10 DECEMBER 1998. - Koninklijk besluit betreffende het toelaatbare geluidsvermogensniveau van gazonmaaimachines ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 18 juli 1973Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/07/1973 pub. 25/06/2013 numac 2013000403 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bestrijding van de geluidshinder sluiten betreffende de bestrijding van de geluidshinder, inzonderheid op de artikels 1, eerste lid, 3° en 8; Gelet op het koninklijk besluit van 16 juni 1982 betreffende de vaststelling van de algemene methode voor het bepalen van het geluid dat door bouwmachines en bouwmaterieel wordt uitgestraald, gewijzigd door de koninklijke besluiten van 13 februari 1985 en 14 mei 1987; Gelet op de Richtlijn (84/538/EEG) van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 september 1984 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lidstaten inzake het toelaatbare geluidsvermogensniveau van gazonmaaimachines, gewijzigd bij de Richtlijnen van 7 april 1987 (87/252/EEG), (88/180/EEG) en (88/181/EEG) van 22 maart 1988; Gelet op de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, de protocollen, de slotakte en de bijlagen, ondertekend te Porto op 2 mei 1992, goedgekeurd bij de wet van 18 maart 1993, inzonderheid op artikel 23 van de Overeenkomst en punt VII, 1, van bijlage II; Gelet op het Protocol tot aanpassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, ondertekend te Brussel op 17 maart 1993, goedgekeurd bij de wet van 22 juli 1993; Gelet op het advies van de Hoge Gezondheidsraad, gegeven op 25 oktober 1995; Gelet op de betrokkenheid van de regeringen van de gewesten bij het ontwerp van dit koninklijk besluit die heeft plaatsgehad op de Interministeriële Conferentie Leefmilieu van 19 maart 1996; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 14 januari 1997; Op voordracht van Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie, Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Landbouw en Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Dit besluit heeft betrekking op de beperking van het toelaatbare geluidsvermogensniveau van het door gazonmaaimachines naar de omgeving uitgestraald luchtgeluid en van het toelaatbare geluidsdrukniveau van het uitgestraalde luchtgeluid op de bedieningsplaats bij gazonmaaimachines met een maaibreedte van meer dan 120 cm, door vaststelling van grenswaarden en meetmethoden voor deze niveaus. Art. 2.§ 1. Onder « gazonmaaimachine » dient te worden verstaan alle materieel met motor dat geschikt is voor onderhoud door maaien, ongeacht de techniek die daarbij wordt toegepast, van grasvelden voor recreatieve, decoratieve en dergelijke doeleinden. § 2. Dit besluit is van toepassing op gazonmaaimachines als bedoeld in de eerste paragraaf, met uitzondering van : - land- en bosbouwmaterieel; - niet-onafhankelijk werkende machines, waaronder getrokken messenkooien, waarvan het maaimechanisme door wielen of door een niet-specifiek trekkend of dragend toestel wordt aangedreven; - gecombineerde machines waarvan de hoofdkrachtbron een geïnstalleerd vermogen van meer dan 20 kW heeft. Art. 3.De in artikel 1 bedoelde gazonmaaimachines met een maaibreedte van meer dan 120 cm mogen alleen in de handel worden gebracht indien het geluidsdrukniveau van het luchtgeluid, uitgedrukt in dB(A), en gemeten op de bedieningsplaats onder de omstandigheden beschreven in bijlage II bij het koninklijk besluit van 16 juni 1982 betreffende de vaststelling van de algemene methode voor het bepalen van het geluid dat door bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel wordt uitgestraald, zoals aangevuld door bijlage I bij dit besluit, niet hoger is dan 90 dB(A). Art. 4.§ 1. De in artikel 1 bedoelde gazonmaaimachines mogen alleen in de handel worden gebracht indien hun geluidsvermogensniveau, bij meting onder de omstandigheden beschreven in bijlage I bij het koninklijk besluit van 16 juni 1982 betreffende de vaststelling van de algemene methode voor het bepalen van het geluid dat door bouwterreinmachines en bouwterreinmaterieel wordt uitgestraald, zoals aangevuld door bijlage II bij dit besluit, niet hoger is dan het toelaatbare geluidsvermogensniveau dat in onderstaande tabel naar gelang van de maaibreedte van de gazonmaaimachine is aangegeven : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld § 2. De overeenstemming van de gazonmaaimachine met de voorschriften van dit besluit wordt door de fabrikant, of door de in de Europese Gemeenschap gevestigde invoerder, onder zijn verantwoordelijkheid bevestigd in een certificaat, waarvan het model voorkomt in bijlage III, dat bij de machine moet zijn gevoegd, en dat gebaseerd is op het proces-verbaal van het onderzoek dat voor elk type gazonmaaimachine is uitgevoerd door een laboratorium dat voorkomt op de lijst die door de Minister of de Staatssecretaris tot wiens bevoegdheid het Leefmilieu behoort of door een andere Lidstaat van de Europese Gemeenschap, wordt opgesteld. Om op de eerstgenoemde lijst te worden opgenomen moet het laboratorium voldoen aan de bepalingen van het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen en moet het geaccrediteerd zijn op basis van de wet van 20 juli 1990 inzake de accreditatie van certificatie- en keuringsinstellingen, alsmede van beproevingslaboratoria of van de wet van 16 juni 1970 betreffende de meeteenheden, de meetstandaarden en de meetwerktuigen en van de desbetreffende uitvoeringsbesluiten ervan. De federale Minister of Staatssecretaris die het Leefmilieu onder zijn bevoegdheid heeft, stelt in overleg met de Minister tot wiens bevoegdheid de Economische Zaken behoren, de periode vast waarna de verplichting tot accreditatie ingaat. § 3. Dit certificaat kan worden weergegeven op de gebruiksaanwijzing of op het garantiebewijs. Art. 5.