1/34 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 77/2025 van 24 april 2025 Het Marktenhof heeft in zijn arrest 2025/AR/879 van 12 november 20251 deze beslissing gedeeltelijk vernietigd, uitsluitend voor zover daarin een waarschuwing werd gegeven aan Google LLCmet betrekking tot de naleving van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG voor de toekomst. Dossiernummer: DOS-2024-01067 Betreft: klacht tegen Google wegens weigering van verwijdering van links uit zoekresultaten (recht op vergetelheid) De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Yves Poullet en Romain Robert, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit 1, hierna "WOG"; Gelet op het Reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 20192; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, vertegenwoordigd door Carine Doutrelepont, met kantoor gevestigd te Vergotesquare 20, 1030 Brussel, hierna "de klager". De verweerder: Google LLC, 1600 Amphitheatre Parkway Mountain View, CA94043, Californië (Verenigde Staten van Amerika), vertegenwoordigd door meester 1 De GBA herinnert eraan dat de herziene organieke wet op 1 juni 2024 in werking is getreden. Zij is alleen van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn aangevangen. Dossiers die zijn aangevat vóór 1 juni 2024, zoals het onderhavige dossier, zijn onderworpen aan de bepalingen van de oude versie van de WOG, die hier kan worden geraadpleegd: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/organieke-wet-van-de-gba.pdf. 2 Het nieuwe Reglement van interne orde van de GBA, als gevolg van de wijzigingen door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), is op 1 juni 2024 in werking getreden. Het is alleen van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn aangevangen. Dossiers die zijn aangevat vóór 1 juni 2024, zijn onderworpen aan de bepalingen van het Reglement van interne orde zoals het bestond vóór die datum. Beslissing ten gronde 77/2025 — 2/34 Gerrit Vandendriessche en meester Pierre Antoine, met kantoor gevestigd te Tour & Taxis Building, Havenlaan 86C 8414 / BE-1000 Brussel, hierna "de verweerder". I. 1. Feiten en procedure Op 27 februari 2024 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "de GBA") naar aanleiding van de weigering van de verweerder om de twee hieronder vermelde links te verwijderen uit de zoekresultaten van de zoekmachine Google Search (zie punt 5). 2. De klager is docent in het hoger onderwijs. In 2008 dient een voormalige studente een klacht wegens seksuele intimidatie tegen hem in bij de politie (hierna "betwiste feiten"). Het directiecollege van de instelling besluit om de tuchtprocedure niet voort te zetten zolang de gerechtelijke autoriteiten geen uitspraak hebben gedaan over de klacht tegen de klager, en vraagt de Franse Gemeenschapsregering of hij preventief moet worden geschorst. 3. In 2009 besluit de minister van Hoger Onderwijs om de klager preventief uit zijn functie te schorsen voor een periode van drie maanden (hierna "besluit tot schorsing"). De schorsing van de klager wordt daarna twee keer verlengd: - Op […] 2009 deelt de minister van Hoger Onderwijs de klager mee dat zijn schorsing met nog eens drie maanden wordt verlengd (hierna "besluit tot eerste verlenging van de schorsing"). - Op […] 2009 deelt de minister van Hoger Onderwijs de klager voor de tweede keer mee dat zijn schorsing met nog eens drie maanden wordt verlengd (hierna "besluit tot tweede verlenging van de schorsing"). 4. In 2009 stelt de klager twee beroepen tot nietigverklaring in bij de Raad van State tegen de hierboven vermelde besluiten van de Regering. Deze beroepen leiden tot de volgende arresten van de Raad van State: - Arrest nr. […] van de Raad van State vernietigt het bovengenoemde besluit betreffende de tweede verlenging van de schorsing. - Arrest nr. […] van de Raad van State verwerpt het verzoekschrift tot nietigverklaring van het bovengenoemde besluit betreffende de eerste verlenging van de schorsing. 5. Op 24 juli 2023 en op 10 november 2023 dient de klager respectievelijk twee verzoeken in bij Google tot verwijdering van de volgende twee URL's uit de zoekresultaten. Deze URL's verschijnen wanneer de naam van de klager wordt ingevoerd in de zoekmachine Google Search (hierna "betwiste URL's", "betwiste inhoud" of "links"): Beslissing ten gronde 77/2025 — 3/34 - URL nr. 1: […]: website "...", geeft het arrest van de Raad van State nr. […] weer, hierna "URL nr. 1"3. - URL nr. 2: [...]: website "...", geeft het arrest van de Raad van State nr. [...] weer, hierna "URL nr. 2"4. 6. Op 25 juli 2023 deelt de verweerder de klager mee dat hij het verzoek tot verwijdering van URL nr. 1 uit de zoekresultaten heeft geweigerd, in de volgende bewoordingen (vrije vertaling): "Beste, Bedankt voor het indienen van uw klacht in de bijlage. Met betrekking tot de volgende URL's: […] Op basis van de informatie waarover wij beschikken, lijkt het erop dat deze URL's betrekking hebben op aspecten van uw beroepsleven die van groot belang zijn voor het publiek. Informatie over huidige of recente beroepen of bedrijven waarmee u recentelijk in verband bent gebracht, kan bijvoorbeeld relevant zijn voor bestaande of potentiële consumenten van, gebruikers van of deelnemers aan diensten of producten van deze bedrijven of beroepen. Om deze reden kunnen wij momenteel niet tegemoetkomen aan uw verzoek tot verwijdering van deze URL's. Rekening houdend met de informatie waarover wij op dit moment beschikken, heeft Google LLC besloten geen maatregelen te nemen met betrekking tot deze URL's. U kunt uw verzoek tot verwijdering rechtstreeks indienen bij de webmaster van de betreffende website. Deze persoon beheert de website. Hij kan de betreffende inhoud dus verwijderen en voorkomen dat deze in zoekmachines verschijnt. Raadpleeg het Helpcentrum van Google Zoeken voor informatie over hoe u contact kunt opnemen met een webmaster. Indien de verouderde inhoud van een website die door de webmaster is gewijzigd of verwijderd nog steeds in de Google-zoekresultaten voorkomt, kunt u deze tool gebruiken om de zoekresultaten bij te werken. Meer informatie vindt u op deze pagina. Indien u het niet eens bent met de beslissing van Google LLC, kunt u het probleem voorleggen aan de gegevensbeschermingsautoriteit in uw land of juridische stappen ondernemen. Mocht u echter over aanvullende informatie beschikken met betrekking tot uw verzoek en deze aan ons willen doorgeven, verzoeken wij u dit eerst te doen door 3 Deze URL was tot ten minste 11 oktober 2024 toegankelijk, zoals blijkt uit stuk 1/d, gevoegd bij de conclusie van de verweerder, bestaande uit een schermafbeelding van de website […] en de bijbehorende broncode. 4 Deze URL was tot ten minste 11 oktober 2024 toegankelijk, zoals blijkt uit stuk 1/e, gevoegd bij de conclusie van de verweerder, bestaande uit een schermafbeelding van de website […] en de bijbehorende broncode. Beslissing ten gronde 77/2025 — 4/34 op dit bericht te reageren. In communicatie met de gegevensbeschermingsautoriteit kunt u het referentienummer 6- 1507000034388 toevoegen, evenals een kopie van de door Google LLC aan u verzonden bevestiging van ontvangst van uw verzoek. Raadpleeg het Helpcentrum van Google Transparantierapport voor meer informatie over hoe Google LLC deze beslissingen neemt. Het Helpcentrum bevat informatie over de verwijdering van URL's uit zoekresultaten op grond van de Europese gegevensbeschermingswetgeving, inclusief de belangrijkste factoren die bij deze beslissingen een rol spelen (...)." 7. Op 10 november 2023 deelt de verweerder de klager mee dat hij het verzoek tot verwijdering van URL nr. 2 uit de zoekresultaten heeft geweigerd, in de volgende bewoordingen (vrije vertaling): "Beste, Bedankt voor het indienen van uw klacht in de bijlage. Met betrekking tot de volgende URL's: [...] Na een afweging van de belangen en rechten die verband houden met de betreffende inhoud, waaronder factoren zoals de voortdurende publicatie ervan door een administratieve autoriteit, heeft Google besloten deze niet te blokkeren. Rekening houdend met de informatie waarover wij op dit moment beschikken, heeft Google LLC besloten geen maatregelen te nemen met betrekking tot deze URL's. U kunt uw verzoek tot verwijdering rechtstreeks indienen bij de webmaster van de betreffende website. Deze persoon beheert de website. Hij kan de betreffende inhoud dus verwijderen en voorkomen dat deze in zoekmachines verschijnt. Raadpleeg het Helpcentrum van Google Zoeken voor informatie over hoe u contact kunt opnemen met een webmaster. Indien de verouderde inhoud van een website die door de webmaster is gewijzigd of verwijderd nog steeds in de Google-zoekresultaten voorkomt, kunt u deze tool gebruiken om de zoekresultaten bij te werken. Meer informatie vindt u op deze pagina. Indien u het niet eens bent met de beslissing van Google LLC, kunt u het probleem voorleggen aan de gegevensbeschermingsautoriteit in uw land of juridische stappen ondernemen. Mocht u echter over aanvullende informatie beschikken met betrekking tot uw verzoek en deze aan ons willen doorgeven, verzoeken wij u dit eerst te doen door op dit bericht te reageren. In communicatie met de gegevensbeschermingsautoriteit kunt u het referentienummer 2-2784000034965 toevoegen, evenals een kopie van de door Google LLC aan u verzonden bevestiging van ontvangst van uw verzoek. Beslissing ten gronde 77/2025 — 5/34 Raadpleeg het Helpcentrum van Google Transparantierapport voor meer informatie over hoe Google LLC deze beslissingen neemt. Het Helpcentrum bevat informatie over de verwijdering van URL's uit zoekresultaten op grond van de Europese gegevensbeschermingswetgeving, inclusief de belangrijkste factoren die bij deze beslissingen een rol spelen (…)." 8. Op 6 maart 2024 wordt de klacht ontvankelijk verklaard door de Eerstelijnsdienst (hierna "ELD") op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG en wordt de klacht overgemaakt aan de Geschillenkamer op grond van artikel 62, § 1, van de WOG. 9. Op 16 mei 2024 stuurt de Geschillenkamer een brief naar de partijen waarin zij verschillende inlichtingen verstrekt. Zij geeft aan dat het standpunt van de verweerder in zijn antwoorden op de verschillende verzoeken van de klager te beknopt is om de Geschillenkamer in staat te stellen een correcte beoordeling van zijn argumenten te maken in het licht van artikel 17.3.
- a)van de AVG. Het standpunt van de klager is daarentegen voldoende uitgewerkt, zowel in zijn verzoeken aan de verweerder als in zijn klacht. De Geschillenkamer verzoekt de verweerder dan ook om te motiveren waarom hij van oordeel is dat artikel 17.3.
