1/35 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 75/2025 van 24 april 2025 Dossiernummer : DOS-2020-03929 Betreft : klacht inzake de verwerking van persoonsgegevens van bezoekers van een woonzorgcentrum tijdens de COVID-19-pandemie De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Dirk Van Der Kelen en Jelle Stassijns, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”1; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna “de klager” De verweerder: Y, vertegenwoordigd door meesters Magali Feys en Emma Van den Eynde, hierna “de verweerder” 1 De GBA herinnert eraan dat de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), en het nieuw reglement van interne orde van de GBA, op 1 juni 2024 in werking zijn getreden. De nieuwe bepalingen zijn van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die aanvangen vanaf deze datum. De nieuwe WOG is beschikbaar via deze link: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi loi/change lg.pl?language=nl&la=N&cn=2017120311&table name=wet, en het reglement van interne orde via deze link: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-ordevan-de-gegevensbeschermingsautoriteit.pdf. Dossiers die zijn aangevat vóór 1 juni 2024, waar dit dossier deel van uitmaakt, zijn daarentegen onderworpen aan de bepalingen van de WOG en het reglement van interne orde zoals deze bestonden vóór deze datum. Beslissing ten gronde 75/2025 — 2/35 I. 1. Feiten en procedure Op 11 augustus 2020 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen de verweerder. […]. De klacht kadert in de specifieke maatregelen die zijn genomen ten tijde van de Covid-19 Pandemie. 2. In zijn klacht stelt de klager dat hij, voorafgaande aan een bezoek aan zijn grootvader in een woonzorgcentrum van de verweerder, wordt verplicht om een kopie van zijn identiteitskaart over te maken aan de verweerder. Die verplichting staat uitdrukkelijk opgenomen in de bezoekregeling die hem werd doorgestuurd. Daarnaast klaagt hij aan dat hij persoonsgegevens, waaronder gezondheidsgegevens, dient in te vullen in een verklaring op eer en een verklaring van goed gedrag (verweerder noemt dit een ‘handvest’), waarvan de indiening tevens een verplichte voorwaarde uitmaakt voor bezoek. De klager legt uit dat de verklaring op eer, die hem op 17 juli 2020 werd doorgestuurd door de verweerder, een gezondheidsverklaring uitmaakt lichaamstemperatuur, en (de waarin de afwezigheid bezoeker van) wordt symptomen, gevraagd diagnoses, naar zijn recente risicocontacten en medicatiegebruik. 3. Bij ontvangst van de bezoekregeling en de in te vullen verklaringen stuurt de klager een mail naar het woonzorgcentrum met de mededeling dat hij niet akkoord gaat met het doorsturen van de opgevraagde documenten. De klager voert aan dat het opvragen van een kopie van zijn identiteitskaart onwettig is en in strijd is met de bepalingen van de AVG, gezien het woonzorgcentrum volgens hem evengoed ter plekke de identiteitskaart kan opvragen en de identiteit van bezoekers kan controleren. Overigens wijst de klager erop dat gegevens over iemands gezondheid worden beschouwd als een ‘bijzondere categorie van persoonsgegevens’ overeenkomstig artikel 9 AVG, en dat de verwerking daarvan principieel verboden is, behoudens enkele uitzonderingen. Tevens vraagt de klager naar een kopie van de privacyverklaring conform artikel 13 AVG. 4. Bij het uitblijven van een - volgens de klager - gepast antwoord, besluit hij op 17 juli 2020 om de eerdere e-mailconversaties door te sturen naar de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) van de verweerder. Op 24 juli 2020 krijgt de klager het antwoord dat er enige tijd nodig is om zijn opmerkingen te bekijken, en verwijst de DPO naar de privacyverklaring van de verweerder. In zijn reactie op dit antwoord wijst de klager de DPO erop dat die privacyverklaring op geen enkele wijze melding maakt van de gegevensverwerkingen die gebeuren in het kader van de bezoekregeling. 5. Op 31 juli 2020 ontvangt de klager van de verweerder een aangepaste versie van de in te vullen verklaringen. De nieuwe versie van de verklaring op eer vraagt de bezoeker niet meer naar diens gemeten temperatuur, maar vraagt enkel nog aan de bezoeker om te verklaren dat hij/zij een temperatuurmeting heeft uitgevoerd. In zijn mail aan de klager merkt de Beslissing ten gronde 75/2025 — 3/35 verweerder hieromtrent het volgende op: “Naar aanleiding van de recente COVID-19 opflakkeringen en de verstrengde maatregelen, hebben wij een aangepaste versie van de verklaring op eer en het handvest. U vindt deze in bijlage. Wij verkiezen onze eigen versie te gebruiken en zijn niet gebonden door het model dat het Agentschap een tijd geleden als voorbeeld ter beschikking heeft gesteld. Wat betreft uw opmerking inzake temperatuurmeting meldt het Agentschap inderdaad dat dit weinig zinvol is. Dit is uiteraard zo indien men enkel koorts als belangrijkste symptoom zou beschouwen. Niettemin vinden wij het zinvol om dit nog steeds te doen en het is ook toegelaten. Koorts blijft een symptoom en het is niet aangewezen om onze kwetsbare groep van residenten noch onze personeelsleden bloot te stellen aan personen met koorts. Dit maakt o.i. deel uit van de voorzorgsmaatregelen in de strijd tegen de verdere verspreiding van COVID-19. Wij willen er u tevens op wijzen dat registratie hiervan niet de bedoeling was en is. Onze verklaring is ook aangepast op dat punt en vormt geen problemen in het licht van de AVG.” 6. Op 4 augustus 2020 ontvangt de klager een antwoord van de DPO van de verweerder op zijn opmerking dat de doorgestuurde privacyverklaring op geen enkele wijze melding maakt van de gegevensverwerkingen die gebeuren in het kader van de bezoekregeling. Hij ontvangt daarbij de privacyverklaring die van toepassing is op bezoekers en hij wordt geïnformeerd over de meest recente werkwijze met betrekking tot de bezoekersregistratie. De DPO legt uit dat de verweerder momenteel in een overgangsfase zit. In sommige woonzorgcentra kunnen bezoekers hun gegevens invoeren in een online reservatiesysteem, waarbij ze bij hun eerste bezoek een specifieke privacyverklaring krijgen, samen met een verklaring op eer en het handvest. De DPO legt uit dat nog niet alle woonzorgcentra zijn overgestapt naar het digitale systeem. In de centra die nog niet zijn overgeschakeld, wordt nog steeds met papieren documenten gewerkt. In die gevallen wordt de privacyverklaring van toepassing op bezoekers nu ook fysiek ter inzage voorgelegd aan de bezoekers. De DPO legt uit dat, vanwege de urgentie, de privacyverklaring op de website nog niet volledig werd aangepast aan de nieuwe situatie. De privacyverklaring die betrekking heeft op bezoekers werd aldus uitgewerkt in een afzonderlijk document die aan betrokkenen wordt overgemaakt wanneer deze willen registreren voor een bezoek, zij het online of op papier. 7. Op 25 augustus 2020 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer. 8. Op 1 september 2020 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 63, 2° en 94, 1° WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst. Beslissing ten gronde 75/2025 — 4/35 9. Op 2 september 2020 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken. 10. Op 27 oktober 2020 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer conform artikel 91, § 1 - § 2 WOG. 11. Het verslag bevat vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht: 1) De verweerder is de verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot de verwerkingen van persoonsgegevens die het voorwerp uitmaken van de klacht, gezien zij zelfstandig en autonoom de bezoekersregistratie in functie van de bestrijding van COVID-19 organiseert. Alleen de verweerder bepaalt het doel en de middelen van de verwerking en treedt bijgevolg op als enige verwerkingsverantwoordelijke. 2) Wat betreft de inzameling van gegevens die gebeurde in het kader van de bezoekersregistratie, heeft de Inspectiedienst vastgesteld dat de verweerder een inbreuk heeft begaan op artikel 5, lid 1 en lid 2 AVG, artikel 6, lid 1 AVG, artikel 9, lid 1 en 2 AVG, artikel 24, lid 1 AVG en artikel 25, lid 1 en lid 2 AVG. 3) Wat betreft de privacyverklaring van de verweerder zoals deze geraadpleegd werd door de Inspectiedienst, stelt zij vast dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 12, lid 1 en lid 6 AVG, artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG en artikel 14, lid 1 en lid 2 AVG. 4) Wat betreft de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) van de verweerder, heeft de Inspectiedienst vastgesteld dat de verweerder een inbreuk heeft gepleegd op artikel 37, lid 5 en lid 7 AVG, alsook op artikel 38, lid 2 en lid 3 AVG. 12. Het verslag bevat daarnaast vaststellingen die verder gaan dan het voorwerp van de klacht: 1) De verweerder pleegt een inbreuk op artikel 30, lid 1 en 3 AVG, gezien het verwerkingsregister niet voldoet aan de daarin opgenomen minimumvereisten. Meer bepaald stelt de Inspectiedienst een inbreuk vast omdat de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke niet werden opgenomen in het register (art. 30.1.
- a)AVG), omdat zij de beschrijving van de categorieën van betrokkenen en persoonsgegevens onvolledig acht (art. 30.1.
- c)AVG), omdat het niet duidelijk is naar welke derde landen persoonsgegevens worden doorgegeven (art. 30.1.
- e)AVG) en, meer algemeen, omdat aan de Inspectiedienst een onvolledig register van de verwerkingsactiviteiten werd voorgelegd (art. 30, lid 1 en 3 AVG). Beslissing ten gronde 75/2025 — 5/35 13. Op 21 januari 2021 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 14. Op 21 januari 2021 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen. 15. Voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht werd de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de klager vastgelegd op 4 maart 2021 en deze voor de conclusie van repliek van de verweerder op 25 maart 2021. Voor wat betreft de vaststellingen die verder gaan dan het voorwerp van de klacht wordt de uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder tevens vastgelegd op 25 maart 2021. 16. Op 3 maart 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord vanwege de klager voor wat betreft de vaststellingen met betrekking tot het voorwerp van de klacht. De klager voert aan dat de verwerking van zijn persoonsgegevens door de verweerder niet louter hypothetisch is, gezien hij op 20 augustus 2020 effectief een bezoek bracht aan zijn grootvader. Om toegang te kunnen krijgen tot het woonzorgcentrum heeft hij twee papieren formulieren ingevuld en overhandigd. Die formulieren bevatten zijn contactgegevens (naam, adres, telefoonnummer, e-mailadres), de naam van de bewoner, de relatie die hij heeft tot de bewoner, en enkele verklaringen op eer die tezamen kunnen worden gelezen als een verklaring dat hij niet is besmet met het COVID-19 virus. De klager moest tevens aangeven of hij zijn temperatuur had gemeten, zonder evenwel de gemeten temperatuur te moeten noteren. In rechte sluit de klager zich aan bij de vaststellingen van de Inspectiedienst. De klager benadrukt dat de verweerder meerdere systemen voor de bezoekregeling hanteert (verschillende variaties van papieren formulieren, alsook een elektronisch systeem), hetgeen sommige verschillen tussen zijn klacht en de vaststellingen in het inspectieverslag zouden verklaren. De klager vraagt de Geschillenkamer rekening te houden met de oorspronkelijke klacht en de stukken die daarbij werden neergelegd. De klager merkt op dat de Inspectiedienst de verwerking van de kopie van de identiteitskaart in het kader van de bezoekregeling niet nader heeft onderzocht. De klager geeft aan dat hoewel de verweerder die praktijk na aandringen heeft stopgezet, de neergelegde bezoekregeling volstaat als bewijs van de grootschalige verwerking van de gegevens op de identiteitskaart van bezoekers. Tot slot vraagt de klager de houding van de verweerder ten aanzien van hem te kwalificeren als een verzwarende omstandigheid. 17. Op 25 maart 2021 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek vanwege de verweerder. De verweerder schetst allereerst de situatie waarin de gegevensverwerkingen plaatsvonden (pandemische en onzekere omstandigheden), en gaat over tot een Beslissing ten gronde 75/2025 — 6/35 chronologische uiteenzetting van de feiten. In rechte voert de verweerder aan dat de bezoekregeling en de bezoekersregistratie, minstens op het ogenblik van het indienen van de klacht, volledig conform de bepalingen van de AVG werd opgezet. Vervolgens gaat de verweerder in op de vermeende inbreuken waarvan zij door de klager wordt beschuldigd. De verweerder stelt dat alle middelen aangevoerd door de klager in zijn klacht ofwel zonder voorwerp zijn, ofwel geheel ongegrond zijn. Wat betreft vaststellingen van de Inspectiedienst binnen de scope van de klacht voert de verweerder aan dat zij ongegrond dienen te worden verklaard. De conclusie bevat eveneens de reactie van de verweerder omtrent de vaststellingen die door de Inspectiedienst werden gedaan buiten de scope van de klacht, dewelke zij tevens ongegrond acht. Tot slot geeft de verweerder ook te kennen gebruik te willen maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 WOG. 18. Op 27 augustus 2021 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 21 september 2021. 19. Op 21 september 2021 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. 20. Op 4 oktober 2021 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 21. Op 9 oktober 2021 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de klager enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. 22. Op 11 oktober 2021 ontvangt de Geschillenkamer vanwege de verweerder enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. 23. Het beraad van de Geschillenkamer heeft veel langer geduurd dan gebruikelijk en inmiddels ligt de COVID-19-pandemie in het verleden. Aangezien de partijen zich hebben verweerd en een hoorzitting heeft plaatsgevonden, wordt deze beslissing alsnog genomen. II. Motivering II.1. Het opvragen van een kopie van de identiteitskaart van de klager
- a)Standpunt klager 24. In zijn klacht voert de klager aan dat de vraag naar een kopie van zijn identiteitskaart door de verweerder in strijd is met de Wet van 19 juli 1991 2, gezien de verweerder geen machtiging heeft om de foto en het rijksregisternummer op zijn identiteitskaart te verwerken. Volgens de bezoekregeling die hem op 17 juli 2020 werd doorgestuurd, wordt de klager gevraagd 2 Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten, B.S. 3 september 1991 Beslissing ten gronde 75/2025 — 7/35 “éénmalig” een kopie van zijn identiteitskaart door te sturen, waardoor het volgens de klager evident is dat deze kopie door de verweerder zal worden bewaard voor toekomstige bezoeken. De klager stelt dat van vrije toestemming geen sprake kan zijn, gezien de kopie van de identiteitskaart als verplichte voorwaarde wordt gesteld voor een bezoek. De klager voert tevens aan dat de foto op zijn identiteitskaart een biometrisch gegeven uitmaakt conform artikel 4.14. AVG, die door de verweerder wordt aangewend met het oog op zijn identificatie. Volgens de klager faalt de verweerder om enige rechtsgrond voor die verwerking aan te halen, hetgeen betekent dat zij een inbreuk pleegt op artikel 9.1. AVG.
