← België

Beslissing ten gronde nr. 80/2025

1/27 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 80/2025 van 24 april 2025 Dossiernummer: DOS-2023-00846 Betreft: sanctie wegens niet-naleving van een Gegevensbeschermingsautoriteit in haar beslissing 172/2022 bevel van de De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit, samengesteld uit de heer Hielke HIJMANS, voorzitter, en de heren Romain Robert en Christophe Boeraeve, leden; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (hierna "AVG"); Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "WOG")1; Gelet op de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens (hierna "WVG"); Gelet op het Reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op beslissing 172/2022 van 24 november 2022 van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna "GBA") tegen de verweerder (hierna "beslissing 172/2022"); Gelet op de stukken van de procedure en na de partijen te hebben gehoord tijdens de hoorzitting; 1 De GBA herinnert eraan dat de wet van 25 december 2023 tot wijziging van de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit (WOG), alsook het nieuwe Reglement van interne orde van de GBA, op 1 juni 2024 in werking zijn getreden. De nieuwe bepalingen zijn van toepassing op klachten, bemiddelingsdossiers, verzoeken, inspecties en procedures voor de Geschillenkamer die vanaf die datum zijn aangevangen. De nieuwe WOG is beschikbaar via deze link: https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi loi/change lg.pl?language=nl&la=N&cn=2017120311&table name=wet, en het Reglement van interne orde via deze link: https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/reglement-vaninterne-orde-van-de-gegevensbeschermingsautoriteit.pdf. Dossiers die zijn aangevat vóór 1 juni 2024 – waaronder het onderhavige dossier – blijven onderworpen aan de bepalingen van de WOG en het Reglement van interne orde zoals die bestonden vóór die datum. Beslissing ten gronde 80/2025 — 2/27 Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De verweerder: Makelaarskantoor Y, vertegenwoordigd door zijn raadsman, meester Nicolas Hamblenne, hierna "de verweerder". I. Feiten en procedure 1. Op 24 november 2022 nam de Geschillenkamer beslissing 172/2022 op basis van een klacht. In deze beslissing werd aan de verweerder een bevel opgelegd wegens verschillende vastgestelde inbreuken op de AVG, die tegen 26 december 2022 moesten worden verholpen. De beslissing bevatte tevens een waarschuwing om geen locatiegegevens van verkochte goederen te publiceren zonder geldige toestemming. 2. De verweerder beschikte over een termijn van 30 dagen vanaf de kennisgeving van beslissing 172/2022 om een verzoek tot behandeling ten gronde in te dienen, wat de tenuitvoerlegging van de beslissing zou hebben geschorst en hem in staat zou hebben gesteld om feitelijke of juridische argumenten aan te voeren die het oorspronkelijke standpunt van de Geschillenkamer konden betwisten. Er werd in dit verband geen verzoek ingediend. De verweerder tekende evenmin beroep aan bij het Marktenhof tegen beslissing 172/2022, die bijgevolg op 27 december 2022 definitief werd. 3. Op 5 december 2022 ontving de Geschillenkamer echter een e-mail van de verweerder (eveneens gericht aan de klager in beslissing 172/2022 – hierna "de klager"), waarin hij verklaarde zich in regel te hebben gesteld met een bevel in beslissing 172/2022 (wat overigens leek te impliceren dat hij de inhoud van het bevel, inclusief de waarschuwing, aanvaardde). 4. Tegelijkertijd meldde de klager dat een zoekopdracht via de zoekmachine Google op basis van het postadres van zijn goed leidde naar de website en de Facebook-pagina van de verweerder. Hieruit bleek dat de verweerder, in tegenstelling tot zijn verklaringen, het bevel mogelijk niet had nageleefd. 5. Bij e-mail van 15 februari 2023 deelde de Geschillenkamer aan de Inspectiedienst (hierna "ID") mee dat de door de verweerder verstrekte elementen ontoereikend waren om aan te tonen dat hij zich in regel had gesteld met beslissing 172/2022, en liet zij het aan de ID over om de draagwijdte daarvan te beoordelen. 6. Op 20 februari 2023 stelde de ID op eigen initiatief een onderzoek in overeenkomstig artikel 63, 6°, van de WOG2, naar aanleiding van ernstige aanwijzingen dat een bevel niet was 2 Artikel 63, 6°, van de WOG bepaalt het volgende: "De aanhangigmaking bij de inspectiedienst kan gebeuren: [...] uit eigen beweging wanneer zij ernstige aanwijzingen vaststelt van het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot een inbreuk op de grondbeginselen van de bescherming van de persoonsgegevens, in het kader van deze wet en van de wetten die bepalingen bevatten inzake de bescherming van de verwerking van persoonsgegevens." De ID kan ambtshalve optreden wanneer hij ernstige aanwijzingen vaststelt voor een mogelijke inbreuk op de regels inzake gegevensbescherming. Deze bevoegdheid stelt hem in staat om zelfs zonder klacht op te treden. Beslissing ten gronde 80/2025 — 3/27 nageleefd (hierna "onderzoek"). Het doel van het onderzoek was om na te gaan of de verweerder zich daadwerkelijk in regel had gesteld met beslissing 172/2022. Daartoe onderzocht de ID onder meer of de verweerder gevolg had gegeven aan de volgende twee elementen: - een bevel met betrekking tot de eerbiediging van de uitoefening van het recht op gegevenswissing (artikel 17.1 van de AVG) en het recht van bezwaar (artikel 21.2 van de AVG) van de klager; - de waarschuwing met betrekking tot de verwijdering van bepaalde persoonsgegevens, bij gebrek aan een geldige toestemming die het online behoud/de online publicatie ervan rechtvaardigt, in het licht van de artikelen 5.1.a),

  1. c)en f), en 6.1 van de AVG. 7. Op 24 april 2023 sloot de ID het onderzoek af en bezorgde hij het onderzoeksverslag (hierna "verslag") aan de voorzitter van de Geschillenkamer overeenkomstig artikel 91.2 van de WOG. 8. Op 1 september 2023 besliste de Geschillenkamer krachtens artikel 95.1.1° en artikel 98 van de WOG dat het dossier gereed was voor behandeling ten gronde. 9. Op 9 oktober 2023 bevestigde de verweerder de ontvangst van de e-mail van 1 september 2023 en gaf hij aan dat zijn raadsman niet in kopie was geplaatst, in tegenstelling tot wat in het verslag werd vermeld. In dat verband vroeg hij om een bijkomende termijn, die werd toegekend. 10. Op 22 november 2024 nodigde de Geschillenkamer de verweerder uit om aanvullende opmerkingen te formuleren over de vaststellingen in het verslag. In het bijzonder was het locatiepictogram van het goed waarop de oorspronkelijke klacht betrekking had, op een kaart van Google Maps verplaatst, maar niet verwijderd, waardoor de locatie van het goed moeilijker – maar niet onmogelijk – te achterhalen was. De Geschillenkamer wilde nagaan of soortgelijke maatregelen waren getroffen voor andere in het verslag genoemde goederen, en of de combinatie van de onnauwkeurige locatie met andere publiek toegankelijke informatie het nog steeds mogelijk maakte om het adres te identificeren. De verweerder werd ook verzocht om toelichting te geven bij andere elementen die in het verslag van de ID waren onderzocht. 11. Na de hoorzitting van 9 december 2024 verstrekte de raadsman van de verweerder diverse documenten, waaronder de pleitnota's en elementen met betrekking tot de documenten die van de website waren verwijderd. Op 23 december 2024 werd het proces-verbaal van de hoorzitting aan de verweerder voorgelegd, die hierover geen opmerkingen maakte. 12. Op 4 april 2025 stelde de Geschillenkamer de verweerder in kennis van haar voornemen om een administratieve boete op te leggen, alsook van het bedrag daarvan, met de bedoeling de verweerder de gelegenheid te geven zijn opmerkingen kenbaar te maken vóór een eventuele sanctie. Op 17 april 2025 ontving de Geschillenkamer de reactie van de verweerder en verzocht zij hem om de omzetcijfers voor het boekjaar 2024 over te maken, vergezeld van de nodige bewijsstukken ter staving van zijn opmerkingen. De verweerder antwoordde dat de definitieve Beslissing ten gronde 80/2025 — 4/27 boekhoudcijfers voor het boekjaar 2024 nog niet officieel waren vastgesteld. Op 18 april 2025 verzocht de Geschillenkamer dan om de laatst officieel vastgestelde omzetcijfers. Op 22 april 2025 bezorgde de verweerder de jaarrekening 2024, zonder evenwel de omzetcijfers mee te delen. II. Motivering II.1. Inleiding: context en gevolg beslissing 172/2022 13. Op 6 juli 2022 diende de klager bij de GBA een klacht in tegen de verweerder, omdat die laatste geen gevolg had gegeven aan zijn verzoeken tot gegevenswissing en bezwaar na de aankoop van een onroerend goed dat via de verweerder was verkocht (hierna "goed 1")3. De klacht had betrekking op het online behoud, na de verkoop, van de verkoopadvertentie en dus van gegevens met betrekking tot dat goed die tevens persoonsgegevens vormden. 