- a)van de AVG van toepassing is op de URL's waarvan hij de verwijdering uit de zoekresultaten heeft geweigerd. Zij verzoekt de verweerder om zijn antwoord uiterlijk op maandag 17 juni 2024 toe te sturen. 10. Op 24 mei 2024 vraagt de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3°, van de WOG), die hem wordt bezorgd op 10 juni 2024. De verweerder aanvaardt alle communicatie met betrekking tot de zaak elektronisch te ontvangen, met uitzondering van de belangrijkste stukken van de zaak – in het bijzonder die welke een termijn doen ingaan – die hij ook per post wenst te ontvangen. 11. Op 7 juni 2024 verzoekt de verweerder de Geschillenkamer een nieuwe termijn vast te stellen voor het toesturen van een antwoord, rekening houdend met de tijd die de Geschillenkamer nodig heeft om toegang te verlenen tot het dossier. Op 11 juni 2024 informeert de Geschillenkamer de partijen dat de termijn voor het toesturen van een antwoord wordt verlengd tot 27 juni 2024. 12. Op 27 juni 2024 bezorgt de verweerder zijn antwoordbrief, samen met bijlagen, aan de Geschillenkamer en aan de klager. 13. Op 6 augustus 2024 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1°, en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde. 14. Op 6 augustus 2024 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, en in artikel 98 van de WOG. Beslissing ten gronde 77/2025 — 6/34 Tevens worden zij op grond van artikel 99 van de WOG op de hoogte gebracht van de termijnen om hun conclusies in te dienen. De uiterste datum voor ontvangst van de conclusie van antwoord van de verweerder werd daarbij vastgelegd op 28 augustus 2024, die voor de conclusie van repliek van de klager op 19 september 2024 en die voor de syntheseconclusie van de verweerder op 11 oktober 2024. 15. Op 8 augustus 2024 vragen zowel de klager als de verweerder een kopie van het dossier (artikel 95, § 2, 3°, van de WOG), die hun op 12 augustus 2024 wordt toegezonden. 16. Op 28 augustus 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de verweerder. Aangezien die laatste een syntheseconclusie heeft ingediend, wordt zijn argumentatie in punt 18 hieronder samengevat. De conclusie van de klager: 17. Op 19 september 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klager. Op die datum verklaart de klager dat hij van plan is gebruik te maken van de mogelijkheid om te worden gehoord, overeenkomstig artikel 98 van de WOG. De argumentatie van de klager kan als volgt worden samengevat: - Als eerste middel voert de klager aan dat de verweerder artikel 12 van de AVG schendt, dat betrekking heeft op transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene. Wat artikel 12.1 van de AVG betreft, betoogt de klager, in tegenstelling tot wat de verweerder beweert, dat deze bepaling volledig van toepassing is in het onderhavige geval. Artikel 12 van de AVG vormt namelijk de gemeenschappelijke basis voor de uitoefening van de rechten van de betrokkenen, zodat de uitwisselingen, antwoorden en eventuele weigeringen in dit kader onder het toepassingsgebied van die bepaling vallen. Dit geldt des te meer omdat artikel 12.1 van de AVG betrekking heeft op alle communicatie op grond van de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG, waaronder de uitwisselingen in het kader van artikel 17 van de AVG, zoals in het onderhavige geval. De klager is van oordeel dat artikel 12.1 moet worden gelezen in samenhang met artikel 12.2 van de AVG. Hij stelt dat de transparantieverplichting – die inhoudt dat informatie in een transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in eenvoudige taal moet worden verstrekt – ook geldt voor de weigering om gevolg te geven aan de uitoefening van een recht, met name bij de motivering van die weigering. De klager is echter van oordeel dat de verweerder zich in zijn antwoorden beperkt tot het gebruik van algemene en nietgepersonaliseerde termen. Dit roept bij klager de vraag op of er wel sprake is geweest van een daadwerkelijke menselijke beoordeling, of dat de beslissing louter geautomatiseerd is. Hij stelt dat hij op basis van deze antwoorden de redenen voor de Beslissing ten gronde 77/2025 — 7/34 weigering niet volledig begrijpt. Tevens meent hij dat de verweerder geen van de gehanteerde criteria vermeldt, laat staan dat hij toelicht hoe deze criteria op de concrete feiten zijn toegepast. Volgens hem is de beslissing op geen enkele wijze gemotiveerd en biedt zij hem geen inzicht in de elementen waarop de verweerder zich heeft gebaseerd. Hij stelt dan ook dat het om een gestandaardiseerde beslissing gaat. Als tweede middel voert de klager aan dat de verweerder artikel 17 van de AVG schendt, dat betrekking heeft op het recht op gegevenswissing. De klager kwalificeert de door de verweerder verwerkte gegevens als gegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten in de zin van artikel 10 van de AVG. In dit geval prevaleren de belangen van de betrokkene in principe boven die van internetgebruikers, overeenkomstig de rechtspraak van het HvJ-EU, die een verhoogde bescherming vereist voor de verwerking van dit soort gegevens. Daarnaast, aangezien hij niet is veroordeeld voor de feiten die in de betwiste URL's worden vermeld, is het opnemen van deze URL's in de zoekresultaten niet gerechtvaardigd door een strikt noodzakelijk belang van het publiek om deze informatie te ontvangen. Hij is van mening dat deze URL's onjuiste en onvolledige informatie bevatten, aangezien de klacht wegens intimidatie is geseponeerd en het besluit tot schorsing door de Raad van State is vernietigd. Bovendien stelt de klager dat de publicatie van de betwiste inhoud niet van belang is voor enig openbaar debat en alleen gerechtvaardigd is door zijn juridisch belang, waardoor het niet noodzakelijk is dat zijn naam eraan wordt gekoppeld. Hij wijst ook op de onevenredige schade die wordt veroorzaakt door het opnemen van de betwiste inhoud in de zoekresultaten. De klager wijst op de ouderdom van de betwiste feiten: meer dan vijftien jaar zijn verstreken sinds het plaatsvinden ervan. Ten slotte herinnert hij eraan dat hij geen publieke persoon is, maar een gewone universiteitsdocent. - Als derde middel voert de klager aan dat hij eerst een verzoek tot gegevenswissing had ingediend bij de website [...], opdat de betwiste inhoud aan de bron zou worden verwijderd, maar dat dit geen resultaat heeft opgeleverd. Hij wijst er echter op dat het indienen van een verzoek tot gegevenswissing bij de website die de inhoud bevat, geenszins een verplichte voorwaarde vormt voor een verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten. De conclusie van de verweerder: 18. Op 11 oktober 2024 ontvangt de Geschillenkamer de syntheseconclusie van de verweerder. De argumentatie van de verweerder kan als volgt worden samengevat: - Als eerste primaire middel voert de verweerder aan dat hij de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG niet heeft geschonden. Hij betoogt in wezen dat artikel 12.1 van de AVG niet van toepassing is op de informatie die moet worden verstrekt in geval van weigering om Beslissing ten gronde 77/2025 — 8/34 gevolg te geven aan het recht op gegevenswissing, aangezien deze weigering specifiek geregeld wordt door artikel 12.4 van de AVG. Volgens hem is artikel 12.1 van de AVG niet van toepassing op de informatie die krachtens artikel 12.4 van de AVG moet worden verstrekt. De verweerder is dan ook van mening dat de verplichting om de redenen voor de weigering te vermelden niet onder de voorschriften van artikel 12.1 van de AVG valt. De verweerder stelt dat noch de GBA, noch de klager hem inbreuken op wettelijke voorschriften ten laste legt. Hij voert aan dat de verplichting om mee te delen "waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven", zoals bepaald in artikel 12.4 van de AVG, niet mag worden geïnterpreteerd als een motiveringsplicht in de zin van het administratief recht, en nog minder als een plicht tot voldoende motivering, zoals bedoeld door de Geschillenkamer in haar brief van 6 augustus 2024. Volgens de verweerder houdt deze bepaling alleen in dat hij de betrokkene moet meedelen waarom hij geen gevolg geeft aan de uitoefening van diens recht. De bepaling verplicht de verweerder niet om een volledige en passende verantwoording te geven, noch om dit in niet-algemene en gepersonaliseerde bewoordingen te doen. Hij is echter van mening dat hij in het onderhavige geval in beide antwoorden aan de klager duidelijk heeft uiteengezet waarom hij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten. Subsidiair is de verweerder van oordeel dat, zelfs indien artikel 12.1 van de AVG in het onderhavige geval van toepassing zou zijn, het feit dat de klager de redenen voor de weigering van zijn verzoeken niet volledig heeft begrepen, op zich geen inbreuk vormt op de bovengenoemde bepalingen. Volgens hem valt de vereiste van begrijpelijkheid uit artikel 12.1 niet onder een subjectieve toets. Er moet worden aangetoond dat de verwerkingsverantwoordelijke geen passende maatregelen heeft getroffen om de informatie in een begrijpelijke vorm te verstrekken, wat volgens de verweerder in het onderhavige geval niet kan worden vastgesteld. - Als tweede primaire middel voert de verweerder aan dat artikel 17.3.
- a)wel degelijk van toepassing is op de betwiste URL's en dat de inmenging in de grondrechten van de klager gerechtvaardigd is door een strikt noodzakelijk belang van het publiek om de informatie te verspreiden en te ontvangen, met name rekening houdend met de volgende omstandigheden: o de betwiste inhoud zou afkomstig zijn uit officiële openbare bronnen, namelijk arresten van de Raad van State; o de betwiste inhoud heeft betrekking op het beroepsleven van de klager, namelijk de maatregel van preventieve schorsing die tegen hem is genomen in zijn hoedanigheid van docent; Beslissing ten gronde 77/2025 — 9/34 o de klager is geschorst wegens ernstige feiten, namelijk de verdenking van seksuele intimidatie van leerlingen, terwijl hij een gezags- en vertrouwenspositie bekleedde als docent; o de betwiste inhoud draagt bij tot het debat over onderwerpen van algemeen belang, namelijk de bestrijding van seksuele intimidatie (het zogenaamde "MeToo"-fenomeen); o er bestaan maatregelen die zowel doeltreffender zijn om het verzoek van de klager in te willigen als minder inbreuk maken op de rechten en vrijheden van het publiek en de verweerder; o hoewel de betwiste inhoud al enige tijd bestaat, blijft deze actueel en relevant aangezien de klager nog steeds docent is. - Als derde primaire middel vraagt de verweerder de Geschillenkamer om geen bevel te geven tot verwijdering uit de zoekresultaten van andere, niet-geïdentificeerde URL's. Artikel 17 van de AVG staat immers alleen toe om de verwijdering van daadwerkelijk verwerkte persoonsgegevens te vorderen. Het is niet van toepassing op nietgeïdentificeerde gegevens of op hypothetische of toekomstige verwerkingen. Een dergelijk bevel zou bovendien een algemene verplichting tot monitoring opleggen aan de verweerder, hetgeen in strijd zou zijn met artikel 8 van de Digital Services Act 5. Bovendien zou een dergelijk verzoek ook onverenigbaar zijn met de beginselen van het gemene recht inzake een reeds verkregen en dadelijk belang in de zin van artikel 18 van het Gerechtelijk Wetboek. - Als vierde subsidiaire middel voert de verweerder aan dat het legaliteitsbeginsel van straffen zich verzet tegen elke andere sanctie dan een bevel tot verwijdering van links uit zoekresultaten. Hij is van oordeel dat de voorschriften van de artikelen 12.1, 12.4, 17.1 en 17.3 van de AVG geen duidelijke en nauwkeurige regel vormen op grond waarvan de verweerder redelijkerwijs vooraf kan weten wat hij moet doen om een inbreuk op de AVG te voorkomen. De verweerder benadrukt dat een eventueel meningsverschil met de Geschillenkamer over het resultaat van de analyse op basis van de artikelen 17.1 tot en met 17.3 van de AVG geenszins zou duiden op een fout van zijn kant, maar hoogstens zou wijzen op een verschil in redelijke beoordeling inherent aan de casuïstische benadering van het recht op verwijdering van links uit zoekresultaten. Volgens hem zou een bevel tot verwijdering van links uit zoekresultaten dan ook de enige redelijke sanctie zijn. - Als vijfde subsidiaire middel verzoekt de verweerder de Geschillenkamer om geen administratieve geldboete op te leggen, omdat hij in ieder geval niet opzettelijk noch uit 5 Digitaledienstenverordening (EU) 2022/2065 van 19 oktober 2022 (hierna "Digital Services Act" of "DSA"). Beslissing ten gronde 77/2025 — 10/34 nalatigheid een inbreuk heeft gepleegd op de artikelen 12.1, 12.4, 17.1 en 17.3 van de AVG. Dit gezien de enorme investeringen die de verweerder heeft gedaan om verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten te behandelen, het grote aantal verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten dat hij moet verwerken, het geringe aantal geschillen betreffende de rechten onder de AVG, en de beknopte, begrijpelijke, duidelijke en eenvoudige antwoorden die de verweerder aan de klager heeft gegeven. 19. Op 28 februari 2025 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 2 april 2025. 20. Op 12 maart 2025 deelt de klager aan de Geschillenkamer en de verweerder mee dat er een wijziging in zijn vertegenwoordiging heeft plaatsgevonden. De nieuwe advocate van de klager geeft ook aan dat zij voornemens is nieuwe stukken aan het dossier toe te voegen en een aanvullende conclusie met betrekking tot deze stukken in te dienen. Zij geeft tevens te kennen dat zij de datum van de hoorzitting wenst uit te stellen. 21. Op 12 maart 2025 informeert de verweerder de Geschillenkamer en de klager dat hij bezwaar maakt tegen het opstellen van een nieuwe kalender en tegen het uitstellen van de datum van de hoorzitting. 22. Op 19 maart 2025 deelt de Geschillenkamer de partijen mee dat zij niet zal overgaan tot het vaststellen van een nieuwe conclusiekalender, noch tot het uitstellen van de datum van de hoorzitting. Wat betreft de nieuwe stukken die in de brief van de klager worden vermeld, informeert de Geschillenkamer de partijen op 26 maart 2025 dat deze tegelijkertijd aan de andere partij en aan het secretariaat van de Geschillenkamer kunnen worden meegedeeld. Zij preciseert dat de inaanmerkingneming van deze nieuwe stukken in de debatten zal worden besproken tijdens de hoorzitting van 2 april 2025. 23. Op 27 maart 2025 ontvangt het secretariaat van de Geschillenkamer van de klager de nieuwe stukken 7/a tot en met 11. 24. Op 2 april 2025 worden partijen gehoord door de Geschillenkamer. 25. Op 8 april 2025 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. 26. Op 21 en 22 april 2025 ontvangt de Geschillenkamer opmerkingen van respectievelijk de verweerder en de klager over het proces-verbaal, die zij besluit als bijlage bij het procesverbaal aan het dossier toe te voegen. Beslissing ten gronde 77/2025 — 11/34 II. Motivering II.1. Inleidende overwegingen Wat betreft het buiten beschouwing laten van de nieuwe stukken 27. Op 12 maart 2025 verzocht de nieuwe advocate van de klager de Geschillenkamer om de nieuwe stukken 7/a tot en met 11 in de debatten op te nemen. Op 27 maart 2025 werden deze stukken aan de partijen meegedeeld. De inaanmerkingneming ervan werd besproken tijdens de hoorzitting van 2 april 2025. 28. Allereerst herinnert de Geschillenkamer eraan dat zij een kalender voor het indienen van stukken en schriftelijke conclusies heeft opgesteld en deze per brief van 6 augustus 2024 aan de partijen heeft meegedeeld. In punt 5 van die brief heeft de Geschillenkamer het volgende verklaard (vrije vertaling): "Indien u stukken bij het dossier wil voegen, dan deelt u deze – bij voorkeur elektronisch, overeenkomstig punt 1 – mee aan de andere partij en worden deze tegelijkertijd neergelegd bij het secretariaat van de Geschillenkamer binnen de hierboven vastgelegde conclusietermijnen. Na het verstrijken van deze termijnen kan de Geschillenkamer weigeren om nieuwe stukken in overweging te nemen." 29. Zoals hierboven vermeld, werd de uiterste datum voor ontvangst van de stukken en conclusies van de klager vastgesteld op 19 september 2024. Op die datum heeft de klager via zijn raadsman conclusies en stukken ingediend. De Geschillenkamer stelt vast dat op de datum van het verzoek tot indiening van nieuwe stukken, namelijk 12 maart 2025, de termijn voor het indienen van stukken ruimschoots is overschreden. 30. De Geschillenkamer kan onder bepaalde omstandigheden beslissen om nieuwe stukken in overweging te nemen die buiten de vastgestelde conclusiekalender zijn ingediend. Daarbij moeten zowel het beginsel van behoorlijk bestuur als de rechten van verdediging van de verweerder in acht worden genomen. Dit houdt onder meer in dat de verweerder de mogelijkheid moet hebben gehad om kennis te nemen van de nieuwe stukken en zich hierover uit te spreken. In dit verband zij opgemerkt dat de verweerder pas minder dan een week voor de hoorzitting kennis heeft kunnen nemen van deze nieuwe stukken. 31. Tijdens de hoorzitting van 2 april 2025 heeft de Geschillenkamer de partijen over deze kwestie gehoord en is zij van oordeel dat er geen nieuwe feitelijke elementen zijn aangevoerd die de heropening van de debatten in een zo vergevorderd stadium van de procedure ten gronde rechtvaardigen. De inaanmerkingneming van deze talrijke nieuwe stukken, zonder dat de verweerder zich daarover kan uitspreken, zou zijn rechten van verdediging ernstig schaden. De Geschillenkamer wijst er bovendien op dat een verandering Beslissing ten gronde 77/2025 — 12/34 van vertegenwoordiging van een van de partijen op zichzelf geen rechtvaardiging vormt voor de heropening van de debatten of de indiening van nieuwe stukken. 32. Gelet op het bovenstaande besluit de Geschillenkamer de nieuwe stukken 7/a tot en met 11 van de klager, die te laat aan de procedure zijn toegevoegd, buiten beschouwing te laten in de debatten. Wat betreft het verzoek van de klager om het dispositief uit te breiden met de uitoefening van zijn recht van bezwaar, alsmede het bevel tot verwijdering uit de zoekresultaten van andere URL's die niet zijn geïdentificeerd in de oorspronkelijke klacht 33. In zijn conclusie van repliek van 19 september 2024 merkte de klager zijn verzoeken met betrekking tot de betwiste URL's aan als verzoeken tot gegevenswissing in de zin van artikel 17 van de AVG. Tijdens de hoorzitting heeft hij echter toegelicht dat, wanneer men de motivering van zijn verzoeken onderzoekt – die gebaseerd zijn op zijn persoonlijke situatie en de schade die hij heeft geleden –, het duidelijk wordt dat het in werkelijkheid ging om de uitoefening van zijn recht van bezwaar overeenkomstig artikel 21 van de AVG. De klager heeft de Geschillenkamer daarom tijdens de hoorzitting verzocht om het dispositief uit te breiden, zodat dit niet beperkt blijft tot een verzoek tot verwijdering van de twee betwiste URL's uit de zoekresultaten, maar tevens de uitoefening van het recht van bezwaar omvat tegen elke verwerking door de verweerder van gegevens die betrekking hebben op een klacht wegens seksuele intimidatie tegen de klager. 34. In dit verband verzet de verweerder zich ertegen dat nieuwe bepalingen van de AVG zo laat, namelijk voor het eerst tijdens de hoorzitting, worden ingeroepen zonder dat hij de gelegenheid heeft gehad zich daartegen te verdedigen. Voorts is hij van mening dat van hem niet kan worden verlangd om ook URL's uit zoekresultaten te verwijderen die niet specifiek door de klager zijn geïdentificeerd. Een dergelijk verzoek kan niet worden aanvaard, omdat het niet is toegestaan op grond van de AVG. Artikel 17 van de AVG is namelijk alleen van toepassing op daadwerkelijk verwerkte persoonsgegevens en niet op hypothetische of toekomstige verwerkingen; daarnaast zou het een maatregel tot monitoring vormen die in strijd is met artikel 8 van de DSA; ten slotte zou het ook een actio ad futurum betreffen, wat volgens het gemene recht niet is toegestaan bij gebrek aan een reeds verkregen en dadelijk belang. 35. De Geschillenkamer herinnert eraan dat, overeenkomstig de rechtspraak van het Marktenhof, uit het beginsel van behoorlijk bestuur en de eerbiediging van de rechten van verdediging volgt dat de Geschillenkamer de partij tegen wie de procedure is ingeleid, vanaf het begin van de procedure in kennis moet stellen van alle feitelijke en juridische elementen Beslissing ten gronde 77/2025 — 13/34 die haar ten laste worden gelegd6. In dit verband heeft het Marktenhof onlangs het volgende gepreciseerd (vrije vertaling): "De betrokkene moet kunnen begrijpen welk gedrag hem ten laste wordt gelegd. Dit betekent echter niet noodzakelijk dat de autoriteit de precieze kwalificatie van de feiten moet geven of de statutaire bepalingen moet aanduiden die eventueel zijn geschonden bij het plegen ervan."7 (de Geschillenkamer onderstreept) 36. In het onderhavige geval heeft de Geschillenkamer in haar brief van 6 augustus 2024, waarin zij de partijen uitnodigde om hun conclusies in te dienen, het kader van de debatten beperkt tot de vermeende inbreuk op de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG, alsook tot de toepasselijkheid van artikel 17.3.
- a)van de AVG op de verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten van de klager. Hoewel artikel 21 van de AVG nauw verband houdt met artikel 17 – in die zin dat de uitoefening van het recht van bezwaar een grond kan vormen voor het recht op gegevenswissing zoals bedoeld in artikel 17.1.
