← België

Beslissing ten gronde nr. 91/2025

1/11 Geschillenkamer Beslissing ten gronde 91/2025 van 5 juni 2025 “Deze beslissing werd vernietigd door het Arrest 2025/AR/1141 van het Marktenhof dd. 7 januari 2026 in zoverre ze op grond van artikel 100, § 1, 6°, WOG, verweerder 2 beveelt dat wordt voldaan aan het verzoek van de betrokkene om zijn recht van gegevenswissing uit te oefenen door zijn gegevens volledig te wissen en, op grond van artikel 100, §1, 5°, WOG, een berisping formuleert tegen verweerder 2 voor de inbreuk op artikel 17 AVG. Het Marktenhof hervormt de beslissing van de Geschillenkamer in die zin dat voor recht wordt gezegd dat met betrekking tot het verzoek tot wissing van de persoonsgegevens in de zin van artikel 17.1.a AVG, verweerder 2 zich in dit specifieke geval kon beroepen op de uitzondering van artikel 17.3.b AVG en dat er derhalve geen maatregelen kunnen worden bevolen of sancties kunnen worden opgelegd lastens verweerder 2.” Dossiernummer : DOS-2018-05915 Betreft : De informatie en transparantieverplichtingen, het recht op gegevenswissing en de positie van DPO De Geschillenkamer van de Gegevensbeschermingsautoriteit; Gelet op Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), hierna “AVG”; Gelet op de wet van 3 december 2017 tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit, hierna “WOG”; Gelet op het reglement van interne orde, zoals goedgekeurd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers op 20 december 2018 en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad op 15 januari 2019; Gelet op de stukken van het dossier; Heeft de volgende beslissing genomen inzake: De klager: X, hierna “de klager” Verweerder 1: Y1, vertegenwoordigd door meester Liesbeth Weynants, hierna “Verweerder1” Verweerder 2: Y2, vertegenwoordigd door meester Gerrit Vandendriessche en meester Jan Clinck, hierna “Verweerder 2” Beslissing ten gronde 91/2025 — 2/11 I. Feiten en procedure

  1. De klager was een klant van Verweerder 1, een groep van kinderdagverblijven in Vlaanderen en Brussel. In 2015 sloot Verweerder 1, als lid van Z (“…”), een overeenkomst met Verweerder 2 voor het invorderen van openstaande schulden. Verweerder 2 is een incassobureau en voert verwerkingsactiviteiten uit zoals omschreven in de Wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument, hierna de “incassowet”1, en het Koninklijk besluit van 17 februari 2005 tot regeling van de inschrijving van de personen die een activiteit van minnelijke invordering van schulden uitoefenen en van de waarborgen waarover deze personen moeten beschikken
  2. In 2016 verzendt Verweerder 1 een factuur naar de klager die onbetaald blijft en vervolgens overgemaakt wordt aan Verweerder
  3. Op 14 februari 2017 richt Verweerder 2 een aanmaning aan de klager tot betaling van een openstaande factuur van Verweerder
  4. De klager reageert op 11 december 2017 dat de schuldvordering van Verweerder 1 ongegrond is, en dat Verweerder 2 daarom geen rechtsgrond heeft om zijn gegevens verder te verwerken. In 2017 en 2018 volgt correspondentie tussen de klager en Verweerder 2 betreffende de factuur, de betwisting daarvan en de verwerking van persoonsgegevens. De klager verzoekt de wissing van zijn persoonsgegevens. Verweerder 1 erkent dat een facturatiefout aan de oorsprong van de vordering ligt en scheldt het openstaande bedrag kwijt. Op 12 juni 2018 licht Verweerder 2 de klager in dat zij, na inlichtingen te krijgen van Verweerder 1, tot oordeel is gekomen dat Verweerder 1 onjuiste informatie had bezorgd. Verweerder 2 verontschuldigt zich en geeft aan alle verdere invorderingsstappen te staken. Op 18 juni 2018 herhaalt de klager zijn verzoek tot wissing van zijn gegevens. Op 25 juni 2018 informeert Verweerder 2 de klager dat zij alle gegevens van de klager uit haar databank heeft verwijderd. Op 14 september 2018 en 22 september 2018 verstuurt Verweerder 2 nieuwe betalingsverzoeken naar de klager voor betaling van de openstaande schuld bij Verweerder
  5. Deze brieven worden, volgens Verweerder 2, per ongeluk verstuurd wegens een technische en een menselijke fout bij het wissen van de gegevens. Enerzijds was er bij het verwijderen van de gegevens van de klager een technische fout in het verwijderingsproces opgetreden waardoor een eerdere schriftelijke opdracht tot invordering van Verweerder 1 niet verwijderd werd. Omdat Verweerder 2 die opdracht niet kon koppelen aan een eerder 1 2 Wet van 20 december 2002 betreffende de minnelijke invordering van schulden van de consument. Koninklijk besluit van 17 februari 2005 tot regeling van de inschrijving van de personen die een activiteit van minnelijke invordering van schulden uitoefenen en van de waarborgen waarover deze personen moeten beschikken. Beslissing ten gronde 91/2025 — 3/11 of lopend dossier werd hiervoor een nieuw invorderingsdossier opgestart, en werden de nieuwe betalingsverzoeken verzonden naar de klager.
  6. Op 17 oktober 2018 dient de klager een klacht in bij de Gegevensbeschermingsautoriteit tegen Verweerder
  7. Op 8 november 2018 wordt de klacht door de Eerstelijnsdienst ontvankelijk verklaard op grond van de artikelen 58 en 60 WOG en wordt de klacht op grond van artikel 62, § 1 WOG overgemaakt aan de Geschillenkamer.
  8. Op 27 november 2018 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 63, 2° en 94, 1° WOG een onderzoek te vragen aan de Inspectiedienst.
  9. Op 27 november 2018 wordt overeenkomstig artikel 96, § 1 WOG het verzoek van de Geschillenkamer tot het verrichten van een onderzoek overgemaakt aan de Inspectiedienst, samen met de klacht en de inventaris van de stukken.
  10. Op 5 mei 2021 wordt het onderzoek door de Inspectiedienst afgerond, wordt het verslag bij het dossier gevoegd en wordt het dossier door de Inspecteur-generaal overgemaakt aan de Voorzitter van de Geschillenkamer (artikel 91, § 1 en § 2 WOG).
  11. Op 14 februari 2022 beslist de Geschillenkamer op grond van artikel 95, § 1, 1° en artikel 98 WOG dat het dossier gereed is voor behandeling ten gronde.
  12. Op 14 februari 2022 worden de betrokken partijen per aangetekende zending in kennis gesteld van de bepalingen zoals vermeld in artikel 95, § 2, alsook van deze in artikel 98 WOG. Tevens worden zij op grond van artikel 99 WOG in kennis gesteld van de termijnen om hun verweermiddelen in te dienen.
  13. Op 28 februari 2022 dient Verweerder 2 een gemotiveerd bezwaar in met verzoek om de proceduretaal naar het Nederlands te wijzigen.
  14. Op 18 maart 2022 informeert de Geschillenkamer de partijen dat de proceduretaal het Nederlands is, en dat de partijen zich in het Frans of het Nederlands mogen uitdrukken in het kader van de procedure voor de Geschillenkamer, en dit zowel schriftelijk in hun conclusies als mondeling tijdens een eventuele hoorzitting. Zij wijzigt de termijnen in de conclusiekalender.
  15. Op 23 december 2024 worden de partijen ervan in kennis gesteld dat de hoorzitting zal plaatsvinden op 24 maart
  16. Op 24 maart 2025 worden de partijen gehoord door de Geschillenkamer.
  17. Op 17 april 2025 wordt het proces-verbaal van de hoorzitting aan de partijen voorgelegd.
  18. Op 23 april 2025 ontvangt de Geschillenkamer vanwege Verweerder 2 enkele opmerkingen met betrekking tot het proces-verbaal, dewelke zij beslist mee op te nemen in haar beraad. Beslissing ten gronde 91/2025 — 4/11 II. Motivering Betreffende Verweerder 1 II.