- b)Standpunt verweerder 25. De verweerder voert aan dat dit middel zonder voorwerp is komen te vallen. Nadat de verweerder door de klager op de hoogte werd gesteld van de verwerking van de kopieën van identiteitskaarten van bezoekers door het betrokken woonzorgcentrum, heeft zij per direct een einde gemaakt aan deze werkwijze. Dit werd volgens de verweerder aan de klager medegedeeld op 17 juli 2020, hetgeen volgens haar betekent dat deze praktijk reeds werd stopgezet vóór de indiending van de klacht. De verweerder benadrukt dat het inzamelen van de kopie van de identiteitskaart van bezoekers gebeurde op eigen initiatief van het betrokken woonzorgcentrum, zonder enige voorafgaande communicatie aan de verweerder. De verweerder stelt dat het hier gaat om een lokale, eenmalige en menselijke onbedachtzaamheid van het betrokken woonzorgcentrum, welke geenszins deel uitmaakte van haar beleid rond de bezoekersregeling en -registratie.
- c)Beoordeling Geschillenkamer 26. De Geschillenkamer brengt artikel 6, §4 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten in herinnering, dat bepaalt dat het rijksregisternummer en de foto van de houder van de identiteitskaart enkel mogen worden gebruikt indien de gebruiker hiertoe gemachtigd is door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder op geen enkele wijze melding maakt van dergelijke machtiging. Tevens wijst de Geschillenkamer op aanbeveling 03/2011 van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer 3 (CBPL) waarin de Commissie reeds oordeelde dat er geen kopie (fotokopie of elektronische kopie) van de identiteitskaart mag worden genomen buiten de wettelijk voorgeschreven gevallen. Hoewel de Geschillenkamer begrijpt dat ten tijde van de feiten een bezoekersregistratie noodzakelijk was om de door de verschillende gefedereerde entiteiten opgelegde contactopsporing in de context van COVID-19 mogelijk te maken, treedt zij het standpunt van de klager bij dat de noodzaak om een persoon te identificeren/contacteren niet 3 Aanbeveling nr. 03/2011 van 25 mei 2011 over het nemen van een kopie van de identiteitskaart en over het gebruik van de elektronische lezing ervan (CO-AR-210-008). Beslissing ten gronde 75/2025 — 8/35 betekent dat een kopie moet worden genomen van de identiteitskaart. De Geschillenkamer is van oordeel dat een persoon voldoende kan worden geïdentificeerd met het eenvoudige verzoek zijn identiteitskaart voor te leggen en een visuele controle uit te voeren. De Geschillenkamer herinnert eraan dat de eenvoudige fysieke voorlegging van de identiteitskaart op zich geen verwerking uitmaakt waarop de AVG, overeenkomstig artikel 2.1 daarvan, van toepassing is, gezien het hier niet gaat over een automatische gegevensverwerking, noch over een andere verwerking van gegevens die bestemd zijn om in een bestand te worden opgenomen. 27. De Geschillenkamer waardeert het initiatief van de verweerder om de verwerking van kopieën van identiteitskaarten per direct te staken wanneer zij hiervan op de hoogte werd gesteld. De Geschillenkamer is echter van oordeel dat dit geen rechtvaardiging biedt voor de verwerkingen die voorafgaand aan die staking hebben plaatsgevonden. Immers, het doorsturen van een kopie van de identiteitskaart werd expliciet als voorwaarde gesteld in de bezoekregeling zoals die voor de eerste maal aan de klager werd voorgelegd. De Geschillenkamer oordeelt dat dit betekent dat in de periode vóór de melding van de klager het opvragen van de identiteitskaart van bezoekers een gangbare praktijk betrof in het betrokken woonzorgcentrum. 28. De verweerder wijst daarnaast op de lokale aard van de fout die zich voordeed in het betrokken woonzorgcentrum, en op het feit dat het opvragen van een kopie geenszins deel uitmaakte van haar beleid. Hiertoe herinnert de Geschillenkamer eraan dat de verantwoordelijkheid voor de naleving van de AVG en de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van persoonsgegevens bij de verweerder ligt, die, zoals de Inspectiedienst heeft vastgesteld en ook de verweerder zelf stelt, als enige kan worden aangeduid als verwerkingsverantwoordelijke. Haar taak ligt er niet alleen in om een wettig beleid rond bezoekersregistratie op poten te zetten, maar ook om een controle op dat beleid uit te oefenen binnen haar entiteit. 29. De Geschillenkamer stelt derhalve vast dat de verweerder kopieën van identiteitskaarten van bezoekers heeft opgevraagd en bewaard met het oog op de identificatie van bezoekers wanneer deze zich aanmelden aan de balie van het woonzorgcentrum. De Geschillenkamer wijst erop dat de verweerder hiermee het rijksregisternummer en de foto van de houder van de identiteitskaart verwerkt. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder in strijd heeft gehandeld met artikel 6, §4 van voornoemde wet van 19 juli 1991, dewelke de voorwaarden voor een rechtmatige verwerking van die gegevens bepaalt. Daarnaast wijst de Geschillenkamer erop dat het opvragen en bewaren van een kopie van een identiteitskaart tevens betekent dat alle andere gegevens op die identiteitskaart worden verwerkt, zoals het geslacht, de nationaliteit, de geboortedatum, het kaartnummer en de vervaldatum. Ook voor Beslissing ten gronde 75/2025 — 9/35 de verwerking van die gegevens dient de verweerder een rechtsgrond in de zin van artikel 6.1. AVG te hebben, die zij niet aanvoert. 30. De Geschillenkamer oordeelt echter dat het standpunt van de klager dat het verwerken van een kopie van zijn identiteitskaart automatisch een verwerking inhoudt van biometrische gegevens in de zin van artikel 4.14. AVG, ongegrond is. Hoewel de verweerder in casu de identiteitskaart gebruikte voor de unieke identificatie van de betrokken bezoeker, wordt er niet aangetoond dat dit gebeurde met behulp van technische middelen. In die zin wijst de Geschillenkamer op overweging 51 van de AVG, die in dit verband het volgende bepaalt: “De verwerking van foto’s mag niet systematisch worden beschouwd als verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens, aangezien foto’s alleen onder de definitie van biometrische gegevens vallen wanneer zij worden verwerkt met behulp van bepaalde technische middelen die de unieke identificatie of authenticatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken”. 31. Om bovenvermelde redenen is de Geschillenkamer van oordeel dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 6, §4 van voornoemde Wet van 19 juli 1991, evenals op artikel 6.1. AVG. 32. In haar beoordeling houdt de Geschillenkamer rekening met het feit dat de verweerder de verwerking van kopieën van identiteitskaarten heeft stopgezet nog voor de indiening van de klacht. De verweerder bewijst daarnaast dat alle ingezamelde kopieën reeds werden verwijderd.4 II.2. Artikel 5, lid 1 en lid 2 AVG, artikel 6, lid 1 AVG, artikel 9, lid 1 en 2 AVG, artikel 24, lid 1 AVG en artikel 25, lid 1 en lid 2 AVG II.2.1. Wat betreft de rechtmatigheid van de verwerkingen uitgevoerd in het kader van de bezoekersregistratie
- a)Vaststellingen in het Inspectieverslag 33. De Inspectiedienst stelt vast dat de verweerder een inbreuk pleegt op artikel 6.1. AVG en op artikel 9.1. AVG. Tijdens het onderzoek van de Inspectiedienst wordt de verweerder gevraagd welke de rechtmatigheidsgronden zijn overeenkomstig artikel 6.1. AVG op basis waarvan de verweerder de persoonsgegevens in het kader van de bezoekregeling verwerkt. Daarnaast wordt de verweerder gevraagd om voor de bijzondere categorieën van persoonsgegevens die in die context worden verwerkt, aan te tonen dat werd voldaan aan één van de voorwaarden uit artikel 9.2. AVG. 4 Stuk 37. Mail dd 25 maart 2021 – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder Beslissing ten gronde 75/2025 — 10/35 34. De Inspectiedienst stelt vast dat de verweerder aangeeft te steunen op artikel 6.1.
- c)en 6.1.
- e)AVG voor de verwerking van persoonsgegevens in functie van de bezoekersregistratie, zonder aan te tonen over welke wettelijke verplichting en over welke taak van algemeen belang het concreet gaat. De Inspectiedienst acht dit een schending van artikel 5.1.
- a)AVG, 5.2. AVG, 6.1. AVG, 24.1. AVG en 25.1. AVG, en wijst tevens op overweging 45 van de AVG. 35. De Inspectiedienst stelt tevens vast dat de verweerder beweert dat er bij de bezoekersregistratie geen bijzondere categorieën van persoonsgegevens worden verwerkt in lijn met artikel 9 AVG, waardoor er geen rechtsgrondslag uit artikel 9.2. AVG noodzakelijk is. De Inspectiedienst merkt op dat de verweerder in het kader van de bezoekersregistratie persoonsgegevens verzamelt zoals “check of er een temperatuurmeting werd uitgevoerd” en “checkveld temperatuur controle”. De Inspectiedienst onderstreept dat de meting van de temperatuur van bezoekers weldegelijk een “gegeven over gezondheid” is conform artikel 4.15. AVG. Ze brengt in herinnering dat de verwerking daarvan in principe verboden is overeenkomstig artikel 9.1., tenzij een uitzondering uit artikel 9.2. AVG van toepassing is. Om die redenen stelt de Inspectiedienst vast dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 5.1.
- a)AVG, 5.2. AVG, 9.1. AVG, 24.1. AVG en 25.1. AVG.
- b)Standpunt van de verweerder 36. De verweerder voert aan dat, voor wat betreft de verwerking van niet gevoelige persoonsgegevens, er op haar een wettelijke verplichting rustte onder artikel 6.1.
- c)AVG om de naam, het adres, het telefoonnummer, en de relatie tussen de bezoeker en de bewoner in het kader van de bezoekregeling te registreren. Tevens rustte er volgens de verweerder op haar een wettelijke verplichting om bezoekers te weigeren die 15 dagen voorafgaand aan het bezoek symptomen van COVID-19 vertoonden (waaronder koorts), de laatste 15 dagen positief zijn getest op COVID-19, of een laag/hoog risicocontact zijn. Die verplichtingen werden haar opgelegd door het Agentschap Zorg en Gezondheid, die op 9 juli 2020 nieuwe tijdelijke maatregelen oplegde die golden voor alle woonzorgcentra in Vlaanderen. 5 Om aan bovenvermelde verplichtingen te voldoen werd door de verweerder een verklaring op eer voorgelegd aan elke bezoeker, waarin de bezoeker diende te verklaren aan de vereisten te voldoen. De verweerder voert aan dat de voormelde tijdelijke maatregelen van het Agentschap Zorg en Gezondheid haar uitdrukkelijk de mogelijkheid boden om gebruik te maken van een verklaring op eer voor bezoekers. De verweerder geeft aan dat zij woonzorgcentra onder haar bevoegdheid heeft in Vlaanderen, Wallonië en Brussel, waarvoor de agentschappen van de verschillende gefedereerde entiteiten allemaal 5 Tijdelijke maatregelen na de COVID-19 piek voor alle woonzorgcentra, centra voor kortverblijf type 1, centra voor herstelverblijf, groepen van assisitentiewoningen en serviceflatgebouwen in Vlaanderen, uitgevaardigd door het Agentschap Zorg & Gezondheid, d.d. 9 juli 2020 (Stuk 1 – Stukkenbundel conclusie van repliek).; De verweerder merkt op dat het Agentschap Zorg & Gezondheid geen rechtspersoonlijkheid heeft, waardoor de door haar opgelegde maatregelen en richtlijnen worden uitgevaardigd door de Vlaamse regering of de Vlaamse Gemeenschap. Beslissing ten gronde 75/2025 — 11/35 gelijkaardige, doch verschillende maatregelen oplegden. Zo werd vanuit het Brusselse Iriscare de verplichting opgelegd om bezoekers een verklaring op eer te laten ondertekenen, terwijl het voor Vlaanderen om een mogelijkheid ging. Het kwam voor de verweerder opportuun voor om de strengste regeling na te leven, gezien het uitwerken van verschillende regelingen weinig overzichtelijk zou zijn en een efficiënte werking zou verhinderen. 37. Voorts voert de verweerder aan dat een bezoekersregistratie noodzakelijk was teneinde de door de verschillende gefedereerde entiteiten opgelegde contactopsporing mogelijk te maken binnen de collectiviteit van het woonzorgcentrum. De bezoekersregistratie zou contactonderzoekers in staat stellen om bezoekers in te lichten wanneer er sprake zou zijn van een COVID-19 uitbraak in een woonzorgcentrum. De verweerder verwijst hiervoor op het Koninklijk Besluit nr. 44 van 26 juni 2020 6, later Samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020. 38. vervangen door het 7 Wat betreft de temperatuurmeting van bezoekers voert de verweerder aan dat de meting van de temperatuur van bezoekers die toegang wilden krijgen tot een woonzorgcentrum in de periode mei-augustus 2020 cruciaal was. Koorts werd door het Agentschap Zorg en Gezondheid en door de agentschappen van de andere gefedereerde entiteiten immers aangeduid als belangrijk symptoom van COVID-19. De toegang tot een woonzorgcentrum diende te worden geweigerd aan personen die dit symptoom vertoonden. In die periode was het volgens de verweerder dan ook gangbaar in België dat de temperatuur werd opgemeten van bepaalde personen, zoals bezoekers van een ziekenhuis of werknemers op de werkvloer. In deze context besloot de verweerder om de temperatuur van alle bezoekers op te meten alvorens zij de voorziening mochten betreden, teneinde te kunnen nagaan of de verklaring op eer8 accuraat werd ingevuld. 39. De verweerder benadrukt echter dat de verklaring op eer, zoals van toepassing op het moment van het indienen van de klacht, geen gemeten lichaamstemperatuur en medicatiegebruik meer opvraagt. De verweerder heeft dit immers aangepast naar aanleiding van de melding van de klager op 17 juli 2020 aan de DPO van de verweerder. Op 31 juli 2020 werd een aangepaste versie van de verklaring op eer bezorgd aan de klager, waarin de lichaamstemperatuur van de bezoeker niet meer werd opgevraagd. 9 Ook werd de 6 Koninklijk Besluit nr. 44 van 26 juni 2020 betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek- of opsporing bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank van Sciensano (hierna KB nr. 44) 7 Samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van contactonderzoek- of opsporing bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna: Samenwerkingsakkoord contactopsporing). 8 Stuk 2. Verklaring op eer versie 1 – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder 9 Stuk 8. Verklaring op eer versie 2 – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder Beslissing ten gronde 75/2025 — 12/35 bepaling – met betrekking tot het niet nemen van enige koortswerende medicatie in de 12 uur voorafgaand aan het bezoek aan de voorziening – uit de verklaring op eer weggehaald. Met betrekking tot de vaststelling in het inspectieverslag – waarin wordt gesteld dat het registreren van een “check of een temperatuurmeting werd uitgevoerd” en een “checkveld temperatuurcontrole” neerkomt op het verwerken van gezondheidsgegevens – voert de verweerder aan dat de Inspectiedienst volgens haar een foutieve interpretatie heeft gemaakt. Volgens de verweerder gaat de Inspectiedienst voorbij aan het feit dat de gemeten temperatuur zelf niet werd verwerkt, maar enkel het gegeven of er al dan niet een temperatuurmeting werd uitgevoerd door de bezoeker. De verweerder stelt dat de loutere controle of een temperatuurmeting wordt uitgevoerd, op zich geen gezondheidsgegeven vormt. Tot slot geeft de verweerder aan dat zij, rekening houdend met de aangepaste maatregelen van de gefedereerde entiteiten en met het inspectieverslag, heeft besloten om ook de checkbox met betrekking tot de temperatuurmeting te schrappen, zowel voor het papieren registratieformulier als voor de registratie middels de digitale bezoekersapplicatie. 40. De verweerder voert aan dat, indien de Geschillenkamer het begrip ‘gezondheidsgegeven’ ruim zou interpreteren, en oordeelt dat de registratie van de gegevens in de verklaring op eer (versie 2) een verwerking van gezondheidsgegevens uitmaakt, zij zich beroept op artikel 9.2.
- i)AVG in samenhang gelezen met artikel 6.1.
- c)AVG om die verwerking te rechtvaardigen. De verweerder voert aan dat de gegevens in de verklaring op eer door haar kunnen worden verwerkt, omdat dit noodzakelijk is om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid. De verweerder wijst op overweging 46 AVG, dewelke expliciet stelt dat deze rechtsgrond kan worden gebruikt voor het verwerken van gezondheidsgegevens in het kader van een pandemie. Tevens wijst de verweerder op de Verklaring van de EDPB inzake de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de COVID-19-uitbraak, die volgens haar stelt dat ze gezondheidsgegevens kan verwerken van in het kader van de COVID-19-crisis indien dit van zwaarwegend algemeen belang is op het gebied van volksgezondheid.10 41. Naar aanleiding van de gewijzigde maatregelen van het Agentschap Zorg en Gezondheid heeft de verweerder op 14 december 2020 besloten om een gewijzigde versie van de verklaring op eer op te stellen11, naar het voorbeeld van voornoemd agentschap.
- c)Beoordeling Geschillenkamer 42. De Geschillenkamer stelt vast dat de verklaring op eer, zoals deze werd doorgestuurd naar de klager op 17 juli 2020 (versie 1) vraagt naar de gemeten temperatuur van de bezoeker op de dag van het bezoek. De klager is gerechtigd ook een klacht in te dienen over praktijken die hem rechtstreeks betreffen, ook al werden deze praktijken voorafgaand aan het 10 EDPB, Verklaring over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de uitbraak van COVID-19, 19 maart 2020 11 Stuk 24. Verklaring op eer versie 3 – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder Beslissing ten gronde 75/2025 — 13/35 indienen van de klacht gewijzigd.12 Er kan niet worden ontkend dat de klager, wiens grootvader in een woonzorgcentrum van de verweerder verbleef op het moment van de feiten, een rechtstreeks en persoonlijk belang had bij de litigieuze praktijken inzake gegevensbescherming van de verweerder. De Geschillenkamer stelt tevens vast dat de verweerder de temperatuur van alle bezoekers opmat alvorens zij de voorziening mochten betreden, teneinde te kunnen nagaan of de verklaring op eer accuraat werd ingevuld. Daarnaast stelt de Geschillenkamer vast dat de verklaring op eer de bezoeker vraagt te verklaren dat hij, “in de 12u voorafgaand aan het bezoek, geen enkele koortswerende behandeling heeft ondergaan of medicatie heeft ingenomen tegen koorts (zoals paracetamol, ontstekingsremmende middelen, aspirine, enz.).” 43. De Geschillenkamer brengt in herinnering dat de AVG “gegevens over gezondheid” conform artikel 4.15. definieert als ‘persoonsgegeven die verband houden met de fysieke of mentale gezondheid van een natuurlijke persoon, waaronder gegevens over verleende gezondheidsdiensten waarmee informatie over zijn gezondheidstoestand wordt gegeven.’ De Geschillenkamer oordeelt dat het buiten kijf staat dat iemands lichaamstemperatuur een gezondheidsgegeven uitmaakt, aangezien die informatie een aspect van iemands fysieke gezondheid kan onthullen, namelijk de aanwezigheid van koorts. De Geschillenkamer oordeelt eveneens dat de vraag naar iemands medicatiegebruik in de laatste 12 uur tevens een gezondheidsgegeven uitmaakt.13 Daarnaast stelt de Geschillenkamer onmiskenbaar vast dat de verweerder de lichaamstemperatuur van bezoekers verwerkte, gezien zij de opgegeven temperatuur op de verklaring op eer vergeleek met de temperatuur die gemeten werd in het woonzorgcentrum op de dag van het bezoek. Bovendien werd de toegang tot het woonzorgcentrum geweigerd indien de bezoeker de verklaring op eer weigerde in te vullen, of indien er bij de bezoeker een verhoogde lichaamstemperatuur werd vastgesteld. 44. De Geschillenkamer brengt in herinnering dat, conform artikel 9.1. AVG, gezondheidsgegevens een bijzondere categorie van persoonsgegevens zijn, waarvan de verwerking principieel verboden is. De verweerder moet derhalve kunnen aantonen dat zij een uitzondering in de zin van artikel 9.2. AVG kan inroepen om niet te zijn onderworpen aan het verwerkingsverbod. Wat betreft het registreren en controleren van de lichaamstemperatuur van de bezoeker, en wat betreft de vraag naar zijn medicatiegebruik, stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder op geen enkele wijze een rechtsgrond naar 12 Vgl. mutatis mutandis, Cass. 15 oktober 2021, C.0323.N, §3 : « Uit het geheel van voornoemde wetsbepalingen volgt onmiskenbaar dat een betrokkene het recht heeft om een klacht in te dienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen een verwerkingspraktijk waarvan hij meent dat deze inbreuk maakt op zijn rechten uit hoofde van de AVG, zoals het recht om zijn persoonsgegevens minimaal te laten verwerken, krachtens artikel 5, lid 1, c), AVG, opdat hij van een voordeel of dienst kan genieten. Dit is ook het geval wanneer de persoonsgegevens van de betrokkene zelf niet werden verwerkt, maar deze het voordeel of de dienst niet heeft verkregen, doordat hij, precies omwille van het bestaan van de vermeend inbreukmakende praktijk, zijn toestemming met de verwerking heeft geweigerd. » 13 Vgl. inzake de interpretatie van wat kwalificeert als gezondheidsgegeven: HvJEU arrest van 4 oktober 2024, ND DR, C-21/23, §§81-83 Beslissing ten gronde 75/2025 — 14/35 voren schuift die haar ontheft van het principiële verbod op het verwerken van dergelijke gezondheidsgegevens. Integendeel stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder, na aanmaning door de klager, heeft ingezien dat zij voornoemde gezondheidsgegevens onrechtmatig verwerkte, waarna zij heeft besloten om de verklaring op eer overeenkomstig aan te passen. Daarnaast merkt Geschillenkamer op dat de tijdelijke maatregelen van het Agentschap Zorg en Gezondheid, waarop verweerder zich baseert voor de verwerking van de andere gegevens in de verklaring op eer, duidelijk stellen dat het nemen van de lichaamstemperatuur bij het betreden van de voorziening weinig zinvol blijkt. 45. Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 9.1. AVG voor het verwerken van de lichaamstemperatuur en het medicatiegebruik van bezoekers gedurende de periode voorafgaand aan voornoemde aanpassingen. 46. Zoals nader toegelicht in paragraaf 5 van deze beslissing, beslist de verweerder in de aangepaste versie van de verklaring op eer (versie 2) te werken met een checkbox, waarmee de bezoeker dient te verklaren dat hij een temperatuurmeting heeft uitgevoerd. In afwijking van het Inspectieverslag gaat de Geschillenkamer akkoord met het standpunt van de verweerder dat een loutere controle of iemand een temperatuurmeting heeft uitgevoerd, zonder de lichaamstemperatuur te registreren of anderszins te verwerken, geen verwerking van gezondheidsgegevens uitmaakt die valt onder het verwerkingsverbod van artikel 9.1. AVG. In het licht van het beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
- c)AVG) steunt de Geschillenkamer het initiatief van de verweerder om ook de checkbox met betrekking tot de temperatuurmeting te schrappen uit de verklaring op eer. Om die redenen oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegde op artikel 9.1. AVG voor het verwerken van het loutere gegeven of een bezoeker een temperatuurmeting heeft uitgevoerd. 47. De Geschillenkamer stelt vast dat de aangepaste verklaring op eer (versie 2), zoals ingevuld door de klager naar aanleiding van het bezoek aan zijn grootvader op 20 augustus 2020, volgende gegevens verzamelde: o Naam, voornaam, adres, telefoonnummer en e-mailadres (optioneel) van de bezoeker. o De relatie van de bezoeker tot de bewoner en de naam van de bewoner. o De verklaring van de bezoeker dat hij/zij de dag van vandaag geen symptomen heeft die wijzen op de aanwezigheid van het COVID-19-virus, met name symptomen als koorts, ademhalingssymptomen (hoesten, moeite met ademen), griepsymptomen (hoofdpijn, spierpijn), zware vermoeidheid, algemeen gevoel van onbehagen/ziekte, spijsversteringssymptomen (diarree, misselijkheid, braken) of het verdwijnen of veranderen van smaak en/of geur. Beslissing ten gronde 75/2025 — 15/35 o De verklaring van de bezoeker dat hij/zij de afgelopen 15 geen van deze symptomen heeft gehad. o De verklaring van de bezoeker dat er bij hem/haar de afgelopen 15 dagen geen COVID19-diagnose is gesteld (via neus- en/of bloedonderzoek). o De verklaring van de bezoeker dat hij/zij in de afgelopen 15 dagen geen nauw en/of langdurig contact heeft gehad met een zieke persoon die verdacht of bevestigd besmet is met COVID-19. o De verklaring van de bezoeker dat hij/zij in het kader van de regeling rond reizen naar eventuele risicogebieden, niet verplicht en ook niet aanbevolen in thuisisolatie of quarantaine zit. 48. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zich beroept op artikel 6.1.