- c)–, moet echter worden benadrukt dat de klacht, evenals de conclusie van de klager, uitsluitend gericht was op de verwijdering van twee URL's uit de zoekresultaten, waarbij uitdrukkelijk werd verwezen naar artikel 17 – een artikel dat vaak wordt ingeroepen in zaken betreffende het recht op vergetelheid. Op basis daarvan kon de verweerder redelijkerwijs niet begrijpen dat hij zich ook moest verdedigen tegen een mogelijke inbreuk op artikel 21 van de AVG, wat hij in het onderhavige geval niet heeft gedaan. 37. Bovendien werpt het verzoek van de klager, dat er in wezen op neerkomt dat de verweerder wordt gelast alle huidige en toekomstige URL's met betrekking tot de klacht wegens seksuele intimidatie tegen hem uit de zoekresultaten te verwijderen, verschillende punten op. Allereerst dient te worden herinnerd aan het materiële toepassingsgebied van de AVG, dat enkel van toepassing is op de verwerking van gegevens, overeenkomstig artikel 2.1 van de AVG. Het recht op gegevenswissing op grond van artikel 17.1 van de AVG kan alleen worden uitgeoefend ten aanzien van een bestaande en welbepaalde verwerking. Een verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten kan dus alleen worden ingediend ten aanzien van zoekresultaten die daadwerkelijk verschijnen wanneer de naam van de klager in de zoekmachine van de verweerder wordt ingevoerd. Het verzoek van de klager zou neerkomen op de verwijdering uit de zoekresultaten van alle links die verwijzen naar hem betreffende gegevens, wat zowel in strijd is met de geest als met de letter van artikel 17 van de AVG. Verzoeken in het kader van het recht op vergetelheid moeten in concreto worden beoordeeld. Zij leggen de zoekmachine de verplichting op om elke betrokken link individueel te beoordelen, met het oog op een passende afweging van de betrokken belangen. Deze belangenafweging kan per link verschillen, afhankelijk van de inhoud. Tot slot zou een 6 Hof van Beroep Brussel, sectie Marktenhof, arrest 2020/AR/1159, 24 februari 2021, p. 23. 7 Hof van Beroep Brussel, sectie Marktenhof, arrest 2024/AR/1615, 22 januari 2024, punt 10 en aangehaalde rechtspraak. Beslissing ten gronde 77/2025 — 14/34 algemeen bevel tot verwijdering van links uit zoekresultaten in de praktijk moeilijk uitvoerbaar zijn voor de verweerder, met name omdat hij niet de maker is van de inhoud waarnaar een link is opgenomen. De exploitant van de zoekmachine dient dus pas achteraf, na een verzoek van de betrokkene en onder toezicht van de Geschillenkamer, een dergelijke controle uit te voeren. 38. Bijgevolg is de Geschillenkamer van oordeel dat de verzoeken van de klager niet kunnen worden ingewilligd. Zij zal in deze beslissing dan ook uitsluitend ingaan op de bepalingen van de AVG die zij in haar brief van 6 augustus 2024 uitdrukkelijk als relevant heeft aangemerkt, hetgeen artikel 21 van de AVG uitsluit. Het onderzoek zal bovendien worden beperkt tot de URL's die door de klager in zijn klacht zijn geïdentificeerd, namelijk de betwiste URL's nr. 1 en nr. 2. II.2. Wat betreft de eerbiediging van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG 39. De klager verzoekt de Geschillenkamer vast te stellen dat de verweerder artikel 12 van de AVG niet heeft geëerbiedigd, doordat hij hem geen duidelijke, begrijpelijke en toegankelijke informatie heeft verstrekt. Hierdoor was het voor hem niet mogelijk om de redenen voor de weigering om gevolg te geven aan zijn verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten volledig te begrijpen (punt 17). 40. In haar brief van 6 augustus 2024 heeft de Geschillenkamer het kader van de debatten met betrekking tot de door de klager aangevoerde grief afgebakend tot de vermeende inbreuk op de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG, wegens de ontoereikende motivering van de weigering door Google van de verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten van de klager in de uitwisselingen die plaatsvonden vóór de indiening van de klacht. 41. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke toekomt om het transparantiebeginsel zoals neergelegd in artikel 5.1.
- a)van de AVG te eerbiedigen. Overweging 39 van de AVG preciseert dat het transparantiebeginsel vereist dat informatie en communicatie in verband met de verwerking van die persoonsgegevens eenvoudig toegankelijk en begrijpelijk moeten zijn, en dat duidelijke en eenvoudige taal moet worden gebruikt. Dit beginsel is met name uitgewerkt in artikel 12 van de AVG, dat de verplichtingen van de verwerkingsverantwoordelijke vastlegt met betrekking tot de wijze van informeren en communiceren in het kader van de uitoefening van de rechten van de betrokkene. De Geschillenkamer wijst er dan ook op dat de artikelen 12.1 en 12.4 bepalend zijn voor de effectieve uitoefening van verschillende rechten van de betrokkene, en in het bijzonder – in het kader van de onderhavige zaak – van artikel 17 van de AVG. 42. Artikel 12.1 van de AVG bepaalt het volgende: Beslissing ten gronde 77/2025 — 15/34 "De verwerkingsverantwoordelijke neemt passende maatregelen opdat de betrokkene de in de artikelen 13 en 14 bedoelde informatie en de in de artikelen 15 tot en met 22 en artikel 34 bedoelde communicatie in verband met de verwerking in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm en in duidelijke en eenvoudige taal ontvangt, in het bijzonder wanneer de informatie specifiek voor een kind bestemd is. De informatie wordt schriftelijk of met andere middelen, met inbegrip van, indien dit passend is, elektronische middelen, verstrekt. Indien de betrokkene daarom verzoekt, kan de informatie mondeling worden meegedeeld, op voorwaarde dat de identiteit van de betrokkene met andere middelen bewezen is." (de Geschillenkamer onderstreept) 43. Artikel 12.4 van de AVG bepaalt het volgende: "Wanneer de verwerkingsverantwoordelijke geen gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene, deelt hij deze laatste onverwijld en uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek mee waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven, en informeert hij hem over de mogelijkheid om klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit en beroep bij de rechter in te stellen." (de Geschillenkamer onderstreept) II.2.1. Wat betreft het toepassingsgebied van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG 44. De verweerder is van oordeel dat de Geschillenkamer en de klager hem zaken verwijten die niet in de AVG zijn neergelegd. Deze artikelen kunnen niet worden geïnterpreteerd als een motiveringsplicht in de zin van het administratief recht, en nog minder als een plicht tot voldoende motivering. Volgens de verweerder vormt de verplichting tot vermelding van de redenen voor de weigering om gevolg te geven aan een recht van de betrokkene, zoals bedoeld in artikel 12.4 van de AVG, een specifieke en afzonderlijke mededelingsplicht, die niet onderworpen is aan de vereisten inzake transparantie en begrijpelijkheid van artikel 12.1 van de AVG (punt 18). 45. De Geschillenkamer kan deze interpretatie niet bijtreden. Hoewel artikel 12.1 van de AVG artikel 12.4 niet uitdrukkelijk in zijn toepassingsgebied vermeldt, moet worden benadrukt dat artikel 12.1 van toepassing is op de in de artikelen 15 tot en met 22 van de AVG bedoelde communicatie, en dus ook op eventuele weigeringen om gevolg te geven aan de in die artikelen bedoelde rechten. De kennisgeving door de verweerder van de weigering om gevolg te geven aan het recht op gegevenswissing vormt "communicatie" in de zin van artikel 17 van de AVG en moet derhalve volledig voldoen aan de vereisten van artikel 12.1 van de AVG (punt 42). Bovendien bepaalt artikel 12.4 dat de verwerkingsverantwoordelijke "meedeelt" waarom het verzoek zonder gevolg is gebleven. Volgens de Geschillenkamer houdt de informatieplicht in dat een zekere begrijpelijkheid van de meegedeelde redenen voor de weigering moet worden gewaarborgd en dat deze plicht onlosmakelijk verbonden is Beslissing ten gronde 77/2025 — 16/34 met het transparantiebeginsel zoals neergelegd in artikel 5 en de andere leden van artikel 12 van de AVG. 46. Artikel 12.1, gelezen in samenhang met artikel 12.4, moet bijgevolg worden geïnterpreteerd als een verplichting voor de verweerder om passende maatregelen te treffen teneinde de betrokkene in een beknopte, transparante, begrijpelijke en gemakkelijk toegankelijke vorm, en in duidelijke en eenvoudige taal, te informeren over de redenen om geen gevolg te geven aan zijn verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten. 47. Het tegenovergestelde beweren zou neerkomen op het toestaan dat verwerkingsverantwoordelijken onbegrijpelijke antwoorden geven wanneer zij besluiten om geen gevolg te geven aan een verzoek tot uitoefening van een recht. Volgens de verweerder volstaat het om alleen de reden voor de weigering te vermelden, zonder dat de Geschillenkamer of de klager de mate van begrijpelijkheid van het antwoord van de verweerder in twijfel mag trekken. Deze benadering zou onverenigbaar zijn met het transparantiebeginsel zoals neergelegd in de artikelen 5.1.
- a)en 12 van de AVG. II.2.2. Wat betreft de begrijpelijkheid van de antwoorden van de verweerder 48. Aangezien vaststaat dat de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG van toepassing zijn op de antwoorden die de verweerder aanvankelijk aan de klager heeft verstrekt om hem in kennis te stellen van de weigering om gevolg te geven aan zijn twee verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten, is het aan de Geschillenkamer om na te gaan of deze bepalingen werden nageleefd, in het bijzonder wat betreft de vereiste van begrijpelijkheid, aangezien de klager de verweerder ten laste legt dat hij op basis van deze gestandaardiseerde antwoorden de redenen voor de weigeringen niet volledig heeft kunnen begrijpen. 49. In de richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig de AVG definieert de Groep gegevensbescherming artikel 29 (hierna "Groep artikel 29") de vereiste van "begrijpelijkheid" als volgt: "De vereiste dat informatie "begrijpelijk" moet zijn betekent dat de informatie begrepen moet kunnen worden door een gemiddeld lid van het beoogde publiek. Begrijpelijkheid houdt nauw verband met de vereiste om duidelijke en eenvoudige taal te gebruiken. (...) De vereiste van duidelijke en eenvoudige taal betekent dat informatie op een zo eenvoudig mogelijke manier moet worden aangeboden, waarbij ingewikkelde zinnen en taalstructuren dienen te worden vermeden. De informatie dient concreet en definitief te zijn, geen abstracte of ambivalente formuleringen te bevatten en geen ruimte voor verschillende interpretaties te laten."8 8 Groep artikel 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, goedgekeurd op 29 november 2017, laatstelijk herzien en goedgekeurd op 11 april 2018, p. 8 en 9. Beslissing ten gronde 77/2025 — 17/34 50. In het onderhavige geval, wat URL nr. 1 betreft, heeft de verweerder geweigerd gevolg te geven aan het verzoek van de klager, in de volgende bewoordingen (vrije vertaling): "lijkt het erop dat deze URL's betrekking hebben op aspecten van uw beroepsleven die van groot belang zijn voor het publiek. Informatie over huidige of recente beroepen of bedrijven waarmee u recentelijk in verband bent gebracht, kan bijvoorbeeld relevant zijn voor bestaande of potentiële consumenten van, gebruikers van of deelnemers aan diensten of producten van deze bedrijven of beroepen." (de Geschillenkamer onderstreept) De klager is van oordeel dat dit antwoord "algemeen" en "geprefabriceerd" is, aangezien het de termen "consumenten, gebruikers, deelnemers" gebruikt om het volledige betrokken publiek te omschrijven. Volgens hem komt dit antwoord niet overeen met het publiek waartoe hij zich als beroepsbeoefenaar richt, aangezien hij als docent voornamelijk klanten, patiënten of studenten ontmoet9. 