← België

Beslissing ten gronde nr. 79/2025

1/99 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 79/2025 van 24 april 2025 De FOD Financiën heeft tegen deze beslissing beroep tot nietigverklaring ingesteld. Dit beroep is momenteel aanhangig bij het Marktenhof. In een tussenarrest van 26 november 2025 (2025/AR/887) dat u hier kunt vinden (enkel beschikbaar in het Frans) heeft het Marktenhof 13 prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU – C-804/25). Dossiernummer: DOS-2021-00068 Betreft: klacht over de doorgifte van persoonsgegevens door de Federale Overheidsdienst (FOD) Financiën aan de Amerikaanse belastingdienst (IRS) in uitvoering van de FATCAovereenkomst De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, bestaande uit de heer Yves Poullet, voorzitter, en de heren Christophe Boeraeve en Jelle Stassijns, leden, die de zaak in deze samenstelling opnieuw behandelt naar aanleiding van het arrest van het Marktenhof van 20 december 2023 (2023/AR/801)1 ; Gelet op het arrest van het Marktenhof van 20 december 2023 (2023/AR/801); Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna "AVG"; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "WOG"); Gelet op het Reglement van interne orde (hierna "RIO") van de Gegevensbeschermingsautoriteit, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 20192 ; 1 De uitspraak van het Marktenhof is hier gepubliceerd https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/arret-du-20decembre-2023-de-la-cour-des-marches-ar-801.pdf (beschikbaar in het Frans). 2 Het nieuwe Reglement van interne orde van de GBA als gevolg van de wijzigingen door de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), is op 01/06/2024 in werking getreden. Overeenkomstig artikel 56 van de wet van 25 december 2023 is het alleen van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn gestart: Beslissing ten gronde 79/2025 —2 /99 Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klagers: De heer X, hierna "de eerste klager"; De vzw Accidental Americans Association of Belgium (AAAB), met maatschappelijke zetel te Albert Crommelynckgaarde 4 bus 7, 1160 Brussel, hierna "de tweede klager"; hierna gezamenlijk "de klagers" genoemd; Beiden vertegenwoordigd door meester Vincent Wellens en meester Maxime Vanderstraeten, advocaten, met kantoor te Hulpesesteenweg 120, 1000 Brussel. De verweerder: De Federale Overheidsdienst Financiën (FOD Financiën), met zetel te Koning Albert II Laan 33, 1030 Brussel, hierna "de verweerder"; Vertegenwoordigd door meester Jean-Marc Van Gyseghem, advocaat, met kantoor te Waterloolaan 34, 1000 Brussel. https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-van-interne-orde-van-degegevensbeschermingsautoriteit.pdf. Dossiers die vóór 1 juni 2024 zijn gestart, zoals in het onderhavige geval, vallen onder de bepalingen van de WOG, ongewijzigd door de wet van 25 december 2023, en onder het Reglement van interne orde zoals dat vóór die datum bestond. Beslissing ten gronde 79/2025 —3 /99 Inhoudsopgave Beslissing ten gronde 79/2025 van 24 april 2025 ........................................................................................................... 1 I. Feiten en voorgeschiedenis van de procedure .................................................................................................... 5 I.1. De relevante feiten....................................................................................................................................................... 5 I.2. Voorgeschiedenis van de procedure die heeft geleid tot de vernietiging van beslissing 61/2023 ........................................................................................................................................................................................... 11 I.2.1. Ontvankelijkheid van de klacht .......................................................................................................... 11 I.2.2. Het voorwerp van de klacht ................................................................................................................ 12 I.2.3. Het onderzoek van de Inspectiedienst (ID) ............................................................................... 13 I.2.4. Het aanvullend onderzoek van de Inspectiedienst (ID) ...................................................... 15 I.2.5. Onderzoek ten gronde door de Geschillenkamer ................................................................. 17 I.2.6. De hoorzitting van de partijen van 10 januari 2023 .............................................................. 19 I.3. Beslissing 61/2023.................................................................................................................................................... 20 I.4. Het beroep tegen beslissing 61/2023 voor het Marktenhof .......................................................... 20 I.5. De arresten van het Marktenhof van 28 juni en 20 december 2023 ......................................... 22 I.6. Voorgeschiedenis van de hervatting van de procedure die tot de onderhavige beslissing heeft geleid .................................................................................................................................................................................. 24 II. I.6.1. De beslissing van 20 maart 2024 over de samenstelling ................................................ 24 I.6.2. De hervatting van het onderzoek ten gronde ......................................................................... 25 I.6.3. De uitnodiging voor de hoorzitting en de hoorzitting van de partijen ...................... 28 Motivering ................................................................................................................................................................................ 30 II.1. Wat betreft de bevoegdheid van de Geschillenkamer van de GBA ........................................... 30 II.2. Wat betreft de samenstelling van de Geschillenkamer ..................................................................... 33 II.3. Wat betreft de afwezigheid van financiële instellingen in de procedure .......................... 38 Beslissing ten gronde 79/2025 —4 /99 II.4. Wat betreft de hoedanigheid van de verweerder als verwerkingsverantwoordelijke 41 II.5. Wat betreft artikel 96 van de AVG ............................................................................................................ 44 II.6. Wat betreft de aangevoerde grieven ...................................................................................................... 56 II.6.1. Kan de verweerder zich beroepen op artikel 96 van de AVG? ..................................... 57 II.6.1.1. Inleiding .......................................................................................................................................................... 57 II.6.1.2. Wat betreft het doelbindingsbeginsel ........................................................................................ 59 II.6.1.3. Wat betreft het evenredigheidsbeginsel .................................................................................. 64 II.6.1.4. Andere waarborgen ten gunste van de betrokkenen ......................................................... 71 II.6.1.5. Conclusie over de overeenstemming met het EU-recht dat op 24 mei 2016 van toepassing was ..................................................................................................................................................................... 72 II.6.2. Doorgiften aan de IRS en naleving van de AVG ..................................................................... 72 II.6.2.1. Beginselen .................................................................................................................................................... 72 II.6.2.2. Toepassing van de artikelen 46.1 en 46.2.

  1. a)van de AVG ................................................ 73 II.6.2.3. Conclusie ....................................................................................................................................................... 78 II.6.2.4. Wat betreft artikel 49 van de AVG ................................................................................................ 80 II.6.3. Wat betreft de naleving van de informatieplicht ................................................................... 81 II.6.4. Wat betreft het niet-nakomen van de verplichting om een GEB uit te voeren .. 88 II.6.5. Wat betreft de schending van artikel 20 van de WVG ...................................................... 93 II.6.6. Wat betreft de schending van de "accountability" .............................................................. 93 III. Corrigerende maatregelen en sancties ................................................................................................................. 94 IV. Publicatie van de beslissing .......................................................................................................................................... 97 Beslissing ten gronde 79/2025 —5 /99 I. Feiten en voorgeschiedenis van de procedure 1. Op 22 december 2020 dienen de klagers een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit (GBA) tegen de verweerder. De klacht betreft de onrechtmatigheid van de doorgifte van persoonsgegevens van de eerste klager en van Belgische toeval-Amerikanen (van wie de belangen door de tweede klager worden behartigd) door de verweerder aan de Amerikaanse belastingdienst in het kader van de toepassing van de intergouvernementele FATCA-overeenkomst tussen de Belgische staat en de Verenigde Staten, evenals andere schendingen van de AVG die in dit verband aan de verweerder kunnen worden toegeschreven. 2. De feiten die aan de basis liggen van de klacht worden hieronder uiteengezet in de punten 3 tot en met 19 (titel I.1). Daarna volgen de voorgeschiedenis van de procedure die heeft geleid tot beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer, die op 20 december 2023 door het Marktenhof is vernietigd, in de punten 20 tot en met 59 (titel I.2), en de voorgeschiedenis van de hervatting van de zaak die tot de onderhavige beslissing heeft geleid in de punten 60 tot en met 94 (titels I.3 tot en met I.6). I.1. De relevante feiten 3. De eerste klager woont in België en heeft de dubbele Belgische en Amerikaanse nationaliteit. Wat deze laatste nationaliteit betreft, omschrijft de eerste klager zichzelf als een zogenaamde "toeval-Amerikaan", omdat hij alleen de Amerikaanse nationaliteit heeft omdat hij in Stanford op het grondgebied van de Verenigde Staten is geboren, zonder enige significante band met dat land te hebben behouden. De Geschillenkamer wijst er meteen op dat het begrip 'toevalAmerikaan' niet wettelijk is gedefinieerd, zoals het Marktenhof in zijn tussenarrest van 28 juni Beslissing ten gronde 79/2025 —6 /99 2023 heeft benadrukt . De klagers stellen dat dit begrip voor de procedure betrekking heeft op 3 de leden van de AAAB. 4. De tweede klager is een Belgische vereniging zonder winstoogmerk (vzw) die bestaat uit toeval-Amerikanen en tot doel heeft de belangen te verdedigen en te vertegenwoordigen van personen met de Belgisch-Amerikaanse nationaliteit – zoals de eerste klager – die buiten de Verenigde Staten wonen en geen significante band met dat land onderhouden. Het doel van de vereniging wordt beschreven in artikel 4 van haar oprichtingsakte van 28 september 2019: "De vereniging heeft tot doel de belangen te verdedigen van natuurlijke personen met de Amerikaanse nationaliteit die buiten de Verenigde Staten wonen, tegen de nadelige gevolgen van het extraterritoriale karakter van de Amerikaanse wetgeving. De vereniging streeft haar doel na met alle mogelijke actiemiddelen, met name door: - belangenbehartiging bij de Belgische en Amerikaanse overheid en bij de Europese instellingen - het ontwikkelen van communicatiemiddelen - het organiseren van evenementen - samenwerking met rechtsgeleerden gelet op het ter beschikking stellen van juridische informatie aan de leden - het voeren van rechtszaken ter verdediging van de belangen van personen met de Belgisch-Amerikaanse nationaliteit De hierboven genoemde middelen zijn indicatief en niet limitatief.” (vrije vertaling) 5. Vanwege zijn Amerikaanse nationaliteit is de eerste klager onderworpen aan de controle van de Amerikaanse belastingdienst met betrekking tot het Amerikaanse belastingstelsel. Dit systeem is namelijk gebaseerd op het principe van belastingheffing op basis van nationaliteit en is gericht op de toeval-Amerikaan, net als elke andere belastingplichtige die op Amerikaans grondgebied woont of activiteiten heeft die verband houden met dit land, ongeacht of hij al dan niet in de Verenigde Staten woont. Er gelden maar enkele uitzonderingen voor nietingezetenen op Amerikaans grondgebied. 6. Om het verzamelen van relevante informatie door de Amerikaanse belastingdienst (Internal Revenue Service – hierna IRS) te vergemakkelijken, gelet op een eventuele belastingheffing van Amerikanen die in het buitenland wonen (met inbegrip van toeval-Amerikanen zoals de eerste klager) en om het risico van belastingontduiking tegen te gaan, heeft de Amerikaanse regering intergouvernementele overeenkomsten gesloten met verschillende landen in de 3 Dit arrest is hier gepubliceerd: https://www.autoriteprotectiondonnees.be/publications/cour-dappel-arret-provisoire-du-28juin-2023-2023-ar-801.pdf (beschikbaar in het Frans). Beslissing ten gronde 79/2025 —7 /99 wereld. Deze overeenkomsten voorzien in de verstrekking van gegevens over deze in het buitenland wonende Amerikanen door de nationale financiële instellingen (hierna "de financiële instellingen" of "de banken" genoemd) aan de nationale belastingdienst (zoals de verweerder), die vervolgens verplicht is deze gegevens door te geven aan de IRS. 7. In deze context past de "Agreement between the Government of the Kingdom of Belgium and the Government of the United States of America to improve International tax compliance and to implement Fatca”, die op 23 april 2014 door vertegenwoordigers van de regeringen van het Koninkrijk België en de Verenigde Staten van Amerika werd ondertekend. Deze overeenkomst wordt gewoonlijk en hierna de FATCA-overeenkomst genoemd4. Ze geeft namelijk uitvoering aan de Amerikaanse Foreign Account Tax Compliance Act, waarvan de afkorting "FATCA" is afgeleid. Een vergelijkbare bilaterale intergouvernementele overeenkomst (IGC) werd ook ondertekend met verschillende landen in de wereld, waaronder de lidstaten van de Europese Unie (hierna "EU"). 8. De Belgische wet van 16 december 2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende financiële rekeningen door de Belgische financiële instellingen en de FOD Financiën, in het kader van een automatische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau en voor belastingdoeleinden (hierna "de wet van 16 december 2015"), waarop de verweerder in verschillende opzichten een beroep doet, past in de meer algemene context van de uitwisseling van fiscale gegevens tussen staten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, de uitwisselingen met de Amerikaanse belastingdienst IRS in uitvoering van de bovengenoemde FATCA-overeenkomst. 9. Het doel van deze wetgeving zoals omschreven in artikel 1, is dan ook om de verplichtingen van de Belgische financiële instellingen en de verweerder te regelen met betrekking tot de informatie die moet worden verstrekt aan een bevoegde autoriteit van een ander rechtsgebied in het kader van een automatische uitwisseling van informatie over financiële rekeningen, een uitwisseling die wordt georganiseerd in overeenstemming met de verbintenissen die de Belgische staat is aangegaan en die voortvloeien uit de volgende teksten: - Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied5; - Het Multilateraal Verdrag van de OESO en de Raad van Europa van 25 januari 1988 inzake wederzijdse bijstand in fiscale aangelegenheden (het multilaterale verdrag of "het OESO-verdrag"); 4 Deze intergouvernementele FATCA-overeenkomst die met België werd ondertekend, was het voorwerp van een instemmingswet van 22 december 2016. 5 Richtlijn 2014/107/EU van de Raad van 9 december 2014 tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied, PB 2014, L 359/1. Beslissing ten gronde 79/2025 —8 /99 - Een bilateraal verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing op inkomsten; - Een bilateraal verdrag inzake de uitwisseling van fiscale inlichtingen (zoals de FATCAovereenkomst). 10. De wet van 16 december 2015 is op 10 januari 2016 in werking getreden met betrekking tot de inlichtingen die bestemd zijn voor de Verenigde Staten (artikel 20)6 . 11. Op 22 april 2020 ontvangt de eerste klager een brief van bank Z, waar hij bankrekeningen heeft. Deze brief heeft als onderwerp: "Bevestiging van uw status als Amerikaanse persoon in het kader van de FATCA-overeenkomst en voor andere regelgevende doeleinden". De klager wordt gevraagd te bevestigen dat hij geen Amerikaans staatsburger is en niet in de Verenigde Staten woont, met het oog op de toepassing van de verplichtingen die op Z rusten ter uitvoering van de toepasselijke regelgeving inzake automatische gegevensuitwisseling. De klager wordt verzocht hiervoor een speciaal formulier van de Amerikaanse autoriteiten in te vullen. In de brief wordt uiteengezet dat de Amerikaanse wetgeving enerzijds tot doel heeft alle rekeningen van Amerikaanse burgers en/of ingezetenen bij niet-Amerikaanse financiële instellingen te identificeren en anderzijds een betere controle uit te oefenen op de inkomsten en waardepapieren van Amerikanen. In de brief wordt vermeld dat, indien het ondertekende en ingevulde document niet wordt teruggestuurd, de bank wettelijk verplicht is om de eerste klager standaard als een "US Person" te beschouwen: bijgevolg zullen zijn gegevens en de informatie over zijn vermogen, inkomsten en bruto-opbrengsten aan de betrokken belastingautoriteiten blijven worden doorgegeven. Ten slotte wordt in de brief vermeld dat als de eerste klager de Amerikaanse nationaliteit heeft of in de Verenigde Staten woont, hij naar het kantoor moet komen om de nodige formaliteiten te vervullen. 12. Op 12 mei 2020 wordt de eerste klager door zijn bank Z meegedeeld dat, aangezien hij in 2019 meerdere bankrekeningen in België had, deze moeten worden aangegeven bij de verweerder ter uitvoering van de wettelijke verplichtingen die rusten op bankinstellingen waar fiscale ingezetenen van een ander land dan België, zoals hij, een of meer bankrekeningen hebben. Z deelt de eerste klager mee dat zij verplicht is om de volgende gegevens aan de verweerder te melden: de naam, het adres, het rechtsgebied waar de persoon woonachtig is, het fiscaal identificatienummer (FIN) of de geboortedatum van elke persoon die moet worden gemeld, het rekeningnummer of de rekeningnummers, het saldo van de rekening of de waarde ervan op 31 december (bijzonder geval: als de rekening is gesloten, wordt een nulbedrag meegedeeld), de rente, de dividenden, de opbrengsten van de verkoop, de terugkoop of de terugbetaling van financiële audits en de andere inkomsten uit de financiële activa op de rekening. Naast de lijst met bovengenoemde gegevens en informatie over het principe van de automatische 6 De wet van 16 december 2015 werd op 31 december 2015 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. In artikel 20 bepaalt de wet dat zij tien dagen na de bekendmaking ervan in werking treedt wat de inlichtingen betreft die bestemd zijn voor de Verenigde Staten. Beslissing ten gronde 79/2025 —9 /99 uitwisseling van financiële informatie waaraan Z onderworpen is, wordt de eerste klager voor alle vragen doorverwezen naar de verweerder met de volgende woorden: "Voor meer informatie over de automatische uitwisseling van financiële informatie kunt u de website van de FOD Financiën of de OESO raadplegen. U kunt ons ook bellen op het nummer XXX". Bank Z voegt bij deze brief de gegevens van de eerste klager in bijlage, die in het kader van deze meldingsplicht concreet aan de verweerder zullen worden meegedeeld. 13. In een derde brief van 18 mei 2020 neemt bank Z opnieuw contact op met de eerste klager en (
  2. a)legt zij ditmaal in algemene bewoordingen het principe van de FATCA-overeenkomst uit, (
  3. b)somt zij de gegevens op die in dit kader moeten worden meegedeeld en (
  4. c)geeft zij aan dat, aangezien de klager in 2019 een of meer rekeningen had die onder de meldingsplicht vallen, zij verplicht is deze aan de bevoegde belastingdienst mee te delen. Bank Z vermeldt dat de eerste klager voor meer informatie over de FATCA-overeenkomst zijn bank kan bellen op het vermelde telefoonnummer. 14. Op 22 december 2020, dezelfde dag waarop hij samen met de tweede klager een klacht indient bij de GBA (klacht nr. 1 - punt 1), verzoekt de eerste klager de verweerder om de persoonsgegevens die hij van de banken heeft verkregen op grond van de FATCAovereenkomst te wissen, overeenkomstig artikel 17.1.
  5. d)van de AVG. De eerste klager verzoekt de verweerder ook de nodige maatregelen te nemen om deze verwijdering door de IRS te verkrijgen of, bij gebreke daarvan, de verwerking ervan te beperken overeenkomstig artikel 18.1.
  6. b)van de AVG. In ieder geval eist de eerste klager dat de uitwisseling van informatie tussen de verweerder en de IRS, die elk jaar plaatsvindt op basis van de FATCAovereenkomst, onmiddellijk wordt stopgezet. Deze doorgifte van persoonsgegevens over hem is volgens hem in strijd met verschillende belangrijke beginselen van het recht op bescherming van persoonsgegevens zoals dat in België en meer in het algemeen in de EU van toepassing is. De tweede klager formuleert hetzelfde verzoek in eigen naam ten behoeve van, overeenkomstig haar statutaire doel, Belgische toeval-Amerikanen. 15. Meer specifiek baseren de klagers hun verzoek op de volgende gronden: de onrechtmatigheid van de doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS op grond van de FATCA-overeenkomst (in strijd met de artikelen 45, 46 en 49 van de AVG); het niet-naleven van de beginselen van doelbinding (artikel 5.1.
  7. b)van de AVG), evenredigheid of minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
  8. c)van de AVG) en opslagbeperking (artikel 5.1.
  9. e)van de AVG); het niet-naleven van het transparantiebeginsel (artikelen 12 tot en met 14 van de AVG) en het niet-nakomen van de verplichting om een gegevensbeschermingseffectbeoordeling uit te voeren (hierna "GEB" genoemd - artikel 35 van de AVG). In de genoemde brief worden alle vermeende grieven gedetailleerd beschreven. Aangezien deze ook ten grondslag liggen aan de bij de GBA ingediende klacht, zullen zij hieronder worden toegelicht wanneer de Geschillenkamer de standpunten van de partijen, waaronder dat van de klagers, bespreekt (punt 82). Beslissing ten gronde 79/2025 —10 /99 16. In zijn antwoordbrief van 30 maart 2021 weigert de verweerder het verzoek van de klagers in te willigen, met het argument dat de vermeende onrechtmatigheid op geen enkele grond berust. De verweerder stelt dat de wettelijke basis voor de door hem uitgevoerde doorgifte ligt in de FATCA-overeenkomst en in de wet van 16 december 2015. De verweerder beroept zich bovendien op artikel 96 van de AVG7 en concludeert ter ondersteuning daarvan dat, aangezien de klagers niet hebben aangetoond waarom de FATCA-overeenkomst vóór 24 mei 2016 in strijd zou zijn met het EU-recht, namelijk Richtlijn 95/46/EG, hun vorderingen ongegrond zijn. De verweerder weerlegt ook alle andere tegen hem ingebrachte grieven. 17. Naar aanleiding van dit antwoord van de verweerder hernieuwt alleen de eerste klager zijn verzoek op 9 juli 2021, waarbij hij benadrukt dat de genoemde gegevensdoorgiften van de verweerder aan de IRS ook onwettig zijn op grond van Richtlijn 95/46/EG. 8 18. Bij een besluit van 4 oktober 2021 wijst de verweerder de vorderingen van de eerste klager af en verwerpt hij de door hem aangevoerde argumenten met betrekking tot de aangeklaagde inbreuken op zowel de AVG als Richtlijn 95/46/EG. In deze beslissing wijst de verweerder, op basis van de lezing van artikel 96 van de AVG door de Franse Raad van State in een arrest van 19 juli 2019 (waarop de Geschillenkamer in punt 165 terugkomt), erop dat voor de toepassing van dit artikel 96 eerst moet worden nagegaan of de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met de AVG en, indien dat niet het geval is, moet worden onderzocht of deze overeenkomst op 24 mei 2016 in overeenstemming was met het EU-recht. Deze lezing wijkt af van de inhoud van zijn bovengenoemde brief van 30 maart 2021 (punt 17). Voor een goed begrip van het vervolg van de beslissing preciseert de Geschillenkamer dat de verweerder in zijn beslissing bovendien van oordeel is "dat in casu de voorwaarde dat er een gewichtige reden van algemeen belang aan ten grondslag ligt – in de zin van artikel 49.1.
  10. d)van de AVG9 of artikel 26.1.d)10 van Richtlijn 95/46/EG] – is vervuld, aangezien de rechtmatigheidsgrond voor de betwiste verwerking is gebaseerd op een internationale overeenkomst [namelijk de FATCA-overeenkomst] en de wet van 16 december 2015” (vrije vertaling). 7 Artikel 96 van de AVG: "Internationale overeenkomsten betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan derde landen of internationale organisaties die door de lidstaten zijn gesloten vóór 24 mei 2016, en die in overeenstemming zijn met het vóór die datum toepasselijke Unierecht, blijven van kracht totdat zij worden gewijzigd, vervangen of ingetrokken." 8 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, PB L 281/31. 9 Artikel 49.1.
  11. d)van de AVG: "Bij ontstentenis van een adequaatheidsbesluit overeenkomstig artikel 45, lid 3, of van passende waarborgen overeenkomstig artikel 46, met inbegrip van bindende bedrijfsvoorschriften, kan een doorgifte of een reeks van doorgiften van persoonsgegevens aan een derde land of een internationale organisatie slechts plaatsvinden mits aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: (…)
  12. d)de doorgifte is noodzakelijk wegens gewichtige redenen van algemeen belang." 10 Artikel 26.1.
  13. d)(Afwijkingen) van Richtlijn 95/46/EG: " In afwijking van artikel 25 en behoudens andersluidende bepalingen van hun nationale recht betreffende specifieke gevallen, bepalen de Lid-Staten dat een doorgifte of categorie doorgiften van persoonsgegevens naar een derde land dat geen waarborgen voor een passend beschermingsniveau in de zin van artikel 25, lid 2, biedt, mag plaatsvinden mits: (...)
  14. d)de doorgifte noodzakelijk of wettelijk verplicht vanwege een zwaarwegend algemeen belang (…)” Beslissing ten gronde 79/2025 —11 /99 19. Tegen deze administratieve beslissing van de verweerder is een beroep tot vernietiging ingesteld bij de Raad van State (hierna "RvS"). Op verzoek van de Geschillenkamer hebben de partijen in hun conclusies en tijdens de hoorzitting van 10 januari 2023 aangegeven dat dit beroep nog steeds aanhangig was. Zij hebben gepreciseerd dat de verweerder met name had aangevoerd dat de RvS de uitkomst van de procedure voor de GBA afwacht om zich uit te spreken. De klager heeft op zijn beurt gevraagd dat de RvS prejudiciële vragen stelt aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "HvJ-EU") over de wettelijke basis van de doorgiften die worden verricht ter uitvoering van de FATCA-overeenkomst, over de toelaatbaarheid van de toepassing van artikel 49.1.
  15. d)van de AVG of, in voorkomend geval, van het equivalent daarvan in Richtlijn 95/46/EG in geval van toepassing van artikel 96 van de AVG, en over de naleving van de beginselen van transparantie, doelbinding, minimale gegevensverwerking en opslagbeperking zoals vastgelegd in de relevante artikelen van de AVG of hun equivalenten in Richtlijn 95/46/EG indien de toepassing van artikel 96 van de AVG zou worden aanvaard. I.2. Voorgeschiedenis van de procedure die heeft geleid tot de vernietiging van beslissing 61/2023 20. Zoals vermeld in punt 1 hierboven, dienen de klagers op 22 december 2020 een klacht in bij de GBA (klacht nr. 1). I.2.1. Ontvankelijkheid van de klacht 21. Op 22 maart 2021 wordt klacht nr. 1, zoals ingediend door de eerste klager, ontvankelijk verklaard door de Eerstelijnsdienst (hierna "ELD") van de GBA op grond van de artikelen 58 en 60 van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "WOG") en wordt de klacht doorverwezen naar de Geschillenkamer op grond van artikel 62.1 van de WOG. 22. Klacht nr. 1, zoals ingediend door de tweede klager, wordt daarentegen op 12 februari 2021 door de ELD van de GBA niet-ontvankelijk verklaard omdat de tweede klager niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 220.2. 3° en 4° van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna "WVG")11 . 11 Artikel 220 van de WVG: § 1. De betrokkene heeft het recht om een orgaan, een organisatie, of een vereniging zonder winstoogmerk de opdracht te geven een klacht namens hem in te dienen en namens hem de administratieve of gerechtelijke beroepen uit te oefenen, hetzij aan de bevoegde toezichthoudende autoriteit, hetzij aan de rechterlijke macht als bepaald in de bijzondere wetten, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van strafvordering. § 2. Bij de geschillen voorzien in paragraaf 1, moet een orgaan, een organisatie of een vereniging zonder winstoogmerk: 1° op geldige wijze zijn opgericht in overeenstemming met de Belgische wetgeving; 2° rechtspersoonlijkheid bezitten; 3° statutaire doelstellingen van openbaar belang hebben; 4° actief zijn op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkenen in het kader van de bescherming van persoonsgegevens en dit sedert ten minste drie jaar. Beslissing ten gronde 79/2025 —12 /99 23. De Geschillenkamer vermeldt hier meteen dat de tweede klager op 9 juli 2021 een nieuwe klacht (klacht nr. 2) indient. Deze klacht is een herformulering van zijn klacht nr. 1 van 22 december 2020. De tweede klager licht daarin zijn belang bij het instellen van de procedure toe. Hij verklaart dat hij optreedt in eigen naam, in overeenstemming met zijn statutaire doel, en niet in naam en voor rekening van een of meer Belgische toeval-Amerikanen. De tweede klager geeft dus aan dat hij niet optreedt als vertegenwoordiger in de zin van artikel 80.1 van de AVG 12. De voorwaarden voor de toepassing van dit artikel, zoals uitgevoerd door artikel 220.2. 3° en 4° van de WVG, moeten volgens hem dus niet vervuld zijn. De tweede klager baseert zich daarentegen op artikel 58 van de WOG, dat bepaalt: "Eenieder kan schriftelijk, gedateerd en ondertekend een klacht of een verzoek indienen bij de Gegevensbeschermingsautoriteit". De tweede klager acht zich bevoegd om op deze basis een klacht in te dienen bij de GBA, temeer omdat het doel van zijn klacht in overeenstemming is met zijn statutaire doel. Hij voert ook aan dat de GBA in haar besluitvormingspraktijk, bijvoorbeeld in beslissing 30/2020 van de Geschillenkamer, erkent dat het belang om op te treden breed is en dat de mogelijkheid om een klacht in te dienen niet voorbehouden is aan de betrokken natuurlijke personen, maar dat een klacht ook kan worden ingediend door verenigingen op grond van hun specifieke maatschappelijke doel13. 24. Op 5 oktober 2021 wordt klacht nr. 2 ontvankelijk verklaard door de ELD van de GBA op grond van de artikelen 58 en 60 van de WOG. De klacht wordt doorgezonden naar de Geschillenkamer op grond van artikel 62.1 van de WOG. 25. Gezien het bovenstaande preciseert de Geschillenkamer dat in deze beslissing de term "de klacht" verwijst naar de twee ingediende klachten (nr. 1 en nr. 2), die overigens door de Geschillenkamer zullen worden samengevoegd (punt 43). I.2.2. Het voorwerp van de klacht 26. De klacht van de klagers is in hoofdzaak gericht op het verkrijgen van een verbod op of de opschorting van de doorgifte van gegevens (die betrekking hebben op de eerste klager en daarnaast die van alle Belgische toeval-Amerikanen wier belangen door de tweede klager § 3. Het orgaan, de, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk bewijst door de voorlegging van haar activiteitenverslagen of van enig ander stuk, dat zijn activiteit minstens drie jaar effectief is geweest, dat het overeenstemt met haar maatschappelijk doel en dat deze activiteit betrekking heeft op de bescherming van persoonsgegevens. 12 Artikel 80.1 van de AVG "Vertegenwoordiging van betrokkenen": De betrokkene heeft het recht een orgaan, organisatie of vereniging zonder winstoogmerk dat of die op geldige wijze volgens het recht van een lidstaat is opgericht, waarvan de statutaire doelstellingen het openbare belang dienen en dat of die actief is op het gebied van de bescherming van de rechten en vrijheden van de betrokkene in verband met de bescherming van diens persoonsgegevens, opdracht te geven de klacht namens hem in te dienen, namens hem de in artikelen 77, 78 en 79 bedoelde rechten uit te oefenen en namens hem het in artikel 82 bedoelde recht op schadevergoeding uit te oefenen, indien het lidstatelijke recht daarin voorziet. 13 De Geschillenkamer verwijst in dit verband naar de nota die zij heeft aangenomen met betrekking tot de positie van de klager https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-inzake-de-positie-van-de-klager-in-de-procedure-bijde-geschillenkamer.pdf, in het bijzonder naar punt B (in fine) op pagina 2. Zij verwijst ook naar haar beslissing 24/2022 en de daarin aangehaalde referenties. Beslissing ten gronde 79/2025 —13 /99 worden verdedigd) door de verweerder aan de IRS op grond van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015. 27. In hun conclusie van antwoord voegen de klagers hieraan toe dat zij subsidiair verzoeken dat de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 58.2.