14. In haar beslissing 172/2022 stelde de Geschillenkamer vast dat de verweerder persoonsgegevens online had laten staan ondanks de verzoeken tot gegevenswissing en bezwaar van de klager, en dit met het oog op commerciële promotie. De verwerking had betrekking op een reeks elementen, maar de Geschillenkamer sprak zich meer specifiek uit over het online behoud van het exacte adres van het goed (ook via de Google Maps-kaart) en de kadastrale gegevens van goed 1 (hierna "de locatiegegevens"), ondanks de (definitieve) verkoop van het goed. De Geschillenkamer beoordeelde of het gerechtvaardigde belang van de verweerder het online behoud van die gegevens kon rechtvaardigen. Zij stelde vast dat er geen belang van de verweerder was dat zwaarder woog dan het recht op privacy van de klager en oordeelde dat de verwerking geen geldige rechtsgrond had. Bijgevolg concludeerde de Geschillenkamer dat de rechten van de klager moesten worden geëerbiedigd. 15. Beslissing 172/2022 bestond uit twee onderdelen: - enerzijds werd aan de verweerder een bevel 4 opgelegd om de locatiegegevens van goed 1 te verwijderen, elke verdere verwerking van die gegevens stop te zetten, en de GBA binnen een termijn van 30 dagen te informeren over de getroffen maatregelen (hierna "bevel"); - anderzijds werd aan de verweerder een waarschuwing gegeven om zich te onthouden van de publicatie – zonder geldige rechtsgrond – van locatiegegevens wanneer deze vergezeld 3 Het referentienummer van het klachtendossier is "DOS-2022-02927". Beslissing 172/2022 werd genomen in het kader van de procedure zoals bedoeld in artikel 95 van de WOG, naar aanleiding van een individuele klacht die werd ingediend door een betrokkene. Deze context verklaart waarom de Geschillenkamer zich heeft beperkt tot het onderzoeken van bepaalde specifieke gegevens – met name het postadres en de kadastrale gegevens – zonder haar analyse uit te breiden tot andere gegevens die eventueel in de advertentie waren gepubliceerd. 4 Beslissing ten gronde 80/2025 — 5/27 gingen van afbeeldingen van reeds verkochte onroerende goederen (hierna "waarschuwing"). De waarschuwing had specifiek betrekking op situaties die vergelijkbaar waren met die welke in de klacht aan de orde werden gesteld, maar dan voor andere verkochte onroerende goederen die op de online media van de verweerder werden geadverteerd. 16. De onderhavige bespreking kadert binnen voormelde context. Om redenen van opportuniteit heeft de Geschillenkamer ervoor gekozen zich uitsluitend uit te spreken over de opvolging van de naleving van het bevel. Hoewel het verslag van de ID vaststellingen bevat met betrekking tot andere inbreuken en de naleving van de waarschuwing, acht de Geschillenkamer het belangrijk zich uitsluitend te concentreren op de gedeeltelijke niet-naleving van het bevel, wat een specifieke kwestie is die op zichzelf een afzonderlijke beslissing rechtvaardigt. Deze keuze maakt het niet alleen mogelijk om de reikwijdte van de onderhavige procedure te eerbiedigen, maar dient ook ter voorkoming van een inbreuk op het beginsel non bis in idem, door vergelijkbare schendingen als die welke reeds behandeld zijn in beslissing 172/2022, niet opnieuw te beoordelen. 17. In dit opzicht, en ten overvloede, betreurt de Geschillenkamer dat de meeste elementen die door de verweerder in het kader van de procedure zijn aangevoerd, betrekking hebben op elementen waarover zij zich reeds heeft uitgesproken in beslissing 172/2022. Aangezien hij binnen 30 dagen na de kennisgeving van de beslissing: (
  2. i)ofwel kon verzoeken dat de zaak ten gronde zou worden behandeld, en dus zijn argumenten met betrekking tot de inhoud van beslissing 172/2022 kon voorleggen (en met name de rechtsgronden voor de verwerkingen, indien de verweerder van oordeel was dat toestemming niet vereist was); (
  3. ii)ofwel beroep kon instellen bij het Marktenhof, kan de Geschillenkamer deze laattijdig aangevoerde argumenten niet meer in aanmerking nemen. In het bijzonder had een eenvoudig verzoek tot uitoefening van optie (
  4. i)de verweerder in staat gesteld om zijn inhoudelijke argumenten aan te voeren in het kader van een procedure op basis van artikel 98 van de WOG. Deze argumenten heeft hij echter pas naar voren gebracht in de onderhavige procedure, die betrekking heeft op de niet-naleving van een inmiddels definitief geworden bevel. De Geschillenkamer stelt vast dat de verweerder er bewust voor heeft gekozen om geen van beide opties te benutten, en in het bijzonder de opgelegde corrigerende maatregelen niet na te leven aangezien hij het daar niet mee eens was. De Geschillenkamer merkt op dat deze argumenten reeds tijdens de oorspronkelijke procedure zijn verworpen, en dat de verweerder redelijkerwijs had moeten weten dat deze argumenten geen solide grond zouden vormen om de niet-naleving van beslissing 172/2022 te rechtvaardigen. Beslissing ten gronde 80/2025 — 6/27 In dit verband neemt de Geschillenkamer nota van de door de verweerder aangevoerde argumenten, maar ziet zij ervan af deze in aanmerking te nemen, aangezien zij laattijdig werden opgeworpen. Zij wenst zich toe te spitsen op de kern van de onderhavige beslissing, namelijk de niet-uitvoering van de beslissing als zodanig, en niet op de omstandigheden die in het kader van de oorspronkelijke procedure aan bod hadden moeten komen. Dergelijke argumenten zullen dan ook niet worden samengevat of afzonderlijk behandeld, voor zover zij betrekking hebben op elementen die aan de orde hadden moeten komen in de procedure ten gronde en niet in de onderhavige procedure. II.2. Bespreking II.2.1. Niet-toepasselijkheid van de AVG II.2.1.1. Standpunt van de verweerder 18. In zijn eerste middel betwist de verweerder de toepasselijkheid van de AVG, met als argument dat de betrokken informatie – zoals een postadres, een locatie of afbeeldingen van onroerende goederen – niet onder het begrip "persoonsgegevens" valt zoals bedoeld in artikel 4.1) van de AVG. 19. De verweerder stelt dat deze elementen, gepubliceerd zonder enige vermelding van de naam of de identiteit van verkopers of kopers, geen directe of indirecte identificatie van een natuurlijke persoon mogelijk maken. Volgens hem maakt een volledig postadres of een eenvoudige plaatsaanduiding het niet mogelijk om een persoon te identificeren, tenzij men over aanvullende informatie beschikt, zoals toegang tot een specifieke gegevensbank (zoals het kadaster) of voorkennis over de bewoners. Hij voegt eraan toe dat alle gegevens met betrekking tot kopers worden verwijderd "zodra een dossier wordt afgesloten (namelijk bij de ondertekening van de verkoopakten bij de notaris […])"5 (vrije vertaling), wat volgens hem iedere mogelijkheid tot latere identificatie uitsluit. II.2.1.2. Standpunt van de ID 20. De ID herinnert eraan dat de Geschillenkamer in beslissing 172/2022 reeds had vastgesteld dat de publicatie van afbeeldingen van een onroerend goed, vergezeld van locatiegegevens 6, een verwerking van persoonsgegevens vormt in de zin van artikel 4.1) van de AVG7. 5 Conclusie van de verweerder, § 7, p. 10. Ter herinnering: de locatiegegevens omvatten in het onderhavige geval het postadres evenals de kadastrale gegevens (zie ook § 20). Bovendien merkt de Geschillenkamer op dat de locatiegegevens ook kunnen worden weergegeven via de Google Maps-kaart. 7 Beslissing 172/2022, §§ 2 – (enkel in het Frans) beschikbaar op: https://autoriteprotectiondonnees.be/publications/ordonnance-n-172-2022.pdf. 6 Beslissing ten gronde 80/2025 — 7/27 21. Hij preciseert dat een postadres uit meerdere elementen bestaat – straat, nummer, postcode, gemeente –, en is van oordeel dat een combinatie van deze elementen, zelfs gedeeltelijk, de identificatie van het goed en de eigenaar mogelijk kan maken. Hij is bijgevolg van oordeel dat deze gegevens onder het toepassingsgebied van de AVG vallen 8. De ID benadrukt dat in bepaalde gevallen, zoals bij een plaats met minder dan 800 inwoners, de enkele vermelding van die plaats, in combinatie met afbeeldingen van het goed, al volstaat om het goed, en bijgevolg een persoon, te identificeren. II.2.1.3. Standpunt van de Geschillenkamer 22. Overeenkomstig artikel 4.1) van de AVG wordt onder "persoonsgegevens" het volgende verstaan: "alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene”)". Die identificatie kan direct zijn (bijvoorbeeld via naam of voornaam), of indirect, wanneer elementen – afzonderlijk of in combinatie – het mogelijk maken om informatie aan een natuurlijke persoon te koppelen. 