51. Wat URL nr. 2 betreft, heeft de verweerder zich ertoe beperkt de klager het volgende mee te delen: "(...) Na een afweging van de belangen en rechten die verband houden met de betreffende inhoud, waaronder factoren zoals de voortdurende publicatie ervan door een administratieve autoriteit, heeft Google besloten deze niet te blokkeren." (de Geschillenkamer onderstreept) De klager is van mening dat hij op basis van dit antwoord niet kan begrijpen welke belangen er op het spel staan en dat de redenen voor de weigering niet echt worden uitgelegd. Hij wijst tevens op inconsistentie, aangezien het criterium dat werd gebruikt om zijn verzoek af te wijzen verschilt tussen het eerste en het tweede verzoek, terwijl de URL's betrekking hebben op hetzelfde onderwerp10. 52. De verweerder is daarentegen van oordeel dat de twee antwoorden die in het onderhavige geval werden gegeven, voldoen aan de vereisten van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG, aangezien hij in beide beslissingen tot weigering (vrije vertaling): - "heeft verwezen naar de betwiste URL's waarop het verzoek betrekking heeft, desgevallend afzonderlijk indien er meerdere zijn; - zijn beslissing tot weigering en de redenen daarvoor heeft meegedeeld, met de vermelding dat deze beslissing gebaseerd is op de informatie waarover hij op dat moment beschikte; 9 Conclusie van de klager van 19 september 2024, p. 6. 10 Conclusie van de klager van 19 september 2024, p. 6. Beslissing ten gronde 77/2025 — 18/34 - heeft aangegeven dat het ook mogelijk is zich rechtstreeks tot de webmaster van de betwiste websites te wenden, met specifieke instructies; - heeft aangegeven welke procedure moet worden gevolgd indien de inhoud van de betwiste websites verouderd is en deze gewijzigd of verwijderd moet worden; - heeft uitgelegd welke stappen moeten worden ondernomen indien de klager het niet eens is met zijn beslissing; - heeft verwezen naar online documenten met meer gedetailleerde informatie over hoe hij dit soort beslissingen neemt."11 De verweerder voegt daaraan toe dat het feit dat de klager de redenen voor de weigering van zijn verzoeken niet volledig heeft begrepen, op zich geen inbreuk vormt op de in artikel 12.1 van de AVG neergelegde vereiste van begrijpelijkheid. Volgens hem is deze vereiste niet onderhevig aan een subjectieve beoordeling, maar moet veeleer worden aangetoond dat de verwerkingsverantwoordelijke geen passende maatregelen heeft getroffen om de informatie in een begrijpelijke vorm te verstrekken, hetgeen in het onderhavige geval niet is aangetoond (punt 18). Bovendien wijst de verweerder erop dat de vereiste van begrijpelijkheid moet worden beoordeeld in het licht van de andere vereisten van artikel 12.1 van de AVG, in het bijzonder de vereiste van beknoptheid. Volgens hem bestaat er een spanning tussen deze twee vereisten: de ene verlangt dat informatie beknopt wordt verstrekt, terwijl de andere juist vraagt om een uitgebreidere toelichting12. 53. De verweerder heeft tijdens de hoorzitting, in antwoord op de vragen van de leden van de Geschillenkamer, verklaard dat zijn medewerkers vanwege het zeer grote aantal verzoeken een tool gebruiken om verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten te behandelen. Deze tool stelt medewerkers in staat om, op basis van de vaste rechtspraak, tijdens hun analyse een reeks criteria te selecteren en daaropvolgend een antwoord te genereren. Dit antwoord kan vrij gestandaardiseerd zijn, aangezien sommige van de gebruikte formuleringen zijn ontworpen om verschillende hypothesen te dekken. Uit het oogpunt van beknoptheid kan het antwoord zich beperken tot het vermelden van het belangrijkste criterium dat aan de weigering ten grondslag ligt. 54. De Geschillenkamer staat op zich niet afwijzend tegenover het gebruik van gedeeltelijk geautomatiseerde tools die het behandelen van verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten kunnen vergemakkelijken, gezien het grote aantal verzoeken dat de verweerder in België ontvangt. Zij kan echter geen gestandaardiseerde beslissingen 11 Conclusie van de verweerder van 11 oktober 2024, p. 16 en 17. 12 Conclusie van de verweerder van 11 oktober 2024, p. 41 tot en met 44. Beslissing ten gronde 77/2025 — 19/34 aanvaarden13. Dergelijke tools, die medewerkers helpen bij het genereren van een antwoord, zouden moeten dienen om een menselijke analyse te formaliseren, die geval per geval wordt uitgevoerd en gebaseerd is op een beoordeling van de feiten. Toch zou dit antwoord in zekere mate moeten worden aangepast aan de specifieke situatie van de betrokkene, door te verwijzen naar de concrete omstandigheden van de weigering, zodat hij de redenen of criteria kan begrijpen die hebben geleid tot de weigering van zijn verzoek. 55. Deze interpretatie wordt bevestigd door de EDPB in de richtsnoeren 01/2022 over het recht van inzage en is mutatis mutandis ook van toepassing op de weigering om gevolg te geven aan het recht op gegevenswissing: "De toelichting [in de zin van artikel 12.4 van de AVG] moet verwijzen naar de concrete omstandigheden, zodat de betrokkenen kunnen beoordelen of ze actie willen ondernemen tegen de weigering."14 (de Geschillenkamer onderstreept) 56. Het is aan de verweerder om een juiste balans te vinden tussen beknoptheid en begrijpelijkheid in de antwoorden die hij aan betrokkenen geeft. In het onderhavige geval stelt de Geschillenkamer vast dat de weigeringen veel beknopter zijn dan begrijpelijk, in het bijzonder wat betreft het antwoord op het verzoek met betrekking tot URL nr. 2, dat slechts enkele woorden bevat (punt 51). Bij beide verzoeken kreeg de klager onvoldoende uitleg die voor hem begrijpelijk was. De Geschillenkamer is van oordeel dat deze antwoorden onvoldoende transparant waren, aangezien de verweerder meer had moeten toelichten welke criteria hij had gehanteerd en hoe deze werden toegepast op de concrete feitelijke elementen van het verzoek van de klager. In zijn antwoord met betrekking tot de eerste URL reageerde hij namelijk vaag en abstract, door slechts één criterium te noemen dat, zoals de klager opmerkt, bovendien niet volledig aansloot bij zijn professionele situatie (punt 50). Deze weigering, die uitsluitend was gebaseerd op de professionele aard van de informatie, was onvoldoende gezien de gevoeligheid van de betrokken gegevens. Zij had moeten worden ondersteund met andere criteria, die de verweerder pas achteraf aanvoerde in het kader van de procedure voor de Geschillenkamer. In het antwoord met betrekking tot de tweede URL verwees de verweerder alleen naar de bijzondere aard van de bron, zonder andere criteria aan te voeren, wat in dit geval op zich onvoldoende is en waardoor tevens enige onduidelijkheid blijft bestaan en de betrouwbaarheid van de analyse van de verweerder in twijfel kan worden getrokken. Het is van essentieel belang om de klager voldoende informatie te verschaffen zodat hij de weigering kan begrijpen en de elementen kan zien waarop de verwerkingsverantwoordelijke zijn beslissing heeft gebaseerd. Deze 13 Geautomatiseerde individuele besluitvorming zonder menselijke tussenkomst is in principe verboden op grond van artikel 22 van de AVG. 14 Europees Comité voor gegevensbescherming (hierna "EDPB"), Richtsnoeren 01/2022 over de rechten van betrokkenen – Recht van inzage, vastgesteld op 28 maart 2023. Online beschikbaar: https://www.edpb.europa.eu/system/files/202404/edpb guidelines 202201 data subject rights access v2 nl.pdf, p. 65. Beslissing ten gronde 77/2025 — 20/34 informatieplicht moet de klager ook in staat stellen de aldus genomen beslissing te betwisten bij de GBA. 57. De Geschillenkamer erkent dat de tekst van de AVG niet bepaalt hoe lang of gedetailleerd de verweerder moet zijn wanneer hij meedeelt dat hij weigert gevolg te geven aan een verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten. Wat betreft de door de verweerder aangevoerde vermeende spanning tussen beknoptheid en begrijpelijkheid in de zin van artikel 12.1 van de AVG, wijst de Geschillenkamer er echter op dat de vereiste van beknoptheid hetzelfde doel nastreeft als die van begrijpelijkheid, namelijk transparantie in het belang van de betrokkene. Deze vereisten zijn cumulatief: de informatie moet zowel beknopt als begrijpelijk zijn, en het ene mag niet ten koste gaan van het andere. Beknoptheid houdt in dat de informatie op een doeltreffende en beknopte manier wordt weergegeven, zodat betrokkenen niet worden overspoeld met te veel informatie 15. Deze vereiste sluit niet uit dat de informatie ook moet worden weergegeven op een manier die begrijpelijk is voor de meerderheid van het beoogde publiek, in duidelijke en eenvoudige taal. 58. Om de hierboven genoemde redenen voldoen de antwoorden van de verweerder, doordat zij de weigering slechts summier motiveren en geen op de klager afgestemde uitleg geven, niet aan de vereiste van begrijpelijkheid en zijn zij bijgevolg in strijd met de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG. II.3. Wat betreft de weigering tot verwijdering van de betwiste links uit de zoekresultaten (artikel 17 van de AVG) 59. In de klacht die aan de Geschillenkamer is voorgelegd, gaat het om de uitoefening door de klager van zijn recht op gegevenswissing. Zijn verzoek heeft betrekking op links die worden weergegeven in de zoekresultaten van de zoekmachine "Google Search" wanneer zijn naam als zoekterm wordt ingevoerd (punt 5). 60. De verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten van de klager moeten worden beoordeeld in het licht van artikel 17 van de AVG 16, de criteria en regels die het HvJ-EU heeft vastgesteld in zijn arrest Google Spain17, de richtsnoeren van de Groep artikel 29 met betrekking tot dat arrest (hierna "de richtsnoeren van de Groep artikel 29") 18, de uitkomst in 15 Groep artikel 29, Richtsnoeren inzake transparantie overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679, goedgekeurd op 29 november 2017, laatstelijk herzien en goedgekeurd op 11 april 2018, p. 9. 16 De door de klager ingediende verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten moeten uitsluitend worden beoordeeld in het licht van artikel 17 van de AVG, dat in het onderhavige geval de relevante rechtsgrond vormt. De interpretatie die de Geschillenkamer aan dit artikel geeft, berust op een autonome lezing van de tekst, aangevuld met interpretatieve elementen die met name zijn ontleend aan de richtsnoeren van de Groep artikel 29 en de richtsnoeren van de EDPB. Deze bronnen vormen op zichzelf niet de rechtsgrond voor de onderhavige beslissing; zij worden aangewend als hulpmiddel voor de interpretatie om een coherente en conforme toepassing van het Unierecht te waarborgen. 