wet tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Gro
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Art. 3.De vervolging van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering kan uitsluitend door de procureur-generaal bij het bevoegde hof van beroep ingesteld worden. Ze wordt onder zijn leiding en gezag uitgeoefend. Art. 4.De ambtsverrichtingen die in de regel behoren tot de bevoegdheid van de onderzoeksrechter en van de procureur des Konings, worden uitgeoefend door de raadsheer in het bevoegde hof van beroep, daartoe aangewezen door de eerste voorzitter van dat hof, en door de bevoegde procureur-generaal, ieder wat hem betreft. Zij mogen over het hele grondgebied van het Rijk alle handelingen van opsporings- of gerechtelijk onderzoek verrichten en gelasten die tot hun respectieve bevoegdheid behoren. Zij stellen de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de handeling moet worden verricht hiervan in kennis. Deze laatste licht op zijn beurt de procureur des Konings in van het arrondissement waar de handeling verricht moet worden. Art. 5.Indien tijdens het onderzoek ten aanzien van misdrijven gepleegd buiten de uitoefening van het ambt, een einde gemaakt wordt aan de uitoefening van elk ambt van lid van een gemeenschaps- of gewestregering, wordt het onderzoek onmiddellijk verder gezet door de bevoegde procureur des Konings en, in voorkomend geval, door de bevoegde onderzoeksrechter, overeenkomstig de voorschriften van het Wetboek van strafvordering en de wetten die de strafvordering betreffen. Art. 6.De regels van de strafrechtspleging die niet in strijd zijn met de procesvormen bij deze bijzondere wet voorgeschreven, worden bovendien nagekomen. HOOFDSTUK II. - Bijzondere bepalingen betreffende het gerechtelijk onderzoek in
Art. 7
.Behalve bij op heterdaad ontdekte misdaden of wanbedrijven kunnen de dwangmaatregelen waarvoor het bevel van een rechter vereist is, met name bevelen tot medebrenging, huiszoekingen, inbeslagnemingen, het opsporen en aftappen van telefoongesprekken, alsook onderzoeken aan het lichaam, ten opzichte van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering alleen bevolen worden door een college dat is samengesteld uit de in artikel 4 bedoelde raadsheer en twee andere raadsheren in het hof van beroep die door de voorzitter van dat hof werden aangewezen. Het college beslist bij meerderheid. HOOFDSTUK III. - Afsluiting van het gerechtelijk onderzoek in
Art. 8
.Wanneer de raadsheer bedoeld in artikel 4, oordeelt dat het gerechtelijk onderzoek is voltooid, deelt hij de processtukken en zijn verslag aan de procureur-generaal mee. Indien deze laatste het onderzoek onvolledig acht, kan hij bijkomende vorderingen richten tot de raadsheer bedoeld in artikel
- Art. 9.Indien de procureur-generaal geen andere onderzoekshandelingen vordert, vordert hij de regeling van de rechtspleging voor de kamer van inbeschuldigingstelling van het bevoegde hof van beroep, indien de raad daartoe verlof gegeven heeft. HOOFDSTUK IV. - Verlof van de raad voor de rechtstreekse dagvaarding of de vordering tot regeling van de rechtspleging Afdeling
- - Algemene bepalingen Art. 10.§
- In deze bijzondere wet wordt onder raad verstaan de assemblee waaraan een in artikel 2, § 1, bepaald lid verantwoording is of was verschuldigd. §
- Wanneer de procureur-generaal een lid van een gemeenschaps- of gewestregering rechtstreeks wil dagvaarden voor het hof van beroep in
, § 2, kan deze rechtstreekse dagvaarding niet plaatsvinden dan na verlof van de raad ten aanzien waarvan het lid verantwoordelijk is of was. Maakt het lid deel uit van meerdere regeringen, dan is het verlof vereist van die raad ten aanzien waarvan het lid, in de hoedanigheid waarin hij de feiten heeft gepleegd, verantwoordelijk is of was. § 3. In
, § 3, is voor de rechtstreekse dagvaarding het verlof vereist van die raad ten aanzien waarvan het lid op het ogenblik van het verzoek om verlof verantwoordelijk is. Maakt het lid op dat moment deel uit van meerdere regeringen, dan is het verlof van de gewestraad vereist. Art. 11.§ 1. Indien de procureur-generaal, overeenkomstig artikel 9, de regeling van de rechtspleging wil vorderen in
, § 2, is daartoe het verlof vereist van de raad ten aanzien waarvan het lid verantwoordelijk is of was. Maakt het lid deel uit van meerdere regeringen, dan is het verlof vereist van die raad ten aanzien waarvan het lid, in de hoedanigheid waarin hij de feiten heeft gepleegd, verantwoordelijk is of was. §