  19. Voorafgaande overwegingen
  20. Ten eerste stelt Verweerder 1 dat de feiten dateren van voor de inwerkingtreding van de AVG, WOG en WVP. Hierdoor zou de AVG niet van toepassing zijn.
  21. De Geschillenkamer merkt op dat Verweerder 1 het sluiten van de overeenkomst tussen Verweerder 1 en Verweerder 2, en het bevel tot invordering aanmerkt als de relevante feiten. Deze vonden respectievelijk op 7 september 2015 en 14 februari 2017 plaats. Aangezien de AVG op 25 mei 2018 van toepassing werd, is het inderdaad niet van toepassing op deze feiten. De Geschillenkamer merkt echter op dat de Inspectiedienst de website van de klager op 20 april 2020 en 27 april 2021 raadpleegde om de eerste inbreuk vast te stellen (zie deel II.2 van deze beslissing) en het register van verwerkingsactiviteiten op 7 mei 2020 ontving en raadpleegde om de tweede inbreuk vast te stellen (zie deel II.3 van deze beslissing). Deze inbreuken dateren van na de toepassing van de AVG, op basis waarvan de Geschillenkamer concludeert dat de AVG van toepassing is op deze twee vermeende inbreuken.
  22. Ten tweede stelt Verweerder 1 dat de Inspectiedienst haar machtiging tot onderzoek ongeoorloofd heeft uitgebreid. Volgens Verweerder 1 zouden de vaststellingen van de Inspectiedienst het gevolg zijn van onderzoeken die verder strekken dan de klacht. De Geschillenkamer merkt op dat de klager ook zelf in zijn conclusies stelt dat zijn klacht geen betrekking had op Verweerder 1, maar louter tegen Verweerder 2 gericht was.
  23. In dit verband verwijst de Geschillenkamer naar arrest 2022/AR/723 van 14 juni 2023 van het Marktenhof3, waarin wordt geoordeeld dat bedrijven zich er bewust van moeten zijn dat één bepaald incident aanleiding kan geven tot een integrale inspectie en substantiële controle van de AVG-naleving van een onderneming of organisatie, die op zijn beurt dan weer kan leiden tot sancties wegens de niet-naleving van bepaalde AVG-verplichtingen, die initieel niet de aanzet waren van de inspectie. In casu stelde de Inspectiedienst vast dat Verweerder 1 als verwerkingsverantwoordelijke moest worden geïdentificeerd voor de verwerking die leidde tot de gegevensuitwisseling waarop de verdere verwerking in het kader van de schuldinvordering werd gebaseerd. De Geschillenkamer oordeelt in het licht van arrest 2022/AR/723 van het Marktenhof dat Verweerder 1 niet aantoont dat de Inspectiedienst buiten de discretionaire marge van haar bevoegdheid zou zijn getreden. De Geschillenkamer benadrukt daarbij dat de onderzoeksbevoegdheden van de Inspectiedienst (artikelen 64 tot en met 90 WOG) zich niet beperken tot een loutere vaststelling 3 Hier beschikbaar: marktenhof-ar-723.pdf van de accuraatheid van de inhoud van de klacht. De https://www.gegevensbeschermingsautoriteit.be/publications/arrest-van-14-juni-2023-van-het- Beslissing ten gronde 91/2025 — 5/11 onderzoeksbevoegdheden moeten immers dienend zijn om de naleving van de bepalingen inzake persoonsgegevensbescherming te onderzoeken. Het onderzoek moet om die reden op zijn minst ook kunnen ingaan op elementen die accessoir zijn aan het voorwerp van de klacht. II.