17 18 HvJ-EU, 13 mei 2014, Google Spain SL en Google Inc. t. AEPD en Mario Costeja González, C‑131/12, ECLI:EU:C:2014:317. Groep artikel 29, Richtsnoeren betreffende de uitvoering van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Google Spain SL en Google Inc. t. AEPD en Mario Costeja González, C-131/12, vastgesteld op 26 november 2014, hier beschikbaar: https://ec.europa.eu/newsroom/article29/items/667236/en. Beslissing ten gronde 77/2025 — 21/34 het arrest van het HvJ-EU in het arrest GC e.a. t. CNIL van 24 september 2019 19 en de richtsnoeren 5/2019 van de EDPB betreffende de criteria voor het recht om vergeten te worden in de zoekmachinezaken krachtens de AVG (hierna "de richtsnoeren van de EDPB")20, teneinde een juist evenwicht te waarborgen tussen enerzijds de grondrechten op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, zoals neergelegd in de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de EU (hierna "het Handvest"), en anderzijds het grondrecht op vrijheid van informatie van internetgebruikers, zoals gewaarborgd door artikel 11 van het Handvest. Bij het zoeken naar dit evenwicht worden verschillende criteria in aanmerking genomen, die hieronder worden besproken. Het recht op gegevenswissing heeft tot doel de betrokkene te beschermen tegen verwerkingen die niet of niet langer gerechtvaardigd zijn. 61. Allereerst moet worden opgemerkt dat een inbreuk op het privéleven als gevolg van de opname van een link in de zoekresultaten kan worden versterkt door de essentiële rol die zoekmachines spelen bij de toegang tot informatie via het internet. Tegelijkertijd en om diezelfde reden kan de verwijdering van een link uit de zoekresultaten gevolgen hebben voor de vrijheid van informatie van internetgebruikers. Er moet dus noodzakelijkerwijs een afweging worden gemaakt tussen de verschillende belangen. 62. In zijn arrest GC e.a. t. CNIL preciseert het HvJ-EU hierover het volgende: "In ieder geval moet de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek om verwijdering van een link nagaan of de opname van de link naar de betreffende webpagina op de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van de betrokkene noodzakelijk is voor de uitoefening van het door artikel 11 van het Handvest beschermde recht op vrijheid van informatie. Ofschoon de door de artikelen 7 en 8 van het Handvest beschermde rechten van de betrokkene in de regel voorrang hebben op dit recht van vrijheid van informatie van internetgebruikers, kan dit evenwicht in bijzondere gevallen afhangen van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt. (…) Derhalve moet de exploitant van een zoekmachine na de ontvangst van een verzoek tot verwijdering van een link naar een webpagina waarop dergelijke gevoelige gegevens zijn gepubliceerd, op basis van alle relevante elementen van het geval en 19 20 HvJ-EU, 24 september 2019, GC e.a. t. CNIL, C‑136/17, ECLI:EU:C:2019:773. EDPB, Richtsnoeren 5/2019 betreffende de criteria voor het recht om vergeten te worden in de zoekmachinezaken krachtens de AVG, versie 2.0 van 7 juli 2020, te raadplegen via https://www.edpb.europa.eu/our-work-tools/ourdocuments/guidelines/guidelines-52019-criteria-right-be-forgotten-search-engines nl. Beslissing ten gronde 77/2025 — 22/34 gelet op de ernst van de inbreuk op de in de artikelen 7 en 8 van het Handvest verankerde grondrechten van de betrokkene op eerbiediging van het privéleven en op bescherming van persoonsgegevens, om de redenen van algemeen zwaarwegend belang als bedoeld (...) in artikel 9, lid 2, onder g), van verordening 2016/679, en onder eerbiediging van de in deze bepalingen bedoelde voorwaarden, nagaan of de opname van deze link in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van deze persoon strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van de in artikel 11 van het Handvest verankerde recht op vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot deze webpagina via een dergelijke zoekopdracht."21 (de Geschillenkamer onderstreept) 63. Wat meer specifiek de in artikel 10 bedoelde gegevens betreft, dat wil zeggen de gerechtelijke gegevens, zijn in de Europese rechtspraak specifieke criteria vastgesteld waarmee rekening moet worden gehouden. Het HvJ-EU preciseert in zijn arrest GC e.a. t. CNIL, onder verwijzing naar het arrest van het EHRM M.L. en W.W. t. Duitsland22, het volgende: "In het kader van een verzoek tot verwijdering van links naar webpagina’s waarop informatie is gepubliceerd over een strafrechtelijke procedure die tegen de betrokkene is gevoerd en welke informatie betrekking heeft op een voorgaande fase van deze procedure en niet langer overeenkomt met de huidige situatie, is het dus aan de exploitant van de zoekmachine om te beoordelen of deze persoon, gelet op alle omstandigheden van de zaak, zoals onder meer de aard en de ernst van de betreffende overtreding, het verloop en de afloop van die procedure, de tijd die is verstreken, de rol die deze persoon in het openbare leven speelt en zijn gedrag in het verleden, het belang van het publiek ten tijde van het verzoek, de inhoud en de vorm van de publicatie en de repercussies ervan voor die persoon, er recht op heeft dat de desbetreffende informatie in het huidige stadium niet langer wordt verbonden aan zijn naam op een resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht die is verricht op deze naam."23 (de Geschillenkamer onderstreept) 64. In het onderhavige geval, op basis van de relevante criteria die volgens de rechtspraak van het HvJ-EU in aanmerking moeten worden genomen en op grond van alle elementen die haar zijn voorgelegd, stelt de Geschillenkamer dat de belangenafweging die moet worden gemaakt overeenkomstig artikel 17.3.
- a)van de AVG tussen enerzijds het recht op gegevensbescherming en anderzijds het recht op vrijheid van informatie, in het voordeel van het recht op gegevensbescherming van de klager uitvalt. Dit impliceert dat de betreffende 21 HvJ-EU, 24 september 2019, GC e.a. t. CNIL, C‑136/17, ECLI:EU:C:2019:773, punten 66 tot en met 68. 22 Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna "EHRM"), 28 juni 2018, M.L. en W.W. t. Duitsland, CE:ECHR:2018:0628JUD006079810, punten 89 en 100 tot en met 102. 23 HvJ-EU, 24 september 2019, GC e.a. t. CNIL, C‑136/17, op. cit., punt 67. Beslissing ten gronde 77/2025 — 23/34 informatie via de zoekmachine niet langer toegankelijk mag zijn. De uitzondering van artikel 17.3.
- a)van de AVG was in het onderhavige geval niet van toepassing, en de verweerder had gevolg moeten geven aan het verzoek tot gegevenswissing op grond van artikel 17.1 van de AVG. De Geschillenkamer is namelijk van oordeel dat de opname door de verweerder van de betwiste URL's in de zoekresultaten niet strikt noodzakelijk is voor de uitoefening van het recht op vrijheid van informatie van internetgebruikers om de hierna uiteengezette redenen. (
- i)De betwiste inhoud bevat gevoelige gerechtelijke gegevens 65. Overeenkomstig de bovengenoemde rechtspraak moet bijzondere aandacht worden besteed aan de gevoeligheid van de gegevens. Een inbreuk op de grondrechten van de betrokkene kan immers bijzonder ernstig zijn wanneer de opname van links in zoekresultaten betrekking heeft op gegevens die onder artikel 9 of 10 van de AVG vallen (punten 62 tot en met 63). 66. Wat het toepassingsgebied van artikel 10 van de AVG betreft, heeft het HvJ-EU verduidelijkt dat informatie inzake een gerechtelijke procedure – zoals die met betrekking tot een verdere vervolging, een proces of, in voorkomend geval, een veroordeling – ziet op gegevens inzake "overtredingen" en "strafrechtelijke veroordelingen" in de zin van dat artikel, en dit ongeacht het feit of tijdens die gerechtelijke procedure al dan niet is komen vast te staan dat de overtreding waarvoor de persoon is vervolgd, is begaan24. 67. In het onderhavige geval betreft de betwiste inhoud arresten van de Raad van State waarin uitspraak wordt gedaan over beroepen tot nietigverklaring van twee besluiten tot verlenging van de preventieve schorsing van de klager (punten 3 tot en met 4). Het besluit tot preventieve schorsing, evenals de twee verlengingen daarvan, werd genomen naar aanleiding van de verdenking van seksuele intimidatie, geuit door een van zijn studentes. Hoewel de arresten van de Raad van State administratief van aard zijn, wordt daarin melding gemaakt van de strafklacht wegens seksuele intimidatie. 68. Om deze redenen moeten de betwiste gegevens worden aangemerkt als gegevens betreffende strafbare feiten in de zin van artikel 10 van de AVG. De opname ervan in de zoekresultaten door de verweerder kon dan ook uitsluitend worden gerechtvaardigd indien dit strikt noodzakelijk was ter bescherming van de vrijheid van informatie van internetgebruikers. Het feit dat de strafklacht is geseponeerd, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. Deze elementen worden door de verweerder niet betwist. 24 HvJ-EU, 24 september 2019, GC e.a. t. CNIL, C‑136/17, op. cit., punt 72. Beslissing ten gronde 77/2025 — 24/34 (
- ii)De betwiste inhoud en de daarin beschreven feiten zijn niet langer actueel 69. De relevantie van informatie hangt vaak nauw samen met het actuele karakter ervan, en het verstrijken van de tijd is een bepalende factor om zich te kunnen beroepen op het recht op vergetelheid. In dit verband licht de Groep artikel 29 bovendien het volgende toe: "Relevantie staat voorts ook in nauw verband met de ouderdom van de gegevens. Afhankelijk van de feiten van het geval, kan informatie die lang geleden is gepubliceerd, bv. 15 jaar geleden, minder relevant zijn dan informatie die 1 jaar geleden werd gepubliceerd."25 (de Geschillenkamer onderstreept) 70. In het onderhavige geval dateert de klacht tegen de klager van 2008, vond zijn preventieve schorsing plaats in 2009, en dateren de twee arresten van de Raad van State waarin deze feiten worden vermeld, van 2009 en 2012 (punten 2 tot en met 4). 71. De verweerder betwist niet dat de inhoud en de daarin beschreven feiten al geruime tijd teruggaan, maar is van oordeel dat zij relevant blijven voor het publiek, aangezien de klager nog steeds zijn functie als docent uitoefent. 72. De Geschillenkamer is van oordeel dat, gelet op het feit dat de betwiste inhoud en de daarin beschreven feiten gemiddeld meer dan vijftien jaar oud zijn, het moeilijk te rechtvaardigen is dat deze vandaag de dag nog steeds toegankelijk zijn via de zoekmachine van de verweerder. Deze aanzienlijke tijdsperiode is voldoende lang om de verwijdering van de links uit de zoekresultaten te rechtvaardigen, wanneer dit element samen met de andere hierna vermelde criteria in aanmerking wordt genomen. Hoewel het feit dat de inhoud op het moment van de verdenking en gedurende een bepaalde periode enige relevantie had vanwege het verband met het beroepsleven van de klager, mag de verdenking van intimidatie – die in een geschil, aangespannen door de betrokkene zelf tegen een hem betreffend besluit van de minister, aan de orde is gesteld – de klager niet zijn hele loopbaan blijven achtervolgen, temeer daar later is vastgesteld dat hij niet is veroordeeld voor het betrokken strafbare feit (zie punt 81). 