- c)AVG om de gegevens opgesomd in paragraaf 47 te verwerken, in de veronderstelling dat dit geen gezondheidsgegevens zijn. Daarnaast stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder aanvoert dat, indien de Geschillenkamer het begrip ‘gezondheidsgegeven’ ruim zou interpreteren, en oordeelt dat de registratie van voornoemde gegevens een verwerking van gezondheidsgegevens uitmaakt, zij zich beroept op artikel 9.2.
- i)AVG in samenhang gelezen met artikel 6.1.
- c)AVG om die verwerking te rechtvaardigen. 49. De Geschillenkamer wijst er allereerst op dat het de verweerder toekomt om voorafgaand aan de verwerking zelf te beoordelen of de gegevens die zij wil verwerken gezondheidsgegevens uitmaken en hier desgevallend een gepaste rechtsgrond voor te vinden. Desondanks verduidelijkt de Geschillenkamer dat gegevens over de afwezigheid van COVID-19-symptomen of -diagnoses, het ontbreken van contact met (mogelijk) besmette personen, en verklaringen dat men niet in thuisisolatie of quarantaine verblijft, wel degelijk kwalificeren als gezondheidsgegevens zoals bedoeld in artikel 4.15 AVG. 14 De Geschillenkamer neemt nota dat de verweerder zich voor de verwerking van deze gegevens aldus beroept op artikel 9.2.
- i)AVG in samenhang met artikel 6.1.
- c)AVG. Voor de verwerking van de contactgegevens van de bezoeker beroept zij zich enkel op artikel 6.1.
- c)AVG. ▪ 50. Wat betreft de verwerking van contactgegevens van bezoekers De Geschillenkamer stelt vast dat voor de verwerking van de (voor)naam, het adres en het telefoonnummer van de bezoeker, de verweerder zich beroept op de wettelijk verplichte bezoekersregistratie die zij moest uitvoeren, die noodzakelijk was teneinde de door de verschillende gefedereerde entiteiten opgelegde contactopsporing mogelijk te maken binnen de collectiviteit van het woonzorgcentrum. De verweerder verwijst hiervoor naar het 14 Vgl. HvJEU Arrest van 1 augustus 2022, Vyriausioji tarnybinės etikos komisija, C-184/20, §§ 125-127. Beslissing ten gronde 75/2025 — 16/35 Koninklijk Besluit nr. 44 van 26 juni 2020 15 (een materiële wettelijke norm), later vervangen door het Samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 (een formele wettelijke norm).16 Er werd middels het artikel 19 in die laatste norm terugwerkende kracht verleend aan het voornoemd K.B. nr. 44 – waaromtrent het Grondwettelijk Hof geen specifieke problemen opwierp in een arrest over het Samenwerkingsakkoord. 17 De Geschillenkamer merkt op dat de tijdelijke maatregelen van 9 juli 2020 van het Agentschap Zorg en Gezondheid in dit verband het volgende vermelden: “Alle externe zorg- en dienstverleners, vrijwilligers en bezoekers die een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf type 1 of een centrum voor herstelverblijf betreden, worden, in het kader van het contactonderzoek geregistreerd met aandacht voor de algemene verordening gegevensbescherming, met minimaal volgende gegevens: naam, adres, telefoonnummer en, indien van toepassing, band met de bewoner. Deze voorziening maakt duidelijke afspraken over waar en hoe deze gegevens bewaard worden en gebruikt deze niet voor een verwerking anders dan in het kader van het contactonderzoek.” 51. Op basis van bovenstaande, concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder rechtmatig kon steunen op artikel 6.1.
- c)AVG voor de verwerking van de (voor)naam, het adres, het telefoonnummer van de bezoeker en, indien van toepassing, de band met de bewoner die hij/zij bezoekt. Voornoemd Koninklijk Besluit en Samenwerkingsakkoord hebben als doel een gecoördineerde en efficiënte aanpak van het contactonderzoek naar COVID-19 in België te waarborgen. De Geschillenkamer acht de verwerking van voornoemde contactgegevens noodzakelijk om bezoekers die in aanraking zijn gekomen met een hoog/laag risicocontact in het woonzorgcentrum snel te informeren. De Geschillenkamer begrijpt dat die informatie de betrokken bezoeker op korte termijn moet bereiken, waardoor de verwerking van voornoemde contactgegevens als noodzakelijk dient te worden beschouwd om te voldoen aan haar wettelijke verplichting een bijdrage te leveren aan de samenwerking met betrekking tot contactopsporing zoals vastgelegd in voornoemd K.B. en Samenwerkingsakkoord. 15 Koninklijk Besluit nr. 44 van 26 juni 2020 betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde regionale overheden of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van een contactonderzoek- of opsporing bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank van Sciensano (hierna KB nr. 44) 16 Samenwerkingsakkoord van 25 augustus 2020 tussen de Federale staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Waalse Gewest, de Duitstalige Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, betreffende de gezamenlijke gegevensverwerking door Sciensano en de door de bevoegde gefedereerde entiteiten of door de bevoegde agentschappen aangeduide contactcentra, gezondheidsinspecties en mobiele teams in het kader van contactonderzoek- of opsporing bij personen die (vermoedelijk) met het coronavirus COVID-19 besmet zijn op basis van een gegevensbank bij Sciensano (hierna: Samenwerkingsakkoord contactopsporing). 17 Grondwettelijk Hof arrest van 22 september 2022, nr. 110/2022, §B.1.5. Beslissing ten gronde 75/2025 — 17/35 ▪ 52. Wat betreft de verwerking van de gezondheidsgegevens in de verklaring op eer Zoals de Geschillenkamer reeds eerder heeft geoordeeld 18 moet de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens in de zin van artikel 9 van de AVG gebaseerd zijn op artikel 9.2 van de AVG, gelezen in samenhang met artikel 6.1 van de AVG. 19 Dit wordt ook bevestigd door overweging 51 van de AVG waarin het volgende staat over de verwerking van bijzondere categorieën van persoonsgegevens: "Naast de specifieke voorschriften voor die verwerking dienen de algemene beginselen en andere regels van deze verordening te worden toegepast, met name wat betreft de voorwaarden voor rechtmatige verwerking”.20 53. De Geschillenkamer benadrukt dat de verweerder zich slechts kan beroepen op de rechtmatigheidsgrondslag van artikel 6.1.
- c)AVG en op de uitzondering waarin artikel 9.2.
- i)van de AVG voorziet, indien zij aantoont: (
- i)Dat er een belangrijke reden van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid is (art. 9.2. i)); (
- ii)Dat er een wettelijke bepaling bestaat waarop de verweerder zich rechtsgeldig kan beroepen conform de artikelen 6.1. c), 6.3. en 9.2.
- i)van de AVG; (iii) Dat de betrokken verwerkingen noodzakelijk zijn om te voldoen aan de wettelijke verplichting die wordt ingeroepen conform artikel 6.1.
- c)AVG; alsook nodig voor redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid conform artikel 9.2.
- i)AVG. 54. Met betrekking tot het eerste constitutieve element (
- i)heeft de GBA reeds eerder beslist dat er geen twijfel over kan bestaan dat de bestrijding van de COVID-19-pandemie moet worden beschouwd als een ‘zwaarwegend algemeen belang op het gebied van volksgezondheid’ in de zin van artikel 9.2.
- i)AVG. Zoals de verweerder aanvoert, staat dit uitdrukkelijk vermeld in overweging 46 van de AVG, waarin wordt verwezen naar “[het 18 Cfr. de beslissing ten gronde 76/2021, punt 33, en de beslissing ten gronde 47/2022, punt 81 19 Zie in dit verband: GEORGIEVA, L. en KUNER, C., "Article 9. Processing of special categories of personal data” in KUNER, C., BYGRAVE, L.A. en DOCKSEY, C., The EU General Data Protection Regulation (GDPR). A Commentary, Oxford University Press, Oxford, p. 37: "The Commission has stated that the processing of sensitive data must always be supported by a legal basis under Article 6 GDPR, in addition to compliance with one of the situations covered in Article 9
(2). The EDPB has also stated that ‘If a video surveillance system is used in order to process special categories of data, the data controller must identify both an exception for processing special categories of data under Article 9 (i.e. and exemption from the general rule that one should not process special categories of data) and a legal basis under Article 6." Vrije vertaling: “De Commissie heeft verklaard dat de verwerking van gevoelige gegevens altijd moet worden ondersteund door een rechtsgrondslag pp grond van artikel 6 AVG, naast de naleving van één van de situaties die in artikel 9, lid 2, worden genoemd. De EDPB heeft ook het volgende verklaard: “Als een videobewakingssysteem wordt gebruikt om bijzondere categorieën van gegevens te verwerken, moet de verantwoordelijke voor de verwerking zowel een uitzondering voor de verwerking van bijzondere categorieën hebben op grond van artikel 9 (d.w.z. een uitzondering op de algemene regel dat men geen bijzondere categorieën gegevens mag verwerken) als een rechtsgrond op grond van artikel 6 vaststellen”. 20 Eigen onderlijning door de Geschillenkamer. Beslissing ten gronde 75/2025 — 18/35 monitoren] van een epidemie en de verspreiding daarvan” als een “gewichtige reden van algemeen belang”. 55. Het tweede constitutieve element (
- ii)heeft betrekking op het bestaan van een wettelijke bepaling waarop de betrokken verwerking gebaseerd is conform de artikelen 6.1.
- c)en 9.2.
- i)van de AVG. 56. Conform artikel 6.3. van de AVG, gezien in het licht van overweging 41 van de AVG, moet de verwerking van persoonsgegevens die noodzakelijk is voor de naleving van een wettelijke verplichting berusten op een duidelijke en nauwkeurige regelgeving waarvan de toepassing voorzienbaar is voor de betrokkenen. Artikel 6.3. AVG bepaalt in dit verband meer in het bijzonder dat de rechtsgrond voor de in artikel 6.1.
- c)bedoelde verwerking moet worden vastgesteld bij ofwel het Unierecht, ofwel het lidstatelijke recht dat op de verwerkingsverantwoordelijke van toepassing is, waarbij ten minste het doel van de verwerking in die rechtsgrond wordt vastgesteld. Overweging 41 van de AVG preciseert in dit verband: “wanneer in deze verordening naar een rechtsgrond of een wetgevingsmaatregel wordt verwezen, vereist dit niet noodzakelijkerwijs dat een door een parlement vastgestelde wetgevingshandeling nodig is, onverminderd de vereisten overeenkomstig de grondwettelijke orde van de lidstaat in kwestie. Deze rechtsgrond of wetgevingsmaatregel moet evenwel duidelijk en nauwkeurig zijn, en de toepassing daarvan moet voorzienbaar zijn voor degenen op wie deze van toepassing is, zoals vereist door de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (‘Hof van Justitie’) en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”. 57. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder zich beroept op de door het Agentschap Zorg en Gezondheid gecommuniceerde “Tijdelijke maatregelen na de COVID-19 piek voor alle woonzorgcentra, centra voor kortverblijf type 1, centra voor herstelverblijf, groepen van assisitentiewoningen en serviceflatgebouwen in Vlaanderen” van 9 juli 2020. De Geschillenkamer stelt vast dat deze tijdelijke maatregelen steunen op het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2020 tot het nemen van tijdelijke maatregelen om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan.21 De Geschillenkamer stelt tevens vast dat dit Besluit op haar beurt een juridische grondslag vindt in het Vlaams Decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid, en meer bepaald in artikel 7 en 44, §2.22 In de Nota aan de Vlaamse Regering betreffende het ontwerp van voornoemd Besluit 23 wordt in dit verband het volgende vermeldt: “Vanuit het beleidsveld gezondheids- en woonzorg en in uitvoering van artikel 44, §2 van het decreet betreffende het preventieve 21 Besluit van de Vlaamse Regering van 13 maart 2020 tot het nemen van tijdelijke maatregelen om de verspreiding van COVID19 tegen te gaan, B.S. 19 maart 2020, p. 16172 22 23 Decreet van 21 november 2003 betreffende het preventieve gezondheidsbeleid
(1), B.S. 3 februari 2004, p. 6308 Nota Vlaamse Regering, Ontwerp besluit van de Vlaamse Regering tot het nemen van tijdelijke maatregelen om de verspreiding van COVID-19 tegen te gaan, VR 2020 1303 DOC.0227/1 Beslissing ten gronde 75/2025 — 19/35 gezondheidsbeleid, dat de Vlaamse regering de mogelijkheid geeft om met betrekking tot biotische factoren die een potentieel gevaar vormen voor de volksgezondheid, initiatieven te nemen om een verspreiding van infecties tegen te gaan worden nu maatregelen genomen om de verdere verspreiding van COVID-19 tegen te gaan bij kwetsbare en oudere personen. Kwetsbare en oudere personen zijn personen die omwille van hun kwetsbaarheid of leeftijd in grotere mate zijn blootgesteld aan bedreigingen van hun gezondheid, en in uitvoering van artikel 7 van het decreet betreffende het preventieve gezondheidsbeleid besteedt de Vlaamse Regering hier extra aandacht aan”. In diezelfde Nota wordt tevens vermeldt dat voor de verdere uitvoering van het Besluit een delegatie aan de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, wordt ingeschreven. In dit verband wordt het volgende vermeldt: “Het Agentschap Zorg en Gezondheid communiceert naar de erkende voorzieningen en de maatregelen worden gecommuniceerd via algemene nieuwsbrieven die bestemd zijn voor alle andere betrokkenen. De informatie vindt men ook op de website van het agentschap die specifieke informatie bevat over COVID-19. Het Besluit wordt in extenso gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad.” 58. Gelet op bovenstaande besluit de Geschillenkamer dat de tijdelijke maatregelen die werden gecommuniceerd aan de verweerder door het Agentschap Zorg en Gezondheid weldegelijk een verordenend karakter hadden, nu zij stammen uit een Besluit van de Vlaamse Regering. Immers is er sprake van een expliciete delegatie van bevoegdheid aan de bevoegde Vlaamse minister, hetgeen betekent dat de tijdelijke maatregelen werden uitgevaardigd in uitvoering van voornoemd Vlaams decreet, met de bedoeling om in het licht van de COVID19-crisis snel en daadkrachtig algemeen geldende regels vast te stellen waarvan de naleving niet louter facultatief was. De Geschillenkamer stelt aldus vast dat de tijdelijke maatregelen als een geldige wettelijke basis konden dienen voor een verwerking in de zin van artikel 9.2.
- i)AVG in samenhang met artikel 6.1.
- c)AVG. Gezien voornoemd Besluit in extenso werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, en gezien de geldende maatregelen werden gepubliceerd op de website24 van het Agentschap Zorg en Gezondheid, oordeelt de Geschillenkamer dat ook aan de vereiste van voorzienbaarheid voor de betrokkene werd voldaan. Tevens stelt de Geschillenkamer vast dat de finaliteit van de maatregelen en de daarmee gepaard gaande verwerkingen voldoende duidelijk is, enerzijds gezien hun bewoording en anderzijds gezien de context waarbinnen ze werden opgelegd. 59. Het derde constitutieve element (iii) vereist dat de betrokken verwerkingen noodzakelijk moeten zijn om de ingeroepen wettelijke verplichting na te komen conform artikel 6.1.
- c)24 Er zij verduidelijkt dat een delegatiebevoegdheid aan een administratie van de vaststelling van bepaalde essentiële elementen niet kan, maar dat het hier dus gaat om de concrete tenuitvoerlegging van de regelmatig vastgestelde verwerkingsactiviteiten (in het Besluit) binnen de specifieke context van urgente maatregelen binnen woonzorgcentra in de coronapandemie. Beslissing ten gronde 75/2025 — 20/35 AVG, alsook noodzakelijk moeten zijn om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid conform artikel 9.2.
- i)AVG. 60. In dit verband merkt de Geschillenkamer op dat de tijdelijke maatregelen van 9 juli 2020 het volgende bepalen: “Bezoekers mogen gedurende 14 dagen voorafgaand aan het bezoek geen symptomen vertonen en de laatste 14 dagen niet positief getest zijn op COVID-19, noch een laag/hoog-risicocontact zijn. Aan de bezoeker kan gevraagd worden om een verklaring op eer te onderschrijven”. De Geschillenkamer volgt het standpunt van de verweerder dat zij op basis van deze bewoording ertoe verplicht werd om, binnen de mate van het mogelijke, de toegang tot het woonzorgcentrum te weigeren aan bezoekers die aan deze criteria voldoen. De Geschillenkamer oordeelt dat de ondertekening van een verklaring op eer waarin de bezoeker bevestigt aan de toegangsvoorwaarden te voldoen, een werkbare en proportionele manier lijkt om te garanderen dat de maatregelen worden nageleefd. De Geschillenkamer is van oordeel dat de verklaring op eer de elementen bevat die strikt noodzakelijk zijn om te beoordelen of een bezoeker voldoet aan de toegangsvoorwaarden. De Geschillenkamer meent tevens dat de verwerking van de gezondheidsverklaringen noodzakelijk was om redenen van algemeen belang op het gebied van de volksgezondheid. De verwerking gebeurde immers in het kader van de tijdelijke maatregelen die werden genomen om de verdere uitbraak en verspreiding van COVID-19 tegen te gaan en zijn te rechtvaardigen door het feit dat de bewoners van een woonzorgcentrum tot een van de risicogroepen behoren om ernstige gezondheidsproblemen te krijgen of te overlijden door toedoen van COVID-19. 61. Gelet op bovenstaande, besluit de Geschillenkamer derhalve dat alle constitutieve elementen werden aangetoond, en oordeelt zij dat de verweerder zich rechtmatig kon beroepen op artikel 9.2.
- i)AVG, in samenhang met artikel 6.1.
- c)AVG, om de voornoemde gezondheidsgegevens van bezoekers te verwerken middels een verklaring op eer. II.2.2. Wat betreft de naleving van de beginselen van opslagbeperking, transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking, juistheid en integriteit en vertrouwelijkheid. Voorafgaande opmerking van de Geschillenkamer 62. Ten aanzien van de tenlasteleggingen inzake de verantwoordingsplicht (artikel 5.2. AVG) en de verplichtingen krachtens artikel 24 en 25 AVG, overweegt de Geschillenkamer het volgende. 63. De Inspectiedienst baseert zijn bevindingen op het vermeend onvolledig verstrekken van informatie door de verweerder. De Geschillenkamer is echter van oordeel dat het niet of niet volledig beantwoorden van informatieverzoeken an sich niet volstaat om een inbreuk op artikel 5.2, 24 of 25 AVG te constateren. Weliswaar bepalen deze artikelen dat de Beslissing ten gronde 75/2025 — 21/35 verwerkingsverantwoordelijke gepaste technische en organisatorische maatregelen moet nemen en de naleving van de basisbeginselen van de AVG (Artikel 5.1. AVG) moet kunnen aantonen, maar zij vormen geen algemene zorgvuldigheidsnorm die bij elke onduidelijkheid of lacune in het verstrekken van informatie automatisch geschonden is. 64. Artikel 5.2. AVG (de verantwoordingplicht) verplicht de verwerkingsverantwoordelijke om te kunnen aantonen dat zij de bepalingen (specifiek de grondbeginselen) van de AVG heeft nageleefd. Artikel 24 en 25 AVG concretiseren deze plicht door te vereisen dat al bij het ontwerp en de standaardinstellingen van de verwerking passende waarborgen worden ingebouwd om de AVG-beginselen – zoals dataminimalisatie en opslagbeperking – effectief te implementeren. De verwerkingsverantwoordelijke moet dus kunnen aantonen welke maatregelen zijn getroffen om bijvoorbeeld enkel noodzakelijke gegevens te verwerken en de rechten van betrokkenen te beschermen. 65. Het enkele feit dat de verstrekte antwoorden aan de Inspectiedienst onvolledig voorkwamen om de naleving van andere (inhoudelijke) beginselen aan te tonen, toont evenwel nog niet aan dat de eerder genoemde verplichtingen ipso facto zijn geschonden. Met andere woorden, om een inbreuk op artikel 5.2, 24 of 25 AVG te bevestigen, moeten concrete schendingen van de naleving van die bepalingen worden aangetoond. 66. Zoals de verweerder zelf opmerkte, volgt de zienswijze dat elke (gestelde) schending van een AVG-bepaling automatisch ook een schending van de voornoemde bepalingen inhoudt, niet uit de doelstelling van deze bepalingen. Een louter gebrek aan (volledige) informatieverstrekking kan hooguit een aanwijzing vormen van een mogelijke onderliggende niet-naleving, maar leidt niet op zichzelf tot een zelfstandige inbreuk op voormelde artikelen. Zo heeft ook het Hof van Justitie recent bevestigd dat een negatief feit niet automatisch betekent dat een norm is geschonden: een gegevenslek impliceert op zich nog niet dat de beveiligingsverplichting van artikel 32 AVG is geschonden. Pas na concrete beoordeling van de genomen beveiligingsmaatregelen kan worden vastgesteld of deze al dan niet toereikend waren. Het Hof van Justitie verduidelijkte: “Bijgevolg kunnen de artikelen 24 en 32 AVG niet aldus worden begrepen dat het feit dat de ongeoorloofde verstrekking van of de ongeoorloofde toegang tot persoonsgegevens heeft plaatsgevonden door een derde, volstaat om tot de slotsom te komen dat de door de betrokken verwerkingsverantwoordelijke getroffen maatregelen niet passend waren in de zin van deze bepalingen, zonder dat deze laatste ook maar de mogelijkheid wordt geboden het tegenbewijs te leveren.” 25 25 HvJEU Arrest van 14 december 2023, Natsionalna agentsia za prihodite, C-340/21, par 31. Beslissing ten gronde 75/2025 — 22/35 67. In dezelfde geest kan uit het onvolledig beantwoorden van vragen van de Inspectiedienst mutatis mutandis niet zonder meer worden afgeleid dat de verantwoordingsplicht of de verplichtingen van artikel 24 en 25 AVG zijn miskend. 68. De Geschillenkamer stelt in deze zaak vast dat de Inspectiedienst geen voldoende bewijs heeft geleverd van een materiële schending van de beginselen waarop artikel 5.2, 24 en 25 AVG toezien. De verweerder heeft goed meegewerkt tijdens het onderzoek van de Inspectiedienst en leverde wel degelijk heel wat informatie en stukken aan. Zij heeft eveneens aanvullende toelichting verschaft over de genomen maatregelen en de rechtvaardiging van de verwerking. 69. De Geschillenkamer behoudt evenwel haar bevoegdheid om, op basis van een eigen beoordeling in concreto, alsnog vast te stellen dat tekortkomingen bestaan in hoofde van de verweerder in de naleving van de in deze bepalingen opgenomen verplichtingen. Beginsel van opslagbeperking (artikel 5.1.