  16. f)en
  17. j)van de AVG beveelt dat de doorgifte van gegevens met betrekking tot rekeningsaldi door de verweerder aan de IRS in het kader van de toepassing van de FATCA-overeenkomst wordt verboden of opgeschort, zowel voor de eerste klager als voor de Belgische toeval-Amerikanen wier belangen door de tweede klager worden verdedigd. 28. Tijdens de hoorzitting voor de Geschillenkamer 14 zullen de klagers verduidelijken dat het gebruik van de termen "verbod of opschorting" gebaseerd is op de letterlijke formulering van artikel 58.2.
  18. f)en
  19. j)van de AVG en geen verzoek inhoudt tot tijdelijke opschorting van de doorgiften, maar wel tot de volledige stopzetting ervan in de toekomst. I.2.3. Het onderzoek van de Inspectiedienst (ID) 29. Op 20 april 2021 beslist de Geschillenkamer om op grond van de artikelen 63, 2° en 94, 1° van de WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst (hierna ID). Op dezelfde datum wordt, overeenkomstig artikel 96.1 van de WOG, het verzoek van de Geschillenkamer om een onderzoek in te stellen, doorgestuurd naar de ID. 30. Op 26 mei 2021 wordt het onderzoek van de ID afgesloten, het verslag aan het dossier toegevoegd en het dossier door de inspecteur-generaal doorgestuurd naar de voorzitter van de Geschillenkamer (art. 91.1-2 van de WOG). 31. In zijn verslag concludeert de ID dat er, in zijn woorden, "geen duidelijke schending van de AVG" is (pagina 5 van het verslag). 32. Op grond van artikel 96 van de AVG (punt 20 van het verslag) wijst de ID na onderzoek van de conformiteit van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015 met het regelgevingskader inzake gegevensbescherming zoals dat vóór 24 mei 2016 van toepassing was, dat wil zeggen volgens Richtlijn 95/46/EG, zoals omgezet in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (hierna "WVP"), op de volgende elementen: - Op 17 december 2014 heeft de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer15 (hierna "CBPL") een gunstig advies 61/2014 uitgebracht, onder strikte opschortende voorwaarden, over het eerste ontwerp van de toekomstige wet van 16 14 15 Zie punt B van het proces-verbaal van de hoorzitting van 10 januari 2023. De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (CBPL) was de Belgische gegevensbeschermingsautoriteit in de zin van artikel 28 van Richtlijn 95/46/EG. De GBA is haar op 25 mei 2018 opgevolgd ter uitvoering van artikel 3 van de WOG. Beslissing ten gronde 79/2025 —14 /99 december 2015. De CBPL heeft zich vervolgens in haar advies 28/2015 van 1 juli 2015 gunstig uitgesproken over het tweede wetsontwerp, waarin de opmerkingen en voorwaarden uit haar advies 61/2014 waren verwerkt. - Op grond van zijn beraadslaging AF 52/2016 van 15 december 2016 heeft het Sectoraal Comité van de Federale Overheid 16 (hierna "SCFO") van de CBPL de verweerder toestemming gegeven om de financiële gegevens van de aangifteplichtige rekeningen van Amerikaanse belastingplichtigen die hem door financiële instellingen in het kader van de FATCA-overeenkomst worden verstrekt, aan de IRS door te geven. De ID benadrukt dat het SCFO bij deze gelegenheid de toelaatbaarheid van de fiscale doeleinden van de verwerking, evenals de evenredigheid van de gegevens en de veiligheid van de verwerking heeft beoordeeld. Het SCFO had de verweerder bovendien op grond van het transparantiebeginsel opgedragen om de burger via een toegankelijke en begrijpelijke tekst op zijn website te informeren over de omstandigheden waarin zijn persoonsgegevens (met inbegrip van financiële gegevens) aan de IRS kunnen worden doorgegeven. De ID stelt in dit verband vast dat er op de website van de verweerder een webpagina over "FATCA" beschikbaar is. De ID herinnert er ten slotte aan dat overeenkomstig artikel 111 van de WOG 17 de vergunningen die vóór de inwerkingtreding van deze wet door de sectorale comités van de CBPL (zoals het SCFO) zijn verleend, in principe hun rechtsgeldigheid behouden 18. 33. De ID verwerpt de toepasselijkheid van het “Schrems II”-arrest19 van het HvJ-EU. Hij wijst erop dat dit arrest het Privacy Shield ongeldig verklaart, dat betrekking had op de doorgifte van persoonsgegevens naar de Verenigde Staten voor commerciële doeleinden (en niet voor fiscale doeleinden zoals in het onderhavige geval). De ID verwijst ook naar artikel 17 20 van de 16 Artikel 36bis van de WVP bepaalde dat elke elektronische mededeling van persoonsgegevens door een federale overheidsdienst of door een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid die onder de federale overheid ressorteert, een principiële toestemming vereist van het Sectoraal Comité van de Federale Overheid (SCFO), tenzij de doorgifte al het voorwerp uitmaakte van een principiële toestemming van een ander sectoraal comité dat binnen de CBPL is opgericht. Het SCFO heeft tot taak na te gaan of de doorgifte in overeenstemming is met de wettelijke en reglementaire bepalingen. 17 Artikel 111 van de WOG: “Onverminderd de controlebevoegdheden van de Gegevensbeschermingsautoriteit, behouden de machtigingen verleend door de sectorale comités van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer voor de inwerkingtreding van deze wet rechtsgeldigheid. Na de inwerkingtreding van deze wet is een toetreding tot een bij een beraadslaging van een sectoraal comité verleende algemene machtiging slechts mogelijk mits de aanvrager een geschreven en ondertekende verbintenis overzendt aan de Gegevensbeschermingsautoriteit waarin hij bevestigt zich aan te sluiten bij de voorwaarden van de desbetreffende beraadslaging en dit onverminderd de controlebevoegdheden die de Gegevensbeschermingsautoriteit na ontvangst van de verbintenis kan uitoefenen. Behoudens andere wettelijke bepalingen, worden lopende machtigingsaanvragen van voor de inwerkingtreding van de wet behandeld door de functionaris van de gegevensbescherming van de instellingen betrokken bij de gegevensuitwisseling.” 18 De Geschillenkamer zal zich niet in het algemeen uitspreken over de geldigheid van deze toestemmingen. Zij zal de relevantie van het beroep op de door de verweerder aangevoerde toestemming onderzoeken in het specifieke kader van de klacht die tot deze beslissing heeft geleid. 19 20 Arrest van het HvJ-EU van 16 juli 2020, C-311/18, Facebook Ireland en Schrems (Schrems II), ECLI:EU:C:2020:559. Artikel 17 van de wet van 16 december 2015: § 1. De inlichtingen die aan een aan rapportering onderworpen rechtsgebied worden doorgegeven, zijn onderworpen aan de verplichtingen inzake vertrouwelijkheid en aan de andere beschermingsmaatregelen die zijn bepaald in het verdrag inzake belastingaangelegenheden dat de automatische uitwisseling van inlichtingen tussen België en dat rechtsgebied mogelijk maakt en in het administratief akkoord dat die uitwisseling organiseert, daaronder begrepen de bepalingen die het gebruik van de uitgewisselde inlichtingen beperken. § 2. Niettegenstaande de bepalingen van een verdrag inzake belastingaangelegenheden is het evenwel zo dat de Belgische Beslissing ten gronde 79/2025 —15 /99 wet van 16 december 2015, dat met name de geheimhoudingsplicht met betrekking tot de uitgewisselde informatie en het beperkte gebruik ervan vastlegt. Dit artikel verwijst zowel naar de FATCA-overeenkomst als naar de overeenkomsten waarnaar deze laatste zelf verwijst, namelijk het reeds genoemde OESO-verdrag. 34. Na afloop van zijn onderzoek concludeert de ID dat, gelet op het bovenstaande en overeenkomstig artikel 64.2 van de WOG21, het niet opportuun is om zijn onderzoek voort te zetten en dat hij, zoals reeds vermeld (punt 31), geen "duidelijke inbreuk op de AVG" vaststelt. I.2.4. Het aanvullend onderzoek van de Inspectiedienst (ID) 35. Op 24 juni 2021 verzoekt de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 96.2 van de WOG om een aanvullend onderzoek door de ID. 36. Bij het onderzoek van het verslag van 26 mei 2021 (punten 32 e.v.) constateert de Geschillenkamer inderdaad een gebrek aan informatie over bepaalde elementen die door de klagers ter ondersteuning van hun klacht naar voren zijn gebracht, waaronder: - Het al dan niet bestaan van passende waarborgen met betrekking tot de doorgiften naar de Verenigde Staten; - Het al dan niet bestaan van verdere verwerking(
  20. en)voor andere doeleinden en het al dan niet bestaan van waarborgen, in voorkomend geval; - De bewaartermijn van de gegevens, rekening houdend met eventuele verdere verwerking; - De precieze gegevens die worden doorgegeven en de omvang van deze gegevens per betrokkene, alsmede het aantal betrokkenen in België; - Het al dan niet bestaan van een wederkerigheidsclausule en, in vookomend geval, de concrete toepassing ervan in de praktijk; - De vraag of een GEB in de zin van artikel 35 van de AVG is uitgevoerd (of zal worden uitgevoerd), in welke vorm en op welke datum; bevoegde autoriteit : - over het algemeen, en op voorwaarde van wederkerigheid, kan toestaan dat een rechtsgebied waaraan de inlichtingen worden doorgegeven die inlichtingen als bewijsmiddel gebruikt voor de strafrechtelijke rechtbanken wanneer die inlichtingen bijdragen tot het instellen van strafvervolgingen inzake fiscale fraude; - onder voorbehoud van wat is bepaald onder het eerste streepje, niet kan toestaan dat een rechtsgebied waaraan de inlichtingen worden doorgegeven, die inlichtingen gebruikt voor andere doeleinden dan het vestigen of het invorderen van de in het verdrag vermelde belastingen, de tenuitvoerlegging of vervolging ter zake van die belastingen, de beslissing in beroepszaken die betrekking hebben op die belastingen, of het toezicht daarop; en - niet kan toestaan dat een rechtsgebied waaraan de inlichtingen worden doorgegeven die inlichtingen meedeelt aan een derde rechtsgebied. 21 Artikel 64.2 van de WOG: Bij de uitoefening van de in dit hoofdstuk bedoelde bevoegdheden zorgen de inspecteur-generaal en de inspecteurs ervoor dat de middelen die zij aanwenden passend en noodzakelijk zijn. Beslissing ten gronde 79/2025 —16 /99 - De vraag of de eerste klager sinds de indiening van zijn klacht andere beroepen met hetzelfde of een soortgelijk voorwerp heeft ingesteld bij andere (gerechtelijke, administratieve) instanties en, in voorkomend geval, wat de uitkomst daarvan was. 37. Op 9 juli 2021, tijdens het onderzoek, verzoeken de klagers de ID om de doorgifte van de gegevens uit de "FATCA"-reporting voor het jaar 2020 aan de IRS tijdelijk op te schorten als voorlopige maatregel op basis van de WOG, totdat de Geschillenkamer een definitieve beslissing heeft genomen en ten minste tot 30 september 2021. De klagers voeren aan dat de aangeklaagde doorgiften, zodra ze plaatsvinden, hen ernstige, onmiddellijke en moeilijk herstelbare schade kunnen berokkenen. 38. Op 10 augustus 2021 antwoordt de ID de klagers dat het nemen van voorlopige maatregelen een van de onderzoeksbevoegdheden is die hem door de WOG zijn toegekend en dat het geen verplichting is, maar een mogelijkheid die hij volledig naar eigen goeddunken kan uitoefenen. De ID herinnert er ook aan dat hij er overeenkomstig artikel 64.2 van de WOG op toeziet dat de nodige en passende middelen worden gebruikt voor het onderzoek. Hij voegt eraan toe dat hij van niemand instructies te ontvangen heeft over de te nemen onderzoeksmaatregelen, en wijst daarmee het verzoek van de klagers af. 39. Op 14 september 2021 wordt het aanvullend onderzoek van de ID afgesloten, het verslag aan het dossier toegevoegd en het dossier door de inspecteur-generaal doorgestuurd naar de voorzitter van de Geschillenkamer (art. 91.1 en 91.2 van de WOG). 40. In zijn aanvullend verslag constateert de ID dat er geen aanwijzingen zijn voor een gebrek aan waarborgen met betrekking tot de bescherming van de doorgegeven gegevens of een gebrek aan wederkerigheid van de uitwisselingen. De ID geeft aan dat hij alleen maar kan vaststellen dat er een vrij robuust juridisch kader bestaat (dit zijn de bewoordingen van het verslag) voor de doorgifte van fiscale gegevens van Amerikaanse onderdanen door de verweerder aan de IRS. Hij verwijst in dit verband naar de beschrijving van de waarborgen rond deze doorgiften, opgesteld door de functionaris voor gegevensbescherming (hierna "DPO") van de verweerder, naar de parlementaire werkzaamheden met betrekking tot de wet tot goedkeuring van de FATCA-overeenkomst en naar de artikelen 3.722 en 3.823 van de overeenkomst zelf. De ID verwijst ook naar het reeds genoemde arrest van 19 juli 2019 van de Franse Raad van State, dat was ingesteld door de Franse zustervereniging van de tweede 22 Artikel 3.7 van de FATCA-overeenkomst: "All information exchanged shall be subject to the confidentiality and other protections provided for in the Convention, including the provisions limiting the use of the information exchanged.” “Convention” verwijst naar het Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken van 25 januari 1988. 23 Artikel 3.8. van de FATCA-overeenkomst: "Following the entry int force of this Agreement, each Competent Authority shall provide written notification to the other Competent Authority when it is satisfied that the jurisdiction of the other Competent Authority has in place (
  21. i)appropriate safeguards to ensure that the information received pursuant to this Agreement shall remain confidential and be used solely for tax purposes, and (
  22. ii)the infrastructure for an effective exchange relationship (including established processes for ensuring timely, accurate, and confidential information exchanges, effective and reliable communications and demonstrated capabilities to promptly resolve questions and concerns about exchanges or requests for exchanges and to administer the provisions of Article 5 of this Agreement). The Competent Authority shall endeavor in good faith to meet, prior to September 2015, to establish that each jurisdiction has such safeguards and infrastructure in place.” Beslissing ten gronde 79/2025 —17 /99 klager, waarin het middel dat was gebaseerd op schending van artikel 46 van de AVG met name werd verworpen24. Het verslag van de ID geeft bovendien de argumenten weer die de verweerder heeft aangevoerd om het ontbreken van een GEB te rechtvaardigen. I.2.5. Onderzoek ten gronde door de Geschillenkamer 41. Op 20 januari 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95.1 1° en artikel 98 van de WOG dat klachten nr. 1 en nr. 2 ten gronde kunnen worden behandeld. 42. Op dezelfde datum worden de partijen per aangetekende brief op de hoogte gebracht van de bepalingen zoals opgenomen in artikel 95.2 en artikel 98 van de WOG. De Geschillenkamer besluit in deze brief om de klachten nrs. 1 en 2, die betrekking hebben op dezelfde verwerking van persoonsgegevens (gegevens die verband houden met dezelfde feiten), samen te voegen, aangezien beide klachten tegen de verweerder zijn ingediend en dezelfde grieven tegen hem worden aangevoerd. De Geschillenkamer is van mening dat deze klachten zo nauw met elkaar verbonden zijn dat het voor de samenhang van haar beslissingen wenselijk is ze tegelijkertijd te behandelen en er een beslissing over te nemen. 43. In dezelfde brief kent de Geschillenkamer de partijen de volgende termijnen toe om hun conclusies in te dienen: 17 maart en 16 mei 2022 voor de verweerder en 15 april 2022 voor de klagers. 44. Uitgaande van de klacht en de verslagen van de ID identificeert de Geschillenkamer ook de grieven waarover zij de partijen verzoekt hun argumenten uiteen te zetten: - De onrechtmatigheid van de doorgifte van gegevens aan de IRS door de verweerder in het licht van de artikelen 45 en 49 van de AVG en het ontbreken van een wettelijke basis; - De niet-naleving van de beginselen van doelbinding, evenredigheid en minimale gegevensverwerking (artikel 5.1.
  23. b)en
  24. c)van de AVG) en een schending van het beginsel van opslagbeperking van gegevens (artikel 5.1.
  25. e)van de AVG); 24 De Franse Raad van State had van de Association française des Américains accidentels een verzoek tot nietigverklaring ontvangen wegens machtsmisbruik van de beslissingen waarbij haar verzoeken tot intrekking van een decreet en een ministerieel besluit tot organisatie van de verzameling en doorgifte van persoonsgegevens aan de Amerikaanse autoriteiten waren afgewezen. In zijn arrest concludeert de Franse Raad van State dat, gezien de specifieke waarborgen die de “FATCA”overeenkomst van 14 november 2013 (overeenkomst gesloten met Frankrijk) de betwiste verwerking biedt en gezien het beschermingsniveau dat wordt geboden door de in de Verenigde Staten geldende wetgeving inzake persoonsgegevens die het mogelijk maken de fiscale situatie van belastingplichtigen vast te stellen (de Franse Raad van State verwijst naar de Amerikaanse federale wet van 1974 inzake de bescherming van persoonsgegevens en naar de federale belastingwet), moet het middel dat is ontleend aan de schending van artikel 46 van de AVG en de artikelen 7 en 8 van het Handvest van de grondrechten van de EU worden afgewezen (punten 23 e.v. van het arrest). Franse Raad van State, arrest van 19 juli 2019, nr. 424216 ECLI:FR:CEASS:2019:424216.20190719: https://www.legifrance.gouv.fr/ceta/id/CETATEXT000038801233?isSuggest=true Beslissing ten gronde 79/2025 —18 /99 - De niet-naleving van het transparantiebeginsel en de informatieplicht (artikelen 5.1.a), 12 en 14 van de AVG); - De schending van artikel 16 van de AVG (recht op rectificatie) doordat de procedures van de verweerder geen mogelijkheid bieden voor de betrokkenen om hun status met betrekking tot de FATCA-wetgeving te laten corrigeren; - De schending van de verplichting om een GEB uit te voeren in de zin van artikel 35 van de AVG; - De schending van de artikelen 5.2 en 24 van de AVG in combinatie met de hierboven genoemde schendingen; 45. De niet-naleving van artikel 20 van de wet van 30 juli 2018 (WVG). De Geschillenkamer verzoekt de partijen ook om te concluderen over artikel 96 van de AVG, waarin de verweerder zich in zijn brief van 4 oktober 2021 (punt 19) beroept. 46. Op 31 januari en 8 februari 2022 vraagt de verweerder om een kopie van het dossier (art. 95.2.3° WOG), die hem op 9 februari 2022 wordt toegezonden. 47. Op 16 maart 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van antwoord van de verweerder. 48. Op 30 maart 2022 richt de Geschillenkamer een aanvullend verzoek aan de partijen met betrekking tot het beroep dat door de tweede klager bij de (Belgische) RvS is ingesteld over de problematiek van de doorgifte van gegevens van toeval-Amerikanen naar de Verenigde Staten (punt 19). Onverminderd de respectieve bevoegdheden van de RvS en de GBA, verzoekt de Geschillenkamer de tweede klager om in zijn toekomstige conclusie van antwoord of in een afzonderlijk document, naar keuze van laatstgenoemde, duidelijkheid te verschaffen over het voorwerp van dit beroep bij de RvS en, indien mogelijk, over het tijdschema daarvoor.25 De Geschillenkamer wijst erop dat deze informatie bedoeld is om te kunnen beoordelen of (de uitkomst van) dit beroep van invloed kan zijn op de lopende procedure voor de GBA en/of op haar toekomstige beslissing in deze zaak. 49. Op 15 april 2022 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van repliek van de klagers. 50. Op 16 mei 2022 ontvangt de Geschillenkamer de syntheseconclusie van de verweerder. 51. Op 17 augustus 2022 staat de Geschillenkamer bij wijze van uitzondering de partijen toe om aanvullend te concluderen over de verwijzing naar het arrest van 9 maart 2017 van het Grondwettelijk Hof die de verweerder in zijn bovengenoemde syntheseconclusie maakt. 25 In het klachtenformulier wordt de klagers gevraagd om de GBA op de hoogte te brengen van eventuele klachten die bij andere instanties zijn ingediend. Aangezien dit beroep bij de Raad van State nog niet was ingesteld op het moment dat de klacht bij de GBA werd ingediend, werd de tweede klager verzocht de Geschillenkamer hierover te informeren. Beslissing ten gronde 79/2025 —19 /99 52. Op 17 augustus 2022 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting op 13 september zal plaatsvinden. Deze hoorzitting wordt vervolgens uitgesteld tot 7 november 2022 en vervolgens tot 10 januari 2023. 53. Op 31 augustus 2022 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de klagers met betrekking tot het bovengenoemde arrest van het Grondwettelijk Hof van 9 maart 2017. 54. Op 21 september 2022 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de verweerder over hetzelfde arrest. 55. Op 23 september 2022 sturen de klagers twee documenten naar de Geschillenkamer die zij omschrijven als "nieuwe stukken" in het dossier. Het gaat meer bepaald om een advies van 23 augustus 2022 van de Slowaakse gegevensbeschermingsautoriteit (en de niet-officiële vertaling daarvan in het Frans) over de FATCA-overeenkomst waarin wordt geconcludeerd dat enerzijds de FATCA-overeenkomst en anderzijds het geactualiseerde rapport "FATCA legislation and its application at international and EU level – an update" van september 2022, dat in opdracht van het Europees Parlement is opgesteld, niet in overeenstemming zijn met de AVG. 56. Hierna volgt een briefwisseling tussen de partijen over de ontvankelijkheid van deze documenten, die buiten de gestelde termijn voor het indienen van hun respectieve conclusies en stukken zijn overgelegd. 57. Op 3 oktober 2022 deelt de Geschillenkamer de partijen mee dat zij hen aan het begin van de hoorzitting de gelegenheid zal geven om zich over deze documenten uit te spreken. I.2.6. De hoorzitting van de partijen van 10 januari 2023 58. Op 10 januari 2023 worden de partijen door de Geschillenkamer gehoord. Tijdens de hoorzitting, en zoals weergegeven in het proces-verbaal, geeft de Geschillenkamer aan dat zij gemachtigd is om kennis te nemen van alle relevante stukken. Geen enkel stuk wordt uit de procedure geweerd, op voorwaarde dat de uitoefening van de rechten van de verdediging ten aanzien daarvan mogelijk wordt gemaakt, hetzij tijdens de hoorzitting, hetzij, indien nodig, na afloop daarvan. De partijen komen niet meer op dit punt terug. 59. Op 27 januari 2023 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. De Geschillenkamer ontvangt geen opmerkingen van de partijen over dit proces-verbaal. De partijen geven respectievelijk op 29 januari 2023 (voor de klagers) en 3 februari 2023 (voor de verweerder) uitdrukkelijk aan de Geschillenkamer door dat dit proces-verbaal een getrouwe weergave is van de besprekingen tijdens de hoorzitting. Beslissing ten gronde 79/2025 —20 /99 I.3. 60. Beslissing 61/2023 Op 24 mei 2023 neemt de Geschillenkamer, bestaande uit de heer Hielke Hijmans, voorzitter, de heer Yves Poullet en de heer Christophe Boeraeve, leden, beslissing 61/2023. 61. In deze beslissing beslist de Geschillenkamer: - Op grond van artikel 100.1.8° van de WOG, de verwerking door de verweerder te verbieden van de persoonsgegevens van de eerste klager en van Belgische toevalAmerikanen in toepassing van de FATCA-overeenkomst en de wet van 16 december 2015 tot regeling van de mededeling van inlichtingen betreffende financiële rekeningen door de Belgische financiële instellingen en de FOD Financiën, in het kader van een automatische uitwisseling van inlichtingen op internationaal niveau en voor belastingdoeleinden. - Op grond van artikel 100.1.5° van de WOG, de verweerder een berisping te geven met betrekking tot artikel 14.1-2 in combinatie met artikel 12.1 van de AVG, vergezeld van een bevel tot naleving op basis van artikel 100.1.9° van de WOG, namelijk het verstrekken van AVG conforme informatie op zijn website; - Op grond van artikel 100.1.5° van de WOG, de verweerder een berisping te geven met betrekking tot de inbreuk op artikel 35.1 van de AVG, vergezeld van een bevel tot naleving op grond van artikel 100.1.9° van de WOG, bestaande uit het uitvoeren van een GEB in de zin van artikel 35 van de AVG; - De bewijsstukken die aantonen dat aan de opgelegde maatregelen is voldaan, moeten binnen drie maanden na de kennisgeving van de beslissing aan de Geschillenkamer worden meegedeeld; - Op grond van artikel 100.1.5° van de WOG, de verweerder een berisping te geven wegens de inbreuk op de artikelen 5.2 en 24 van de AVG. I.4. 62. Het beroep tegen beslissing 61/2023 voor het Marktenhof Bij verzoekschrift van 14 juni 2023 tekent de verweerder beroep aan bij het Marktenhof tot opschorting en nietigverklaring van beslissing 61/2023. De GBA is de verweerder in het kader van dit beroep. 63. Op 27 juni 2023 dienen de klagers een verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst in. 64. In het kader van haar verdediging voor het Marktenhof voert de GBA verschillende middelen aan ter ondersteuning van haar verzoek aan het Marktenhof om het beroep van de verweerder ontvankelijk maar ongegrond te verklaren. Beslissing ten gronde 79/2025 —21 /99 65. Zij verzoekt het hof ook, voor zover het twijfels heeft over een of meer van de aan de orde gestelde punten, de volgende prejudiciële vragen voor te leggen aan het HvJ-EU: - 1°) "Kan nationale wetgeving die een internationale overeenkomst tussen een lidstaat en een derde staat goedkeurt, een "algemeen belang" in de zin van artikel 26.1.
  26. d)van Richtlijn 95/46/EG vormen indien die derde staat geen daadwerkelijke wederkerigheid garandeert?"; - 2°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.
  27. b)van Richtlijn 95/46/EG, voor zover de doeleinden van de verwerking van de persoonsgegevens, zoals die uit de overeenkomst in kwestie blijken, in vage bewoordingen zijn geformuleerd, zoals "de naleving van internationale belastingregels" of "de uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Amerikaanse "FATCA"wet ter bestrijding van belastingontduiking door Amerikaanse onderdanen?"”; - 3°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.
  28. b)van Richtlijn 95/46/EG, voor zover de derde staat geen passende waarborgen heeft ingesteld om te voorkomen dat de betrokken gegevens voor andere dan de in de overeenkomst voorziene doeleinden worden gebruikt?"; - 4°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.
  29. c)van Richtlijn 95/46/EG, voor zover de nationale wetgeving en de internationale overeenkomst in kwestie geen bepalingen en criteria bevatten die een expliciet verband leggen tussen de doorgifte van persoonsgegevens betreffende financiële rekeningen en mogelijke belastingfraude of belastingontduiking?"; - 5°) "Is de doorgifte van persoonsgegevens aan de belastingdienst van een derde staat op grond van nationale wetgeving waarbij een internationale overeenkomst tussen de betrokken lidstaat en die derde staat wordt goedgekeurd, in strijd met artikel 6.1.
  30. e)van Richtlijn 95/46/EG, voor zover er geen adequate waarborgen zijn om te voorkomen dat de betrokken gegevens langer worden bewaard dan nodig is voor het bereiken van de nagestreefde doeleinden, zodra de gegevens zijn doorgegeven aan de belastingdienst van die derde staat?"; - 6°) "Moeten in het geval van een internationale overeenkomst tussen een lidstaat en een derde staat betreffende de doorgifte van persoonsgegevens aan de Beslissing ten gronde 79/2025 —22 /99 belastingdienst van die derde staat, de "voldoende waarborgen" in de zin van artikel 26.2 van Richtlijn 95/46/EG in de internationale overeenkomst zelf worden opgenomen?"; - 7°) "Moet artikel 96 van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), afzonderlijk of in combinatie met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie en/of artikel 351 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat de lidstaten verplicht zijn hun uiterste best te doen om de internationale verdragen waarbij zij partij zijn en die niet in overeenstemming zijn met de bepalingen van deze verordening, te wijzigen, te vervangen of in te trekken? - Zo ja, kan een lidstaat die in 2023 niet alles in het werk heeft gesteld om een internationaal verdrag waarbij hij partij is en dat niet in overeenstemming is met de bepalingen van Verordening (EU) 2016/679, te wijzigen, te vervangen of in te trekken, zich beroepen op artikel 96 van die verordening om gedrag te rechtvaardigen dat onverenigbaar is met die verordening?” I.5. 66. De arresten van het Marktenhof van 28 juni en 20 december 2023 Op 28 juni 2023 wijst het Marktenhof een interlocutoir arrest (2023/AR/801) waarbij het de tenuitvoerlegging26 van beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer met onmiddellijke ingang opschort, totdat het zich ten gronde uitspreekt over het ingestelde beroep tot vernietiging. 67. Op 20 december 2023 wijst het Marktenhof een arrest (2023/AR/801) waarin het beslissing 63/2021 van de Geschillenkamer vernietigt en uitspreekt dat de zaak naar de “anders samengestelde” Geschillenkamer wordt verwezen, zodat deze opnieuw, op gemotiveerde wijze, ten gronde uitspraak kan doen, rekening houdend met de overwegingen in zijn arrest. 68. Wat deze overwegingen betreft, verwijt het Marktenhof de Geschillenkamer dat zij haar beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, wat in strijd is met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve handelingen. Meer bepaald wijst het Marktenhof erop dat niet aan deze motiveringsvereiste is voldaan, aangezien "niets erop wijst dat bij de genoemde beslissing rekening is gehouden met de 26 Overeenkomstig artikel 108.1, tweede lid, van de WOG zijn de beslissingen van de Geschillenkamer namelijk, behoudens uitzonderingen, voorlopig uitvoerbaar: "Behoudens de bij de wet voorziene uitzonderingen of tenzij de Geschillenkamer bij met redenen omklede beslissing anders beslist, is de beslissing voorlopig uitvoerbaar, niettegenstaande beroep. De beslissing tot verwijdering van gegevens overeenkomstig artikel 100, § 1, 10°, is niet voorlopig uitvoerbaar." Beslissing ten gronde 79/2025 —23 /99 verslagen van de algemene inspectie en de concrete analyse die door deze dienst is uitgevoerd; zij motiveert niet waarom zij afwijkt van de vaststellingen die daarin werden gedaan met betrekking tot de rechtmatigheid van de gegevensverwerking door de FOD Financiën" (punt 35 van het arrest) (vrije vertaling). Het hof stelt in dit verband dat de soevereine beoordeling van de Geschillenkamer gepaard moet gaan met een versterkte motiveringsplicht wanneer zij afwijkt van de vaststellingen van de ID. Aangezien de Geschillenkamer om een onderzoeksverslag heeft verzocht, mogen de betrokken partijen terecht verwachten dat dit verslag door de Geschillenkamer in haar beoordeling in aanmerking wordt genomen. Bijgevolg moet de Geschillenkamer de redenen motiveren waarom zij de vaststellingen of conclusies van de ID niet volgt (punt 30 van het arrest). 69. Het Marktenhof wijst met name op het volgende: - Wat de naleving van het beginsel van doelbinding betreft, is de beslissing uitsluitend (§ 164) gebaseerd op een passage uit het WP 234-rapport van de Groep artikel 29 en op een artikel over rechtsleer, geschreven door de voorzitter van de Geschillenkamer zelf over een analyse van het HvJ-EU, d.w.z. op algemene en theoretische verwijzingen. Zo houdt beslissing 61/2023 geen rekening met de concrete analyse van de ID, waarin werd opgemerkt

(1)dat de CBPL in haar twee adviezen de legitimiteit van de belastingdoeleinden en de noodzaak van de doorgifte van gegevens aan derde landen had kunnen beoordelen op grond van een zwaarwegend algemeen belang van België en gezien de wederkerigheid van de uitwisselingen;
(2)dat het SCFO eveneens de verweerder had gemachtigd om de gevraagde gegevens aan de IRS door te geven en bij die gelegenheid de toelaatbaarheid van de belastingdoeleinden van de verwerking, de evenredigheid van de verwerkte gegevens en de veiligheid van de verwerking had kunnen beoordelen; en
(3)dat overeenkomstig artikel 111, lid 1, van de WOG de door de sectorale comités van de CBPL verleende machtigingen in principe hun rechtsgeldigheid behouden. - In zijn onderzoek van de beginselen van noodzaak en minimale gegevensverwerking wijst het hof ook op het te algemene karakter van de Europese bronnen (advies van de Groep artikel 29, studie van het Europees Parlement) die door de Geschillenkamer zijn gebruikt. Het concludeert dat deze laatste geen rekening heeft gehouden met de analyse van de ID, waarin werd opgemerkt dat zowel de CBPL als het SCFO de noodzaak en evenredigheid van de gegevensdoorgiften gunstig hadden beoordeeld. Het hof is ook van mening dat in de beslissing geen rekening is gehouden met de concrete antwoorden van de DPO van de verweerder op de vragen 6, 7 en 8 in het aanvullend verslag van de ID, die juist betrekking hadden op de concrete beoordeling van het beginsel van minimale gegevensverwerking. Beslissing ten gronde 79/2025 —24 /99 - Ten slotte merkt het Marktenhof met betrekking tot het kader voor de doorgifte van gegevens aan de IRS op dat, wat betreft de "passende waarborgen" bedoeld in artikel 46.2.
  1. a)van de AVG, beslissing 61/2023 bepaalt dat deze in de internationale overeenkomst zelf moeten zijn opgenomen en onderzoekt het hof deze in het licht van de richtsnoeren 02/2020 van de EDPB. Het hof merkt daarbij op dat de Geschillenkamer geen rekening houdt met de waarborgen die door de ID zijn genoemd, met name in zijn aanvullend verslag: o Artikel 3.7 van de FATCA-overeenkomst verwijst naar "de geheimhoudingsverplichtingen en andere waarborgen waarin het multilaterale verdrag van de OESO voorziet (artikelen 21 en 22 – bladzijde 3/22 van het aanvullend verslag van de ID; o Artikel 3.8 van de FATCA-overeenkomst bepaalt dat elke bevoegde autoriteit de andere schriftelijk op de hoogte stelt wanneer zij ervan overtuigd is dat deze laatste passende waarborgen heeft ingevoerd (pagina 3/22 van het aanvullend verslag van de ID); o De antwoorden van de DPO van de FOD Financiën op de vragen 1 tot en met 4 van het ID met betrekking tot de ingevoerde waarborgen en met name de kennisgeving van de Belgische belastingdienst aan de Amerikaanse belastingdienst over de invoering van de waarborgen (antwoord op vraag 2). 70. Wat eventuele prejudiciële vragen betreft, vermeldt het hof in het dictum van zijn arrest dat "er in dit stadium geen reden is om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen" (pagina 52 van het arrest). I.6. Voorgeschiedenis van de hervatting van de procedure die tot de onderhavige beslissing heeft geleid I.6.1. 71. De beslissing van 20 maart 2024 over de samenstelling Naar aanleiding van het arrest van het Marktenhof van 20 december 2023 beslist de voorzitter van de Geschillenkamer, H. Hijmans 27, op 20 maart 2024 de hervatting van de procedure in deze zaak toe te vertrouwen aan een kamer bestaande uit de volgende drie leden: Yves Poullet als voorzitter van de kamer, Christophe Boeraeve en Jelle Stassijns. 27 De Geschillenkamer verstaat hieronder de voorzitter die door de Kamer van volksvertegenwoordigers is aangewezen overeenkomstig hoofdstuk 3 van de WOG, meer bepaald artikel 39. Beslissing ten gronde 79/2025 —25 /99 72. Deze beslissing is gebaseerd op artikel 43 van het RIO van de GBA 28, dat de voorzitter van de Geschillenkamer de bevoegdheid geeft om de zaken over zijn leden te verdelen en te beslissen of de Geschillenkamer in een bepaalde zaak met drie leden zitting neemt. 73. Deze beslissing wordt als volgt gemotiveerd: - "er zijn grondbeginselen van de bescherming van persoonsgegevens in het geding, zodat de zaak moet worden behandeld door een kamer bestaande uit drie leden": op te merken valt dat de woorden “grondbeginselen van de bescherming van persoonsgegevens" specifiek verwijzen naar artikel 43 van het RIO; - de proceduretaal in deze zaak is het Frans: in overeenstemming met de beginselen van behoorlijk bestuur en in de geest van de wetgeving inzake het gebruik van talen verdient het de voorkeur dat de meerderheid van de kamer, met inbegrip van de voorzitter, deel uitmaakt van de Franstalige rol van de Geschillenkamer; - een van de Franstalige leden heeft – of kan worden geacht te hebben – een belangenconflict in de zin van artikel 58 van het RIO van de GBA." 29 74. Op basis van deze elementen concludeert voorzitter H. Hijmans dat de vernieuwing van de samenstelling van de zetel van de Geschillenkamer noodzakelijkerwijs slechts gedeeltelijk kan zijn. I.6.2. De hervatting van het onderzoek ten gronde 75. Op 30 mei 2024 stelt de Geschillenkamer de partijen in kennis van de hervatting ab ovo van het onderzoek ten gronde van de klacht en nodigt hen daartoe uit om te concluderen met betrekking tot de hieronder vermelde grieven. Zij herinnert daarbij aan de samenvoeging van klacht nr. 1 en nr. 2 die zij in haar brief van 20 januari 2022 heeft uitgevoerd. De definitieve kalender voor het uitwisselen van argumenten tussen de partijen wordt, na wijziging per email van 11 juni 202430, als volgt vastgesteld: 7 augustus en 4 oktober 2024 voor de verweerder en 5 september 2024 voor de klagers. 28 Art. 43 van het RIO: De bij de geschillenkamer aanhangig gemaakte dossiers worden door haar voorzitter verdeeld onder de leden van de geschillenkamer. Het lid aan wie het dossier is toegewezen, zetelt alleen. De geschillenkamer zetelt met drie leden indien de voorzitter daartoe beslist. Hij neemt die beslissing rekening houdend met de aard van de klacht en de inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens. Het lid aan wie een dossier is toegewezen kan, rekening houdend met de omstandigheden, omschreven in het vorige lid, evenwel aan de voorzitter vragen om te zetelen met drie leden. De voorzitter zorgt voor ondersteuning door aanduiding van ambtenaren van de administratie van de GBA, die deel uitmaken van het secretariaat van de geschillenkamer. 29 Uit artikel 58 van het RIO blijkt dat de bevoegdheid om te beslissen of een lid van de Geschillenkamer een belangenconflict heeft, bij de voorzitter van de Geschillenkamer berust. Een belangenconflict wordt daarin als volgt gedefinieerd: "Een belangenconflict doet zich voor wanneer de onpartijdige en objectieve uitoefening van de functie/van het lidmaatschap of de naleving van de principes van eerlijke concurrentie, niet-discriminatie en gelijke behandeling in het gedrang komen omwille van een belang dat gedeeld wordt met een persoon of instantie vermeld in het te behandelen dossier". 30 Deze e-mail volgt op een verzoek van de verweerder om de termijnen te wijzigen. De Geschillenkamer heeft daarentegen geen gevolg gegeven aan het verzoek van de verweerder om slechts één ronde van conclusies te organiseren, beginnend met de klagers en eindigend met de verweerder. Beslissing ten gronde 79/2025 —26 /99 76. De grieven waartegen de partijen zich moeten verdedigen, zijn identiek aan die welke door de Geschillenkamer in haar brief van 20 januari 2022 (punten 41 e.v.) zijn geformuleerd, met uitzondering van de grief betreffende de niet-naleving van artikel 20 van de WVG, waarvoor de Geschillenkamer de partijen verzoekt zich te verdedigen "voor zover deze grief door de klagers wordt gehandhaafd, aangezien zij deze hebben laten vallen tijdens de uitwisseling van conclusies die heeft geleid tot beslissing 61/2023 van de Geschillenkamer, die door het Marktenhof is vernietigd". 77. De Geschillenkamer verzoekt de partijen bovendien haar duidelijkheid te verschaffen over de toepasselijkheid van artikel 96 van de AVG en over het bestaan van passende waarborgen met betrekking tot de doorgifte van gegevens aan de IRS, met vermelding van de precieze bepalingen waarop zij zich baseren, ongeacht of deze bepalingen zijn gebaseerd op bepalingen van Richtlijn 95/46/EG, de AVG of aan andere teksten die van toepassing waren op het moment van de aangeklaagde feiten en op dit moment. 78. Ten slotte verzoekt de Geschillenkamer de partijen in het bijzonder om in hun respectieve argumentatie rekening te houden met de overwegingen van het Marktenhof in zijn vernietigingsarrest van 20 december 2023 met betrekking tot de vaststellingen van de ID, met name die welke door het hof in punt 34 van zijn arrest worden genoemd. 79. Op 30 mei 2024 delen de klagers de Geschillenkamer mee dat zij na de uitwisseling van conclusies willen worden gehoord overeenkomstig artikel 98 van de WOG juncto de artikelen 48 tot en met 54 van het RIO van de GBA. 80. Op 5 augustus 2024 ontvangt de Geschillenkamer de hoofdconclusie van de verweerder. 81. Op 3 september 2024 deelt de Geschillenkamer de partijen de beslissing mee die op 20 maart 2024 door de heer Hielke Hijmans is genomen met betrekking tot de vernieuwde samenstelling van de Geschillenkamer, waarvan sprake in punt 72. 82. Op 5 september 2024 ontvangt de Geschillenkamer de conclusie van de klagers. - De klagers stellen vast dat de Geschillenkamer anders is samengesteld dan gevraagd door het Marktenhof in zijn arrest van 20 december 2023. - De klagers stellen dat de banken geen partij zijn in de zaak (zie de kritiek van de verweerder hierover hieronder) niet "vanwege een belangenconflict met de raadsman van de klager", maar omdat het niet de financiële instellingen zijn die verantwoordelijk zijn voor de verwerking van de persoonsgegevens die aan de IRS worden doorgegeven. - Wat artikel 96 van de AVG betreft, zijn de klagers van mening dat niet aan de voorwaarden voor de toepassing ervan is voldaan en dat geen van de teksten die de verweerder heeft aangevoerd om aan te tonen dat de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met het op 24 mei 2016 toepasselijke Unierecht, de toetsing Beslissing ten gronde 79/2025 —27 /99 doorstaat, met name gezien de voorrang die moet worden gegeven aan de rechtspraak van het HvJ-EU in zijn arrest C-175/22. - De klagers zijn van mening dat de FATCA-overeenkomst niet de minimale waarborgen bevat die vereist zijn op grond van artikel 46.2.
  2. a)van de AVG. Zij wijzen er ook op dat artikel 49.1.d), dat aanvankelijk door de verweerder werd aangevoerd, in casu niet kan worden toegepast. - De klagers stellen ook dat de verweerder haar informatieplicht niet nakomt, wat in strijd is met artikel 14 van de AVG en het transparantiebeginsel. - De klagers zijn van mening dat de verweerder artikel 35 van de AVG heeft geschonden door geen GEB uit te voeren. - De klagers zijn ook van mening dat in deze zaak artikel 5.2 en artikel 24 van de AVG zijn geschonden. 83. Op 4 oktober 2024 ontvangt de Geschillenkamer de aanvullende conclusie van de verweerder die geldt als syntheseconclusie. De verweerder heeft een tweede aanvullende conclusie ingediend die geldt als syntheseconclusie; zijn argumentatie wordt hieronder in punt 86 samengevat. 84. Op 18 oktober 2024 richt de Geschillenkamer zich tot de partijen en merkt op dat de aanvullende conclusie en de syntheseconclusie van de verweerder een aantal verzoeken bevatten die rechtstreeks aan de klagers en hun raadslieden zijn gericht 31. Om over een degelijk dossier te beschikken, beslist de Geschillenkamer de klagers een laatste termijn tot 4 november 2024 te geven om hierop te reageren. Zij voegt eraan toe dat indien de klagers reageren, aan de verweerder eenzelfde termijn wordt gegeven voor een laatste repliek. 85. Op 4 november 2024 dienen de klagers een aanvullende conclusie in. 86. Op 19 november 2024 ontvangt de Geschillenkamer de tweede aanvullende conclusie die geldt als syntheseconclusie van de verweerder. - De verweerder betwist dat de Geschillenkamer "anders is samengesteld" zoals gevraagd door het Marktenhof in zijn arrest van 20 december 2023. - De verweerder verzoekt om opschorting van de zaak in afwachting van de tussenkomst van de financiële instellingen in de procedure. Hun afwezigheid is volgens hem een inbreuk op het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, aangezien noch de verweerder, noch de GBA bevoegd zijn om hen te 31 De verweerder verzoekt om de overlegging van specifieke stukken (zie hieronder). Hij verzoekt ook om de terugtrekking van de raadslieden van de klagers wegens een belangenconflict. Beslissing ten gronde 79/2025 —28 /99 dwingen aan de zaak deel te nemen, terwijl zij een essentiële rol spelen in de verwerkingsketen die leidt tot de betwiste doorgiften aan de IRS. - De verweerder verzoekt de klagers om overlegging van het besluit van de CNIL van 23 mei 2022, waarbij deze laatste een klacht afsluit die vergelijkbaar is met de klacht die tot de onderhavige beslissing heeft geleid. Zoals in punt 91 zal worden uiteengezet, is dit stuk op 29 november 2024 door de klagers overgelegd. - De verweerder is van mening dat aan de voorwaarden van artikel 96 van de AVG is voldaan en dat de FATCA-overeenkomst, gelezen in combinatie met de wet van 16 december 2015 die er onlosmakelijk mee verbonden is, in overeenstemming is met het op 24 mei 2016 toepasselijke EU-recht. De betwiste doorgiften aan de IRS, waarvan hij niet ontkent dat hij verwerkingsverantwoordelijke is, zijn dus niet onrechtmatig en kunnen worden uitgevoerd. - De verweerder voert aan dat, onverminderd de toepassing van artikel 96 van de AVG, de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met de AVG en dat op basis daarvan en op basis van de wet van 16 december 2015 de doorgiften aan de IRS rechtmatig zijn. - De verweerder ontkent elke schending van de informatieplicht die volgens hem op de banken rust. Hij informeert de betrokkenen niettemin op adequate wijze via zijn website. - De verweerder is van mening dat hij niet verplicht was een GEB uit te voeren, gezien de voorafgaande analyse die hij had uitgevoerd. - De verweerder is van mening dat hij het in de artikelen 5.2 en 24 van de AVG vastgelegde beginsel van “accountability” niet heeft geschonden. I.6.3. De uitnodiging voor de hoorzitting en de hoorzitting van de partijen 87. Op 28 november 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting is vastgesteld op 11 december 2024. 88. De Geschillenkamer vermeldt in haar uitnodigingsbrief dat zij ingaat op het verzoek van de klagers om een hoorzitting en roept derhalve de partijen op. De Geschillenkamer verwerpt dus het verzoek van de verweerder in punt 75 van zijn tweede aanvullende conclusie die geldt als syntheseconclusie, om het verzoek van de klagers om te worden gehoord af te wijzen, omdat deze hoorzitting zinloos zou zijn aangezien de Geschillenkamer nog steeds bestaat uit twee leden, waaronder de waarnemend voorzitter, die de hoorzitting van 10 januari 2023 hebben bijgewoond in het kader van de procedure die heeft geleid tot beslissing 61/2023. Beslissing ten gronde 79/2025 —29 /99 89. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat zij op de dag van verzending en bij de huidige stand van het dossier overigens geen gevolg geeft aan het verzoek om opschorting van de zaak in afwachting van de tussenkomst van de financiële instellingen dat eveneens door de verweerder is geformuleerd in het dispositief van zijn tweede aanvullende conclusie die als syntheseconclusie geldt. De Geschillenkamer merkt op dat de financiële instellingen op de datum van de uitnodiging geen partij zijn in de procedure en evenmin zijn tussengekomen. 90. Wat ten slotte het verzoek van de verweerder betreft om de zaak op te schorten in afwachting van de overlegging door de klagers van de beslissing van de voorzitter van de CNIL van 23 mei 2022, merkt de Geschillenkamer op dat de klagers, in antwoord op het verzoek van de verweerder aan hen in zijn aanvullende en syntheseconclusie van 2 oktober 2024, aangeven dat zij niet over deze beslissing beschikken en dat zij ook niet de geadresseerden ervan zijn. De Geschillenkamer stelt meer in het algemeen vast dat de door de verweerder in zijn conclusie gevraagde stukken niet door de klagers zijn overgelegd aan het einde van de aanvullende termijn voor de uitwisseling van conclusies die met name voor dit doel was vastgesteld. Zonder op de datum van verzending en in de huidige stand van het dossier het verzoek tot opschorting van de verweerder om deze reden in te willigen, kent de Geschillenkamer de klagers een laatste termijn toe voor het overleggen van de documenten tot 5 december 2024, omdat zij van oordeel is dat zij over alle stukken moet beschikken die mogelijk relevant zijn voor de beslechting van het geschil (of daar in ieder geval niet van verstoken mag zijn). 91. Op 29 november 2024 produceren de klagers de beslissing van de voorzitter van de CNIL van 23 mei 2022.32 92. Op 11 december 2024 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer. Na afloop van de hoorzitting besluit de Geschillenkamer de zaak voort te zetten in afwachting van de overlegging door de verweerder van het document "Notification of adequacy of data safeguards and infrastructure", dat zowel door de verweerder als door de IRS is ondertekend. Het genoemde document in het dossier van de verweerder was namelijk alleen ondertekend door de Belgische autoriteiten op 10 januari 2017. De Geschillenkamer geeft aan dat de zaak in beraad zal worden genomen zodra het document is ontvangen. 32 Deze beslissing verklaart de afsluiting door de Commission Nationale Informatique et Libertés (CNIL), de Franse gegevensbeschermingsautoriteit, van de klacht van de Association française des Américains accidents tot opschorting van de automatische doorgifte van fiscale gegevens tussen Frankrijk en de Verenigde Staten op grond van de internationale overeenkomst die op 14 november 2013 tussen de regering van de Franse Republiek en de regering van de Verenigde Staten van Amerika is gesloten (de “FATCA-overeenkomst”). De CNIL stelt dat de Franse Raad van State zich reeds over deze kwestie heeft uitgesproken in een arrest van 19 juli 2019 (zie supra voetnoot 24), waarin zij concludeerde dat de “FATCA”overeenkomst verenigbaar is met de AVG. De CNIL geeft aan dat zij na bestudering van de argumenten van de klacht van mening is dat er geen reden is om het standpunt van de hoogste administratieve rechterlijke instantie van Frankrijk in twijfel te trekken. Beslissing ten gronde 79/2025 —30 /99 93. Op 17 december 2024 produceert de verweerder de door beide partijen (de IRS enerzijds en de verweerder anderzijds) ondertekende kopie van de "Notification of adequacy of data safeguards and infrastructure, waarvan hierboven sprake. 94. Op 24 december 2024 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd. Beide partijen delen de Geschillenkamer mee (respectievelijk op 20 januari 2025 voor de verweerder en op 23 januari 2025 voor de klagers) dat dit proces-verbaal van de hoorzitting geen aanleiding tot opmerkingen geeft van hun kant. II. Motivering II.1. Wat betreft de bevoegdheid van de Geschillenkamer van de GBA 95. De AVG heeft de gegevensbeschermingsautoriteiten ("toezichthoudende autoriteiten") van de EU met name de taak toevertrouwd om de bij hen ingediende klachten te behandelen (artikel 57.1.
  3. f)van de AVG). 96. Bij de behandeling van klachten moeten de gegevensbeschermingsautoriteiten bijdragen tot de coherente toepassing van de AVG in de hele EU. 97. In dit geval is het in artikel 56 van de AVG voorziene één-loketmechanisme niet van toepassing, gelet op artikel 55.2 van de AVG, dat bepaalt: “In het geval van verwerking door overheidsinstanties of door particuliere organen die handelen op grond van artikel 6, lid 1, onder
  4. c)of e), is de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat in kwestie competent. In dergelijke gevallen is artikel 56 niet van toepassing.” 98. De klacht die ter beoordeling aan de Geschillenkamer is voorgelegd, heeft betrekking op de mededeling (doorgifte) (d.w.z. een verwerking in de zin van artikel 4.2 van de AVG) van persoonsgegevens (in de zin van artikel 4.1 van de AVG) door een Belgische overheidsinstantie (de verweerder) aan een buitenlandse overheidsinstantie (de IRS) ter uitvoering van de FATCA-overeenkomst en de Belgische wet van 16 december 2015. 99. Wanneer dus moet worden beoordeeld of een bilaterale intergouvernementele FATCAovereenkomst in overeenstemming is met de regels inzake gegevensbescherming, zelfs als deze overeenkomst qua inhoud vergelijkbaar is met andere bilaterale FATCAovereenkomsten die door de Verenigde Staten met andere EU-lidstaten zijn gesloten, is de GBA als enige bevoegd op grond van artikel 55 van de AVG en artikel 4 van de WOG. Hetzelfde geldt voor elke andere gegevensbeschermingsautoriteit in de EU die met dezelfde kwestie wordt geconfronteerd. 100. In tegenstelling tot wat geldt wanneer het één-loketmechanisme van toepassing is, hebben de gegevensbeschermingsautoriteiten van de EU in dit geval geen recht van inzage in het ontwerpbesluit van de GBA (artikel 60.1-3 van de AVG). In het geval van meningsverschillen Beslissing ten gronde 79/2025 —31 /99 over de toepassing van de AVG kan er geen relevant en gemotiveerd bezwaar in de zin van artikel 60.4 van de AVG door een andere gegevensbeschermingsautoriteit worden ingediend tegen het ontwerpbesluit van de GBA en kan geen bindend besluit 33 worden genomen overeenkomstig artikel 65 van de AVG door het Europees Comité voor gegevensbescherming (hierna "EDPB") in geval van onenigheid tussen de gegevensbeschermingsautoriteiten over de toepassing van de AVG in het betreffende geval. Deze vaststelling geldt zowel voor het besluit van de GBA als voor de besluiten die in het verleden zijn genomen of in de toekomst zullen worden genomen door andere gegevensbeschermingsautoriteiten in de EU over dezelfde problematiek. 101. Tot de bevoegdheden van de EDPB behoort ook het uitbrengen van adviezen op grond van artikel 64.2 van de AVG34,. Het verzoek om een dergelijk advies moet echter betrekking hebben op een kwestie van algemene toepassing en niet op een specifiek dossier/een specifieke verwerking. 102. Het feit dat het één-loketmechanisme niet van toepassing is en dat de EDPB niet bevoegd is om te beslissen over de vraag of de FATCA-overeenkomst in overeenstemming is met de toepasselijke gegevensbeschermingsregelgeving in de EU, ontslaat de GBA er niet van om de AVG zo coherent mogelijk toe te passen, integendeel. 103. Hiervoor zal de Geschillenkamer het grootste belang hechten aan de relevante arresten van het HvJ-EU. 104. De Geschillenkamer zal ook zoveel mogelijk rekening houden met de relevante richtsnoeren en adviezen die zijn aangenomen en openbaar gemaakt door zowel de Groep artikel 29 als de EDPB, waarvan zij lid was/is en aan de goedkeuring waarvan zij als (administratieve) gegevensbeschermingsautoriteit heeft deelgenomen. Wat de EDPB betreft, blijkt uit de taken die hem krachtens artikel 70 van de AVG zijn toevertrouwd, dat hij een essentiële rol te vervullen heeft met betrekking tot de coherente toepassing van de regels die de AVG voorschrijft ten aanzien van grensoverschrijdende gegevensstromen, met name door de vaststelling van richtsnoeren (zie ook overweging 139). 35 De richtsnoeren 33 Artikel 65, lid 1, van de AVG: Om te zorgen voor de correcte en consequente toepassing van deze verordening in individuele gevallen, stelt het Comité een bindend besluit vast in de volgende gevallen:
  5. a)wanneer in een geval als bedoeld in artikel 60, lid 4, een betrokken toezichthoudende autoriteit een relevant en gemotiveerd bezwaar heeft ingediend tegen een ontwerpbesluit van de leidende toezichthoudende autoriteit of de leidende toezichthoudende autoriteit dit bezwaar heeft afgewezen als zijnde irrelevant of ongemotiveerd. Het bindend besluit heeft betrekking op alle aangelegenheden die onderwerp van het relevante en gemotiveerde bezwaar zijn, en met name op de vraag of inbreuk op de onderhavige verordening wordt gemaakt; 34 Artikel 64, lid 2, van de AVG: Een toezichthoudende autoriteit, de voorzitter van het Comité of de Commissie kunnen elk verzoeken dat aangelegenheden van algemene strekking of met rechtsgevolgen in meer dan één lidstaat worden onderzocht door het Comité teneinde advies te verkrijgen, met name wanneer een bevoegde toezichthoudende autoriteit haar verplichtingen tot wederzijdse bijstand overeenkomstig artikel 61, of tot gezamenlijke werkzaamheden overeenkomstig artikel 62, niet nakomt.. 35 Zie in dit verband, naast de verwijzing naar zijn adviesfunctie ten aanzien van de Europese Commissie met betrekking tot het beschermingsniveau in derde landen, artikel 70, onder c), i),
  6. j)en s), van de AVG en artikel 64, onder
  7. e)en f), van de AVG, die alle specifiek betrekking hebben op de rol van de EDPB met betrekking tot dergelijke stromen. Beslissing ten gronde 79/2025 —32 /99 van de EDPB zijn weliswaar niet juridisch bindend, althans niet voor degenen tot wie zij zijn gericht. Zij zijn echter wel bindend voor de gegevensbeschermingsautoriteiten die ze hebben aangenomen, die er niet zonder duidelijke reden van kunnen afwijken, omdat dit rechtsonzekerheid zou creëren voor degenen voor wie ze zijn bestemd, namelijk zowel de betrokkenen als de verwerkingsverantwoordelijken die zich eraan houden (in overeenstemming met het standpunt van de gegevensbeschermingsautoriteiten waaronder deze verwerkingsverantwoordelijken vallen, onverminderd de bevoegdheid van de rechterlijke instanties). De Geschillenkamer moet zich er dus op beroepen wanneer zij deze relevant acht in het licht van de klacht die haar is voorgelegd. Hetzelfde geldt voor de adviezen van de Groep artikel 29.36 105. De Geschillenkamer voegt eraan toe dat zij zich ervan bewust is dat andere gegevensbeschermingsautoriteiten voorkomend geval en andere beroepsinstanties administratieve voor rechtbanken, de in genoemde gegevensbeschermingsautoriteiten, zich al in diverse zin hebben uitgesproken over dezelfde problematiek van de doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS ter uitvoering van FATCA-overeenkomsten. Aangezien elke gegevensbeschermingsautoriteit exclusief bevoegd blijft, beoordeelt zij in alle onafhankelijkheid de gegrondheid van de bij haar ingediende klacht en is zij niet gebonden aan de standpunten van haar Europese tegenhangers, louter op grond van het feit dat deze eerder met soortgelijke klachten zijn geconfronteerd. Zoals reeds vermeld, moet niettemin naar coherentie worden gestreefd. 106. In dit verband, en zelfs indien zij een beroep doet op de arresten van het HvJ-EU en op de richtsnoeren die door de Europese gegevensbeschermingsautoriteiten onder auspiciën van de Groep artikel 29 en de EDPB zijn aangenomen, wijst de Geschillenkamer erop, voor zover nodig, dat zij niet bevoegd is om prejudiciële vragen aan het HvJ-EU voor te leggen (artikel 267 VWEU), zelfs indien zij, zoals zij in haar eerste beslissing heeft gedaan, van oordeel zou zijn dat een door het HvJ-EU vastgestelde uitlegging van een bepaling van de AVG noodzakelijk is voor de beslechting van het bij haar aanhangige geschil en om uiteenlopende toepassingen van de AVG met betrekking tot soortgelijke klachten te voorkomen. 36 Artikel 30.1.