73. Om deze en de hieronder genoemde redenen is de Geschillenkamer van oordeel dat de informatie in kwestie verouderd was en niet langer relevant is voor internetgebruikers. (iii) De klager speelt geen rol in het openbare leven 74. Volgens het advies van het HvJ-EU en de richtsnoeren van de EDPB is het feit dat de betrokkene geen rol speelt in het openbare leven een bepalende factor voor de verwijdering 25 Groep artikel 29, op. cit., p. 18. Beslissing ten gronde 77/2025 — 25/34 van de betwiste informatie uit de zoekresultaten. De hoedanigheid van publieke persoon of de rol die in het openbare leven wordt gespeeld, vormt dus een doorslaggevend element in de afweging van de betrokken belangen. De EDPB neemt in dit verband de bewoordingen van het HvJ-EU over: "Het Hof was tevens van mening dat de rechten van de betrokkenen in beginsel voorrang hebben op het belang van internetgebruikers om toegang te krijgen tot informatie via de exploitant van een zoekmachine. Het stelde echter verschillende factoren vast die een dergelijke bepaling kunnen beïnvloeden. Hieronder vallen onder meer: de aard of de gevoeligheid van de informatie, en in het bijzonder het belang van internetgebruikers om toegang te krijgen tot informatie, een belang dat kan variëren naargelang de rol die door de belanghebbende partij in het openbare leven wordt gespeeld."26 (de Geschillenkamer onderstreept) 75. Om te bepalen of een betrokkene aan dit criterium voldoet, wordt verwezen naar de verduidelijkingen in de richtsnoeren van de Groep artikel 29, waarin het volgende wordt gesteld: "Het is niet mogelijk om met zekerheid vast te stellen welk type rol in het openbare leven een persoon moet hebben om de publieke toegang tot informatie over hem via een zoekresultaat te rechtvaardigen. Echter, bijvoorbeeld politici, hooggeplaatste ambtenaren, zakenmensen en leden van (gereglementeerde) beroepen worden doorgaans aangemerkt als mensen die een rol in het openbare leven spelen. Er wordt wel betoogd dat het publiek informatie moet kunnen opzoeken die relevant is voor hun openbare rol en activiteiten."27 76. In het onderhavige geval stelt de Geschillenkamer vast dat de klager geen enkele openbare functie uitoefent en dat zijn hoedanigheid van docent in het hoger onderwijs op zichzelf onvoldoende is om hem een rol in het openbare leven toe te kennen. Buiten de lokale academische kring is de klager onbekend bij het grote publiek. Hij geniet geen bijzondere bekendheid en een zoekopdracht op zijn naam via Google levert, afgezien van de betwiste inhoud waarnaar een link is opgenomen, geen persartikels over hem op. De Geschillenkamer houdt ook rekening met het gedrag van de klager, die sinds de feiten geen poging heeft ondernomen om zijn situatie openbaar te maken, bijvoorbeeld door contact op te nemen met de media. 26 EDPB, Richtsnoeren 05/2019 betreffende de criteria voor het recht om vergeten te worden in de zoekmachinezaken krachtens de AVG, versie 2.0 van 7 juli 2020, op. cit. 27 Groep artikel 29, op. cit., p. 15-16. Beslissing ten gronde 77/2025 — 26/34 (
- iv)Hoewel de betwiste inhoud betrekking heeft op het beroepsleven van de klager, is deze niet langer relevant voor het publiek, aangezien het slechts ging om beweringen die niet tot een veroordeling hebben geleid 77. Aangezien de klager geen rol speelt in het openbare leven, is het aan de Geschillenkamer om te bepalen of de betwiste informatie onder zijn privéleven valt of van professionele aard is. In principe moet informatie over het privéleven van een betrokkene die geen rol speelt in het openbare leven als niet relevant worden beschouwd. Zoals de Groep artikel 29 in haar bovengenoemde richtsnoeren heeft opgemerkt: "Informatie is vaker relevant wanneer deze verband houdt met het huidige beroepsleven van de betrokkene, maar daarbij zal veel afhangen van de aard van het werk van de betrokkene en het rechtmatige belang dat het publiek erbij heeft om toegang te krijgen tot deze informatie via een zoekopdracht op zijn of haar naam."28 (de Geschillenkamer onderstreept) 78. De Geschillenkamer merkt op dat, zoals de verweerder benadrukt (punt 18), de betwiste inhoud betrekking heeft op het beroepsleven van de klager, aangezien de door de verweerder gelinkte arresten van de Raad van State betrekking hebben op de verlengingen van de preventieve schorsing van zijn activiteiten, met name zijn functie als docent. 79. Dat gezegd zijnde, moet worden nagegaan of de betwiste informatie vandaag de dag nog steeds relevant is voor het publiek. Zoals de Groep artikel 29 in haar richtsnoeren heeft opgemerkt, wordt de relevantie van de informatie beoordeeld op basis van de feiten van het geval en de ouderdom van de gegevens. De relevantie van de informatie moet ook worden beoordeeld in het licht van haar bijdrage aan een debat van algemeen belang (punten 82 tot en met 85). Aangezien hierboven reeds is vastgesteld dat de betwiste inhoud en de genoemde feiten oud zijn, moet – om hun gebrek aan actuele relevantie te bepalen – worden gekeken naar de aard en de ernst van de betrokken feiten. In dit verband legt de Groep artikel 29 in haar bovengenoemde richtsnoeren het volgende uit: "In de regel spreken de gegevensbeschermingsautoriteiten zich vaker uit voor de verwijdering van zoekresultaten in verband met betrekkelijk kleine overtredingen die lang geleden zijn begaan, terwijl zij zich vaker uitspreken tegen de verwijdering van resultaten in verband met ernstigere feiten die recenter hebben plaatsgevonden."29 (de Geschillenkamer onderstreept) 80. De verweerder is van oordeel dat de klager werd geschorst vanwege feiten die hij als ernstig beschouwt, namelijk de verdenking van seksuele intimidatie van studenten tijdens zijn 28 Groep artikel 29, op. cit., p. 19. 29 Groep artikel 29, op. cit., p. 23. Beslissing ten gronde 77/2025 — 27/34 werkzaamheden als docent. De klager herinnert er echter aan dat het parket de strafklacht in 2009 heeft geseponeerd en dat het slechts ging om een verdenking die niet tot een veroordeling heeft geleid en die inmiddels zo'n vijftien jaar oud is. 81. Zonder de impact van seksuele intimidatie te minimaliseren, is de Geschillenkamer van oordeel dat de feiten in het onderhavige geval – aangenomen dat ze waar zijn – niet kunnen worden aangemerkt als feiten die zo ernstig zijn dat het verstrijken van de tijd het gewicht ervan niet zou verminderen in het kader van de beoordeling van een recht op gegevenswissing. Met andere woorden, de Geschillenkamer houdt bij de afweging van de betrokken belangen rekening met het feit dat het om een loutere verdenking van een betrekkelijk kleine overtreding gaat die in elk geval al vele jaren geleden werd geseponeerd. Bovendien benadrukt de Geschillenkamer dat de klager slechts preventief werd geschorst, in afwachting van de voortzetting van de gerechtelijke procedure en een eventuele beslissing op tuchtrechtelijk vlak. Het blijkt dat de klager zijn functie als docent heeft kunnen hervatten, zonder dat tegen hem een tuchtrechtelijke of strafrechtelijke sanctie werd uitgesproken voor de betwiste feiten. Het feit dat de Raad van State, zoals vermeld in URL nr. 1, het ministerieel besluit betreffende de tweede verlenging van de preventieve schorsing heeft vernietigd, ondersteunt deze vaststelling eveneens (punt 4). (
- v)De betwiste inhoud draagt niet bij tot een debat van algemeen belang 82. Vervolgens moet worden nagegaan of de betwiste inhoud, op het moment dat de klager zijn verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten indient, nog steeds – indien dat ooit het geval was – bijdraagt tot een debat van algemeen belang. 83. De verweerder stelt dat de betwiste inhoud kadert binnen een debat van algemeen belang over de bestrijding van seksuele intimidatie, met name in de context van bewegingen zoals "MeToo" of "Balance ton porc". Gezien het maatschappelijk belang van deze kwesties en de grote mediabelangstelling daarvoor, is hij van oordeel dat er een zwaarwegend algemeen belang bestaat bij de verspreiding van en de toegang tot de betrokken informatie en dat de opname van de betwiste inhoud in de zoekresultaten bijdraagt tot de voorlichting van het publiek in het kader van dit debat. 84. De Geschillenkamer is van oordeel dat de oorspronkelijke publicatie van de arresten van de Raad van State op de website [...] niet tot doel had internetgebruikers te informeren over het bestaan van de klacht wegens seksuele intimidatie tegen de klager, noch over de verlenging van diens preventieve schorsing. Het betreft namelijk een ongewijzigde weergave van de arresten van de Raad van State, zonder dat deze vergezeld gaat van een analyse of toelichting die een debat van algemeen belang zou kunnen voeden. Dit wordt verklaard door het feit dat de website [...] zich profileert als een juridisch platform dat zich richt tot Beslissing ten gronde 77/2025 — 28/34 advocaten en andere juridische professionals, met als doel juridische opzoekingen te vergemakkelijken door toegang te bieden tot rechtspraak, wetgeving en rechtsleer uit verschillende landen wereldwijd30. Het belang van de betwiste inhoud is dus louter juridisch, aangezien deze bedoeld is om gebruikers van de website [...] toegang te bieden tot een digitale verzameling, met name de rechtspraak van het hoogste administratief rechtscollege van het land. Dit doel kan worden bereikt zonder de genoemde arresten te koppelen aan de identiteit van de klager. Bovendien zij eraan herinnerd dat de Raad van State zich uitsluitend buigt over administratieve aspecten – in dit geval de beoordeling van de geldigheid van de besluiten van de regering tot bevestiging van het besluit tot preventieve schorsing van de klager. De Raad van State is niet bevoegd om zich uit te spreken over de strafklacht, waardoor deze arresten weinig of geen relevantie hebben in het kader van het door de verweerder aangevoerde debat van algemeen belang. 85. Om deze redenen is de Geschillenkamer van oordeel dat in het onderhavige geval, meer dan vijftien jaar na de betrokken feiten en nu de klacht wegens seksuele intimidatie is geseponeerd, de verwijzing naar de identiteit van de klager, die geen publieke persoon is, geen toegevoegde waarde heeft voor het debat van algemeen belang over de bestrijding van seksuele intimidatie. De oorspronkelijke publicaties, namelijk de arresten van de Raad van State betreffende de maatregel van preventieve schorsing, hebben vandaag de dag alleen nog een juridisch belang, wat niet rechtvaardigt dat zij via de zoekmachine van de verweerder aan de identiteit van de klager worden gekoppeld. Om tot deze conclusie te komen, heeft de Geschillenkamer ook rekening gehouden met het feit dat de betrokken feiten geen bijzondere media-aandacht hebben gekregen en geen noemenswaardige respons hebben opgeroepen in de publieke opinie, noch op het moment dat ze plaatsvonden, noch bij de publicatie van de verschillende arresten van de Raad van State. Bijgevolg was hun eventuele bijdrage aan een debat van algemeen belang zelfs destijds bijzonder beperkt. (
- vi)De betwiste inhoud kan een misleidende indruk geven van de klager 86. De vraag of de inhoud waarnaar een link is opgenomen al dan niet juist is, is eveneens een belangrijk aspect dat in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling van de toepassingsvoorwaarden van artikel 17.3.
