2 DECEMBER 1997. Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling De Vlaamse regering, Gelet op het decreet
§ 2
bedoelde subsidies mogen uitsluitend aangewend worden om die uitgaven te dekken die specifiek zijn voor het functioneren van het centrum en die niet gedragen worden of kunnen worden door de voorzieningen bedoeld in artikel 3, § 1, 3°. §
- De in § 1 bedoelde basissubsidie wordt jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De bedragen zijn vastgesteld op basis van de gezondheidsindex van december 1996, meer bepaald op 121,
- Art. 7.Elk centrum besteedt 70 % tot 85 % van het totaal van de subsidies bedoeld in artikel 6, §
§ 2, aan personeelskosten en 15 % tot 30 % aan werkingskosten.
Art. 8.§
- Als de krachtens dit besluit toegekende subsidie meer bedraagt dan de reële in artikel 6, § 3 bedoelde uitgaven, moet het centrum met het saldo reserves opbouwen. §
- Die reserves moeten worden aangewend voor dezelfde doeleinden en onder dezelfde voorwaarden als de subsidie, uitgekeerd volgens dit besluit. §
- Reserves opgebouwd na 1 januari 1997 die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidies bedoeld in artikel 6, §
§ 2worden integraal teruggestort aan Kind en Gezin.
Art. 9.De subsidie, vermeld in artikel 6 wordt per kalenderjaar toegekend aan elk centrum dat erkend is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en dat aan Kind en Gezin de volgende stukken meedeelt, overeenkomstig de richtlijnen van Kind en Gezin : 1° stukken over het voorbije werkingsjaar :
- a)een staat van inkomsten en uitgaven en een begroting voor het komende werkingsjaar, die door de bevoegde organen van het centrum zijn goedgekeurd en waarin de subsidies worden vermeld die van andere openbare besturen werden ontvangen of worden verwacht;
- b)een lijst van de leden van het team bedoeld in artikel 3, 2° van dit besluit, met vermelding van hun diploma's en hun ervaring inzake kindermishandeling;
- c)een verslag over de activiteiten van het voorbije werkingsjaar met in het bijzonder een analyse van de behandelde problemen, de gevolgde methoden, de samenwerking met andere voorzieningen en een evaluatie van het optreden van het centrum op doelgerichtheid en effect;2° andere stukken over het lopende jaar, zoals bepaald door Kind en Gezin en in te dienen binnen de door Kind en Gezin bepaalde termijnen. Art. 10.Elke persoon die, in welke hoedanigheid ook, zijn medewerking verleent aan de toepassing van dit besluit, is ertoe gehouden de feiten die hem in de uitoefening van zijn opdracht worden toevertrouwd, strikt geheim te houden. Art. 11.Het besluit van de Vlaamse regering van 8 juli 1987 houdende vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van centra voor hulpverlening inzake kindermishandeling, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 19 december 1990, 20 juli 1994 en 4 maart 1997, wordt opgeheven. Art. 12.De erkenningen die op basis van het in artikel 11 genoemde besluit zijn verleend, blijven gelden voor de duur waarvoor ze zijn toegekend. Art. 13.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1997. Art. 14.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 2 december 1997. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS