← België

Koninklijk besluit betreffende een verzoeningsprocedure voor het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie

LAG AAN DE KONING Sire, Om de goede werking van de telecommunicatiesector te garanderen, moet, rekening houdend met de snelle commerciële en technologische evolutie, alsmede met de scherpe concurrenti

§ 1, om te beslissen of zij de poging tot verzoening aanvaardt of niet.

De andere partij maakt per aangetekende brief haar antwoord kenbaar aan het Instituut. § 3. Binnen de 25 werkdagen na de ontvangst van de kennisgeving,

§ 2

van dit artikel zendt de andere partij haar verweerschrift, de nodige stavingsstukken alsook alle andere nodige documenten, over aan het Instituut. § 4. Indien de andere partij binnen de termijn,

§ 2

van dit artikel geen antwoord of een negatief antwoord verstrekt, stelt het Instituut vast dat een procedure tot verzoening niet mogelijk is. Het Instituut brengt de verzoeker hiervan op de hoogte binnen de 5 werkdagen na de ontvangst van het negatieve antwoord of na het verstrijken van de termijn, per aangetekende brief. Art. 4.§

  1. Het college onderzoekt de zaak en legt aan de partijen binnen een redelijke termijn een voorstel tot verzoening voor. §
  2. Het college stelt een proces-verbaal op waarin het tot stand gekomen akkoord wordt vastgesteld of waarin opgenomen is dat er geen akkoord is bereikt. Het proces-verbaal wordt ondertekend door de partijen en door de voorzitter van het college. §
  3. Een afschrift van het proces-verbaal wordt binnen een termijn van 5 werkdagen aangetekend aan de partijen toegestuurd. HOOFDSTUK III Ambtshalve oproeping van de partijen door het Instituut Art. 5.§
  4. Indien een reglementaire bepaling hierin uitdrukkelijk voorziet, kan het Instituut, bij toepassing van artikel 75, § 8 van de wet van 21 maart 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/03/1991 pub. 09/01/2013 numac 2012000673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Officieuze coördinatie in het Duits type wet prom. 21/03/1991 pub. 18/01/2016 numac 2015000792 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven. - Duitse vertaling van wijzigingsbepalingen sluiten, ambtshalve de partijen oproepen tot een verzoeningsprocedure. Het Instituut brengt de partijen per aangetekende brief op de hoogte van deze oproeping. De partijen beschikken in dat geval over 30 werkdagen na ontvangst van dit bericht, om per aangetekende brief hun stukken en argumenten aan het Instituut te bezorgen. §
  5. Wanneer de partijen hun stukken en argumenten regelmatig bezorgd hebben, verloopt de procedure zoals beschreven in artikel 4 van dit besluit. §
  6. Indien niet alle partijen hun stukken en argumenten overeenkomstig § 1 van dit artikel bezorgd hebben, stelt het Instituut vast dat een procedure tot verzoening niet mogelijk is. Het Instituut brengt de partijen hiervan per aangetekend schrijven binnen de 5 werkdagen op de hoogte. §
  7. Indien een partij dit wenst, of wanneer het Instituut dit nodig acht, kan het college een advies formuleren. Het wordt per aangetekende brief aan de partijen toegestuurd. HOOFDSTUK IV Bepalingen, gemeenschappelijk aan de hoofdstukken I, II en III Afdeling I. - De samenstelling en werking van het college Art. 6.§
  8. Het college bestaat uit ten minste drie leden, inclusief de voorzitter. Het aantal collegeleden is steeds oneven. §
  9. Het voorzitterschap van het college wordt waargenomen door de leidinggevende ambtenaar van het Instituut of zijn vervanger. De overige collegeleden maken deel uit van het Instituut en worden aangewezen door de voorzitter van het college. Ze zijn ambtenaren van niveau
  10. §
  11. Voor ieder collegelid wordt tegelijkertijd een plaatsvervanger aangewezen. Deze voldoet aan dezelfde voorwaarden als een effectief collegelid. Afdeling II. - De nadere regels van de procedure Art. 7.§
  12. Het college beoordeelt de zaak op grond van het in België van toepassing zijnde wettelijke en reglementaire kader. §
  13. Het college kan getuigenissen inwinnen en deskundigen aanstellen. Indien de door de partijen verstrekte documenten nadere toelichting behoeven, verzoekt het college de partijen bijkomende informatie of uitleg aan het college te verstrekken. §
  14. Op vraag van één of meer van de partijen, of ambtshalve, hoort het college de partijen op de dag die het vaststelt met inachtneming van een redelijke termijn. §
  15. De partijen verschijnen ofwel persoonlijk ofwel via een gemachtigde. Zij kunnen zich door raadslieden of deskundigen laten bijstaan. §
  16. Indien de partijen, of één ervan, niet ter zitting verschijnen, hoewel zij regelmatig zijn opgeroepen per aangetekende brief, is het college gemachtigd zijn opdracht te volbrengen nadat het zich ervan vergewist heeft dat de oproeping regelmatig bij de partijen is toegekomen en zij geen geldig excuus hebben aangevoerd om hun afwezigheid te rechtvaardigen. De zitting wordt in dat geval geacht op tegenspraak te zijn verlopen. §
  17. De zittingen zijn niet openbaar. Afdeling III. - Het deskundigenonderzoek Art. 8.§
  18. Het college kan wanneer het dit nodig acht, één of meer deskundigen ermee belasten vaststellingen te doen of een advies te geven. §
  19. Indien één of meer partijen een deskundigenonderzoek vragen, richten ze daartoe een verzoek aan het college. In dit verzoek wordt doel en aard van het onderzoek bepaald en kunnen één of meerdere deskundigen voorgesteld worden. §
  20. Indien het college het verzoek gegrond acht, benoemt het een deskundige of meerdere deskundigen, rekening houdend met het belang en de moeilijkheden van het specifieke geval. §
  21. Het college bepaalt de opdracht van de deskundige en legt de termijn ervan vast. §
  22. De deskundige verricht zijn onderzoekstaken op tegenspraak en binnen de grenzen van zijn opdracht. §
  23. De partijen vergemakkelijken met alle middelen de uitoefening van de opdracht van de deskundige. §
  24. De vaststellingen van de deskundige gelden als advies voor het college. §
  25. De honoraria en de kosten van het deskundigenonderzoek zijn ten laste van de partij die er om verzoekt. Indien het college om een deskundigenonderzoek verzoekt, worden de honoraria en de kosten ervan gelijkelijk tussen de partijen verdeeld. §
  26. De verdeling van de kosten van de deskundige wordt voorafgaandelijk door de partijen geregeld. Afdeling IV. - Verplichtingen van het Instituut en de partijen Art. 9.§
  27. Noch het Instituut, noch het college mag tijdens de loop van de procedure aan derden inlichtingen verstrekken over de inhoud van het geschil of de draagwijdte ervan, noch over het verloop van het geschil. §
  28. Behoudens het verslag, bepaald in § 4, laatste lid van dit artikel en het advies in de zin van het artikel 5, § 4 van dit besluit, mag in geen geval in een arbitrale of in een gerechtelijke procedure gewag worden gemaakt van hetgeen gezegd, geschreven of gedaan is met het oog op een verzoening die niet werd bereikt. §
  29. Wanneer één van de partijen in de loop van de procedure wijzigingen aanbrengt in de betwiste toestand, moet zij het college hiervan onverwijld op de hoogte brengen. §
  30. Op de partijen rust de verplichting om met alle middelen een goed en vlot verloop van de in dit besluit beschreven procedures mogelijk te maken. Wanneer één van de partijen manifest medewerking weigert, of wanneer zij ongegrond de procedure vertraagt, wordt zij door het college formeel in gebreke gesteld. Het college zal hiervan melding maken in een verslag dat als bijlage bij het advies zal worden gevoegd. Afdeling V. - Algemene bepalingen betreffende de termijnen Art. 10.De in dit besluit vermelde termijnen nemen een aanvang drie werkdagen na de poststempeldatum, vermeld op het aangetekend schrijven. Op de partijen rust de verplichting om in België een woonplaats of verblijfplaats te kiezen. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen Art. 11.Behoudens de bepalingen van artikel 8, §§ 8 en 9 van dit besluit zijn alle uitgaven ten laste van de partijen die ze doen. Art. 12.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 13.Onze Minister van Telecommunicatie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 december
  31. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Telecommunicatie, E. DI RUPO Voor de raadpleging van de voetnoot, zie beeld

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.