikel 5,  lid 1, punt
  14. d)AVG; overeenkomstig artikel 100, §1, 5° WOG en artikel 58, lid 2, punt
  15. a)AVG te waarschuwen dat het raadplegen en verder gebruiken van persoonsgegevens uit het Rijksregister steeds rechtmatig, behoorlijk en noodzakelijk dient te zijn in de geest van de AVG – en meer bepaald de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens in artikel 5 AVG – en overeenkomstig de vigerend wetgeving inzake het Rijksregister, en meer bepaalde de Wet Rijksregister. Tegen deze beslissing kan op grond van art. 108, §1 WOG, beroep worden aangetekend binnen een termijn van dertig dagen, vanaf de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. kennisgeving, bij het Marktenhof, met de Beslissing ten gronde 61/2020 - 18 (get.) Hielke Hijmans Voorzitter van de Geschillenkamer

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.