23. Volgens de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna "HvJ-EU") volstaat de mogelijkheid tot indirecte identificatie van een persoon om informatie als "persoonsgegeven" te kwalificeren. Zo oordeelde het HvJ-EU in arrest C-479/229 dat iemand identificeerbaar kan zijn, zelfs zonder vermelding van diens naam, wanneer het geheel van beschikbare informatie het toelaat om die persoon redelijkerwijs te identificeren, rekening houdend met de beschikbare middelen, de context en zonder dat daarvoor een onevenredige inspanning vereist is. Het is niet vereist dat de verwerkingsverantwoordelijke zelf de betrokkene kan identificeren; het volstaat dat een derde dit redelijkerwijs kan doen, met name door kruising met andere toegankelijke gegevens 10. De Geschillenkamer deelt de analyse van de ID dat in een plaats met 800 inwoners de loutere vermelding van die plaats, in combinatie 8 Inspectiedossier – Verslag: pp. 21 en 22. Arrest van het HvJ-EU (Zesde kamer), van 7 maart 2024, OC t. Europese Commissie, zaak C-479/22 P, ECLI:EU:C:2024:215, beschikbaar op: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/nl/TXT/?uri=CELEX:62022CJ0479; in deze zaak oordeelde het HvJ-EU dat een persbericht van OLAF, hoewel daarin geen namen werden genoemd, toch persoonsgegevens bevatte, aangezien de combinatie van elementen zoals nationaliteit, geslacht, beroep van de ouder, universitaire achtergrond en het bedrag van een subsidie de indirecte identificatie van de betrokkene mogelijk maakte. Het Hof herinnerde eraan dat informatie als een persoonsgegeven wordt beschouwd als de identificatie van de persoon redelijkerwijs mogelijk is, met behulp van aanvullende toegankelijke gegevens, rekening houdend met de context van de publicatie. Het verwerpt daarmee de benadering van het Gerecht van de Europese Unie, dat de analyse had beperkt tot een "gemiddelde lezer", en bevestigt dat de identificeerbaarheid objectief moet worden beoordeeld, rekening houdend met de digitale omgeving, de toegankelijkheid van de gegevens en de redelijke kruising van de beschikbare informatie. 10 Artikel 2.a van het Verdrag van 28 januari 1981 tot bescherming van personen met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens, BS, 30 december 1993 (Verdrag 108); arrest van het HvJ-EU C-582/14 van 19 oktober 2016, Patrick Breyer t. Bundesrepublik Deutschland, ECLI:EU:C:2016:779, punt 43; arrest van het HvJ-EU C-434/16 van 20 december 2017, Nowak t. Data Protection Commissioner, ECLI:EU:C:2017:994, punten 31 en 35; arrest VIN (HvJ-EU, 9 november 2023, C-319/22, ECLI:EU:C:2023:837), punten 43 tot en met 62; conclusie van advocaat-generaal Sharpston van 12 december 2013 in de gevoegde zaken C-141/12 en C-372/12 Y.S., punt 45; DOCKSEY, H. HIJMANS, "The Court of Justice as a Key Player in Privacy and Data Protection: An Overview of Recent Trends in Case Law at the Start of a New Era of Data Protection Law", EDPL Review, 2019, p. 300; zie ook FR. ZUIDERVEEN BORGESIUS, "Singling out people without knowing their names – Behavioural targeting, pseudonymous data, and the new Data Protection Regulation", Computer Law & Security Review, vol. 32-2, 2016, pp. 256-271; en FR. ZUIDERVEEN BORGESIUS, "The Breyer Case of the CJEU - IP Addresses and the Personal Data Definition", EDPL, 1/2017, pp. 130-137. 9 Beslissing ten gronde 80/2025 — 8/27 met een afbeelding van het onroerend goed, reeds kan volstaan om het goed en, in voorkomend geval, de eigenaar ervan te identificeren. 24. Artikel 4.2) van de AVG definieert "verwerking" als "een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het [...] verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen [...]". De online publicatie van een vastgoedadvertentie – met daarin een (volledig of gedeeltelijk) adres, foto's, kadastrale gegevens en beschrijvende elementen – vormt derhalve een verwerking van persoonsgegevens. 25. De Geschillenkamer bevestigt de analyse die reeds werd aangenomen in haar beslissing 172/2022 en verwerpt bijgevolg het eerste middel van de verweerder die stelt dat de AVG niet van toepassing zou zijn omdat er geen persoonsgegevens zouden zijn en er geen verwerking zou plaatsvinden. II.2.2. Afbreuk aan de rechten van verdediging 26. De verweerder stelt dat zijn raadsman niet op de hoogte werd gebracht van het verdere verloop van het dossier, ondanks een uitdrukkelijk verzoek en een aanbeveling van de ID 11. Hij is van oordeel dat deze nalatigheid afbreuk heeft gedaan aan zijn rechten van verdediging. 27. De Geschillenkamer merkt op dat in het verslag inderdaad werd vermeld dat de verweerder wenste dat de uitwisselingen ook aan zijn raadsman zouden worden gericht, en dat de Geschillenkamer werd verzocht hiermee rekening te houden. Het betrof echter slechts een aanbeveling, die vanuit procedureel oogpunt geen bindende kracht had. 28. In het onderhavige geval werd de kennisgeving van 1 september 2023 aan de verweerder gericht, die erop wees dat zijn raadsman daarvan geen bestemmeling was. De Geschillenkamer heeft met deze opmerking rekening gehouden en de termijnen voor het indienen van conclusies aangepast om te waarborgen dat de latere toezending van het dossier aan de raadsman van de verweerder zijn termijn voor het indienen van conclusies niet had verkort. 29. De Geschillenkamer is dan ook van oordeel dat de verweerder niet aantoont dat zijn rechten van verdediging niet zouden zijn geëerbiedigd. II.2.3. Naleving van het bevel II.2.3.4. Standpunt van de ID 30. Uit de controles van de ID zijn de volgende bevindingen naar voren gekomen 12: 11 12 Inspectiedossier – Verslag: p. 46. Inspectiedossier – Verslag: pp. 12 tot en met 24; stukken nrs. 3, 26 en 39. Beslissing ten gronde 80/2025 — 9/27 - De controles van 20 februari en 13 maart 2023 brachten aan het licht dat op de website van de verweerder bepaalde elementen waren verwijderd, waaronder de afbeeldingen met de kadastrale gegevens evenals de straat en het nummer van goed 1. De vermelding van de plaats bleef echter zichtbaar. Hoewel de exacte locatie van het goed niet langer werd weergegeven via de Google Maps-kaart, bleef deze kaart nog steeds op de website staan, samen met de naam van de plaats. - Op 23 februari 2023 bevatte een publicatie van 6 april 2022 op de Facebook-pagina van de verweerder nog steeds de afbeeldingen van goed 1, inclusief het volledige adres 13. De kadastrale gegevens waren op die datum niet meer zichtbaar, en de straat en het nummer waren tegen 13 maart 2023 verwijderd, maar de vermelding van de plaats bleef publiek zichtbaar. - Wat de zoekmachine Google betreft, stelde de ID vast dat de Facebook-pagina van de verweerder op 13 maart 2023 nog steeds verscheen in de zoekresultaten op basis van het adres van de klager. Bij een nieuwe controle op 21 maart 2023 was deze pagina niet langer zichtbaar in de eerste drie pagina's van de zoekresultaten. 31. De ID herinnert eraan dat in beslissing 172/2022 uitdrukkelijk werd vastgesteld dat er geen wettelijke basis bestond voor de verwerking van de persoonsgegevens van de klager. De ID wijst erop dat deze beslissing duidelijk was en de verweerder verplichtte om de gegevens van de klager niet langer te verwerken. De ID is dan ook van oordeel dat de verweerder alle elementen van een postadres, met inbegrip van de vermelding van de plaats, had moeten verwijderen om gevolg te geven aan beslissing 172/2022. Hij wijst erop dat de combinatie van de afbeeldingen van het goed en de vermelding van de gemeente een verwerking van persoonsgegevens vormt, aangezien deze de identificatie van de klager mogelijk maakt, temeer daar de betrokken plaats in januari 2016 minder dan 800 inwoners telde, wat het risico op identificatie vergrootte gezien de beperkte geografische context 14. 32. Wat betreft de door de verweerder aangehaalde technische onmogelijkheid om bepaalde informatie te verwijderen, is de ID van oordeel dat dit probleem had kunnen worden opgelost door de betrokken publicaties te verwijderen. De verweerder had bepaalde informatie over de verkochte goederen gewoon opnieuw kunnen publiceren, zonder vermelding van het postadres of de kadastrale gegevens. Bovendien merkt de ID op dat de technische onmogelijkheid alleen voor de website werd aangevoerd, terwijl bepaalde informatie ook op de Facebook-pagina van de verweerder wordt vermeld. 33. Wat betreft de aanwezigheid van persoonsgegevens via een Google-zoekopdracht, merkt de ID op dat Google zijn indexen om de twee maanden bijwerkt, wat zou kunnen verklaren waarom de Facebook-pagina van de verweerder op 13 maart 2023 nog steeds verscheen. Daarom is de 13 14 Inspectiedossier – Verslag: p. 18; stuk nr. 3. Inspectiedossier – Verslag: p. 45; stuk nr. 5. Beslissing ten gronde 80/2025 — 10/27 ID van oordeel dat hieruit niet kan worden geconcludeerd dat de verweerder het postadres niet effectief van zijn website en Facebook-pagina had verwijderd. 34. Op basis van voormelde elementen concludeerde de ID in zijn verslag dat de verweerder het bevel in beslissing 172/2022 niet heeft nageleefd. II.2.3.5. Juridische bespreking II.2.3.5.1. Over het beginsel non bis in idem15 35. De verweerder voert aan dat een nieuw onderzoek en een nieuwe beslissing over dezelfde feiten als die welke hebben geleid tot beslissing 172/2022, afbreuk zouden doen aan zijn grondrechten. Hij stelt met name dat hij "ernstig benadeeld zou worden indien [hem] niet wordt toegestaan een dergelijke verwerking voort te zetten, aangezien dit in strijd zou zijn met zijn grondrechten (of die van zijn zaakvoerder), met name de vrijheid van ondernemen" (vrije vertaling). Hij voegt daaraan toe dat "een nieuw onderzoek/een nieuwe beslissing over dezelfde feiten, nadat [hij] reeds maatregelen heeft getroffen om zich aan de reeds genomen beslissing te conformeren, onevenredig is en een dubbele straf voor dezelfde inbreuk vormt (non bis in idem)" (vrije vertaling). 36. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het door de verweerder aangevoerde beginsel "non bis in idem" het volgende inhoudt: "Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft voor een strafbaar feit (zelfs als dit anders gekwalificeerd
  5. is)waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en de strafrechtelijke procedure van elk land." 37. De Geschillenkamer benadrukt dat de onderhavige procedure niet tot doel heeft om de juridische analyse uit beslissing 172/2022 ter discussie te stellen, noch om – zelfs niet indirect – de rechten van de klager opnieuw te beoordelen. Zij beoogt uitsluitend te controleren of het daarin opgenomen bevel werd nageleefd, waarvan de niet-naleving op zich een autonome inbreuk vormt op grond van artikel 83.6 van de AVG. 38. De onderhavige beslissing heeft dus geen betrekking meer op de vroegere verwerkingen waarvoor reeds een inbreuk werd vastgesteld (en waarvoor beslissing 172/2022 definitief is geworden), maar wel op de niet-naleving van het bevel in die beslissing, wat een nieuwe inbreuk vormt. In het onderhavige geval had de eerste beslissing tot doel de rechten van een betrokkene te doen eerbiedigen (wat een inbreuk vormt op grond van artikel 83.5 van de AVG), terwijl de onderhavige beslissing gericht is op het bestraffen van de niet-naleving van een bevel dat is opgelegd door een administratieve autoriteit (wat een afzonderlijke inbreuk vormt op grond van artikel 83.6 van de AVG). Het betreft een afzonderlijk feit dat bovendien heeft 15 Beslissing ten gronde 80/2025 — 11/27 plaatsgevonden na de eerste veroordeling voor de feiten die het voorwerp uitmaakten van de oorspronkelijke klacht. 39. Gelet op het voorgaande is het beginsel non bis in idem niet van toepassing in het onderhavige geval. De schending waarop de onderhavige beslissing betrekking heeft, heeft zich voorgedaan na de veroordeling voor de oorspronkelijk vervolgde feiten en vormt een afzonderlijke inbreuk ten opzichte van die welke heeft geleid tot beslissing 172/2022. II.2.3.5.2. Over het vermeende onrechtmatige karakter van het onderzoek 40. De verweerder stelt dat hij de GBA binnen de termijn van dertig dagen in kennis heeft gesteld van de volledige naleving van het hem opgelegde bevel. Hij voert aan dat het per definitie onmogelijk is om een negatief feit, zoals de verwijdering van gegevens, te bewijzen. Op basis daarvan is hij van oordeel dat het onderzoek van de ID onrechtmatig is. 41. De Geschillenkamer is het niet eens met deze argumentatie. 42. Ten eerste bevat de e-mail die op 5 december 2022 aan de GBA werd verzonden, geen enkel bewijs waarmee concreet kan worden nagegaan of het bevel daadwerkelijk werd nageleefd, met name wat betreft de verwijdering of de stopzetting van de verwerking. Er werd geen enkel document aan het dossier toegevoegd dat de naleving van het bevel bevestigt, afgezien van de bovengenoemde e-mail, die louter verklarend is. Overeenkomstig artikel 5.2 van de AVG is de verwerkingsverantwoordelijke echter niet alleen verplicht om de AVG na te leven, maar ook om de naleving ervan op expliciete, verifieerbare en gedocumenteerde wijze aan te tonen. Een eenzijdige verklaring, zelfs in antwoord op een bevel, volstaat niet om aan deze verplichting te voldoen. 43. Ten tweede is het onjuist te beweren dat het onmogelijk zou zijn om de verwijdering van gegevens aan te tonen. In de praktijk bestaan er verschillende manieren om een dergelijke verwijdering te documenteren, met name: schermafbeeldingen waaruit blijkt dat de gegevens niet op de betrokken media staan, wijzigings- of verwijderingslogs in beheertools (CMS of CRM), gedetailleerde verklaringen van verwerkers, intern beleid inzake verwijdering, of technische verslagen. 44. Ten derde vormt het verslag van de ID dat voorafgaand aan de onderhavige procedure werd opgesteld, geen administratieve beslissing, geen sanctie en evenmin een dwingende maatregel met rechtsgevolgen ten aanzien van de verweerder. Het betreft een voorbereidend document dat uitsluitend deel uitmaakt van de onderzoeksfase en tot doel heeft feitelijke vaststellingen te documenteren, eventuele schendingen te identificeren en deze elementen ter beschikking te stellen van de Geschillenkamer, zodat deze in alle onafhankelijkheid haar beslissingsbevoegdheid kan uitoefenen. De elementen van de ID vormden objectieve en voldoende ernstige aanwijzingen om de niet-uitvoering van beslissing 172/2022 te vermoeden. Beslissing ten gronde 80/2025 — 12/27 Overeenkomstig artikel 63, 6°, van de WOG was de ID dan ook volledig bevoegd om op eigen initiatief een onderzoek in te stellen. 45. In dit opzicht betwist de verweerder de waarheidsgetrouwheid van de verklaringen van de klager door te stellen dat zijn Facebook-pagina niet in de Google-zoekresultaten verscheen, en voert hij technische factoren aan zoals algoritmen of cache. De vaststellingen van de ID berusten echter niet uitsluitend op Google-zoekresultaten, maar op gedateerde schermafbeeldingen, met name van 20 februari 2023, waaruit blijkt dat de locatiegegevens van de klager nog steeds op de Facebook-pagina van de verweerder stonden. Deze objectieve elementen, die meer dan twee maanden na het bevel werden vastgesteld, volstonden om een ernstige aanwijzing voor de niet-uitvoering van beslissing 172/2022 vast te stellen. 46. Op basis van het voorgaande (en in het bijzonder de ernstige aanwijzingen voor de niet-naleving van het bevel en de eigen bevoegdheden van de ID) is de Geschillenkamer van oordeel dat het onderzoek van de ID en de opening daarvan niet als onrechtmatig kunnen worden beschouwd. II.2.3.5.3. Over het vermeende nieuwe verzoek en de uitsluiting van Facebook 47. De verweerder stelt dat het verzoek van de klager, dat gericht is op de verwijdering van zijn locatiegegevens die nog steeds op de Facebook-pagina staan, een afzonderlijk verzoek vormt ten opzichte van het verzoek dat aanleiding gaf tot beslissing 172/2022. Volgens hem kan het behoud van die gegevens dan ook niet worden beschouwd als een niet-naleving van die beslissing. Daarnaast voert hij aan dat Meta, als aanbieder van het Facebook-platform, eveneens controle heeft over de op het platform gepubliceerde gegevens in zijn hoedanigheid van gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijke. 48. De Geschillenkamer kan die analyse niet volgen. De tekst van beslissing 172/2022 beperkt het toepassingsgebied van het bevel niet tot een specifiek medium of kanaal. Het bevel legt de verweerder de algemene verplichting op om de betrokken locatiegegevens "niet langer te verwerken". Die verplichting impliceert per definitie dat alle betrokken verwerkingen via alle door de verweerder gecontroleerde kanalen worden beëindigd. De vermelding van Google Maps in het dispositief ("met inbegrip van Google Maps" in beslissing 172/2022) diende enkel ter illustratie van een kanaal waarop de te wissen gegevens zichtbaar waren. Die verwijzing beoogde geenszins de reikwijdte van het bevel te beperken of uit te breiden; het bevel is van toepassing op alle vormen van verwerking, ongeacht het medium. 49. Het argument dat de Facebook-pagina los zou staan van de website, of gedeeltelijk door Meta zou worden beheerd, kan niet worden aanvaard. Deze pagina wordt beheerd door de verweerder, die er commerciële inhoud op publiceert, waaronder vastgoedgegevens zoals die waarop beslissing 172/2022 betrekking heeft. Hij beschikt in dat verband over daadwerkelijke Beslissing ten gronde 80/2025 — 13/27 controle over de gepubliceerde inhoud, en kan autonoom beslissen om die inhoud aan te passen of te verwijderen, zonder tussenkomst van Meta. 50. De argumentatie van de verweerder komt er in feite op neer dat hij de reikwijdte van het opgelegde bevel probeert te beperken tot slechts één kanaal. Nochtans verplicht beslissing 172/2022 de verwerkingsverantwoordelijke ertoe om alle betrokken verwerkingen waarop het bevel betrekking heeft, stop te zetten. 