  24. Betreffende de inbreuk op artikelen 12.1, 13 en 14 AVG door Verweerder 1
  25. De Inspectiedienst stelt vast dat de privacyverklaring van Verweerder 1 geen informatie verstrekte over de verwerkingsactiviteit in het kader van de invordering van niet betaalde facturen. Zij stelde verder vast dat er informatie ontbrak over incassobureaus in de categorieën van ontvangers. Op basis van het voorafgaande stelde de Inspectiedienst vast dat Verweerder 1 de artikelen 12.1, 13 en 14 AVG heeft geschonden.
  26. Vooreerst stelt Verweerder 1 dat zij ervan uitging dat de betrokkenen reeds over de informatie beschikten conform artikel 13 AVG. Deze stelling wordt echter niet gestaafd met bewijsmateriaal. Verder stelt Verweerder 1 dat zij de privacyverklaring op haar website aanpaste na de e-mail van de Inspectiedienst. Inmiddels zou zij aan de verplichtingen in artikelen 12.1, 13 en 14 AVG voldoen door de nodige informatie te verstrekken met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, waaronder ook duidelijk de doorgifte van gegevens aan incassobureaus.
  27. Aangezien Verweerder 1 geen bewijsmateriaal overlegt waaruit zou blijken dat zij er rechtmatig van uit kon gaan dat de betrokkenen reeds over de betreffende informatie beschikten, oordeelt de Geschillenkamer dat deze informatie op basis van artikelen 12.1 en 13 AVG moest worden verstrekt aan de betrokkenen. Aangezien Verweerder 1 dit niet deed, oordeelt de Geschillenkamer dat Verweerder 1 inbreuk heeft gemaakt op artikelen 12.1 en 13 AVG.
  28. Artikel 14 AVG verplicht de verwerkingsverantwoordelijke om bepaalde informatie te verstrekken aan de betrokkene wanneer de persoonsgegevens niet van de betrokkene zijn verkregen. In casu is er geen aanleiding op basis waarvan blijkt dat Verweerder 1 persoonsgegevens verzamelde die niet van de betrokkenen werden verkregen. Aldus beslist de Geschillenkamer om dit onderdeel van het dossier op basis van artikel 100, § 1, 1° WOG te seponeren. II.
  29. Betreffende de inbreuk op artikel 30 AVG door Verweerder 1
  30. De Inspectiedienst stelde vast dat Verweerder 1 geen informatie opnam in haar register van verwerkingsactiviteiten over de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de invordering van niet betaalde facturen. Bovendien stelt de Inspectiedienst vast dat Verweerder 1 de naam en de contactgegevens van de verwerkingsverantwoordelijke en de Beslissing ten gronde 91/2025 — 6/11 functionaris voor gegevensbescherming niet opnam in haar register van verwerkingsactiviteiten. Als gevolg stelt de Inspectiedienst vast dat Verweerder 1 artikel 30.1 van de AVG heeft geschonden wegens het onvolledige register van verwerkingsactiviteiten.
  31. Verweerder 1 stelt ten eerste dat zij het register aanlegde met behulp van een model dat zij kreeg van Kind & Gezin, en dat zij er in goede trouw van uit mocht gaan dat dit model aan alle wettelijke eisen voldeed. Ten tweede stelt zij dat zij nu reeds de nodige aanpassingen heeft gemaakt. Haar register vermeldt nu duidelijk de “invorderingen van niet-betaalde facturen” en specifieert tevens het doel daarvan, de betrokkenen, de bron van de gegevens, de gegevens, de ontvanger van de gegevens, de rechtsgrond, en de opslag bij Verweerder 2 op het client web platform.
  32. De Geschillenkamer herinnert eraan dat verwerkingsverantwoordelijken op basis van artikelen 5.2 AVG en 24.1 AVG zelf verantwoordelijk zijn om passende technische en organisatorische maatregelen te treffen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met deze verordening wordt uitgevoerd. Verweerder 1 kan zich niet beroepen op een model dat zij van een derde partij zou hebben ontvangen om aan deze verantwoordelijkheid te ontsnappen. De Geschillenkamer oordeelt dat Verweerder 1 inbreuk maakte op artikel 30 AVG. III. Motivering betreffende Verweerder 2 III.
  33. Voorafgaande opmerkingen
  34. Ten eerste stelt Verweerder 2 dat de GBA niet optrad als een volledig onafhankelijke toezichthoudende autoriteit in de zin van artikel 52.1 AVG. Het dossier zou behandeld zijn geweest door de Geschillenkamer en onderzocht door de Inspectiedienst voordat de leden van deze organen benoemd waren door de Kamer van volksvertegenwoordigers. Voorts stelt Verweerder 2 dat de Inspecteur-generaals die in het dossier optraden niet voldoende onafhankelijk waren. Hierdoor stelt Verweerder 2 dat de klacht geseponeerd dient te worden. Verweerder 2 maakt echter nergens concreet aannemelijk dat de GBA niet optrad als een volledig onafhankelijke toezichthoudende autoriteit, of dat de Inspecteur-generaals die in het dossier optraden niet voldoende onafhankelijk waren. Verweerder 2 legt geen concrete, feitelijke elementen voor waaruit zou blijken dat de leden en Inspecteursgeneraal niet onafhankelijk optraden. Aldus beslist de Geschillenkamer dit argument te verwerpen.
  35. Ten tweede stelt Verweerder 2 dat haar geen inbreuken ten laste kunnen worden gelegd die niet het voorwerp van de klacht uitmaakten. Volgens Verweerder 2 kon de Inspectiedienst niet rechtmatig de scope van haar onderzoek verruimen, en moest zij zich Beslissing ten gronde 91/2025 — 7/11 beperken tot de omvang van de klacht en het mandaat dat haar door de Geschillenkamer werd gegeven. De Geschillenkamer verwijst in dit verband naar deel II.1 van deze beslissing. III.
  36. Betreffende de inbreuken binnen de scope van de klacht (artikelen 5.1.a) AVG, 12, 17 en 25 AVG)
  37. De Geschillenkamer constateert dat vaststellingen 3 en 4 van de Inspectiedienst dezelfde feitelijke grondslag delen. Om de efficiëntie en eenheid van de beoordeling te bevorderen, zullen deze punten gezamenlijk worden behandeld.
  38. Verweerder 2 ontving van Verweerder 1 onjuiste informatie over de klager, waardoor naar eigen zeggen een onterechte invorderingsprocedure werd opgestart. Na communicatie hierover diende de klager op 11 december (vóór de inwerkingtreding van de AVG) en nogmaals op 18 juni 2018 een verzoek in bij Verweerder 2 tot wissing van zijn persoonsgegevens.
  39. Artikel 17.1 AVG verleent de betrokkene het recht op wissing van persoonsgegevens, en verplicht de verwerkingsverantwoordelijke deze persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: “a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; [ …] d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; […]”
  40. De Inspectiedienst stelde dat, aangezien Verweerder 1 aan Verweerder 2 de opdracht gaf om de invorderingsprocedure stop te zetten, de persoonsgegevens niet langer nodig waren voor de doeleinden waarvoor zij werden verwerkt. Aldus had de klager op basis van lid 1.a) van artikel 17 AVG recht op gegevenswissing. De Geschillenkamer nuanceert deze stelling. De persoonsgegevens van de klager werden op basis van onjuiste informatie doorgegeven aan Verweerder
  41. Aldus ontbrak er vanaf de aanvang van de gegevensverwerking een geldige rechtsgrond en vloeit het recht van gegevenswissing van de klager voort uit lid 1.d) van artikel 17 AVG.
  42. Verweerder 2 informeerde de klager op 25 juni 2018 dat zijn persoonsgegevens gewist zouden zijn. Eén e-mail werd echter door een technische fout bewaard, waardoor er later een tweede invorderingsdossier werd aangemaakt, en er opnieuw een betalingsopdracht naar de klager werd verstuurd.
  43. Het nalaten om alle persoonsgegevens te wissen vormt een schending van artikel 17 AVG. Beslissing ten gronde 91/2025 — 8/11
  44. Verweerder 2 voert in haar conclusies aan dat het nalaten één e-mail te wissen haar niet verweten kan worden. De Geschillenkamer herinnert er echter aan dat het bewaren van een e-mail een verwerking is, en dat verwerkingsverantwoordelijken overeenkomstig artikel 24.1 AVG passende technische en organisatorische maatregelen moeten treffen om te waarborgen en te kunnen aantonen dat de verwerking in overeenstemming met de AVG wordt uitgevoerd. Het nalaten de passende technische en organisatorische maatregelen te nemen om een volledige wissing te garanderen is derhalve verwijtbaar aan de verwerkingsverantwoordelijke.
  45. Gelet op het voorgaande oordeelt de Geschillenkamer dat Verweerder 2 inbreuk heeft gemaakt op artikel 17 AVG door na te laten alle persoonsgegevens van de klager te wissen.
  46. Na de aanvankelijke fout, die leidde tot het foutief heropstarten van de invorderingsprocedure, besloot Verweerder 2 de persoonsgegevens te pseudonimiseren in plaats van te wissen. Tijdens de hoorzitting op 24 maart 2025 vroeg de Geschillenkamer aan Verweerder 2 of dit een algemeen beleid is van Verweerder 2, namelijk of gegevens worden gepseudonimiseerd in plaats van gewist. De DPO van Verweerder 2 antwoordde dat Verweerder 2 gegevens wist wanneer deze onterecht zijn doorgegeven door de opdrachtgever, bijvoorbeeld omdat de betaling al was gedaan. Wanneer een betrokkene verzoekt om gegevenswissing, worden de gegevens door Verweerder 2 gepseudonimiseerd in plaats van volledig gewist. Dit houdt in dat een deel van de persoonsgegevens worden verwijderd, terwijl bepaalde gegevens bewaard blijven.
  47. De Geschillenkamer herinnert eraan da gepseudonimiseerde gegevens steeds persoonsgegevens blijven in de zin van artikel 4.1 van de AVG (zie ook artikel 4.5 AVG). Door na een verzoek op basis van artikel 17 AVG, persoonsgegevens te pseudonimiseren in plaats van te wissen, weigert Verweerder 2 het recht op gegevenswissing na te leven. Tenzij er beroep kan worden gemaakt op een uitzondering in artikel 17.3 AVG, hetgeen in het huidige geval niet wordt ingeroepen, is het weigeren om persoonsgegevens te wissen een inbreuk op artikel 17 AVG.
  48. De Geschillenkamer oordeelt dat Verweerder 2 inbreuk maakte op artikel 17 AVG door de gegevens in de eerste plaats niet volledig te wissen, en in de tweede plaats slechts te pseudonimiseren in plaats van te wissen. III.
  49. Betreffende de inbreuk buiten de scope van de klacht (artikel 38.6 van de AVG)
  50. Artikel 38.6 van de AVG bepaalt dat de Functionaris voor Gegevensbescherming (hierna: DPO) andere taken en plichten kan vervullen. De verwerkingsverantwoordelijke is verplicht ervoor te zorgen dat deze taken of plichten niet tot een belangenconflict leiden. Beslissing ten gronde 91/2025 — 9/11
  51. In haar onderzoeksverslag stelde de Inspectiedienst een “mogelijk belangenconflict” vast door de cumul van rol van DPO met de rol van Compliance Officer. Zij stelde vast dat Verweerder 2 geen maatregelen ter preventie van belangenconflicten had voorzien.
  52. Verweerder 2 stelt in haar conclusies dat de Inspectiedienst slechts in de voorwaardelijke wijze schrijft, en nergens concreet aantoont dat er sprake is van een daadwerkelijk belangenconflict. Bovendien stelt zij dat zij wel maatregelen had genomen om belangenconflicten te vermijden, en dat zij sinds 14 mei 2021 beschikt over een externe DPO, die eveneens voor de Geschillenkamer verscheen tijdens de hoorzitting. Deze externe DPO cumuleert de rol van DPO niet met de functie van compliance officer.