- In de gevallen, bedoeld in artikel 2, § 3, is voor de vordering tot regeling van de rechtspleging het verlof vereist van de raad ten aanzien waarvan het lid verantwoordelijk is op het ogenblik van het verzoek om verlof. Maakt het lid op dat moment deel uit van meerdere regeringen, dan wordt het verlof verleend door de gewestraad. Afdeling
- - Procedure Art. 12.§
- In geval van een verzoek om verlof voor de rechtstreekse dagvaarding zendt de procureur-generaal aan de raad een overzicht van de aanwijzingen en de indicatie omtrent hun mogelijke kwalificatie over. In geval van een verzoek om verlof voor de vordering tot regeling van de rechtspleging zendt de procureur-generaal aan de raad eveneens een overzicht van de aanwijzingen en de indicatie omtrent hun mogelijke kwalificatie over, samen met de akte van inverdenkingstelling. Zonder zich over de grond van het dossier uit te spreken gaat de raad na of de vraag ernstig is. Hij kan het verlof weigeren indien blijkt dat: - zowel de strafvordering als de feiten duidelijk hoofdzakelijk gestoeld zijn op politieke gronden; - de aangedragen elementen onrechtmatig, willekeurig of onbeduidend zijn. §
- De raad beraadslaagt over het verzoek om verlof van de procureur-generaal overeenkomstig de bepalingen van zijn reglement. De procedure verloopt met gesloten deuren. De raad kan het dossier opvragen, alsook de procureur-generaal en de minister en zijn raadsman afzonderlijk horen in de bevoegde commissie. In geen geval kan een tegensprekelijk debat plaatsvinden. §
- Indien de raad het verlof weigert, is deze beslissing definitief, tenzij in geval van nieuwe bezwaren. De raad kan evenwel zijn beslissing uitstellen en afhankelijk maken van de door hem ingeroepen redenen. Afdeling 3.- Gevolgen van het verlof Art. 13.De raad zendt zijn beslissing over aan de procureur-generaal. Indien de raad het verlof heeft verleend, zal de procureur-generaal het betrokken lid rechtstreeks dagvaarden voor het hof van beroep, respectievelijk de regeling van de rechtspleging vorderen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Art. 14.De verjaring van de strafvordering wordt geschorst gedurende de procedure voor de raad tot en met zijn eindbeslissing. Indien de raad geen verlof verleent voor de rechtstreekse dagvaarding of voor de vordering tot regeling van de rechtspleging, in
, § 3, wordt de verjaring van de strafvordering geschorst tot op het moment dat een einde gemaakt wordt aan de uitoefening van het ambt van lid van een of meer gemeenschaps- of gewestregeringen. Art. 15.Indien een einde wordt gemaakt aan de uitoefening van elk ambt van lid van een gemeenschaps- of gewestregering, na de verwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling, maar vóór de dagvaarding voor het hof van beroep, en het misdrijven betreft gepleegd buiten de uitoefening van het ambt, adieert de procureur-generaal de kamer van inbeschuldigingstelling, uitsluitend met het oog op de vaststelling dat er een einde werd gemaakt aan de uitoefening van elk ambt van lid van een gemeenschaps- of gewestregering, en dat, bijgevolg, het verdere verloop van de procedure zal worden beheerst door de voorschriften van het Wetboek van strafvordering en de wetten die de strafvordering betreffen. Indien de feiten waarvoor werd verwezen strafbaar zijn met criminele straffen, stelt de kamer van inbeschuldigingstelling vast of er gronden zijn om alleen een correctionele straf uit te spreken. De procureur-generaal doet, met het oog op de verderzetting van de strafvordering, het dossier toekomen aan het bevoegde lid van het openbaar ministerie. HOOFDSTUK V. - De procedure voor de kamer van inbeschuldigingstelling Art. 16.Indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat het feit noch een misdaad, noch een wanbedrijf, noch een overtreding is of dat er tegen de inverdenkinggestelde generlei bezwaar bestaat, verklaart zij dat er geen reden tot vervolging is. Zij kan, zo nodig, bijkomende onderzoekshandelingen bevelen. Indien de kamer van inbeschuldigingstelling van oordeel is dat er tegen de inverdenkinggestelde voldoende bezwaren bestaan, verwijst ze hem naar het bevoegde hof van beroep. TITEL III. - Aanhouding en voorlopige hechtenis in
Art. 17.§ 1.