- a)van de AVG, om te bepalen of het recht op informatie van internetgebruikers voorrang heeft op de rechten van degene die om verwijdering van links uit zoekresultaten verzoekt. Indien de betwiste inhoud grotendeels onjuist blijkt te zijn, kunnen het recht op informatie en het recht om te worden geïnformeerd 30 "About Us", website […], beschikbaar op: […] (geraadpleegd op 10 april 2025). Beslissing ten gronde 77/2025 — 29/34 niet prevaleren31. In dit verband vermeldt de Groep artikel 29 het volgende in haar richtsnoeren: "De verwijdering van een zoekresultaat [is] gepast [...] wanneer er sprake is van een onnauwkeurigheid ten aanzien van een feit en wanneer dit een onnauwkeurige, gebrekkige of misleidende indruk van een persoon wekt."32 (de Geschillenkamer onderstreept) 87. De klager voert aan dat de informatie, zoals weergegeven in de betwiste inhoud, onjuist is, met name omdat de klacht wegens seksuele intimidatie niet tot een veroordeling heeft geleid. Hij benadrukt dat internetgebruikers die niet op de website [...] zijn geabonneerd, bij het zoeken naar zijn naam op Google alleen toegang hadden tot de eerste regels van het arrest, waarin alleen wordt vermeld dat er een klacht tegen hem is ingediend en dat hij uit zijn functie is geschorst. Hij is van mening dat de aldus openbaar gemaakte informatie onvolledig is, waardoor deze volgens hem fundamenteel onjuist is. 88. De Geschillenkamer stelt vast dat de betwiste informatie niet onjuist is in die zin dat zij feitelijke onjuistheden zou bevatten, aangezien de website [...] de arresten getrouw weergeeft zoals deze op de officiële website van de Raad van State zijn gepubliceerd. Zij is echter van oordeel dat deze informatie onvolledig is weergegeven en een misleidende indruk kan wekken over de huidige situatie van de klager. De Geschillenkamer wijst er in het bijzonder op dat de klacht wegens seksuele intimidatie niet tot een veroordeling heeft geleid en in 2009 is geseponeerd. De betrokken URL's gaven echter alleen toegang tot een verkorte versie van de arresten van de Raad van State. Internetgebruikers waren niet op de hoogte – tenzij zij een account aanmaakten op [...] of het volledige arrest op de website van de Raad van State raadpleegden – van de seponering van de klacht die aanleiding gaf tot de preventieve schorsing, noch van de nietigverklaring van de tweede verlenging van de preventieve schorsing. Deze gedeeltelijke weergave van de betwiste inhoud kon dus misleidend zijn of bood in ieder geval onvoldoende context om internetgebruikers in staat te stellen de situatie van de klager correct te begrijpen, wat tot een onjuist negatief beeld kon leiden. (vii) De gevolgen van de opname van de links in de zoekresultaten voor de persoonlijke situatie van de klager 31 HvJ-EU (Grote kamer), 8 december 2022, TU, RE t. Google LLC, C-460/20, ECLI:EU:C:2022:962, punt 64. 32 Groep artikel 29, op. cit., p. 17-18. Beslissing ten gronde 77/2025 — 30/34 89. Zoals het HvJ-EU in zijn arrest Google Spain heeft erkend, hoeft de betrokkene geen schade aan te tonen om de verwijdering van links uit zoekresultaten te kunnen vragen 33. Dat gezegd zijnde, preciseert de Groep artikel 29 in haar richtsnoeren het volgende: "Indien er (...) bewijs is dat de beschikbaarheid van een zoekresultaat een betrokkene benadeelt, zou dit een sterk argument vormen ten gunste van de verwijdering. (...) De gegevens kunnen onevenredig negatieve gevolgen voor de betrokkene hebben indien een zoekresultaat verband houdt met banale of onbezonnen strafbare feiten die niet langer het voorwerp zijn — of zelfs nooit zijn geweest — van een openbaar debat en indien er geen breder publiek belang is bij de toegankelijkheid van de informatie. (...) De gegevensbeschermingsautoriteiten zullen erkennen dat de beschikbaarheid van bepaalde informatie via zoekopdrachten op internet betrokkenen kan blootstellen aan gevaren, zoals identiteitsdiefstal of stalking. In deze gevallen en wanneer het gevaar aanzienlijk is, zullen gegevensbeschermingsautoriteiten waarschijnlijk oordelen dat de verwijdering van een zoekresultaat gepast is."34 (de Geschillenkamer onderstreept) 90. De Geschillenkamer is van oordeel dat de opname van de betwiste inhoud in de zoekresultaten geen soort "virtueel strafregister" (vrije vertaling) mag creëren 35. De verdenking van seksuele intimidatie jegens de klager heeft niet tot een veroordeling geleid, maar het behoud van de verwijzing naar de betwiste inhoud, die een verouderd en onvolledig beeld gaf van de feiten die hem ten laste werden gelegd, bleef hem onevenredige immateriële schade berokkenen. In het onderhavige geval verklaarde de klager tijdens de hoorzitting dat hij voortdurend angstgevoelens had vanwege de grote toegankelijkheid van de betwiste inhoud, die bij het intypen van zijn naam op Google meteen in de eerste regels van de zoekresultaten van de zoekmachine verschijnt. Hij legde uit dat de opname van deze URL's in de zoekresultaten ernstige gevolgen had voor zijn beroeps- en privéleven. Professioneel gaf hij aan belangrijke kansen te hebben gemist, met name een onderzoeksproject, nadat collega's deze informatie online hadden ontdekt. Privé had deze situatie ook een aanzienlijke impact op zijn relatie, wat heeft bijgedragen aan de breuk met zijn partner. 91. In deze omstandigheden, gelet op alle bovengenoemde elementen (punten 65 tot en met 90) en gezien de gevolgen die de opname van deze inhoud in de zoekresultaten kon hebben voor de persoonlijke situatie van de klager, kon de toegang tot deze online inhoud via diens 33 HvJ-EU, 13 mei 2014, Google Spain SL en Google Inc. t. AEPD en Mario Costeja González, C‑131/12, op. cit., punt 96. 34 Groep artikel 29, op. cit., p. 21. 35 Zie punt 255 van het arrest van de Grote Kamer van het EHRM Hurbain t. België, 4 juli 2023. In deze zaak bevestigde het EHRM de anonimisering van een persartikel dat op de website van de krant Le Soir was gearchiveerd en waarin werd bericht over een dodelijk verkeersongeval dat vele jaren eerder had plaatsgevonden. De context verschilt echter van het onderhavige geval, aangezien het niet ging om een verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten van een zoekmachine. Beslissing ten gronde 77/2025 — 31/34 naam niet langer als strikt noodzakelijk worden beschouwd voor het informeren van gebruikers van de zoekmachine Google. III. Sancties en corrigerende maatregelen 92. Overeenkomstig artikel 100, § 1, van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° de opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. 93. De Geschillenkamer stelt vast dat de betwiste URL's momenteel niet meer toegankelijk zijn. De links bevatten geen persoonsgegevens meer van de klager en worden niet meer door de verweerder weergegeven wanneer de naam van de klager in de zoekmachine wordt opgezocht. Bijgevolg is er voor de Geschillenkamer geen reden meer om de verwijdering ervan te gelasten. Het feit dat de betwiste URL's niet langer toegankelijk zijn, belet de Geschillenkamer niet om na te gaan of de verweerder terecht een beroep heeft gedaan op de uitzondering om geen gevolg te geven aan de verzoeken tot verwijdering van links uit zoekresultaten op grond van artikel 17.3.
- a)van de AVG toen deze nog toegankelijk waren. De Geschillenkamer is echter van oordeel dat uit de afweging van alle voorgaande elementen blijkt dat het publiek geen strikt noodzakelijk belang had bij toegang tot de betwiste URL's via de zoekmachine van de Beslissing ten gronde 77/2025 — 32/34 verweerder, zodat de verwijdering van de betrokken URL's uit de zoekresultaten gerechtvaardigd was. Het verstrijken van een aanzienlijke tijd, de gevoeligheid van de gegevens, in combinatie met het feit dat de klager geen rol speelt in het openbare leven en dat de betwiste informatie niet bijdraagt tot een debat van algemeen belang, hebben het publieke belang bij de betrokken informatie aanzienlijk verminderd, temeer daar deze slechts betrekking had op beweringen die niet tot een veroordeling hebben geleid, maar enkel tot een preventieve schorsing. De inhoud waarnaar een link werd opgenomen, kon een misleidende indruk van de klager wekken en hem onevenredige schade berokkenen (punt 90). Gelet op alle omstandigheden van het onderhavige geval besluit de Geschillenkamer de verweerder een berisping te geven wegens de vastgestelde schendingen van de artikelen 17.1 en 17.3.
- a)van de AVG. 94. Wat betreft de vastgestelde schendingen van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG, besluit de Geschillenkamer de verweerder een berisping te geven, rekening houdend met alle omstandigheden van het onderhavige geval en om de hierboven uiteengezette redenen (punten 39 tot en met 58). De Geschillenkamer beperkt zich tot deze sancties, gelet op de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval, namelijk het feit dat deze beslissing de eerste is die de Geschillenkamer neemt over de details van de antwoorden die moeten worden gegeven in geval van een verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten, maar ook gezien de aanzienlijke inspanningen – die in dit geval echter ontoereikend waren – die Google levert om de gemiddeld 4300 verzoeken die jaarlijks in België worden ontvangen, te behandelen en te beantwoorden36. De Geschillenkamer behoudt zich echter het recht voor om in de toekomst een geldboete op te leggen aan de verweerder indien soortgelijke schendingen worden vastgesteld. Om die reden acht zij het ook gerechtvaardigd om de verweerder een waarschuwing te geven voor het geval hij in de toekomst niet zou kunnen aantonen dat hij de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG naleeft wanneer hij de betrokkene in kennis stelt van de redenen waarom hij geen gevolg geeft aan een verzoek tot verwijdering van links uit zoekresultaten. IV. Publicatie van de beslissing 95. Gezien het belang van transparantie met betrekking tot het besluitvormingsproces van de Geschillenkamer, zal de onderhavige beslissing worden gepubliceerd op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit, waarbij de directe identificatiegegevens van de klager en van de genoemde personen, zowel natuurlijke als rechtspersonen, uitgezonderd deze van 36 "Verwijderingsverzoeken en de Europese privacywet", website van Google, beschikbaar op: https://transparencyreport.google.com/euprivacy/overview?hl=nl&requests over time=country:BE&lu=privacy requests&delisted urls=start:1713657600000;end:17 45452799999;country:BE&privacy requests=country:BE;year:;decision (geraadpleegd op 10 april 2025). Beslissing ten gronde 77/2025 — 33/34 de verweerder, worden verwijderd. De Geschillenkamer is van oordeel dat met de publicatie van de onderhavige beslissing met de identificatie van de verweerder verschillende doelstellingen worden nagestreefd. 96. In de eerste plaats wordt een doel van algemeen belang nagestreefd, gezien het belang van de zoekmachine "Google" voor een zeer groot aantal internetgebruikers en het feit dat zeer veel personen die in België verblijven op de een of andere manier door de zoekmachine "Google" in de zoekresultaten worden weergegeven. De Geschillenkamer acht het relevant om deze beslissing bekend te maken om internetgebruikers bewust te maken van hun rechten krachtens de AVG. Als zodanig is de beslissing, zelfs als deze alleen de klager rechtstreeks aangaat (wiens identiteitsgegevens niet worden gepubliceerd), ook van belang voor een groot deel van het algemene publiek. 97. De identificatie van de verweerder is overigens noodzakelijk voor een goed begrip van de beslissing en dus voor de verwezenlijking van het transparantiedoel dat wordt nagestreefd met het beleid inzake de publicatie van beslissingen van de Geschillenkamer. OM DEZE REDENEN, beslist de Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, na beraadslaging, om: - op grond van artikel 100, § 1, 5°, van de WOG, een berisping te geven aan de verweerder wegens schending van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG, alsook wegens schending van de artikelen 17.1 en 17.3.
- a)van de AVG; - op grond van artikel 100, § 1, 5°, van de WOG, een waarschuwing te geven aan de verweerder, zoals geformuleerd in punt 94, met betrekking tot de toekomstige naleving van de artikelen 12.1 en 12.4 van de AVG; - op grond van artikel 100, § 1, 16°, van de WOG, de onderhavige beslissing te publiceren op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Tegen deze beslissing kan op grond van artikel 108, § 1, van de WOG, beroep worden aangetekend bij het Marktenhof (hof van beroep van Brussel), binnen een termijn van dertig dagen vanaf de kennisgeving ervan, met de Gegevensbeschermingsautoriteit als verweerder. Een dergelijk beroep kan worden ingesteld door middel van een verzoekschrift op tegenspraak dat de in artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek (Ger.W.) opgesomde elementen dient te Beslissing ten gronde 77/2025 — 34/34 bevatten37. Dit verzoek op tegenspraak moet worden ingediend bij de griffie van het Marktenhof overeenkomstig artikel 1034quinquies van het Ger.W.38, of via het e-Deposit informaticasysteem van Justitie (artikel 32ter van het Ger.W.). (get.) Hielke HIJMANS Voorzitter van de Geschillenkamer 37 Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid: de dag, de maand en het jaar; de naam, de voornaam, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en zijn rijksregisternummer of ondernemingsnummer; 3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden opgeroepen; 4° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering; 5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt; 6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat. 1° 2° 38 Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, per aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd.