16 JANUARI 1998. Koninklijk besluit inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, gewijzigd bij de wet van 26 maart 1993, inzonderheid op hoofdstuk VI; Gelet op de dierengezondheidswet van 24 maart 1987, gewijzigd bij de wetten van 29 december 1990, 20 juli 1991 en 6 augustus 1993; Gelet op de Richtlijn 93/119/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 9 augustus 1980, 16 juni 1989, 4 juli 1989, 6 april 1995 en 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat de noodzaak om onverwijld maatregelen te nemen inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden voortvloeit uit de verplichting zich binnen de voorgeschreven termijn te schikken naar Richtlijn 93/119/EG; Op de voordracht van Onze Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten en doden van dieren die worden gefokt en gehouden voor het verkrijgen van vlees, huiden, pelzen of andere producten en op de procedures voor het doden in geval van bestrijding van besmettelijke ziekten; § 2. Dit besluit is niet van toepassing op : 1° technische of wetenschappelijke experimenten met betrekking tot de in § 1 genoemde procedures verricht met de toestemming van de Minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft;2° vrij wild. Art. 2.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° slachthuis : elke inrichting of installatie, met inbegrip van voorzieningen voor het verplaatsen of onderbrengen van dieren, die wordt gebruikt voor het commercieel slachten van de in artikel 5, § 1, genoemde dieren;2° verplaatsen : het uitladen van dieren of het drijven van dieren van de bij het slachthuis behorende losplaatsen, stallen of hokken naar de lokalen of plaatsen waar zij zullen worden geslacht;3° onderbrengen : het houden en in voorkomend geval het op passende wijze verzorgen (water, voeder, rust) van dieren in door een slachthuis gebruikte stallen, hokken, overdekte plaatsen of weiden, voordat zij worden geslacht;4° fixeren : het toepassen op een dier van iedere methode die erop is gericht de bewegingen van het dier te beperken ten einde het doeltreffend bedwelmen of doden te vergemakkelijken;5° bedwelming : iedere methode die, bij toepassing op een dier, dit dier onmiddellijk brengt in een staat van bewusteloosheid;6° doding : iedere methode die resulteert in de dood van een dier;7° slachten : het doden van een dier door verbloeding.8° pluimvee : kippen, kalkoenen, parelhoenders, eenden, ganzen, kwartels, duiven, fazanten, patrijzen, loopvogels (ratites) en alle andere gekweekt vederwild;9° eendagskuikens : pluimvee dat nog geen 72 uur oud is en dat nog niet gevoerd is : muskuseenden mogen evenwel gevoerd zijn. Art. 3.Bij het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten en doden moet ervoor worden gezorgd dat de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn of elk vermijdbaar lijden wordt bespaard. HOOFDSTUK II. - Vereisten inzake slachthuizen Art. 4.De bouw, de inrichting en de voorzieningen van slachthuizen en het gebruik daarvan moeten zo zijn dat de dieren elke vermijdbare opwinding of pijn of elk vermijdbaar lijden wordt bespaard. Art. 5.§ 1. Eenhoevigen, herkauwers, varkens, konijnen, pluimvee, en gekweekt wild die in een slachthuis worden binnengebracht om er te worden geslacht, moeten : 1° worden verplaatst en zo nodig ondergebracht overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk I, van de bijlage;2° worden gefixeerd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II van de bijlage;3° worden bedwelmd vóór het slachten of onmiddellijk worden gedood overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk III van de bijlage;4° wat het verbloeden betreft, worden behandeld overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk IV van de bijlage; § 2. Het bepaalde in § 1, 3°, geldt niet voor dieren die worden geslacht volgens speciale methoden die vereist zijn voor bepaalde religieuze riten. § 3. Voor slachthuizen die beschikken over een afwijking toegekend op grond van artikel 5 § 1, 1° en 1°bis van het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen zoals gewijzigd bij koninklijk besluit van 25 februari 1994, zijn de bepalingen van § 1, 1° niet van toepassing. Art. 6.§ 1. De instrumenten, installaties en verdere voorzieningen voor het fixeren, bedwelmen of doden van dieren moeten zo zijn ontworpen, gebouwd en onderhouden en zo worden gebruikt dat de dieren overeenkomstig dit besluit snel en doeltreffend worden bedwelmd of gedood. § 2. Voor noodgevallen moeten op de slachtplaats adequate reserveapparatuur en -instrumenten aanwezig zijn. Deze moeten regelmatig worden gecontroleerd en naar behoren worden onderhouden door de uitbater van het slachthuis. Art. 7.Het verplaatsen, onderbrengen, fixeren, bedwelmen, slachten of doden van dieren mag slechts worden uitgevoerd door personen die de nodige kennis en vaardigheden bezitten om de taken humaan en doeltreffend uit te voeren, overeenkomstig de in dit besluit neergelegde voorschriften. De uitbater van het slachthuis ziet erop toe dat de bovenvermelde personen over de vereiste beroepsbekwaamheid, -kennis en vaardigheden beschikken. HOOFDSTUK III. - Het slachten en doden buiten slachthuizen Art. 8.§ 1. Voor het slachten van de in artikel 5, § 1 bedoelde dieren buiten slachthuizen, is artikel 5, § 1, onder 2°, 3° en 4° van toepassing. § 2. De bepalingen van voorgaande paragraaf zijn niet van toepassing voor pluimvee, gekweekt wild konijnen, varkens, schapen en geiten die buiten het slachthuis door de eigenaar worden geslacht of gedood voor eigen consumptie, mits de varkens, schapen, geiten en tweehoevig gekweekt wild van tevoren worden bedwelmd. Art. 9.§ 1. Wanneer dieren als bedoeld in artikel 5, § 1, moeten worden geslacht of gedood in het kader van de bestrijding van dierziekten, moet dat geschieden overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk V van de bijlage; § 2. Dieren die voor hun pels worden gehouden, moeten worden gedood overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VI van de bijlage; § 3. Eendagskuikens en embryo's die in broederijen overtollig zijn en die moeten worden verwijderd, moeten zo snel mogelijk worden gedood overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VII van de bijlage; Art. 10.De artikelen 8 en 9 zijn niet van toepassing op een dier dat om dringende redenen onmiddellijk moet worden gedood. Art. 11.Gewonde of zieke dieren bestemd voor de slacht, moeten ter plaatse worden geslacht of gedood, wanneer ze niet vervoerd kunnen worden zonder dat dit extra lijden voor de dieren veroorzaakt. HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen Art. 12.De Minister die de landbouw onder zijn bevoegdheid heeft kan de bijlagen bij dit besluit wijzigen, met name om ze aan te passen aan de technologische en wetenschappelijke ontwikkeling. Art. 13.Het koninklijk besluit van 28 juni 1929 betreffende de wijzen van overbrenging en afmaking van het vee en van de trek- en rijdieren wordt opgeheven. Art. 14.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 15.Onze Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 16 januari 1998. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Landbouw en de Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN Bijlage bij het koninklijk besluit van 16 januari 1998. HOOFDSTUK I. - Voorschriften voor het verplaatsen en onderbrengen van dieren in slachthuizen A. Algemene voorschriften 1. Elk slachthuis moet beschikken over passende voorzieningen en installaties voor het uitladen van de dieren uit de vervoermiddelen. Deze die in werking waren vóór de datum van in werkingtreding van dit besluit moeten ten laatste op 1 januari 1999 aan deze bepaling voldoen. 2. De dieren moeten zo spoedig mogelijk na aankomst worden uitgeladen. Als dit niet mogelijk is, moeten de dieren worden beschermd tegen extreme weersomstandigheden en moet voor voldoende ventilatie worden gezorgd. 3. Dieren die elkaar vanwege hun soort, geslacht, leeftijd of oorsprong kunnen verwonden, moeten gescheiden worden gehouden en gescheiden worden ondergebracht.4. De dieren moeten worden beschermd tegen slecht weer.Als de dieren zijn blootgesteld aan hoge temperaturen, moet op adequate wijze voor afkoeling worden gezorgd. 5. De algemene toestand en de gezondheidstoestand van de dieren moeten ten minste iedere ochtend en iedere avond worden gecontroleerd.6. Dieren die tijdens het vervoer of bij aankomst in het slachthuis pijn of ander lijden te verduren hebben gehad alsmede niet-gespeende dieren moeten onmiddellijk worden geslacht.Als dit niet mogelijk is, moeten zij worden afgezonderd en zo snel mogelijk, en uiterlijk twee uur nadien, worden geslacht. Dieren die niet kunnen lopen, mogen niet naar de slachtplaats worden gesleept, maar moeten ter plaatse worden gedood, of, indien dat mogelijk is en geen onnodig lijden veroorzaakt, op een wagentje of een rijdend plateau naar het lokaal voor noodslachtingen worden vervoerd. B. Voorschriften voor niet in containers aangevoerde dieren 1. Wanneer het slachthuis beschikt over voorzieningen voor het uitladen van de dieren, moeten die een stroef loopvlak hebben en zo nodig een bescherming aan de zijkanten.De bruggen, vlonders en loopplanken moeten voorzien zijn van zijwanden, relingen of andere inrichtingen die moeten verhinderen dat de dieren eraf vallen. De vlonders voor het in- en uitladen moeten de grond raken en moeten zo weinig mogelijk hellen. De helling mag niet groter zijn dan 20 %. 2. Bij het uitladen mogen de dieren niet bang gemaakt, opgejaagd of mishandeld worden en dient ervoor te worden gezorgd dat de dieren niet omver worden gelopen.De dieren mogen niet zodanig worden opgetild aan de kop, de horens, de oren, de poten, de staart of de vacht dat zij onnodige pijn of lijden ondervinden. Indien nodig moeten de dieren afzonderlijk worden geleid. 3. Bij het verplaatsen van de dieren dient behoedzaam te werk worden gegaan.Drijfgangen moeten zo zijn geconstrueerd dat het gevaar voor verwonding van de dieren zo klein mogelijk wordt en moeten zo zijn aangelegd dat gebruik kan worden gemaakt van het kudde-instinct. Instrumenten om de dieren in een bepaalde richting te drijven mogen alleen maar daartoe worden gebruikt en slechts gedurende korte tijd. Apparaten waarmee electrische schokken worden toegediend, mogen uitsluitend worden gebruikt bij volwassen runderen en bij varkens die weigeren zich te verplaatsen, op voorwaarde dat de schokken niet langer duren dan twee seconden, dat zij voldoende worden gespreid en dat de dieren ruimte hebben om zich voort te bewegen; dergelijke schokken mogen uitsluitend worden toegepast op de spieren van de achtervoeten. 4. Het is verboden dieren te slaan op delen van het lichaam die bijzonder gevoelig zijn of op die delen druk uit te oefenen.Het is met name verboden de staart van de dieren te verbrijzelen, om te draaien of te breken en de dieren in de ogen te grijpen. Het is ook verboden te slaan en te schoppen. 5. Vóór het slachten moeten de dieren kunnen rusten gedurende een voldoende periode.Deze periode mag niet korter zijn dan vierentwintig uren voor vermoeide of opgewonden dieren. De dieren mogen alleen naar de slachtplaats worden gebracht, wanneer zij onmiddellijk na hun aankomst worden geslacht. 6. Onverminderd de afwijkingen toegestaan uit hoofde van artikel 5, § 1, 1° en 1°bis van het koninklijk besluit van 30 december 1992 betreffende de erkenning en de inrichtingsvoorwaarden van de slachthuizen en andere inrichtingen gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 februari 1994 moeten de slachthuizen voor het naar behoren onderbrengen van de dieren beschikken over voldoende hokken die bescherming bieden tegen slechte weersomstandigheden.7. Onverminderd de elders in de wetgeving vastgestelde eisen, moeten de stallen beschikken over : - vloeren die zo weinig mogelijk gevaar van uitglijden opleveren en die geen verwondingen veroorzaken wanneer de dieren ermee in contact komen; - adequate ventilatie, ook bij voorzienbare extreme omstandigheden qua temperatuur en vochtigheidsgraad. Wanneer ventilatieapparatuur noodzakelijk is, moet worden gezorgd voor noodvoorzieningen die bij eventuele storingen onmiddellijk kunnen worden ingezet. - kunstlicht dat voldoende intens is om de dieren te allen tijde te kunnen keuren; tevens moet er, zo nodig, een adequate noodverlichting voorhanden zijn; - in voorkomend geval, voorzieningen om de dieren vast te binden; - indien nodig, voldoende geschikt strooisel voor alle dieren die in de stallen overnachten. 8. Wanneer de slachthuizen niet alleen stallen hebben als hierboven bedoeld, maar ook weiden zonder natuurlijke bescherming of schaduw, moet worden gezorgd voor een adequate vorm van bescherming tegen slechte weersomstandigheden.De weiden moeten in zodanige toestand worden gehouden dat de gezondheid van de dieren niet wordt bedreigd door factoren van fysische, chemische of andere aard. 9. Dieren die niet onmiddellijk na hun aankomst naar de slachtplaats worden gebracht, moeten steeds via adequate voorzieningen over drinkwater kunnen beschikken.Dieren die twaalf uur na aankomst niet zijn geslacht, moeten op dat moment, en vervolgens matig en met passende tussenpozen, worden gevoederd. 10. Dieren die twaalf uur of langer in een slachthuis moeten verblijven, moeten worden gehuisvest en, indien nodig, zo worden vastgebonden dat zij zonder problemen kunnen gaan liggen.Als de dieren niet worden vastgebonden, moeten zij ongestoord kunnen eten. C. Voorschriften voor in containers aangevoerde dieren 1. De containers waarin de dieren worden vervoerd, moeten behoedzaam worden behandeld;het is niet toegestaan ermee te gooien, ze op de grond te laten vallen of ze te kantelen. Zij moeten zo mogelijk horizontaal en mechanisch worden in- en uitgeladen. 2. Dieren die worden afgeleverd in containers met een geperforeerde of buigzame bodem moeten zeer voorzichtig worden uitgeladen om te voorkomen dat de dieren verwondingen oplopen.Desnoods moeten de dieren afzonderlijk worden uitgeladen uit de containers. 3. Dieren die in containers zijn vervoerd, moeten zo snel mogelijk worden geslacht;als dit niet gebeurt, moeten zij indien nodig worden gedrenkt en gevoerderd overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk I B. punt 9. HOOFDSTUK II. - Het fixeren voor het bedwelmen, slachten of doden 1. De dieren moeten op een passende wijze worden gefixeerd en wel op zo'n manier dat hun vermijdbare pijn, vermijdbaar lijden, vermijdbare opwinding of vermijdbare verwondingen of kneuzingen worden bespaard. Bij het rituele slachten moeten de runderen voordat zij worden geslacht, evenwel worden gefixeerd volgens een mechanisch procédé teneinde alle pijn, lijden en opwinding, alsmede alle verwondingen of kneuzingen te voorkomen. 2. Ook is het verboden de poten van de dieren vast te binden en de dieren op te hangen voordat zij worden bedwelmd of gedood.Pluimvee en konijnen mogen evenwel worden opgehangen om te worden geslacht, voor zover passende maatregelen zijn getroffen om ervoor te zorgen dat het pluimvee en de konijnen vlak voor het bedwelmen zo ontspannen zijn dat de bedwelming doeltreffend en zonder onnodige vertraging kan worden uitgevoerd. Het blokkeren van een dier door middel van een systeem waarmee het in bedwang wordt gehouden kan in geen geval worden beschouwd als ophanging. 3. Dieren die worden bedwelmd of gedood met mechanische of elektrische middelen die worden toegepast op de kop van de dieren, moeten op zodanige wijze worden gepresenteerd dat de desbetreffende apparaten gemakkelijk, nauwkeurig en zolang als dat noodzakelijk is, kunnen worden aangebracht en gebruikt.4. Elektrische bedwelmingsapparatuur mag niet worden gebruikt om de dieren in bedwang te houden, te fixeren of in beweging te brengen. HOOFDSTUK III Het bedwelmen en doden van andere dan pelsdieren A. Bedwelmen : toegestane methoden en bijkomende voorwaarden De dieren mogen niet worden bedwelmd als het niet mogelijk is ze onmiddellijk daarna te laten verbloeden. 1. Penschiettoestel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.