Behalve bij ontdekking op heterdaad kan een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, in
, § 2, niet worden aangehouden of in voorlopige hechtenis genomen worden, dan met verlof van de raad ten aanzien waarvan het lid verantwoordelijk is of was. Maakt het lid deel uit van meerdere regeringen, dan is het verlof vereist van die raad ten aanzien waarvan het lid, in de hoedanigheid waarin hij de feiten heeft gepleegd, verantwoordelijk is of was. § 2. Behalve bij ontdekking op heterdaad, kan, in
, § 3, een lid van een gemeenschaps- of gewestregering tijdens de uitoefening van zijn ambt, niet worden aangehouden of in voorlopige hechtenis genomen worden dan met verlof van de raad ten aanzien waarvan hij op het ogenblik van het verzoek om verlof verantwoordelijk is. Maakt het lid op dat moment deel uit van meerdere regeringen, dan is het verlof vereist van de gewestraad. Art. 18.Indien de aanhouding of voorlopige hechtenis van het lid van een gemeenschaps- of gewestregering noodzakelijk blijkt, verzoekt de procureur-generaal om verlof aan de overeenkomstig artikel 17 bevoegde raad. Art. 19.De overeenkomstig artikel 17 bevoegde raad vergadert zo spoedig mogelijk en doet binnen vijf dagen, op verslag van de raadsheer bedoeld in artikel 4, na de procureur-generaal, het lid, en zijn raadsman gehoord te hebben, uitspraak over het verzoek om verlof voor de aanhouding of voorlopige hechtenis. De procedure verloopt met gesloten deuren en zoals geregeld in het reglement van de raad. Art. 20.Indien de overeenkomstig artikel 17 bevoegde raad daartoe verlof heeft gegeven, kan het bevel tot aanhouding tegen het betrokken lid worden verleend door de raadsheer bedoeld in artikel
- De artikelen 16 tot 20 van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de voorlopige hechtenis, zijn van toepassing op de afgifte van het bevel tot aanhouding, voor zover zij verenigbaar zijn met de bepalingen van deze bijzondere wet. Art. 21.De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak over de handhaving van de voorlopige hechtenis, vóór het verstrijken van de termijn van vijf dagen, bedoeld in artikel 21, § 1, van de wet van 20 juli 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 20/07/1990 pub. 02/12/2010 numac 2010000669 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de voorlopige hechtenis Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de voorlopige hechtenis. Vervolgens oordeelt deze kamer van maand tot maand over de handhaving van de voorlopige hechtenis. De artikelen 21 tot 25 en 35 tot 38 van dezelfde wet zijn van toepassing op de handhaving van de voorlopige hechtenis voor zover ze verenigbaar zijn met de bepalingen van deze bijzondere wet. TITEL IV. - Procedure voor het hof van beroep HOOFDSTUK I. - Samenstelling van de zetel Art. 22.§
- De misdrijven bedoeld in artikel 2 worden toegewezen aan de algemene vergadering van het bevoegde hof van beroep, die, voor de berechting van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering, bestaat uit vijf leden. De eerste voorzitter, die de algemene vergadering voorzit, wijst de overige leden naar rangorde aan. §
- In het geval het hof van beroep te Brussel bevoegd is, behoren alle leden van de algemene vergadering tot de Nederlandse taalrol indien het lid zich bij de eedaflegging, in voorkomend geval het eerst, van de Nederlandse taal heeft bediend. Zij worden aangewezen naar rangorde door de eerste voorzitter. De eerste naar rangorde zit de algemene vergadering voor. Indien het lid zich bij de eedaflegging, in voorkomend geval het eerst, van de Franse taal heeft bediend, behoren alle leden van de algemene vergadering tot de Franse taalrol. Zij worden aangewezen naar rangorde door de eerste voorzitter. De eerste naar rangorde zit de algemene vergadering voor. Worden meerdere leden van een gemeenschaps- of gewestregering samen berecht voor het hof van beroep te Brussel, en hebben zij zich, in voorkomend geval het eerst, van een andere taal bediend bij de eedaflegging, dan bestaat de algemene vergadering uit zeven leden, aangewezen naar rangorde. In dit geval wordt ze samengesteld als volgt: - drie leden die behoren tot de Nederlandse taalrol; - drie leden die behoren tot de Franse taalrol; - en, als voorzitter, de raadsheer die, als eerste naar rangorde, het bewijs van de kennis van beide talen heeft geleverd overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935Relevante gevonden documenten type wet prom. 15/06/1935 pub. 11/10/2011 numac 2011000619 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op het gebruik der talen in gerechtszaken Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op het gebruik der talen in gerechtszaken. Voor de terechtzittingen, bedoeld in het vorig lid, wordt een beroep gedaan op simultaanvertaling. §
- De raadsheren die onderzoekshandelingen hebben verricht of dwangmaatregelen hebben bevolen, of die gezeteld hebben in de kamer van inbeschuldigingstelling, nemen geen zitting in de algemene vergaderingen, bedoeld in de §§ 1 en
- HOOFDSTUK II. - Procedure ter terechtzitting Art. 23.De procureur-generaal oefent de strafvordering uit voor het hof van beroep. Art. 24.Het betrokken lid verschijnt na dagvaarding door de procureur-generaal. Art. 25.De procedure wordt geregeld door de van kracht zijnde procedurebepalingen van toepassing op de correctionele rechtbanken, voor zover ze niet tegenstrijdig zijn met deze bijzondere wet. Art. 26.Indien na de dagvaarding een einde gemaakt wordt aan de uitoefening van elk ambt van lid van een gemeenschaps- of gewestregering, en het misdrijven buiten de uitoefening van het ambt betreft, blijft de zaak aanhangig bij het hof van beroep. TITEL V. - Cassatieberoep Art. 27.§
- Tegen arresten gewezen door het hof van beroep staat enkel beroep bij het Hof van Cassatie, in verenigde kamers, open. §
- In
, § 2, verwijst het Hof van Cassatie, wanneer het het arrest vernietigt, in voorkomend geval, de zaak terug naar het hof van beroep dat het vernietigd arrest heeft gewezen. In dat geval wordt de zaak behandeld door de algemene vergadering, bedoeld in artikel 22, § 1 en § 2, eerste en tweede lid, die bestaat uit vijf andere leden en samengesteld wordt overeenkomstig de regels van hetzelfde artikel 22, §§ 1 en
- In het geval de algemene vergadering van het hof van beroep te Brussel samengesteld was overeenkomstig artikel 22, § 2, derde lid, wordt de zaak behandeld door de algemene vergadering, bedoeld in artikel 22, § 2, derde lid, die evenwel bestaat uit zeven andere leden, samengesteld overeenkomstig de regels van hetzelfde artikel 22, § 2, derde lid. §
- In de gevallen, bedoeld in artikel 2, § 3, verwijst het Hof van Cassatie, wanneer het het arrest vernietigt, in voorkomend geval, de zaak naar een ander hof van beroep, overeenkomstig de regels van het gemeen recht. In dat geval wordt de zaak behandeld door de algemene vergadering die bestaat uit vijf leden, aangewezen naar rangorde door de eerste voorzitter, die de vergadering voorzit. Art. 28.Artikel 131 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld als volgt: « Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 125 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers. ». TITEL VI. - Bijzondere bepalingen Art. 29.De mededaders van en de medeplichtigen aan het misdrijf waarvoor het lid van een gemeenschaps- of gewestregering wordt vervolgd en de daders van samenhangende misdrijven, worden samen met het lid vervolgd en berecht. Het voorgaande lid vindt evenwel geen toepassing op de daders van misdaden en van politieke misdrijven en drukpersmisdrijven die samenhangen met het misdrijf waarvoor het lid wordt vervolgd. Art. 30.Deze bijzondere wet is niet van toepassing op de vervolging en de berechting van een lid van een gemeenschaps- of gewestregering voor misdrijven die door hem mochten zijn gepleegd in de uitoefening van het ambt van federaal minister. Art. 31.Deze bijzondere wet treedt in werking op 1 juli
- Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 25 juni
- ALBERT Van Koningswege : De Eerste Minister, J.-L. DEHAENE De Minister van Justitie, T. VAN PARYS Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie, T. VAN PARYS
(1)Gewone zitting 1997-
- Senaat. Parlementaire stukken. - Voorstel van bijzondere wet, nr. 1-969/
- - Corrigendum, nr. 1-969/
- - Amendementen, nrs. 1-969/3 tot
- - Verslag, nr. 1-969/
- - Tekst aangenomen door de Commissie, nr. 1-969/
- - Amendementen, nr. 1-969/
- - Aanvullend verslag, nr. 1-969/
- - Tekst aangenomen door de Commissie na terugzending door de plenaire vergadering, nr. 1-969/
- Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 18 juni
- Kamer van volksvertegenwoordigers. Parlementaire stukken. - Ontwerp overgezonden door de Senaat, nr. 1616/
- - Amendementen, nrs. 1616/2 en
- -Verslag, nr. 1616/
- - Tekst aangenomen in plenaire vergadering, nr. 1616/
- Parlementaire Handelingen. - Bespreking en aanneming. Vergadering van 24 juni 1998.