51. Gelet op het voorgaande is de Geschillenkamer van oordeel dat het behoud van de locatiegegevens van de klager op de Facebook-pagina – en, meer in het algemeen, op elk medium dat onder controle staat van de verweerder – wel degelijk een (gedeeltelijke) nietnaleving van het bevel vormt. II.2.3.5.4. Technische beperkingen en behoud van de Google Maps-kaart 52. De verweerder beroept zich op beperkingen van de beheerstool van zijn website om te rechtvaardigen dat het onmogelijk was bepaalde velden te verwijderen, met name het veld voor het postadres van het goed. Hij stelt dat hij de straat en het nummer heeft verwijderd, en vervolgens het hele betreffende veld, maar dat hij de Google Maps-kaart heeft behouden omdat die volgens hem een gerechtvaardigd belang dient in het kader van zijn commerciële activiteiten. 53. De Geschillenkamer herinnert eraan dat het aan de verwerkingsverantwoordelijke is om ervoor te zorgen dat zijn tools en technische dienstverleners hem in staat stellen zijn wettelijke verplichtingen na te komen. Een functionele beperking van zijn CMS, of een gebrek aan configuratie door zijn dienstverlener, kan hem niet ontslaan van zijn verplichtingen. 54. In ieder geval, en zoals de ID heeft opgemerkt 16, stelt de Geschillenkamer vast dat er geen technische onmogelijkheid werd aangevoerd met betrekking tot de Facebook-pagina, waarop het volledige adres van goed 1 op 20 februari 2023 nog steeds vermeld stond. Bovendien bleef de vermelding van de gemeente zowel op de website als op Facebook toegankelijk, ook op 13 maart 2023. Het behoud van de gegevens vormde een voortzetting van de verwerking, in strijd met het bevel in beslissing 172/2022. 55. Wat specifiek de Google Maps-kaart betreft, merkt de Geschillenkamer op dat, ondanks de ogenschijnlijke verwijdering van het tekstveld voor het postadres, de geolocatietool nog steeds geïntegreerd is in de website van de verweerder en nog steeds de ligging van het goed aanduidt, in combinatie met andere informatie die toelaat het goed nauwkeurig te identificeren. Het behoud van die kaart is dan ook onverenigbaar met het bevel tot volledige verwijdering en tot stopzetting van de verwerking. 16 Inspectiedossier – Verslag: p. 50. Beslissing ten gronde 80/2025 — 14/27 56. Bij wijze van conclusie kan worden gesteld dat het behoud van de Google Maps-kaart, die de ligging van het goed weergeeft, een gedeeltelijke niet-naleving van het bevel vormt, aangezien deze kaart op 31 maart 2025 nog steeds toegankelijk was, hetgeen strijdig is met het bevel tot volledige verwijdering en tot stopzetting van elke verwerking van de locatiegegevens van de klager. 57. De verweerder stelt dat hij een gerechtvaardigd belang had bij het publiceren van afbeeldingen van goed 1 op zijn website en Facebook-pagina, vergezeld van informatie over de locatie ervan, met de vermelding dat het goed verkocht was. Hij gaf aan bewust andere informatie te hebben behouden (met name de ligging via Google Maps), omdat hij van oordeel was dat de verwijdering daarvan afbreuk zou doen aan zijn fundamentele rechten en belangen. Aangezien hij van oordeel was dat zijn recht primeerde, bevestigde de verweerder dan ook dat hij ervoor gekozen had om niet alle betrokken gegevens te verwijderen, en erkende hij daarmee de opzettelijke niet-naleving van het bevel dat tegen hem was uitgesproken. De Geschillenkamer merkt in dit verband op dat de opmerkingen van de verweerder hadden moeten worden geformuleerd binnen de gestelde termijn en volgens de rechtsmiddelen die hem na de kennisgeving van beslissing 172/2022 ter beschikking stonden. Hij heeft er echter bewust voor gekozen dit niet te doen. II.2.3.5.5. Vaststelling van niet-naleving van het bevel 58. Uit de vaststellingen van de ID, verricht tijdens drie opeenvolgende controles (20 februari, 13 maart en 21 maart 2023), blijkt objectief dat beslissing 172/2022 laattijdig, onvolledig en slechts gedeeltelijk werd uitgevoerd. 59. Uit geen enkel element in het dossier blijkt dat de verweerder tot een volledige verwijdering van de gegevens is overgegaan, noch dat hij de verwerking op alle onder zijn controle staande media heeft stopgezet. De kennisgeving die op 5 december 2022 aan de GBA werd bezorgd, was louter verklarend van aard en bevatte geen enkele technische onderbouwing. Bovendien erkende de verweerder dat hij bewust bepaalde elementen had behouden, waaronder de Google Maps-kaart die de plaats aanduidt, omwille van commerciële belangen die hij als legitiem beschouwde. De vermelding van de plaats via de Google Maps-kaart was op 31 maart 2025 nog steeds publiek toegankelijk. 60. Hoewel bepaalde elementen (zoals de straat, het nummer of de kadastrale gegevens) wel werden verwijderd, vereiste beslissing 172/2022 een volledige verwijdering van de locatiegegevens, de stopzetting van elke verwerking en een kennisgeving aan de GBA over de uitvoering. Een "gedeeltelijke" of "selectieve" uitvoering, gebaseerd op de eigen beoordeling van de verweerder, bevestigt dat het bevel niet volledig werd nageleefd. Beslissing ten gronde 80/2025 — 15/27 61. De Geschillenkamer merkt overigens op dat de gedeeltelijke uitvoering van beslissing 172/2022 niet het gevolg is van een misverstand of een onoverkomelijke technische beperking. Integendeel, uit de elementen in het dossier blijkt dat de verweerder bewust bepaalde locatiegegevens heeft behouden (zoals de vermelding van de gemeente via de Google Mapskaart), in de veronderstelling dat hij zijn commerciële belangen mocht laten primeren op een definitief geworden beslissing. Een dergelijke houding, gebaseerd op een eenzijdige beoordeling van de reikwijdte van zijn verplichtingen, is onverenigbaar met het verantwoordingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 5.2 van de AVG. Het ontbreken van een beroep tegen beslissing 172/2022 kan een selectieve of voorwaardelijke uitvoering niet rechtvaardigen. 62. Hieruit volgt dat de gedeeltelijke niet-uitvoering bewust, selectief, aanhoudend en juridisch ongegrond is. Wat de timing betreft, blijkt uit de eerste vaststelling van niet-naleving op 20 februari 2023 dat de verweerder toen al 56 dagen in overtreding was. Een tweede controle op 13 maart 2023 bevestigde dat de gegevens nog steeds niet waren verwijderd, waardoor de objectief vastgestelde duur van niet-naleving opliep tot 76 dagen. 63. Daarnaast werd vastgesteld dat bepaalde elementen – met name de plaats via de Google Maps-kaart – nog steeds zichtbaar waren op 31 maart 2025 (dus meer dan 26 maanden na het verstrijken van de uitvoeringstermijn). Hoewel deze datum later valt dan de vaststellingen van de ID, herinnert de Geschillenkamer eraan dat die gegevens expliciet onder beslissing 172/2022 vielen. Het voortgezette behoud ervan, zonder technische of juridische rechtvaardiging, bevestigt de bewuste keuze om het bevel niet na te leven. 64. Om de hierboven uiteengezette redenen stelt de Geschillenkamer vast dat de verweerder het bevel in beslissing 172/2022 niet heeft nageleefd. De Geschillenkamer oordeelt dat het gedrag van de verweerder een niet-naleving van het bevel vormt. Deze niet-naleving, die zich over een periode van meer dan 26 maanden uitstrekt, is het gevolg van een bewuste keuze om de beslissing niet volledig uit te voeren, onder het voorwendsel van de bescherming van zijn commerciële belangen, ondanks het bindende karakter van die beslissing. III. Wat betreft de corrigerende maatregelen en sancties 65. Als onafhankelijke administratieve autoriteit heeft de Geschillenkamer de exclusieve bevoegdheid om passende corrigerende maatregelen en sancties op te leggen, overeenkomstig de artikelen 58.2 en 83 van de AVG en de artikelen 100, § 1, tot en met 102 van de WOG, wanneer een inbreuk op de AVG wordt vastgesteld. De uitoefening van deze bevoegdheid houdt niet alleen in dat moet worden beoordeeld of er sprake is van een inbreuk, maar ook dat in volledige onafhankelijkheid moet worden bepaald wat de meest passende reactie is in het licht van de doelstellingen van de AVG. Deze discretionaire bevoegdheid werd door het Marktenhof erkend in verschillende arresten (7 juli 2021, 6 september 2023, 20 Beslissing ten gronde 80/2025 — 16/27 december 2023)17, waarin de reikwijdte van de beoordelingsmarge van de Geschillenkamer met betrekking tot de keuze, de aard en de draagwijdte van de op te leggen sancties werd benadrukt. 66. Artikel 100 van de WOG18 bevat een lijst van corrigerende maatregelen en sancties die de Geschillenkamer kan opleggen wanneer zij een inbreuk vaststelt op de regels inzake gegevensbescherming. Deze maatregelen, opgesomd in de punten 1° tot en met 16° van artikel 100 van de WOG, omvatten met name het opleggen van sancties en kaderen binnen de bevoegdheden die aan de toezichthoudende autoriteit zijn toegekend krachtens artikel 58.2 van de AVG, die tot doel hebben de doeltreffendheid van de grondrechten inzake gegevensbescherming te waarborgen. 67. Onder deze maatregelen valt de administratieve geldboete, waarvoor een specifieke regeling geldt. Deze maatregel, die is vastgelegd in artikel 58.2.
  6. i)van de AVG en in de artikelen 100, 13°, en 101 van de WOG, is onderworpen aan de voorwaarden van artikel 83 van de AVG19. 17 Marktenhof, 19de kamer A, arrest van 7 juli 2021, 2021/AR/320, (hier beschikbaar) pp. 37-47; Marktenhof, 19de kamer A, arrest van 19 februari 2020, 2020/AR/1160, (hier beschikbaar) pp. 31-34; Marktenhof, 19de kamer A, arrest van 20 december 2023, 2023/AR/817, (hier beschikbaar) pp. 57, 61 en 62. 18 WOG, artikelen 100 tot en met 103. 19 "1. Elke toezichthoudende autoriteit zorgt ervoor dat de administratieve geldboeten die uit hoofde van dit artikel worden opgelegd voor de in de leden 4, 5 en 6 vermelde inbreuken op deze verordening in elke zaak doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. 2. Administratieve geldboeten worden, naargelang de omstandigheden van het concrete geval, opgelegd naast of in plaats van de in artikel 58, lid 2, onder
  7. a)tot en met
  8. h)en onder j), bedoelde maatregelen. Bij het besluit over de vraag of een administratieve geldboete wordt opgelegd en over de hoogte daarvan wordt voor elk concreet geval naar behoren rekening gehouden met het volgende:
  9. a)de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, rekening houdend met de aard, de omvang of het doel van de verwerking in kwestie alsmede het aantal getroffen betrokkenen en de omvang van de door hen geleden schade;
  10. b)de opzettelijke of nalatige aard van de inbreuk;
  11. c)de door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker genomen maatregelen om de door betrokkenen geleden schade te beperken;
  12. d)de mate waarin de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker verantwoordelijk is gezien de technische en organisatorische maatregelen die hij heeft uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 25 en 32;
  13. e)eerdere relevante inbreuken door de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker;
  14. f)de mate waarin er met de toezichthoudende autoriteit is samengewerkt om de inbreuk te verhelpen en de mogelijke negatieve gevolgen daarvan te beperken;
  15. g)de categorieën van persoonsgegevens waarop de inbreuk betrekking heeft;
  16. h)de wijze waarop de toezichthoudende autoriteit kennis heeft gekregen van de inbreuk, met name of, en zo ja in hoeverre, de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker de inbreuk heeft gemeld;
  17. i)de naleving van de in artikel 58, lid 2, genoemde maatregelen, voor zover die eerder ten aanzien van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker in kwestie met betrekking tot dezelfde aangelegenheid zijn genomen;
  18. j)het aansluiten bij goedgekeurde gedragscodes overeenkomstig artikel 40 of van goedgekeurde certificeringsmechanismen overeenkomstig artikel 42; en
  19. k)elke andere op de omstandigheden van de zaak toepasselijke verzwarende of verzachtende factor, zoals gemaakte financiële winsten, of vermeden verliezen, die al dan niet rechtstreeks uit de inbreuk voortvloeien." Beslissing ten gronde 80/2025 — 17/27 III.1. Vastgestelde inbreuk 68. Op basis van de bovenstaande overwegingen in deze beslissing stelt de Geschillenkamer vast dat het in beslissing 172/2022 opgelegde bevel niet is nageleefd, wat op grond van artikel 83.6 AVG kan worden bestraft. III.2. Opgelegde maatregelen in het onderhavige geval 69. Om te bepalen welke corrigerende maatregelen en sancties het meest geschikt zijn om de vastgestelde inbreuken te verhelpen, de herhaling ervan te voorkomen en een doeltreffende toepassing van de AVG te waarborgen, heeft de Geschillenkamer alle relevante omstandigheden van de zaak grondig geanalyseerd. Op basis daarvan heeft zij enerzijds bepaald welke corrigerende maatregelen in deze zaak van toepassing zijn en heeft zij anderzijds onderzocht of het passend is een administratieve geldboete op te leggen, alsook op welke wijze het bedrag daarvan moet worden vastgesteld. 70. De Geschillenkamer heeft rekening gehouden met de opmerkingen die de verweerder op 17, 18 en 22 april 2025 heeft gemaakt in het kader van het formulier getiteld "Formulier voor reactie op een voorgenomen administratieve geldboete" dat hem op 4 april 2025 werd bezorgd (hierna "het formulier"). Deze opmerkingen werden uitsluitend beoordeeld in het licht van de in het formulier voorgenomen maatregel, namelijk de administratieve geldboete. 71. Er zij aan herinnerd dat dit formulier uitsluitend tot doel heeft de verweerder, in zijn hoedanigheid van inbreukpleger, in de gelegenheid te stellen zijn opmerkingen over de gepastheid, de vaststelling en het bedrag van de voorgenomen geldboete kenbaar te maken, voordat deze wordt opgelegd20. 72. In zijn reactie op het formulier herhaalt de verweerder dat hij het bevel in beslissing 172/2022 volledig heeft nageleefd binnen de gestelde termijn. Hij stelt dat hij de belangrijkste gegevens (postadres, kadastrale gegevens) heeft verwijderd, de verwerking van de gegevens heeft stopgezet, de klager heeft geïnformeerd en de GBA in kennis heeft gesteld van de getroffen maatregelen. Hij stelt dat de beslissing niet expliciet betrekking had op bepaalde media – zoals de Facebook-pagina of de Google Maps-kaart – noch op de vermelding van de plaats. Ten slotte benadrukt hij dat hij voortdurend heeft meegewerkt met de GBA en te goeder trouw heeft gehandeld, waarbij hij verwijst naar technische en juridische beperkingen die eigen zijn aan zijn activiteit. 20 Zoals het Marktenhof preciseerde in zijn arrest van 22 januari 2025 (Marktenhof, 19 de kamer A, 2024/AR/1205, pp. 18-19), heeft het formulier voor reactie op een voorgenomen sanctie uitsluitend tot doel de opmerkingen over de vaststelling en het bedrag van de geldboete te verzamelen en biedt het geen mogelijkheid om de discussie over de reeds vastgestelde inbreuken te heropenen (Marktenhof, 19de kamer A, arrest van 22 januari 2025, 2024/AR/1205, pp. 18 en 19). Beslissing ten gronde 80/2025 — 18/27 73. De Geschillenkamer heeft hiervan nota genomen en hiermee rekening gehouden bij haar beoordeling van de corrigerende maatregelen die in het onderhavige geval moeten worden getroffen. III.2.1. III.2.1.1. Corrigerende maatregelen Doel en juridisch kader van de administratieve geldboete 74. Overeenkomstig artikel 58.2.
  20. i)van de AVG en artikel 100, § 1, 13°, van de WOG kan de Geschillenkamer bij niet-nakoming van de verplichtingen van de AVG, in aanvulling op of in plaats van andere corrigerende maatregelen, naargelang de omstandigheden van het concrete geval, een administratieve geldboete opleggen. 75. Overeenkomstig artikel 83.1 van de AVG moet elke geldboete doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn in het licht van de omstandigheden van het concrete geval. De administratieve geldboete kan een tweeledig doel hebben: zij heeft een repressief karakter, door onrechtmatig gedrag te bestraffen, en een afschrikkend karakter, door herhaling te voorkomen. Als zodanig past zij binnen een logica van duurzame regulering, die zich niet beperkt tot het bestraffen van een geïsoleerde inbreuk, maar er ook op gericht is herhaling van inbreuken te voorkomen, normalisering ervan te vermijden, proactieve naleving door de verwerkingsverantwoordelijken te bevorderen en een hoog niveau van bescherming van persoonsgegevens te waarborgen. 76. Om te beoordelen of het opleggen van een administratieve geldboete passend is en om het bedrag ervan vast te stellen, beschikt de Geschillenkamer over een beoordelingsbevoegdheid. Artikel 83.2 van de AVG somt de criteria op waarmee rekening moet worden gehouden om te beoordelen of een geldboete passend is en om het bedrag ervan vast te stellen, met name de aard, de ernst en de duur van de inbreuk, de opzettelijke of nalatige aard ervan, of de categorieën van betrokken gegevens. 77. Bij gebrek aan een juridisch bindende uitlegging van deze bepalingen verwijst de Geschillenkamer naar de richtsnoeren van het Europees Comité voor gegevensbescherming (hierna "EDPB"), en met name de Richtsnoeren 04/2022 voor de berekening van administratieve geldboeten (hierna "Richtsnoeren geldboeten"), die een kader vaststellen voor de concrete toepassing van de criteria uit artikel 83.2 en die gericht zijn op het waarborgen van een geharmoniseerde, objectieve en evenredige aanpak binnen de Europese Unie. 78. Overeenkomstig de Richtsnoeren geldboeten hanteert de Geschillenkamer een geïntegreerde aanpak van de in artikel 83.2 van de AVG genoemde criteria. Deze criteria worden gezamenlijk geanalyseerd, enerzijds om te bepalen of het opleggen van een geldboete gerechtvaardigd is, en anderzijds om het bedrag ervan vast te stellen. Beslissing ten gronde 80/2025 — 19/27 79. Ten slotte merkt de Geschillenkamer op dat zij niet verplicht is om de criteria te analyseren die in het onderhavige geval duidelijk niet van toepassing zijn 21. Alleen de criteria die relevant zijn voor het onderhavige geval worden onderzocht, teneinde een evenredige en gerichte analyse te waarborgen. 80. In het onderhavige geval acht de Geschillenkamer het opleggen van een geldboete passend, gezien de duidelijke ernst van de inbreuk, die met name wordt bepaald 22 aan de hand van (
  21. i)de duur van de inbreuk, die zich over meer dan twee jaar heeft uitgestrekt, en (
  22. ii)de selectieve naleving van het bevel door de verweerder, die meende het recht te hebben de gegevens te blijven verwerken ondanks een beslissing van de GBA die hem uitdrukkelijk had opgelegd daarmee te stoppen en waartegen hij beroep kon instellen of waarvoor hij een verzoek tot behandeling ten gronde kon indienen als hij de inhoud ervan wilde betwisten. Dit gedrag getuigt niet van nalatigheid, maar is het resultaat van een bewuste en opzettelijke keuze om het bevel slechts gedeeltelijk na te leven. De Geschillenkamer leidt hieruit af dat de inbreuk het gevolg is van een opzettelijke handeling in de zin van artikel 83.3 van de AVG. 81. Deze elementen – die hieronder nader worden toegelicht – rechtvaardigen het opleggen van een administratieve geldboete in plaats van een lichtere sanctie zoals een waarschuwing of een berisping, die niet het afschrikkende effect hebben dat nodig is om toekomstige inbreuken te voorkomen, temeer daar uit het dossier blijkt dat het ontbreken van een geldboete in het kader van beslissing 172/2022 juist een van de redenen was waarom hij ervoor koos die beslissing niet aan te vechten en zich eenvoudigweg veroorloofde de inhoud ervan gedeeltelijk te negeren. De administratieve geldboete is in die zin een noodzakelijke en evenredige maatregel die volledig in overeenstemming is met de doelstellingen van de AVG. III.2.1.2. Vaststelling en motivering van het bedrag van de geldboete 82. De Geschillenkamer gaat nu over tot de vaststelling van het bedrag van de geldboete, overeenkomstig de Richtsnoeren geldboeten. De relevante criteria zijn geïdentificeerd en geanalyseerd in het licht van de omstandigheden van het concrete geval. Alleen de criteria die in het onderhavige geval van toepassing zijn, worden hieronder behandeld en onderzocht. 23 III.2.1.2.1. Classificatie van de inbreuk volgens de AVG 24 83. De niet-naleving van een bevel van een toezichthoudende autoriteit (zoals in dit geval) vormt een afzonderlijke en specifieke inbreuk in de zin van artikel 83.6 van de AVG, die kan worden 21 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punt 6. Marktenhof, 19de kamer A, arrest van 19 februari 2020, 2020/AR/1160, p. 30-31; deze criteria kunnen ook worden gebruikt om het bedrag van de geldboete te beoordelen, overeenkomstig de bovengenoemde richtsnoeren van 3 oktober 2019. 23 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punt 6. 24 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punten 49 en 50. 22 Beslissing ten gronde 80/2025 — 20/27 bestraft met een geldboete tot 20 miljoen euro, of – voor een onderneming – tot 4 % van de wereldwijde jaaromzet, indien dit cijfer hoger is. 84. Deze inbreuk vloeit niet voort uit een verwerking op zich, maar uit de niet-naleving van een bevel om bepaalde verwerkingen te stoppen. III.2.1.2.2. Ernst van de inbreuk in het onderhavige geval25 85. De beoordeling van de ernst van een inbreuk in de zin van de artikelen 83.2.a),
  23. b)en
  24. g)van de AVG wordt doorgaans gebaseerd op een analyse van de kenmerken van de betrokken gegevensverwerking: de aard, de omvang, het doel, het aantal betrokken personen en de omvang van de potentiële of daadwerkelijke schade. In het onderhavige geval heeft de bestrafte inbreuk echter geen betrekking op een verwerking als zodanig, maar op de nietnaleving van een bevel van de GBA. 86. In dit kader moet de beoordeling van de ernst worden aangepast: deze gebeurt niet aan de hand van de kenmerken van de onderliggende verwerking, maar op basis van de specifieke omstandigheden die verband houden met de niet-naleving van het bevel. 87. In het onderhavige geval moet allereerst worden opgemerkt dat de niet-naleving van een bevel een inbreuk vormt op artikel 83.6 van de AVG, en derhalve onder de hoogste categorie van geldboeten van artikel 83 van die verordening valt. 88. De Geschillenkamer stelt vast dat (
  25. i)de niet-naleving van het bevel gedeeltelijk en eenmalig was, (
  26. ii)het bevel een lokale draagwijdte had en betrekking had op niet-gevoelige gegevens (locatiegegevens) en indirecte identificatoren, en (iii) het bevel slechts een beperkt aantal betrokkenen betrof, gezien het lokale karakter van het kantoor. 89. De Geschillenkamer stelt echter vast dat de gedeeltelijke niet-naleving van het bevel heeft voortgeduurd tot 31 maart 2025, dat wil zeggen meer dan 26 maanden na het verstrijken van de wettelijke uitvoeringstermijn voor beslissing 172/2022. De Geschillenkamer benadrukt dat niets in het dossier deze gedeeltelijke naleving gedurende meer dan twee jaar rechtvaardigt, vooral gezien het feit dat de verweerder moest weten dat hij reeds in overtreding was (in tegenstelling tot een procedure waarin de Geschillenkamer zich over de inbreuk als zodanig moest uitspreken). [...] Schermafbeelding genomen op 31/03/2025 om 15.15 uur 90. De vastgestelde schade blijft relatief beperkt, gezien het lokale en specifieke karakter van de verwerkingen waarop het bevel betrekking heeft. 25 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punten 17, 51 tot en met 62. Beslissing ten gronde 80/2025 — 21/27 91. In elk geval vloeit de inbreuk van de verweerder voort uit opzettelijk gedrag, zoals blijkt uit het volgende: - De verweerder heeft beslissing 172/2022 formeel ontvangen, waarvan hij noch het bestaan, noch de juridische draagwijdte kon negeren. Bovendien had hij de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij het Marktenhof of een verzoek tot behandeling ten gronde in te dienen krachtens artikel 98 van de WOG, maar hij koos er bewust voor dit niet te doen. - Verschillende wezenlijke aspecten van het bevel werden niet nageleefd. Zo heeft de verweerder de vermelding van de plaats op de Google Maps-kaart niet verwijderd. De verweerder erkende dat hij bepaalde elementen opzettelijk had behouden, omdat het verwijderen ervan in strijd zou zijn met zijn commerciële belangen. - De corrigerende maatregelen werden laattijdig getroffen en pas na tussenkomst van de ID uitgevoerd. Er werden geen ernstige technische of juridische belemmeringen aangevoerd of aangetoond die de langdurige niet-naleving van het bevel konden rechtvaardigen, wat de ernst van de situatie nog vergroot. - Uit de verklaringen van de verweerder blijkt ook dat hij, indien de beslissing gepaard was gegaan met een geldboete, deze naar alle waarschijnlijkheid volledig zou hebben uitgevoerd of op zijn minst via een rechtsmiddel zou hebben aangevochten. De Geschillenkamer concludeert dan ook dat het gedrag van de verweerder als opzettelijk moet worden beschouwd in de zin van artikel 83.2.
  27. b)van de AVG, en niet als loutere nalatigheid. 92. In het licht van de hierboven vermelde elementen concludeert de Geschillenkamer dat de ernst van de vastgestelde inbreuk gemiddeld is. III.2.1.2.3. Inaanmerkingneming van de omzet26 93. Om de betrokken omzet te bepalen, moeten toezichthoudende autoriteiten de definitie van het begrip "onderneming" toepassen zoals die door het HvJ-EU is vastgesteld voor de toepassing van de artikelen 101 en 102 van het VWEU. 94. Bovendien bepaalt artikel 83.6 van de AVG dat voor de berekening van de administratieve geldboete de totale wereldwijde jaaromzet van het voorgaande boekjaar moet worden gebruikt. In dit verband dient het begrip "voorgaande" te worden uitgelegd in overeenstemming met de rechtspraak van het HvJ-EU inzake mededingingsrecht. Dit betekent dat het relevante tijdstip voor de berekening van de geldboete de datum is waarop de toezichthoudende autoriteit haar beslissing inzake de geldboete heeft genomen, en niet het moment waarop de bestrafte inbreuk is gepleegd. 26 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punten 63 tot en met 69; 112 tot en met 131. Beslissing ten gronde 80/2025 — 22/27 95. In het onderhavige geval moest de boete dus worden berekend op basis van de cijfers van het boekjaar 2024. De Geschillenkamer raadpleegde hiervoor openbare informatie uit de Balanscentrale van de Nationale Bank van België ("NBB") en stelde daarbij het volgende vast: - De jaarrekening van 2024 was nog niet beschikbaar (de voorbije jaren werd deze doorgaans gepubliceerd tussen eind april en half juni). - Deze onderneming kan haar jaarrekening neerleggen volgens het verkorte model. Daardoor bevatten de jaarrekeningen voor 2021, 2022 en 2023, zoals gepubliceerd bij de NBB, geen informatie onder de rubriek "omzet" in de resultatenrekening. - Bijgevolg heeft de meest recente openbare informatie over de omzet van de verweerder betrekking op de cijfers voor 2020, zoals gepubliceerd in 2021, waaruit blijkt dat de omzet 149.979 EUR bedroeg voor 2020 (meer bepaald voor de periode van 1 oktober 2019 tot 30 september 2020) en 331.107 EUR voor 2019. 96. Op basis hiervan heeft de Geschillenkamer de verweerder meermaals verzocht om informatie te verstrekken over de omzet van het voorgaande jaar, zodat zij zich kon baseren op de meest juiste en recente gegevens ter zake. De verweerder heeft geen gevolg gegeven aan deze verzoeken. III.2.1.2.4. Bepaling van het uitgangsbedrag 97. Rekening houdend met het wettelijk maximumbedrag, de wereldwijde jaaromzet van de verwerkingsverantwoordelijke en de ernst van de inbreuk, besluit de Geschillenkamer concreet het uitgangsbedrag voor de categorie van inbreuken als volgt te berekenen: - Berekening van het wettelijk maximumbedrag: 4 % van de totale (wereldwijde) jaaromzet van de verweerder op basis van de meest recente beschikbare cijfers komt neer op 5.999 EUR. Dit bedrag is lager dan het maximum van 20.000.000 EUR. Bijgevolg bedraagt de hoogste geldboete 20.000.000 EUR ("wettelijk maximumbedrag"). - Aanpassing van het wettelijk maximumbedrag aan de ernst van de inbreuk: in het onderhavige geval rechtvaardigt de gemiddelde ernst van de inbreuk een aanpassing van het wettelijk maximumbedrag naar 10 tot 20 % van het wettelijk maximumbedrag zoals bepaald in artikel 83.6 van de AVG (20.000.000 EUR), dat wil zeggen tussen 2.000.000 EUR en 4.000.000 EUR27. In het licht van het onderhavige geval stelt de Geschillenkamer een theoretisch uitgangsbedrag vast van 2.000.000 EUR, ofwel 10 % van het wettelijk maximumbedrag. - Aanpassing van het theoretische uitgangsbedrag: volgens de methodologie van de EDPB behoort de verweerder op basis van de laatst bekende omzetcijfers tot de categorie van 27 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punt 60. Beslissing ten gronde 80/2025 — 23/27 ondernemingen met een omzet tussen 0 en 2.000.000 EUR. Aangezien deze marge zeer groot is, heeft de Geschillenkamer geoordeeld dat het gebruik van de omzet van 2020 geen bijzonder probleem oplevert, aangezien (
  28. i)deze geen oplegging van een bedrag binnen een lagere marge dan die welke in deze beslissing is vastgesteld, mogelijk maakt en (
  29. ii)het hoogst onwaarschijnlijk is dat de omzet in 2024 de drempel van 2.000.000 EUR zal overschrijden, gezien de openbare informatie in de meest recente balansen. Op basis hiervan besluit de Geschillenkamer het uitgangsbedrag een laatste keer aan te passen om rekening te houden met de jaaromzet van de onderneming. Aangezien het een kleine onderneming betreft die onder de laagste drempel valt, stellen de Richtsnoeren geldboeten voor om een percentage tussen 0,2 % en 0,4 % toe te passen om het theoretische uitgangsbedrag aan te passen. Aangezien het een eenmanszaak betreft waarvan de inkomsten zich in de laagste schijf van de toepasselijke drempel bevinden, werd uiteindelijk besloten een percentage van 0,25 % toe te passen. 98. Bijgevolg wordt het aangepaste uitgangsbedrag van de geldboete vastgesteld op 5.000 EUR. III.2.1.2.5. Verzwarende en verzachtende omstandigheden28 99. De Geschillenkamer motiveert het opleggen van een administratieve geldboete in concrete bewoordingen, rekening houdend met andere verzwarende of verzachtende omstandigheden zoals opgesomd in artikel 83.2 van de AVG. Er zij op gewezen dat elk criterium vermeld in artikel 83.2 van de AVG slechts één keer in aanmerking wordt genomen in de algemene beoordeling op grond van artikel 83.2 van de AVG. De criteria van artikel 83.2.a),
  30. b)en
  31. g)– die reeds zijn gebruikt om de ernst van de inbreuk te beoordelen – worden hier daarom niet opnieuw behandeld. 100. De Geschillenkamer herinnert eraan dat zij niet verplicht is om criteria te onderzoeken die niet relevant zijn, met inbegrip van neutrale criteria, dat wil zeggen criteria die noch als verzachtend, noch als verzwarend worden beschouwd. Zo wordt bijvoorbeeld de gewone verplichting tot samenwerking als verplicht beschouwd, en moet dit dus als een neutrale factor worden aangemerkt (en niet als een verzachtende factor). 101. In dit verband vormt de aanhoudende weigering van de verweerder om zijn bijgewerkte omzet mee te delen – waardoor de Geschillenkamer zich moest baseren op cijfers van bijna 5 jaar geleden – een flagrant gebrek aan medewerking, waarmee rekening is gehouden bij de berekening van het definitieve bedrag van de geldboete en het toepassen van een verhoging van 20 % op de aanvankelijk voorgestelde geldboete. 28 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punten 70 tot en met 111; Hof van Beroep Brussel (sectie Marktenhof), X tegen GBA, arrest 2020/1471 van 19 februari 2020. Beslissing ten gronde 80/2025 — 24/27 102. Hoewel elk element van artikel 83.2 zorgvuldig werd onderzocht door de Geschillenkamer, worden in dit sanctieformulier enkel die elementen uiteengezet die hebben geleid tot de vaststelling van een verzachtende of verzwarende omstandigheid. 103. Bijgevolg wordt het aangepaste uitgangsbedrag vastgesteld op 6.000 EUR. III.2.1.2.6. Doeltreffend, evenredig en afschrikkend karakter van de geldboete29 104. Overeenkomstig artikel 83.1 van de AVG en de richtsnoeren van de EDPB moet elke administratieve geldboete doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn ten aanzien van de omstandigheden van het concrete geval. De Geschillenkamer gaat hieronder na of het definitieve bedrag van de geldboete, namelijk 6.000 EUR, aan deze vereisten voldoet. 105. In het onderhavige geval heeft de verweerder opzettelijk gedeeltelijk uitvoering gegeven aan het bevel in beslissing 172/2022, zonder deze te hebben aangevochten ondanks zijn bezwaar, met als reden dat de beslissing niet vergezeld ging van een geldboete en dat de kosten van beroep buitensporig zouden zijn. In dit kader voldoet een geldboete van 6.000 EUR aan de voorwaarden van doeltreffendheid: zij bevestigt het bindende karakter van de beslissingen van de GBA en van de corrigerende maatregelen, en benadrukt dat de volledige uitvoering ervan verplicht is wanneer geen beroep wordt ingesteld. 106. Toezichthoudende autoriteiten moeten ervoor zorgen dat het bedrag van de geldboete in verhouding staat tot de inbreuk, als geheel beoordeeld, rekening houdend met verschillende factoren zoals de financiële draagkracht van de onderneming. 107. Het evenredigheidsbeginsel, zoals gedefinieerd in de AVG, stelt dat de getroffen maatregelen niet verder mogen gaan dan wat passend en noodzakelijk is om de legitieme doelstellingen van de betrokken regeling te verwezenlijken. Voor geldboeten betekent dit dat het bedrag ervan niet onevenredig mag zijn aan de nagestreefde doelstellingen 30, de ernst van de inbreuk en de omvang en financiële draagkracht van de betrokken onderneming 31. Bijgevolg moeten toezichthoudende autoriteiten ervoor zorgen dat het bedrag van de geldboete in verhouding staat tot de inbreuk, als geheel beoordeeld, rekening houdend met verschillende factoren zoals de financiële draagkracht van de onderneming. 108. In reactie op het formulier stelde de verweerder dat de oorspronkelijk voorgestelde geldboete buitensporig was, met verwijzing naar een ratio van 3,33 % van zijn jaaromzet en de crisis in de sector. 29 EDPB – Richtsnoeren 04/2022, punten 132 tot en met 144. Zaak T-704/14, Marine Harvest/Commissie, punt 580, verwijzing naar de zaak T-332/09, Electrabel/Commissie, punt 279. 31 Zie in dit verband zaak C-387/97, Commissie/Griekenland, punt 90, en zaak C-278/01, Commissie/Spanje, punt 41, waarin de geldboete "in overeenstemming is met de omstandigheden en evenredig is aan zowel de vastgestelde inbreuk als de draagkracht van de betrokken lidstaat". 30 Beslissing ten gronde 80/2025 — 25/27 109. De Geschillenkamer stelde vast dat de verweerder een eenmanszaak is, waarvan de omzet rechtstreeks verband houdt met de inkomsten van de natuurlijke persoon die hem bestuurt. Door het opleggen van een geldboete wordt de verweerder dan ook op dezelfde wijze getroffen als een natuurlijke persoon, en moet deze boete dienovereenkomstig worden behandeld. 110. De duidelijke en herhaaldelijke weigering van de verweerder om zijn meest recente omzetcijfers te verstrekken, heeft de Geschillenkamer er echter toe gedwongen zich te baseren op mogelijk onjuiste cijfers, waardoor zij niet kan nagaan wat de ratio is tussen het bedrag van de geldboete en de meest recente omzet. Zij merkt daarbij in het bijzonder op dat de omzet in 2019 meer dan het dubbele bedroeg van die in 2020. Bovendien wordt 2020 niet als representatief beschouwd wegens de COVID-19-pandemie, die in België lockdowns en de stillegging van niet-essentiële activiteiten (zoals die van de verweerder) met zich meebracht. De Geschillenkamer vermoedt daarom dat de weigering om recentere cijfers mee te delen, wijst op kwade trouw van de verweerder, die beoordeeld wil worden op basis van een omzet die aanzienlijk lager ligt dan zijn gebruikelijke jaaromzet en zich wil beroepen op een ratio die hoger is dan de werkelijke ratio tussen het bedrag van de geldboete en zijn gebruikelijke omzet. Daaruit volgt dat de verweerder de Geschillenkamer zelf in de onmogelijkheid heeft gebracht om de exacte ratio tussen de geldboete en de omzet te verifiëren, en haar dus niet kan verwijten dat zij zijn opmerkingen daaromtrent niet in aanmerking kan nemen. Niemand kan zich immers beroepen op zijn eigen wangedrag. 111. In het onderhavige geval zijn ook verschillende criteria, zoals de financiële draagkracht van de verweerder en de economische en sociale context waarin hij actief is, beoordeeld om te bepalen of de geldboete evenredig is. Hieruit blijkt dat de voorgestelde geldboete evenredig is32 : - Economische levensvatbaarheid en financiële draagkracht van de onderneming: uit geen enkel concreet element in het dossier blijkt dat het opleggen van de geldboete de economische levensvatbaarheid van de onderneming in gevaar zou brengen of dat de verweerder financieel niet in staat zou zijn de geldboete te betalen. - Bewijs van waardeverlies: er is geen bewijs in het dossier waaruit blijkt dat de geldboete de levensvatbaarheid van de activiteit in gevaar zou brengen of tot economisch waardeverlies zou leiden. - Economische en sociale context: de verweerder heeft gewezen op een crisis in de sector. Uit recente gebeurtenissen blijkt dat de vastgoedsector momenteel een crisis doormaakt als gevolg van de stijging van de hypotheekrente, wat heeft geleid tot een gebrek aan dynamiek in de sector, maar dit vertaalt zich slechts in een beperkte impact op het aantal 32 EDPB – Richtsnoeren 04/2022 voor de berekening van administratieve geldboeten krachtens de AVG (v2.1), punt 140. Beslissing ten gronde 80/2025 — 26/27 en de waarde van vastgoedtransacties. Aangezien de verweerder geen bijgewerkte cijfers heeft verstrekt waaruit al dan niet blijkt dat zijn omzet gedaald is omwille van deze crisis, kan de Geschillenkamer niet beoordelen of deze factor effectief impact heeft gehad op de activiteiten van de verweerder. 112. Bijgevolg houdt het bedrag van 6.000 EUR rekening met de ernst van de inbreuk, zonder het economische voortbestaan van de verweerder in gevaar te brengen. De Geschillenkamer bevestigt dat dit bedrag naar haar oordeel doeltreffend blijft, gezien de specifieke financiële situatie van de verweerder en diens zaakvoerder. 113. Het afschrikkende karakter van geldboeten is van cruciaal belang om de naleving van de door het Unierecht vastgestelde regels te waarborgen. Een geldboete moet voldoende afschrikkend zijn om te voorkomen dat de verwerkingsverantwoordelijke de inbreuk voortzet. Factoren zoals de aard en het bedrag van de geldboete, evenals de waarschijnlijkheid dat deze wordt opgelegd, zijn daarbij doorslaggevend. Een geldboete moet hoog genoeg zijn om een aanzienlijke financiële impact te hebben op de overtredende onderneming, maar moet wel in verhouding staan tot de ernst van de inbreuk. Met andere woorden, het criterium van afschrikking overlapt met dat van doeltreffendheid. 114. Als een toezichthoudende autoriteit van oordeel is dat een geldboete onvoldoende afschrikt, kan zij overwegen deze te verhogen. In sommige gevallen kan zij zelfs een afschrikkingsmultiplicator toepassen om het afschrikkend effect te versterken. Deze multiplicator kan naar goeddunken van de toezichthoudende autoriteit worden aangepast om ervoor te zorgen dat de afschrikkingsdoelstellingen volledig worden verwezenlijkt. 115. Rekening houdend met alle bovengenoemde factoren is het bedrag van 6.000 EUR afschrikkend en evenredig aan de omvang van de betrokken entiteit. III.2.1.2.7. Conclusie 116. Gelet op de gedetailleerde analyse van de criteria van artikel 83.2 van de AVG, acht de Geschillenkamer het in het onderhavige geval gerechtvaardigd om een administratieve sanctie van 6.000 EUR op te leggen wegens niet-naleving van het bevel in beslissing 172/2022.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.