  8. a)van Richtlijn 95/46/EG belastte de Groep artikel 29 met het onderzoeken van alle kwesties die verband houden met de uitvoering van de nationale bepalingen die ter uitvoering van deze richtlijn zijn vastgesteld, teneinde bij te dragen tot een homogene toepassing ervan. Overeenkomstig artikel 30.1.
  9. b)was de Groep artikel 29 belast met het uitbrengen van advies aan de Europese Commissie over het beschermingsniveau in derde landen. Beslissing ten gronde 79/2025 —33 /99 II.2. Wat betreft de samenstelling van de Geschillenkamer 107. Zoals uiteengezet in punt 71, neemt de voorzitter van de Geschillenkamer, H. Hijmans, op 20 maart 2024 een beslissing over de samenstelling van de Geschillenkamer voor de hervatting van de zaak, op basis van artikel 43 van het RIO37 . 108. Deze beslissing is door voorzitter H. Hijmans genomen met inachtneming van artikel 43 van het RIO, aangezien de WOG in artikel 33.2 38 verwijst naar het RIO voor alles wat betreft de samenstelling van de Geschillenkamer. 109. Wat die samenstelling betreft, merkt de Geschillenkamer op dat de verweerder van mening is dat de twee leden die reeds zitting hadden bij de aanneming van beslissing 61/2023 in een belangenconflict verkeren, dat zij de meerderheid van de vernieuwde zetel vormen en dat een van hen (de heer Y. Poullet) bovendien voorzitter is, wat des te meer kritiek verdient. De verweerder voegt er ook aan toe dat de benoeming van de voorzitter een voorrecht is van de Kamer van volksvertegenwoordigers. Samenvattend is de verweerder van mening dat deze samenstelling, die slechts één nieuw lid telt, niet voldoet aan de voorwaarde van een 'anders samengestelde Geschillenkamer' zoals geformuleerd door het Marktenhof in zijn arrest van 20 december 2023, en eveneens in strijd is met het beginsel van onpartijdigheid. 110. In het dispositief van zijn tweede aanvullende conclusie die als syntheseconclusie geldt, verzoekt de verweerder de Geschillenkamer "te verklaren dat de heer Yves Poullet de bevoegdheden waarop hij zich beroept niet aantoont, dat de Geschillenkamer het arrest van het Marktenhof van 20 december 2023 niet naleeft omdat zij niet anders is samengestel, en dat de heer Yves Poullet zich moet terugtrekken". Hij verzoekt "de zaak opnieuw te behandelen met een anders samengestelde Geschillenkamer". 111. De klager concludeert dat de Geschillenkamer inderdaad "anders is samengesteld" overeenkomstig het verzoek van het Marktenhof en vertrouwt in dit verband op de bevoegdheid van de Geschillenkamer. 112. Zoals aangegeven in de beslissing van 20 maart 2024 (punten 71 e.v.), is de samenstelling van de Geschillenkamer voor de hervatting van dit dossier gebaseerd op een aantal overwegingen, die hieronder worden toegelicht. 37 De Geschillenkamer heeft de beslissing van 20 maart 2024 op 3 september 2024 aan de partijen meegedeeld. De Geschillenkamer is van oordeel dat haar niet kan worden verweten dat zij deze beslissing pas op die datum heeft meegedeeld. Zij is namelijk niet verplicht om de samenstelling van haar zetel vooraf aan de partijen mee te delen en het stuk was opgenomen in het procesdossier dat de partijen konden opvragen, zoals was aangegeven in de brief van de Geschillenkamer van 30 mei 2024. In ieder geval, zelfs indien zij daartoe verplicht zou zijn geweest, wat niet het geval is, heeft het feit dat deze beslissing niet op 30 mei 2024 aan de partijen is meegedeeld, geen invloed op de geldigheid ervan. 38 Artikel 33 van de WOG: 1. (...) De voorzitter of één van de leden van de geschillenkamer zetelt alleen tenzij de voorzitter van de geschillenkamer beslist om met drie leden te zetelen, overeenkomstig de bepalingen van het reglement van interne orde. § 2. Voor het overige bepaalt het reglement van interne orde nader alles wat betreft de samenstelling van de geschillenkamer bij zittingen en de werkwijze. Beslissing ten gronde 79/2025 —34 /99 113. Wat betreft de beslissing om met drie leden te zetelen: de conformiteit met de AVG van de doorgifte van persoonsgegevens door een overheidsinstantie in uitvoering van een intergouvernementele overeenkomst inzake de automatische uitwisseling van fiscale inlichtingen, gesloten met de Verenigde Staten, is een belangrijke kwestie, aangezien het gaat om de bescherming van persoonsgegevens die worden doorgegeven aan een derde land buiten de Europese Unie, die bovendien verband houdt met een algemeen belang van de staat, zoals het Marktenhof met name in zijn arrest van 28 juni 2023 heeft benadrukt. Deze kwestie heeft, zoals bepaald in artikel 43 van het reeds genoemde RIO, de eerste zetel met drie leden gerechtvaardigd. Aangezien de eerste beslissing met een dergelijke zetel is genomen, leek het de voorzitter (H. Hijmans) van de Geschillenkamer niet relevant om de zetel tot één lid te beperken. Deze samenstelling met drie leden past in de praktijk 39 van de Geschillenkamer (gebaseerd op haar RIO, zoals zojuist vermeld), die er, op enkele uitzonderingen na, toe strekt om zaken ten gronde te behandelen, d.w.z. zaken die van groot belang zijn en waarover conclusies moeten worden uitgewisseld, met een zetel van drie leden.40 114. Zelfs indien de Geschillenkamer van haar praktijk zou zijn afgeweken en voor een zetel met één lid zou hebben gekozen, zou dit lid noodzakelijkerwijs tot de Franstalige rol van de Geschillenkamer hebben moeten behoren, aangezien de proceduretaal in deze zaak het Frans is (zie hieronder). Er zouden zich dan twee scenario's hebben voorgedaan:
(1)aangezien het enige Franstalige lid dat niet aanwezig was bij de aanneming van beslissing 61/2023 een belangenconflict had of dat dit als zodanig kon worden beschouwd (zie hieronder), zou een van de twee Franstalige leden die al aanwezig waren, alleen hebben gezeteld; of
(2)aangezien voorzitter H. Hijmans het enige lid van de Geschillenkamer was dat als tweetalig41 werd beschouwdof niet uitsluitend tot de ene of de andere taalrol behoorde, was het enige alternatief geweest dat voorzitter H. Hijmans alleen zou zetelen. Deze opties zouden dus niet in overeenstemming zijn geweest met de door het Marktenhof gestelde voorwaarde van een "anders samengestelde Geschillenkamer", aangezien in beide gevallen het lid dat alleen zou zetelen, al had gezeteld bij de aanneming van beslissing 61/
  1. Wat betreft de taal van deze procedure, staat vast dat dit het Frans is. De klacht werd in het Frans ingediend (de ter ondersteuning daarvan ingediende stukken, met inbegrip van de briefwisseling met de verweerder, waren eveneens in het Frans) en daarop volgde een 39 Deze praktijk is bekend bij het publiek, aangezien de beslissingen van de Geschillenkamer op haar website worden gepubliceerd en de beslissingen ten gronde bovendien kunnen worden geselecteerd aan de hand van zoekcriteria op basis van het type beslissing. 40 Beslissingen ten gronde zijn beslissingen die, in tegenstelling tot die welke worden genomen ter uitvoering van artikel 95.1 van de WOG, de partijen betrekken bij een uitwisseling van conclusies en waarbij de in artikel 100.1 van de WOG genoemde corrigerende maatregelen en sancties kunnen worden opgelegd, d.w.z. alle corrigerende maatregelen en sancties waarin de AVG voorziet, met inbegrip van een verbod op verwerking, een berisping of een boete, terwijl overeenkomstig artikel 95.1 van de WOG de corrigerende maatregelen en sancties die kunnen worden opgelegd, beperkt zijn. 41 Artikel 40.1, eerste lid, van de WOG: "Het directiecomité telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden, de voorzitter van de geschillenkamer uitgezonderd.” Beslissing ten gronde 79/2025 —35 /99 briefwisseling van de Geschillenkamer in het Frans, een onderzoek van de ID in het Frans en conclusies van beide partijen in het Frans. De partijen hebben zich tijdens de hoorzittingen ook in deze taal uitgedrukt en beslissing 61/2023 is eveneens in het Frans aangenomen.
  2. Wat betreft de beslissing om een kamer te handhaven die voornamelijk uit Franstalige leden is samengesteld42 (namelijk 2 op 3), heeft de Geschillenkamer, met inachtneming van het beginsel van rechtszekerheid, de praktijk gevolgd die zij tot dan toe heeft gehanteerd en waartoe zij zich publiekelijk heeft verbonden in haar nota over het talenbeleid43 . Deze praktijk bestaat erin de zaak toe te wijzen aan een kamer die bij voorkeur bestaat uit leden die behoren tot de taalrol van de taal van de zaak in het geval van een kamer met drie leden, waarbij de voorzitter – zoals reeds vermeld – wordt beschouwd als niet specifiek behorend tot een van deze rollen of tot beide. De Geschillenkamer heeft deze nota van 1 januari 2021 tot 17 december 2024 op haar website gepubliceerd. 44 Op het moment dat op 20 maart 2024 een beslissing werd genomen over de vernieuwde samenstelling van de Geschillenkamer in deze zaak, was deze nota dus al meer dan drie jaar openbaar beschikbaar. De voorzitter van de Geschillenkamer (H. Hijmans) heeft de hieronder weergegeven inhoud ervan toegepast, omdat hij van mening was dat er geen redenen waren om hiervan af te wijken.45 42 Artikel 40.1, vierde lid, van de WOG: "De zes leden bij de geschillenkamer worden in een gelijk aantal benoemd per taalrol en minstens een lid moet functionele kennis hebben van het Duits.” Deze zes leden (drie behorend tot de Franstalige taalrol, drie tot de Nederlandstalige taalrol) omvatten niet de voorzitter. 43 https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/nota-talenbeleid-gehanteerd-door-de-geschillenkamer.pdf. 44 Deze nota is vandaag van de website van de GBA verwijderd naar aanleiding van arrest 144/2024 van het Grondwettelijk Hof van 28 november 2024 (rolnummer 8110: In zake: de prejudiciële vragen betreffende artikel 57 van de wet van 3 december 2017 "tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit", gesteld door het Hof van Beroep te Brussel. 45 Zie in dit verband het arrest van het Marktenhof van 19 maart 2025 (2024/AR/1690): in dit arrest verwijt het Marktenhof de Geschillenkamer dat zij haar eigen beleidsnota, die zij op haar website publiceert, niet heeft gevolgd. In die zin schrijft het hof: "die (lees: de bestreden beslissing) derhalve niet in lijn is met de eigen beleidsnota die de GBA op haar website vermeldt. Het hof voegt hieraan toe: "Aansluiting kan hier worden gezocht bij rechtspraak van de Raad van State die stelt dat het rechtszekerheidsbeginsel vereist dat een administratieve overheid (zoals de GBA) niet zonder objectieve en redelijke verantwoording mag afwijken van haar eigen beleidslijnen die zij bij de toepassing van de reglementering aanhoudt" (punt 22) Beslissing ten gronde 79/2025 —36 /99
  3. De toepassing van het RIO op dit punt biedt dus in het geval van een procedure in het Frans, zoals in dit geval, de volgende mogelijkheden: - ofwel bestaat de Geschillenkamer uit voorzitter H. Hijmans (tweetalig), een Franstalig lid en een derde lid dat ofwel Franstalig ofwel Nederlandstalig is (optie 1); - ofwel bestaat de Geschillenkamer, bij afwezigheid van voorzitter H. Hijmans, uit twee Franstalige leden en een derde lid dat ofwel Franstalig, ofwel Nederlandstalig is (optie 2).
  4. De toepassing van deze twee scenario's leidde in deze zaak, gezien het belangenconflict (of de perceptie van een dergelijk conflict) bij het derde Franstalige lid van de Geschillenkamer, dat als enige niet aanwezig was bij de aanneming van beslissing 61/2023 (punten 73 en 122), tot de volgende opties: - een Geschillenkamer bestaande uit voorzitter H. Hijmans, die reeds zitting heeft gehad bij beslissing 61/2023, een Franstalig lid dat reeds zitting heeft gehad bij beslissing 61/2023 en een derde nieuw lid: ofwel een kamer bestaande uit twee leden die reeds zitting hadden gehad, waaronder voorzitter H. Hijmans (optie 1); - een Geschillenkamer bestaande uit twee Franstalige leden die reeds zitting hebben gehad bij beslissing 61/2023 en een derde nieuw lid dat noodzakelijkerwijs Nederlandstalig is, aangezien een derde Franstalig lid uitgesloten is wegens belangenconflict: ofwel, zoals in optie 1, een kamer bestaande uit twee leden die reeds zitting hebben gehad, maar zonder voorzitter H. Hijmans (optie 2).
  5. Bij gebrek aan specifieke bepalingen hierover heeft voorzitter H. Hijmans ervoor gekozen zich terug te trekken. Deze beslissing valt onder zijn discretionaire bevoegdheid en is niet meer aanvechtbaar dan de beslissing om te blijven zetelen. Er is dus gekozen voor optie 2, die, net als optie 1 dat zou hebben gedaan, heeft geleid tot een noodzakelijkerwijze gedeeltelijke vernieuwing van de samenstelling van de Geschillenkamer.
  6. Wat betreft de hoedanigheid van voorzitter van de heer Y. Poullet in de vernieuwde samenstelling, is de Geschillenkamer van mening dat, indien men de kritiek van de verweerder volgt dat de functie van voorzitter een voorrecht is van de Kamer van volksvertegenwoordigers, de samenstelling van de Kamer altijd voorzitter H. Hijmans zou moeten omvatten. Dit standpunt is niet houdbaar, aangezien de voorzitter verhinderd of afwezig kan zijn, situaties die zowel in het RIO 46 als in de reeds genoemde nota over het talenbeleid47 zijn voorzien. 46 Zie artikel 44 van het RIO: " In geval van afwezigheid of verhindering wordt de voorzitter van de geschillenkamer, wanneer hij moet zetelen, vervangen door een ander lid, daartoe door hem aangewezen.” 47 Het in punt 117 hierboven aangehaalde uittreksel uit de nota over het talenbeleid van de Geschillenkamer vermeldt uitdrukkelijk: "Indien de voorzitter niet zetelt, (...). Beslissing ten gronde 79/2025 —37 /99
  7. Wat betreft het feit dat het inderdaad een lid is dat eerder zetelde, dat nu de kamer voorzit (de heer Y. Poullet), heeft de Geschillenkamer ook hier haar nota over het talenbeleid gevolgd. Hieruit volgt namelijk dat het voorzitterschap van de kamer toekomt aan ofwel de tweetalige voorzitter H. Hijmans, ofwel, bij zijn afwezigheid, aan een lid dat behoort tot de taalkundige rol waarin de zaak wordt verwerkt
  8. Aangezien de proceduretaal in deze zaak het Frans is, komt het voorzitterschap van de vernieuwde kamer dus toe aan een Franstalig lid – dat om de zojuist uiteengezette redenen al eerder zetelde.
  9. Wat betreft het belangenconflict van het enige Franstalige lid dat niet zetelde bij de aanneming van beslissing 61/2023, wijst de Geschillenkamer erop dat het aan de voorzitter van de Geschillenkamer is om te beslissen of een lid van de Geschillenkamer wegens een belangenconflict moet worden uitgesloten (artikel 58 van het reeds genoemde RIO).
  10. Concluderend, aangezien de Geschillenkamer slechts twee Franstalige leden telt die mogelijk zitting kunnen nemen – namelijk de leden die reeds hadden gezeteld bij de aanneming van beslissing 61/2023 –, had voorzitter H. Hijmans, met inachtneming van de bepalingen van de WOG, het RIO en de nota over het talenbeleid van de Geschillenkamer, geen andere keuze dan hen aan te wijzen, aangezien zij onmisbaar waren voor een 'anders samengestelde' Geschillenkamer met drie leden, waarvan twee Franstalige leden, aangezien de proceduretaal het Frans is. Een derde lid dat noodzakelijkerwijs Nederlandstalig moest zijn, is eraan toegevoegd.
  11. Zoals aangegeven in de beslissing van 20 maart 2024, volgt hieruit dat de wijziging van de samenstelling van de Geschillenkamer die deze beslissing neemt, noodzakelijkerwijs gedeeltelijk is49 en dat de Geschillenkamer niet kan worden verweten dat zij geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek van het Marktenhof tot een 'anders samengestelde Geschillenkamer'.
  12. De Geschillenkamer voegt hieraan toe dat, in ieder geval en onverminderd het bovenstaande, wanneer zij met drie leden zetelen, de leden – tegen wie in deze zaak geen concrete klacht wegens gebrek aan onpartijdigheid is ingebracht – een collegiale beslissing nemen. Deze collegialiteit beantwoordt aan de eis van het Marktenhof om de beslissing op een sterke motivering te baseren, en nergens is bepaald dat de stem van de voorzitter van de zetel doorslaggevend is.
  13. Derhalve is er op grond van het bovenstaande geen reden om het verzoek van de verweerder om de zaak opnieuw te laten behandelen door een anders samengestelde 48 Het uittreksel uit de nota over het talenbeleid van de Geschillenkamer, aangehaald in punt 116 hierboven, vermeldt uitdrukkelijk: "Indien de voorzitter niet zetelt, wordt hij– als alleen zetelend lid – vervangen door een lid behorende tot de taalrol waarin de procedure behandeld wordt.” 49 In een arrest van 22 februari 2023 (2022/AR/,889) heeft het Marktenhof er reeds rekening mee gehouden dat de volledige vernieuwing van de samenstelling van de Geschillenkamer niet kon worden doorgevoerd gezien het beperkte aantal leden dat tot de ene of de andere taalrol behoort. Beslissing ten gronde 79/2025 —38 /99 Geschillenkamer, en het verzoek om de heer Yves Poullet te laten terugtreden, in te willigen. II.
  14. Wat betreft de afwezigheid van financiële instellingen in de procedure
  15. De verweerder bekritiseert "de afwezigheid van tussenkomende partijen in de zaak" (titel 6.2 van zijn tweede aanvullende conclusie die als syntheseconclusie geldt), waarmee hij verwijst naar de financiële instellingen. Zoals reeds vermeld (punt 86), verzoekt de verweerder de Geschillenkamer zelfs om de behandeling van de klacht op te schorten in afwachting van de aanwezigheid van deze laatsten.
  16. Gezien hun rol in de verwerkingsketen die leidt tot de doorgifte van gegevens aan de IRS, is de verweerder van mening dat "het aan de klagers was om hun klachten tegen de financiële instellingen te richten" (punt 12 van de tweede aanvullende conclusie die als syntheseconclusie geldt), terwijl hij erkent dat de procedure voor de GBA niet voorziet in gedwongen interventie, "zodat alleen de klagende partijen hun klacht kunnen richten tegen de partijen die zij willekeurig kiezen". De verweerder voegt hieraan toe dat hij hierdoor niet op dezelfde wijze zijn rechten van verdediging kan uitoefenen als de klagers, die hun doelwit kunnen kiezen, waardoor hij niet de mogelijkheid heeft om andere partijen in de zaak te betrekken. Volgens de verweerder is er dus sprake van een inbreuk op de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
  17. De klagers concluderen dat de financiële instellingen geen partij zijn in de zaak, niet "wegens een belangenconflict met de raadsman van de klagers", zoals de verweerder beweert (punten 136-137), maar omdat niet de financiële instellingen verwerkingsverantwoordelijke zijn voor de aangeklaagde verwerking, namelijk het doorgeven van de gegevens aan de IRS.
  18. Zoals uiteengezet in de punten 87 e.v. heeft de Geschillenkamer in haar uitnodigingsbrief voor de hoorzitting van 28 november 2024, gezien de stand van het dossier op die datum, geen gevolg gegeven aan het verzoek tot opschorting van de verweerder. Na de vaststelling dat de financiële instellingen geen partij waren in de zaak en zich er evenmin in hadden gemengd, heeft de Geschillenkamer de partijen opgeroepen, hen gehoord en de zaak in beraad genomen.
  19. De Geschillenkamer kan namelijk niet eisen dat partijen zich in de procedure mengen. In de huidige stand van de wetgeving voorziet haar procedure (die, behalve uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn, bijvoorbeeld met betrekking tot de berekening van bepaalde termijnen, niet onder het Gerechtelijk Wetboek valt) niet in een mechanisme voor gedwongen tussenkomst dat vergelijkbaar is met dat van de gerechtelijke instanties. De Geschillenkamer stelt ook vast dat de ID, aan wie zij om een onderzoek heeft verzocht, de reikwijdte van zijn onderzoek niet heeft uitgebreid door de financiële instellingen in de Beslissing ten gronde 79/2025 —39 /99 zaak te betrekken, zoals deze op grond van zijn eigen beoordelingsbevoegdheid gerechtigd is te doen op grond van artikel 72 van de WOG. Het feit dat de financiële instellingen niet zijn betrokken bij de zaak, is dus een autonome keuze van de ID, die niet aan de Geschillenkamer kan worden toegerekend
  20. De Geschillenkamer is overigens niet bevoegd om kennis te nemen van de door de verweerder aangevoerde grieven wegens schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en dus om de grondwettigheid van haar procedure te toetsen, zoals ingesteld door de wetgever met betrekking tot deze bepalingen. Deze toetsing valt buiten haar materiële bevoegdheid, die wordt begrensd door de WOG en de AVG.
  21. De Geschillenkamer is van mening dat het feit dat alleen de verweerder in het geding is betrokken, met uitsluiting van de financiële instellingen, in geen geval de relevantie uitsluit van de behandeling van de klacht en het nemen van een beslissing ten aanzien van deze laatste aan het einde van de onderhavige procedure, die is gevoerd in overeenstemming met de beginselen van onpartijdigheid, onafhankelijkheid en tegenspraak en die niet is aangetast door de afwezigheid van de banken in de zaak.
  22. In het volgende deel over de hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke van de verweerder (titel II.4) toont de Geschillenkamer aan dat de verweerder in zijn hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke bepaalde verplichtingen heeft met betrekking tot de verwerking die hij uitvoert, namelijk de doorgifte van persoonsgegevens aan de IRS (een hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke die de verweerder overigens uitdrukkelijk erkent). Het feit dat ook de banken een aantal verplichtingen hebben die voortvloeien uit hun hoedanigheid van verwerkingsverantwoordelijke met betrekking tot het verzamelen van gegevens en het doorgeven daarvan aan de verweerder, ontslaat de verweerder niet ipso facto van zijn eigen verantwoordelijkheden en doet daar ook niets aan af. Indien dit het geval zou zijn, houdt de Geschillenkamer hiermee rekening in haar beslissing
  23. Meer in het algemeen is het niet aan de GBA om alle gelieerde actoren in een kwestie in het geding te betrekken. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het Marktenhof, dat beroep tegen haar beslissingen behandelt, de procedurele keuze van de klager of de autoriteit om niet alle gelieerde partijen in te schakelen en niet voor alle partijen een onderzoek door de ID te vragen, niet sanctioneert. Het Marktenhof is daarentegen van oordeel dat vervolging en sancties moeten worden gericht tegen een partij die als verwerkingsverantwoordelijke wordt erkend, wat in deze zaak het geval is voor de verweerder. 50 Voor zover nodig voegt de Geschillenkamer hieraan toe dat zij niet kan eisen dat het ID ambtshalve een nieuw onderzoek instelt waarbij de financiële instellingen worden betrokken. 51 Zie in dit verband de motivering van de Geschillenkamer met betrekking tot de informatieplicht in titel II.6.
  24. De Geschillenkamer houdt, overeenkomstig de AVG (artikel 14), rekening met de mate waarin de betrokkene de informatie reeds heeft ontvangen, in dit geval van de financiële instellingen. Beslissing ten gronde 79/2025 —40 /99
  25. In een arrest van 13 december 2024 heeft de administratieve rechtbank van het Groothertogdom Luxemburg, die zich moest buigen over een beroep tegen een beslissing van de administratie van de directe belastingen (ACD - Administration des Contributions Directe) die eveneens betrekking had op de verzending van persoonsgegevens aan de IRS in toepassing van de FATCA-overeenkomst en de relevante Luxemburgse wetgeving, in dezelfde zin het volgende aangegeven52 : "In deze zaak betwisten de appellanten in wezen de rechtmatigheid van de doorgifte van gegevens aan de Verenigde Staten van Amerika (cf. "deze doorgifte van gegevens is in strijd met verschillende belangrijke beginselen van het recht op bescherming van persoonsgegevens" in het verzoek van de appellanten aan de ACD), maar niet de verstrekking van diezelfde gegevens door de Luxemburgse financiële instellingen aan de ACD. Gezien artikel 3, paragraaf
(3), van de bovengenoemde wet van 24 juli 2015 is het echter de ACD, als auteur van de doorgifte van de verzamelde gegevens naar de Verenigde Staten, die als verwerkingsverantwoordelijke moet worden beschouwd. Het verwijt van de staat dat de Luxemburgse financiële instellingen die betrokken zijn bij het verzamelen van de gegevens die worden doorgegeven, niet in het geding zijn betrokken, moet derhalve als ongegrond worden afgewezen, aangezien de verwerking van persoonsgegevens door deze instellingen niet het voorwerp uitmaakt van de kritiek van de appellanten. Hieraan moet worden toegevoegd dat de staat zich niet heeft uitgesproken over de juridische gevolgen die hij aan deze kritiek wilde verbinden en dat er in dit geval hoe dan ook geen verplichting bestaat voor de burgers om alle mogelijke verantwoordelijken voor de door hen aangevoerde schending te vervolgen.” (vrije vertaling) 136. Omdat de verweerder dit in zijn conclusie naar voren heeft gebracht, voegt de Geschillenkamer nog het volgende toe. De verweerder wijst erop dat tijdens de hoorzitting voor de Geschillenkamer van 10 januari 2023 (die voorafging aan de aanneming van beslissing 61/2023) de raadsman van de klagers heeft aangegeven dat de klagers geen klacht hadden ingediend tegen de financiële instellingen vanwege een belangenconflict, omdat zijn kantoor of hijzelf raadsman was van verschillende van deze financiële instellingen. Bijgevolg concludeert de verweerder dat het, met inachtneming van het 52 Deze beslissing volgt op een beroep tegen een vonnis van de administratieve rechtbank van het Groothertogdom Luxemburg van 29 september 2023, waarin deze rechtbank zich onbevoegd verklaart om kennis te nemen van het subsidiaire beroep tot herziening tegen een beslissing van de directeur van de administratie van de directe belastingen (ACD) van 22 maart 2021, waarbij een verzoek tot stopzetting van de automatische uitwisseling van informatie tussen de belastingdienst van het Groothertogdom Luxemburg en die van de Verenigde Staten op grond van de met het Groothertogdom ondertekende "FATCA"-overeenkomst, goedgekeurd bij wet van 24 juli 2015, werd afgewezen. Beslissing ten gronde 79/2025 —41 /99 beginsel van onafhankelijkh

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.