  53. Gelet op de maatregelen die Verweerder 2 nam na het onderzoek van de Inspectiedienst, oordeelt de Geschillenkamer dat dit element van het dossier geen verdere behandeling behoeft. Rekening houdend met de efficiënte en effectieve uitoefening van haar taken, beslist de Geschillenkamer om op basis van van artikel 100, § 1, 6° WOG dit dossier te seponeren voor zover het betrekking heeft op een mogelijke inbreuk door Verweerder 2 op artikel 38, lid 6, van de AVG. IV. Maatregelen
  54. Krachtens artikel 100 van de WOG heeft de Geschillenkamer de bevoegdheid om: 1° een klacht te seponeren; 2° de buitenvervolgingstelling te bevelen; 3° een opschorting van de uitspraak te bevelen; 4° een schikking voor te stellen; 5° waarschuwingen en berispingen te formuleren; 6° te bevelen dat wordt voldaan aan de verzoeken van de betrokkene om zijn rechten uit te oefenen; 7° te bevelen dat de betrokkene in kennis wordt gesteld van het veiligheidsprobleem; 8° te bevelen dat de verwerking tijdelijk of definitief wordt bevroren, beperkt of verboden; 9° te bevelen dat de verwerking in overeenstemming wordt gebracht; 10° de rechtzetting, de beperking of de verwijdering van gegevens en de kennisgeving ervan aan de ontvangers van de gegevens te bevelen; 11° de intrekking van de erkenning van certificatie-instellingen te bevelen; 12° dwangsommen op te leggen; 13° administratieve geldboeten op te leggen; Beslissing ten gronde 91/2025 — 10/11 14° de opschorting van grensoverschrijdende gegevensstromen naar een andere Staat of een internationale instelling te bevelen; 15° het dossier over te dragen aan het parket van de procureur des Konings te Brussel, die het in kennis stelt van het gevolg dat aan het dossier wordt gegeven; 16° geval per geval te beslissen om haar beslissingen bekend te maken op de website van de Gegevensbeschermingsautoriteit. IV.
  55. Maatregelen betreffende Verweerder 1
  56. De Geschillenkamer oordeelde dat Verweerder 1 inbreuk heeft gemaakt op artikelen 12.1, 13 AVG door onvoldoende informatie te verstrekken aan betrokkenen. Verder oordeelde de Geschillenkamer dat Verweerder 1 inbreuk maakte op artikel 30 AVG door omdat haar register van verwerkingsactiviteiten onvolledig was.
  57. De Geschillenkamer houdt rekening met de verzachtende omstandigheden die de Inspectiedienst aanhaalt in het onderzoeksverslag, en in het bijzonder de maatregelen die Verweerder 1 heeft genomen om deze inbreuken stop te zetten. Hierdoor wordt niet overwogen een administratieve boete op te leggen.
  58. De Geschillenkamer beslist om op basis van artikel 100, § 1, 5° WOG een berisping te formuleren voor de inbreuk op artikelen 12.1, 13 en 30 AVG. IV.
  59. Maatregel betreffende Verweerder 2
  60. De Geschillenkamer oordeelde dat Verweerder 2 inbreuk maakte op artikel 17 AVG door de gegevens in de eerste plaats niet volledig te wissen, en in de tweede plaats slechts te pseudonimiseren in plaats van te wissen.
  61. De Geschillenkamer beslist om op basis van van artikel 100, § 1, 6° WOG Verweerder 2 te bevelen dat wordt voldaan aan het verzoek van de betrokkene om zijn recht van gegevenswissing uit te oefenen door zijn gegevens volledig te wissen.
  62. Voorts beslist de Geschillenkamer om op basis van artikel 100, § 1, 5° WOG een berisping te formuleren voor de inbreuk op artikel 17 AVG.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.