- e)AVG) 70. De Inspectiedienst stelt vast dat de verweerder aanvoert de gegevens van bezoekers 14 dagen te bewaren conform de richtlijnen van het Agentschap Zorg en Gezondheid. De Inspectiedienst stelt echter tevens vast dat de verweerder geen kopie van die richtlijnen voorlegt, waardoor zij niet aantoont in welke mate de naleving daarvan verplicht is. Bovendien stelt de Inspectiedienst vast dat zij geen kopie heeft ontvangen van de documenten die aantonen dat de betreffende persoonsgegevens effectief na 14 dagen worden vernietigd, hoewel de verweerder uitdrukkelijk werd gevraagd om “een met documenten onderbouwd antwoord te geven”. De Inspectiedienst oordeelt dit een inbreuk op de artikelen 5.1.
- e)en 5.2. AVG, 24.1. AVG en artikel 25,lid 1 en lid 2 AVG. 71. De verweerder voert aan dat de tijdelijke maatregelen van 9 juli 2020 duidelijk vermelden dat de bewaartermijn 14 dagen is. Voorts legt de verweerder een ‘gebruikershandleiding bezoekersregistratie’26 voor waaruit volgens haar blijkt dat de papieren documenten na 14 dagen vernietigd dienden te worden door de directie van de betrokken voorziening. 72. In tegenstelling tot de bewering van de verweerder, stelt de Geschillenkamer vast dat de tijdelijke maatregelen van 9 juli 2020 niet uitdrukkelijk een bewaartermijn van 14 dagen vermelden, maar enkel bepalen dat woonzorgcentra duidelijke afspraken moet maken over waar en hoe de contactgegevens van bezoekers worden bewaard. Wat betreft de gegevens in de verklaring op eer, merkt de Geschillenkamer op dat het modeldocument van het Agentschap Zorg en Gezondheid 27 het volgende bepaalt: “De voorziening die via een verklaring op eer in het kader van een bezoekregeling persoonsgegevens verwerkt, moet 26 Stuk 31. Gebruikershandleiding bezoekersregistratie – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder. 27 Stuk 6. Model verklaring op eer Agentschap Zorg en Gezondheid – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder. Beslissing ten gronde 75/2025 — 23/35 dit doen in overeenstemming met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en moet daarom de ondertekenaar van de verklaring op eer in kennis stellen van: […] de bewaartermijn van de verklaring op eer of de criteria ter bepaling van deze bewaartermijn […].” De Geschillenkamer oordeelt dat de verweerder op het moment van de feiten zelf de bewaartermijn van de verklaringen op eer diende te bepalen conform artikel 5.1.
- e)AVG (‘opslagbeperking’). De Geschillenkamer stelt daarentegen vast dat de tijdelijke maatregelen van 17 maart 2021 wél uitdrukkelijk bepalen dat de gegevens verzameld in het kader van contactopsporing maximaal 14 kalenderdagen kunnen worden bewaard en vervolgens moeten worden vernietigd.28 73. Hoewel de verweerder niet staaft waarom zij reeds een bewaartermijn van 14 dagen hanteerde in de periode vóór 17 maart 2021, oordeelt de Geschillenkamer dat deze bewaartermijn noodzakelijk was voor het doel waarvoor de gegevens werden verwerkt en in lijn ligt met de later wettelijke vastgelegde bewaartermijn. Bovendien tonen de door de Inspectiedienst aangedragen stukken niet aan dat de verweerder de verklaringen op eer langer bewaarde dan 14 kalenderdagen. Om deze redenen oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegde op artikel 5.1.
- e)AVG, en oordeelt zij derhalve dat de verweerder tevens geen inbreuk pleegde op artikel 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25, lid 1 en lid 2 AVG. Transparantiebeginsel (artikel 5.1.
- a)AVG) 74. De Inspectiedienst stelt vast dat de verweerder voor de online bezoekersregistratie nergens een kopie of een link naar de privacyverklaring voorziet. Zij stelt tevens vast dat voor de papieren bezoekersregistratie in een algemene alinea wordt voorzien, die het volgende vermeldt: “Uw persoonlijke gegevens worden verwerkt door de organisatie om haar inwoners, patiënten en werknemers te beschermen tegen de Coronavirus-epidemie, in de uitzonderlijke gezondheidssituatie die daaruit voortvloeit, op aanvraag van de overheid als wettelijke verplichting en op basis van algemeen belang. In overeenstemming met de beginselen van de Europese verordening 2016/679 over de bescherming van persoonsgegevens van 27 april 2016. Indien u bijkomende informatie wenst (e-mailadres DPO verweerder of per post op adres verweerder).” De Inspectiedienst oordeelt dat een dergelijke algemene alinea onvoldoende is om de betrokkenen behoorlijk en transparant te informeren. Op basis hiervan oordeelt de Inspectiedienst dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 5.1.
- a)en 5.2 AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. 28 Stuk 33. Maatregelen Agentschap Zorg en Gezondheid van 17 maart 2021 – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder. Beslissing ten gronde 75/2025 — 24/35 75. De verweerder voert aan dat de vaststellingen van de Inspectiedienst manifest onjuist zijn. Voor wat betreft de online bezoekersregistratie voert zij aan dat er wel degelijk een link wordt voorzien naar de privacyverklaring, waarin de bezoeker op transparante wijze wordt geïnformeerd over de verwerking van zijn persoonsgegevens. 29 Daarnaast merkt zij op dat de papieren bezoekersregistratie steeds wordt vergezeld van een privacyverklaring die te consulteren is aan de balie van de voorziening wanneer een bezoeker zich aanmeldt. De verweerder voert tevens aan dat zij, naar aanleiding van het Inspectieverslag, maatregelen heeft genomen om de transparantie ten aanzien van bezoekers nog te vergroten. Zo werd de privacyverklaring in de bezoekersapplicatie verder op punt gesteld, door er gelaagdheid in te brengen, een inhoudstabel te voorzien en een samenvatting toe te voegen die het de gebruikers toelaat zich met minimale inspanning te informeren omtrent de verwerking van hun persoonsgegevens. 76. Rekening houdende met de vaststellingen van de Inspectiedienst en na beoordeling van de argumentatie van de verweerder en de bij de stukken gevoegde privacyverklaring, oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegde op het transparantiebeginsel conform artikel 5.1.
- a)AVG, en oordeelt zij derhalve dat de verweerder tevens geen inbreuk pleegde op artikel 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. 77. Ten overvloede voegt de Geschillenkamer hieraan het volgende toe. In uitvoering van het transparantiebeginsel uit artikel 5.1.
- a)AVG is het, op basis van artikel 12.1, artikel 13.1, artikel 14.1 en 14.2 AVG, noodzakelijk dat de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkenen beknopte, transparante en begrijpelijke informatie verstrekt over de persoonsgegevens die verwerkt worden. De Geschillenkamer gaat hier verder op in onder titel II.3 van deze beslissing. De vaststellingen van de Inspectiedienst hadden echter uitsluitend betrekking op de algemene privacyverklaring, die niet van toepassing is op de verwerking van gegevens van bezoekers, terwijl ten aanzien van de specifieke privacyverklaring voor bezoekers geen concrete tenlastelegging werd geformuleerd. Beginsel van doelbinding (artikel 5.1.
- b)AVG) 78. De Inspectiedienst stelt vast dat de verweerder tijdens het onderzoek aangeeft dat de persoonsgegevens die worden ingezameld in het kader van de bezoekersregistratie enkel worden verwerkt in het kader van de behandeling, preventie en beperking van de verdere verspreiding van COVID-19, en dat zij voor geen enkel ander doel worden verwerkt. De Inspectiedienst oordeelt vooreerst dat die bewoording zeer ruim is, en niet beperkt is tot de concrete situatie van de verweerder. Ten tweede verwijst de Inspectiedienst naar de privacyverklaring van de verweerder (versie 4 juni 2020), waar er onder de titel “(iii) Voor 29 Stuk 32. Screenshots bezoekersapplicatie– Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder Beslissing ten gronde 75/2025 — 25/35 welk doel verzamelen we uw persoonlijke gegevens?” andere doeleinden worden vermeld, en waar er bovendien niet wordt verwezen naar COVID-19. Volgens de Inspectiedienst pleegt de verweerder hierdoor een inbreuk op de artikelen 5.1.
- b)en 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. 79. De verweerder voert aan dat de privacyverklaring (versie 4 juni 2020) verwijst naar de doeleinden voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de bezoekersregistratie. Daarin staat volgens de verweerder duidelijk opgenomen dat ze persoonsgegevens verwerkt (
- i)om een bezoek te kunnen inplannen bij de resident uit de voorziening, (
- i)om de betrokkenen te kunnen contacteren in geval van een wijziging in de afspraak, (iii) om de betrokkenen op de hoogte te houden van aanpassingen in de dienstverlening en (
- iv)om de betrokkenen op de hoogte te houden van nieuwigheden in het aanbod van de totale dienstverlening. De verweerder wijst erop dat deze doeleinden moeten gezien worden in het licht van de concrete situatie, en dat zij dan ook kaderen in de behandeling, preventie en beperking van de verdere verspreiding van COVID-19. Tevens voert de verweerder aan dat zij, om tegemoet te komen aan de opmerkingen in het inspectieverslag, een nieuwe privacyverklaring heeft opgemaakt voor bezoekers (versie van 18 maart 2021), waarin duidelijk de doeleinden van de verwerking worden vermeld. 80. Rekening houdende met de vaststellingen van de Inspectiedienst en na beoordeling van de argumentatie van de verweerder en de bij de stukken gevoegde privacyverklaring, is de Geschillenkamer van oordeel dat de door de Inspectiedienst aangedragen stukken onvoldoende aantonen dat de verweerder de verzamelde gegevens in het kader van de bezoekersregistratie heeft aangewend voor andere doelen dan zij heeft vooropgesteld, waardoor zij oordeelt dat de verweerder geen inbreuk pleegde op de artikelen 5.1.
- b)en derhalve geen inbreuk pleegde op artikel 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. Beginsel van minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
- c)AVG) 81. De Inspectiedienst stelt vast dat de verweerder het adres, de naam en het telefoonnummer van bezoekers verwerkt, evenals een check of een temperatuurmeting wordt uitgevoerd. De Inspectiedienst oordeelt dat de verweerder niet aantoont waarom die persoonsgegevens noodzakelijk zijn voor de doeleinden waarvoor ze werden verwerkt. Dit acht zij een inbreuk op de artikelen 5.1.
- c)en 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25, lid 1 en lid 2 AVG. 82. Zoals nader toegelicht in paragrafen 50 en 51 van deze beslissing, oordeelt de Geschillenkamer dat het voor de verweerder noodzakelijk was om de naam, het adres en het telefoonnummer van bezoekers te verwerken teneinde te voldoen aan de wettelijke verlichting die op haar rustte, namelijk om als contactpunt haar medewerking te verlenen en Beslissing ten gronde 75/2025 — 26/35 nuttige uitvoering te geven aan het Samenwerkingsakkoord inzake contactopsporing. Wat betreft de checkbox temperatuurmeting stelt de Geschillenkamer vast dat deze werd verwijderd uit het registratieformulier, zowel uit de papieren als de online versie. 83. Op basis van bovenstaande oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegt op artikelen 5.1.
- c)en derhalve geen inbreuk pleegde op artikel 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25, lid 1 en 2 AVG. Beginsel van juistheid (art. 5.1.
- d)AVG) 84. De Inspectiedienst oordeelt dat de verweerder niet aantoont dat zij de nodige maatregelen heeft genomen om te waarborgen dat de verwerkte persoonsgegevens juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd. De Inspectiedienst acht dit een inbreuk op de artikelen 5.1.
- d)en 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. 85. De verweerder voert aan dat deze vaststelling niet kan worden gevolgd, nu zij weldegelijk maatregelen heeft getroffen om te waarborgen dat de verwerkte persoonsgegevens in het kader van de bezoekersregistratie juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd. Meer bepaald voert de verweerder aan dat wanneer de bezoeker de digitale bezoekersapplicatie gebruikt, hij/zij zelf zijn persoonsgegevens invult. De bezoeker kan eveneens de ingevulde persoonsgegevens raadplegen en waar nodig actualiseren of wijzigen indien ze gedateerd of onjuist zijn. Wanneer de bezoeker telefonisch een afspraak maakt, worden diens gegevens door een medewerker in de digitale bezoekersapplicatie ingevoerd. Op het moment dat de bezoeker zich begeeft naar de voorziening, zal de medewerker de naam van de persoon afroepen, waarna deze zich kan melden aan de balie. De verweerder voert aan dat er op dat ogenblik een controle plaatsvindt waarbij wordt nagegaan of de gegevens die telefonisch werden doorgegeven juist zijn. Tot slot voert de verweerder aan dat, gelet op de korte bewaartermijn van de gegevens (14 dagen), een actualisering van de gegevens meestal niet aan de orde is. 86. Rekening houdende met de vaststellingen van de Inspectiedienst en na beoordeling van de argumentatie van de verweerder, oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegde op artikel 5.1.
- d)AVG, en oordeelt zij derhalve dat de verweerder tevens geen inbreuk pleegde op artikel 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. De Geschillenkamer is immers van oordeel dat de aangedragen tenlasteleggingen onvoldoende aangetoond zijn. Het beginsel van integriteit en vertrouwelijkheid (artikel 5.1.
- f)AVG) 87. In het kader van het onderzoek door de Inspectiedienst voert de verweerder aan dat zij passende technische en organisatorische maatregelen heeft genomen om de integriteit en de vertrouwelijkheid van de verwerkte persoonsgegevens in het kader van de bezoekersregistratie te waarborgen conform artikel 5.1.
- f)AVG. De verweerder voert aan dat Beslissing ten gronde 75/2025 — 27/35 voor de papieren registratieformulieren er aan alle medewerkers van het betrokken woonzorgcentrum de instructie werd gegeven om deze vertrouwelijk te behandelen. Enkel de formulieren van de lopende dag werden aan de balie bewaard. De formulieren van de voorgaande dagen werden geordend opgeborgen in een afgesloten kast of ruimte, meestal in het kantoor van de directie. Na een bewaartermijn van 14 dagen werden de formulieren vernietigd. De verweerder legt uit dat ook voor de online bezoekersregistratie de nodige maatregelen werden genomen. De directie van het woonzorgcentrum kreeg de rol met rechten van admin (beheerder) en bepaalde de verdere toekenning van gebruikers (medewerkers of bewoners) in de applicatie. In het kader van de bezoekersregistratie waren ook de rollen ‘staff’ en ’contact’ actief. De ‘staff’-rol werd gebruikt in het woonzorgcentrum om de check-in van de bezoekers af te handelen. De rollen met rechten kunnen niet aangepast worden door de admin-profielen, maar enkel door de verwerker die de applicatie aanbiedt. De bezoeker zelf kan enkel zijn agenda bekijken en beheren. 88. De Inspectiedienst acht de beveiliging van persoonsgegevens onvoldoende, gezien het voor de papieren registratieformulieren niet duidelijk is wie er precies toegang tot heeft en onder welke voorwaarden, en gezien de “rollen met rechten” enkel kunnen worden aangepast door de verwerker van de bezoekersapplicatie, waardoor de verweerder hier geen controle op kan uitoefenen. Daarnaast stelt de Inspectiedienst vast dat de verweerder niet vermeldt welke de sancties zijn die worden opgelegd bij niet-naleving van voornoemde maatregelen. De Inspectiedienst acht dit een inbreuk op de artikelen 5.1.
- f)en 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. 89. De verweerder voert aan dat de vaststellingen van de Inspectiedienst niet kunnen worden weerhouden, daar deze in strijd zijn met de stukken in het dossier. De verweerder legt uit dat enkel de medewerker achter de balie toegang heeft tot de papieren formulieren. Om de vertrouwelijkheid van de formulieren te verhogen werkt de verweerder met aparte stroken, in plaats van één lijst voor de gehele dag. Hierdoor is het volgens de verweerder onmogelijk voor bezoekers om na te gaan wie allemaal een bezoek heeft gebracht aan het woonzorgcentrum op die dag. Na afloop van de bezoekuren worden de formulieren opgehaald door de directie en geordend opgeborgen in een afgesloten kast of ruimte, waartoe niemand anders toegang heeft. Wat betreft de “rollen met rechten” in de digitale bezoekersapplicatie legt de verweerder uit dat de vaststelling van de Inspectiedienst dat zij hierop geen controle kan uitoefenen niet klopt. Hoewel het klopt dat enkel de verwerker de rollen kan aanpassen, kan de verwerker die aanpassingen enkel uitvoeren op aanvraag van de verweerder. Aldus handelt de verwerker enkel en alleen op basis van de expliciete instructie van de verweerder, zoals het een verwerker betaamt op grond van de verwerkersovereenkomst.30 Tot slot geeft de verweerder aan dat de niet-naleving van het 30 Stuk 34. Verwerkersovereenkomst - Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder Beslissing ten gronde 75/2025 — 28/35 AVG-beleid of enige andere regels rond gegevensbescherming door haar werknemers uiteraard kunnen leiden tot sancties zoals negatieve evaluaties en zelfs ontslag wegens dringende redenen. 90. Rekening houdende met de vaststellingen van de Inspectiedienst en na beoordeling van de argumentatie van de verweerder en de bij de stukken gevoegde verwerkersovereenkomst, oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegde op artikel 5.1.
- f)AVG, en oordeelt zij derhalve dat de verweerder tevens geen inbreuk pleegde op artikel 5.2. AVG, artikel 24.1. AVG en artikel 25.1. AVG. De Geschillenkamer is immers van oordeel dat de aangedragen tenlasteleggingen onvoldoende aangetoond zijn. II.3. Artikel 12, lid 1 en lid 6 AVG, artikel 13, lid 1 en lid 2 AVG en artikel 14, lid 1 en lid 2 AVG 91. De Geschillenkamer merkt op dat de vaststellingen in het Inspectieverslag betrekking hebben op de algemene privacyverklaring zoals die op 14 september 2020 beschikbaar was op de website van de verweerder. Zoals blijkt uit de stukken is deze algemene privacyverklaring van toepassing op verwerkingen van persoonsgegevens van (toekomstige) bewoners, patiënten, gebruikers van de website, sollicitanten en vrijwilligers. Uit de toelichting van de verweerder, zoals hernomen door de Geschillenkamer in paragraaf 6 van deze beslissing, werd door de verweerder een aparte privacyverklaring opgemaakt die specifiek van toepassing is op bezoekers. Deze specifieke privacyverklaring wordt verstrekt op het moment van registratie aan de bezoeker, zij het online of op papier. De Geschillenkamer stelt vast dat de DPO van de verweerder de klager op 4 augustus 2020 informeert dat, vanwege de uitzonderlijke omstandigheden en de urgentie, de specifieke privacyverklaring van toepassing op bezoekers nog niet werd toegevoegd aan de algemene privacyverklaring op de website. 92. Gezien de vaststellingen in het Inspectieverslag uitsluitend betrekking hebben op de algemene privacyverklaring van de verweerder, die niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens van bezoekers, zal de Geschillenkamer geen verder oordeel vellen omtrent de vaststellingen van de Inspectiedienst daaromtrent. De Geschillenkamer oordeelt immers dat deze buiten de scope van de feiten en de context van de klacht vallen. 93. Daarnaast stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder geen concrete tenlastelegging werd voorgelegd met betrekking tot de inhoud van de privacyverklaring die specifiek van toepassing is op bezoekers. Gezien de afwezigheid daarvan hebben de debatten met betrekking tot deze privacyverklaring slechts in beperkte mate plaatsgevonden. De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat de verweerder zich hierdoor niet ten volle heeft kunnen verdedigen. Beslissing ten gronde 75/2025 — 29/35 II.4. Artikel 37, lid 5 en lid 7 AVG en artikel 38, lid 2 en lid 3 AVG Aanwijzing functionaris voor gegevensbescherming (artikel 37.5. AVG) 94. De Inspectiedienst stelt vast dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 37.5. Op grond van artikel 37.5 AVG dient de functionaris voor gegevensbescherming (DPO) aangewezen te worden, onder meer, op grond van zijn/haar deskundigheid op het vlak van de wetgeving en de praktijk inzake gegevensbescherming. De Inspectiedienst oordeelt dat verweerder niet aantoont welke de precieze motivering is geweest voor de beslissing om de DPO haar functie te laten bekleden. 95. De verweerder voert aan dat haar DPO een certificaat heeft behaald als DPO, hetgeen haar kwalificaties om die functie in te vullen aantoont. Volgens de verweerder werd haar aanstelling als DPO niet alleen gebaseerd op haar aangetoonde kennis van gegevensbescherming, maar ook op haar opleiding in de informatica. De verweerder legt uit dat haar DPO jarenlange ervaring heeft met de processen binnen woonzorgcentra en de zorgsector. Zij is al meer dan 30 jaar actief met 10 jaar informatieveiligheid als onderdeel. Zij werd dan ook aangesteld op grond van haar professionele kwaliteiten en deskundigheid op het gebied van wetgeving en de praktijk inzake gegevensbescherming. Daarnaast voert de verweerder aan dat haar DPO haar kennis op peil houdt door deel te nemen aan verschillende congresdagen en conferenties. Tot slot worden er twee-driemaandelijks audits uitgevoerd door het moederbedrijf en is er een interne controle aanwezig door de stuurgroep GDPR op het hoofdkantoor van de verweerder. 96. Op basis van deze argumentatie oordeelt de Geschillenkamer dat niet werd aangetoond dat de DPO van de verweerder niet over voldoende professionele kwaliteiten en deskundigheid beschikte, of niet in staat was haar taken conform artikel 39 AVG te vervullen, waardoor de Geschillenkamer oordeelt dat de verweerder geen inbreuk pleegde op artikel 37.5. AVG. Meldingsplicht contactgegevens functionaris voor gegevensbescherming (artikel 37.7. AVG) 97. De Inspectiedienst stelt vast dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 37.7 AVG. In artikel 37.7 AVG is bepaald dat de contactgegevens van de functionaris moeten worden bekend gemaakt en moeten worden meegedeeld aan de toezichthoudende autoriteit. De Inspectiedienst stelt vast dat de contactgegevens van de DPO van de verweerder op 17 juli 2018 aan de GBA werden meegedeeld. Volgens de Inspectiedienst had deze melding eerder moeten plaatsvinden, en in ieder geval uiterlijk binnen één maand na de inwerkingtreding van de AVG, te weten 25 mei 2018. 98. De verweerder voert aan dat nergens uit de AVG kan worden afgeleid dat de contactgegevens van de DPO binnen een welbepaalde termijn moeten worden medegedeeld aan de GBA. Artikel 37.7. AVG bepaalt immers enkel dat de contactgegevens moeten worden medegedeeld, zonder te bepalen wanneer dit dient te gebeuren. Beslissing ten gronde 75/2025 — 30/35 99. Hieromtrent wijst de Geschillenkamer erop dat hoewel de AVG geen harde deadline preciseert, de mededeling van de contactgegevens van de DPO zonder onnodige vertraging dient te gebeuren, en idealiter op het moment dat de DPO wordt aangewezen. In casu stelt de Geschillenkamer vast dat de contactgegevens van de DPO op 17 juli 2018 aan de GBA zijn meegedeeld, dus minder dan twee maanden na de inwerkingtreding van de AVG. Bovendien wijst de Geschillenkamer erop dat de mededeling van de contactgegevens van de DPO plaatsvond ruim vóór de indiening van de klacht en het daaropvolgende onderzoek. Deze kennisgeving gebeurde aldus volledig in tempore non suspecto. Om deze redenen is de Geschillenkamer van oordeel dat er in deze omstandigheden geen sprake is van een inbreuk op artikel 37.7 AVG. Verplichting om de functionaris voor gegevensbescherming te ondersteunen (artikel 38.2. AVG) 100. De Inspectiedienst stelt vast dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 38.2. AVG. Dat artikel bepaalt dat de verwerkingsverantwoordelijke verplicht is om de functionaris voor gegevensbescherming te ondersteunen in zijn taken, onder meer door hem de benodigde middelen ter beschikking te stellen. De Inspectiedienst oordeelt dat de verweerder voornoemde verplichting onvoldoende nakomt, gezien zij niet voorziet in een team dat de functionaris permanent ondersteunt, gezien er geen sprake is van een eigen budget voor de functionaris, en gezien de functionaris van de verweerder haar taak halftijds uitoefent. De Inspectiedienst acht deze ondersteuning onvoldoende, mede gelet op het feit dat de verweerder een grote organisatie betreft die veel en diverse persoonsgegevens verwerkt. 101. De verweerder legt uit dat haar functionaris voor gegevensbescherming (DPO) wel degelijk ondersteund wordt door een volledig team. Zo wordt er samengewerkt met een privacy organisatie die de functionaris ondersteunt in haar werkzaamheden, en heeft zij een team van advocaten ter hare beschikking die gespecialiseerd is in privacy en gegevensbescherming. Voorts zijn er in alle voorzieningen van de verweerder lokale privacyverantwoordelijken aangeduid, die de functionaris bijstaan in de uitvoering van haar taken. Daarnaast is de functionaris lid van de interne ‘stuurgroep GDPR’, die ongeveer vijfmaal per jaar samenkomt en die bestaat uit: de directeur IT, de directeur Operations, de manager HR, de senior legal counsel, en een vertegenwoordiger van de directie financiën. De stuurgroep rapporteert rechtstreeks aan de CEO van de verweerder. Ten tweede benadrukt de verweerder dat er geen sprake is van een halftijds uitgevoerde taak als functionaris voor gegevensbescherming. Zij voert aan dat haar functionaris halftijds taken uitoefent die te maken hebben met informatieveiligheid, maar dat het uitvoeren van deze taken kadert in het uitvoeren van technische en organisatorische maatregelen zoals bepaald door de AVG. Informatieveiligheid is volgens de verweerder dan ook onlosmakelijk verbonden met de taken die de functionaris voor gegevensbescherming moet uitoefenen. Tot slot voert verweerder aan dat haar beleid omtrent gegevensbescherming inderdaad niet bepaalt welk Beslissing ten gronde 75/2025 — 31/35 budget er ter ondersteuning van de functionaris voor gegevensbescherming wordt voorzien. Dit betekent volgens haar echter niet dat er geen budget is, zoals duidelijk blijkt uit de middelen die ter beschikking worden gesteld aan haar functionaris. 102. De Geschillenkamer oordeelt in de eerste plaats dat de verweerder aantoont dat zij de functie van DPO voldoende ondersteunt. De verweerder toont immers aan dat haar DPO zowel via externe middelen (privacy organisatie en advocatenkantoor) als binnenshuis (lokale privacy-verantwoordelijken en stuurgroep GDPR) op actieve wijze wordt ondersteund in de uitvoering van haar taken. Ten tweede stelt de Geschillenkamer vast dat het niet bewezen is dat er onvoldoende tijd beschikbaar is om de taken als DPO uit te voeren. Het beleid omtrent gegevensbescherming van de verweerder vermeldt in dit verband het volgende: “Op basis van voorkomende risico’s wordt de tijdsbesteding van de functionaris periodiek geëvalueerd op de stuurgroep gegevensbescherming. Op basis hiervan zal, zonder afbreuk te doen aan het takenpakket van de functionaris, de tijdsbesteding worden bijgestuurd”. Ten derde wijst de Geschillenkamer erop dat een adequate ondersteuning in termen van financiële middelen onontbeerlijk is om te kunnen voldoen aan de verplichting in artikel 38.2. AVG. Hoewel in casu de verweerder niet voorziet in een afgebakend of geraamd budget, is de Geschillenkamer van oordeel dat zij voldoende financiële middelen heeft uitgetrokken om haar functionaris te ondersteunen, gelet op de middelen die aan haar ter beschikking worden gesteld. Aldus concludeert de Geschillenkamer dat de verweerder geen inbreuk pleegde op artikel 38.2. AVG. Verslagverplichting van de functionaris voor gegevensbescherming (artikel 38.3. AVG) 103. De Inspectiedienst stelt vast dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 38.3. AVG. Dat artikel bepaalt onder meer dat de verwerkingsverantwoordelijke rechtstreeks verslag moet uitbrengen aan de hoogste leidinggevende van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker. De Inspectiedienst verwijst in haar verslag naar het organigram van de verweerder, waaruit blijkt dat de functionaris voor gegevensbescherming niet rechtstreeks verslag uitbrengt aan de Raad van Bestuur van de verweerder, gezien zij onder de leiding van de ‘IT Director’ staat. 104. De verweerder voert aan dat zij naar aanleiding van het Inspectieverslag veranderingen heeft doorgevoerd, waardoor de functionaris voor gegevensbescherming thans tweemaal per maand rechtstreeks verslag uitbrengt aan de CEO van de verweerder. De Geschillenkamer wijst erop dat conform artikel 38.3. AVG de functionaris de mogelijkheid moet hebben om zijn of haar afwijkende mening kenbaar te maken aan het hoogste managementniveau, zoals een Raad van Bestuur. In dat verband merkt de Geschillenkamer op dat het ‘beleid gegevensbescherming’31 van de verweerder inderdaad bepaalt dat de 31 Stuk 40. Gegevensbeschermingsbeleid – Stukkenbundel conclusie van repliek verweerder Beslissing ten gronde 75/2025 — 32/35 functionaris voor gegevensbescherming, indien noodzakelijk, rechtstreeks verslag kan uitbrengen aan de Raad van Bestuur. 105. Desondanks oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 38.3. AVG voor de periode voorafgaand aan voornoemde aanpassingen. II.5. Artikel 30, lid 1 en lid 3 AVG 106. De Inspectiedienst stelt ook enkele inbreuken vast met betrekking tot het register van de verwerkingsactiviteiten van de verweerder, die buiten de scope van de klacht liggen. Concreet stelt de Inspectiedienst volgende tekortkomingen vast: - Een inbreuk op artikel 30.1.
- a)AVG, gezien het e-mailadres, het telefoonnummer en het faxnummer van de verweerder niet worden vermeld. - Een inbreuk op artikel 30.1.
- c)AVG, gezien de verweerder in de kolom ‘categorieën van persoonsgegevens/betrokkenen’ afkortingen gebruikt waarvan de betekenis onduidelijk is. - Een inbreuk op artikel 30.1.
- e)AVG, gezien het op basis van het verwerkingsregister onduidelijk blijft naar welke derde landen persoonsgegevens worden doorgegeven. - Een inbreuk op artikel 30, lid 1 en lid 3 AVG, omdat de verweerder in het algemeen een onvolledig register van de verwerkingsactiviteiten heeft voorgelegd. 107. De verweerder voert aan dat artikel 30.1.
- a)louter bepaalt dat de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke in het register dienen te worden opgenomen, en dat zij bijgevolg aan die verplichting heeft voldaan door haar adresgegevens – die fungeren als contactgegevens per post – op te nemen in haar register van verwerkingsactiviteiten. 108. Wat betreft de vaststelling omtrent artikel 30.1.
- c)AVG, legt de verweerder uit dat in het tabblad ‘overzicht’ inderdaad gebruik wordt gemaakt van afkortingen, maar dat er voor elke verwerkingsactiviteit een link is opgenomen naar een aparte en meer uitgebreide fiche met daarin de afkortingen voluit geschreven. Zij voert bijgevolg aan dat de beschrijving van de categorieën van betrokkenen en van de categorieën van persoonsgegevens weldegelijk volledig werden opgenomen in het register. 109. Wat betreft de inbreuk op artikel 30.1.
- e)benadrukt de verweerder dat er slechts voor 3 verwerkingsactiviteiten niet nader bepaald werd of er een doorgifte is naar derde landen. Deze verwerkingsactiviteiten werden door de verweerder aangeduid in het geel, waarbij zij reeds tijdens het onderzoek aan de Inspectiedienst heeft uitgelegd dat het gaat om verwerkingsactiviteiten die recent werden toegevoegd/aangepast en deze nog operationeel en intern dienden te worden afgetoetst. Aldus diende er door de verweerder nog verder te worden nagegaan of er al dan niet in deze drie gevallen doorgifte naar derde Beslissing ten gronde 75/2025 — 33/35 landen zou zijn van persoonsgegevens. Wat betreft de vaststelling van de Inspectiedienst dat de verweerder meer in het algemeen een onvolledig register heeft voorgelegd, benadrukt de verweerder dat het bijhouden en actualiseren van het register van verwerkingsactiviteiten een “ongoing exercise” is. Het feit dat de verweerder nog in het proces was om zaken af te toetsen toont volgens haar juist aan dat zij de nodige inspanningen doet om haar register te onderhouden. 110. Vooreerst brengt de Geschillenkamer in herinnering dat de verplichting om de contactgegevens in artikel 30.1.
- a)AVG op te nemen in het verwerkingsregister bedoeld is om een ondubbelzinnige identificatie van de verwekingsverantwoordelijke mogelijk te maken. Om die reden kan het begrip ‘contactgegevens’ niet worden beperkt tot het eenvoudige postadres van de verwerkingsverantwoordelijke, maar wordt geacht dat alle mogelijke gegevens worden opgenomen die het mogelijk maken om contact op te nemen, zoals het telefoonnummer en het e-mailadres van de verwerkingsverantwoordelijke. 111. Ten tweede brengt de Geschillenkamer in herinnering dat, om de in de AVG vervatte verplichtingen doeltreffend te kunnen naleven, het van essentieel belang is dat de verwerkingsverantwoordelijke een overzicht maakt van de verwerkingen van persoonsgegevens die zij uitvoert. Dit register is dan ook in de eerste plaats een instrument om de verwerkingsverantwoordelijke te helpen bij de naleving van de AVG voor de verschillende gegevensverwerkingen die zij uitvoert. De Geschillenkamer is van oordeel dat het verwerkingsregister een essentieel instrument is in het kader van de reeds vermelde verantwoordingsplicht, zoals toegelicht in overweging 82 van de AVG. Het is dan ook van belang dat het register volledig en juist is. Om die reden acht zij het dan ook in strijd met de AVG wanneer essentiële elementen van bepaalde verwerkingsactiviteiten, zoals de bewaartermijn of de doorgifte buiten de EU, onvolledig worden ingevuld. 112. Gelet op bovenstaande, oordeelt de Geschillenkamer dat de verweerder een inbreuk pleegde op artikel 30.1.
- a)en 30.1.
- e)AVG. III. Verantwoording van de opgelegde maatregelen 113. De Geschillenkamer wijst erop dat er geruime tijd is verstreken tussen het neerleggen van de laatste conclusie in dit dossier, en het nemen van de voorliggende beslissing. De Geschillenkamer wenst zich hiervoor uitdrukkelijk bij de betrokken partijen te verontschuldigen. De Geschillenkamer neemt dit verstrijken van tijd in rekening bij het bepalen van de gepaste maatregel in dit dossier. 114. De Geschillenkamer erkent dat de feiten in dit dossier die aanleiding hebben gegeven tot inbreuken op de AVG mogelijk het gevolg zijn geweest van de noodzaak van de verweerder om zich snel aan te passen aan de ongeziene omstandigheden van de COVID-19-pandemie. Beslissing ten gronde 75/2025 — 35/35 verzoekschrift op tegenspraak dient te worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.33, dan wel via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (Get). Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 1° de dag, de maand en het jaar; 2° de naam, voornaam, woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregister- of ondernemingsnummer; 3° de naam, voornaam, woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. 33 Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.