§ 1. Op gazonmaaimachines moeten, voordat ze ten verkoop worden aangeboden, op duidelijke en duurzame wijze, hetzij direct op de gazonmaaimachine, hetzij op een blijvend aangebracht plaatje, bijvoorbeeld een geklonken of zelfklevend plaatje, de merktekens worden aangebracht voor de identificatie van de fabrikant, de aanduiding van het type en de opgave van het maximale geluidsvermogensniveau in dB( A) ten opzichte van 1 pW, alsmede, voor gazonmaaimachines met een maaibreedte van meer dan 120 cm, van het geluidsdrukniveau in dB( A) ten opzichte van 20 |gmPa op de bedieningsplaats, die door de fabrikant worden gewaarborgd. De vermelding van het maximale geluidsvermogensniveau is niet vereist voor met een elektromotor uitgeruste gazonmaaimachines met een maaibreedte van minder dan 30 cm, die wegens hun constructie weinig geluidshinder veroorzaken. § 2. De modellen van deze vermeldingen staan in bijlage IV. Art. 6.De controle op de overeenstemming van de productie met de voorschriften van dit besluit geschiedt door middel van steekproeven. Art. 7.Indien uit een controle blijkt dat een in Belgïe gefabriceerde gazonmaaimachine niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit besluit, of indien door een andere lidstaat van de Europese Gemeenschap op de hoogte van zo'n gebrek aan overeenstemming wordt gesteld, dan neemt de Minister of de Staatssecretaris tot wiens bevoegdheid het Leefmilieu behoort, de nodige maatregelen om de overeenstemming van de verdere productie van gazonmaaimachines van hetzelfde type te verzekeren. Binnen de maand stelt hij onder opgave van redenen, de andere Lid-Staten en de Commissie op de hoogte van de getroffen maatregelen. Art. 8.Opgeheven worden : 1° het koninklijk besluit van 1 juli 1986 betreffende het toelaatbare geluidsvermogensniveau van gazonmaaimachines;2° het besluit van de Brusselse Gewestexecutieve van 16 mei 1991 en het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 19 september 1989 betreffende het toelaatbare geluidsvermogensniveau van gazonmaaimachines;3° de artikelen 41, 42, 43, 45 en 46 van het besluit van 30 juli 1992 van de Vlaamse Gewestexecutieve tot vaststelling van maatregelen ter bestrijding van geluidshinder veroorzaakt door bouwmaterieel en bouwmachines. Art. 9.Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie, Onze Minister van Volksgezondheid en Pensioenen, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid, Onze Minister van Landbouw en Kleine en Middelgrote Ondernemingen en Onze Staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 december 1998. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie, E. DI RUPO De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen, M. COLLA De Minister van Landbouw en Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage I Methode voor de door de meeting van het door gazonmaaimachines uitgestraalde luchtgeluid op de bedieningsplaats Deze methode is van toepassing op gazonmaaimachines met een maaibreedte van meer dan 120 cm en een zitplaats voor de bedienende persoon, welke integraal deel uitmaakt van de gazonmaaimachine. Deze technische methodes voldoen aan de voorschriften gegeven in bijlage II van het koninklijk besluit van 16 mei 1982 betreffende de vaststelling van de algemene methode voor het bepalen van het geluid dat door bouwterreinmachines en bouwmaterieel wordt uitgestraald. De bepalingen van die bijlage zijn, met inachtneming van de volgende wijzigingen en toevoegingen, van toepassing op gazonmaaimachines : 6. Bedieningspersoneel Op de bedieningsplaats dient een bedieningspersoon aanwezig te zijn. 6.2.1. Bedieningspersoon in staande houding. Hiermee wordt geen rekening gehouden. 7.1. Algemeen De plaatsing van de microfoon geschiedt zoals beschreven onder punt 7.3. 9.1. Algemeen. De plaatsings- en bedrijfsomstandigheden van de gazonmaaimachine zijn zoals beschreven onder punt 6.2. van bijlage II. 9.2. Werking van een met verstelbare voorzieningen uitgeruste gazonmaaimachine. Hiermee wordt geen rekening gehouden. 10.2.2. Met gebruikmaking van A-gewogen geluidsdrukniveaus LpA Indien bij de meting gebruik wordt gemaakt van een geluidsmeter, bedraagt T vijf seconden. Er worden vijf metingen verricht. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 10 december 1998. ALBERT Van Koningswege : De Vice-Eerste Minister en Minister van Economie en Telecommunicatie, E. DI RUPO De Minister van Volksgezondheid en Pensioenen, M. COLLA De Minister van Landbouw en Kleine en Middelgrote Ondernemingen, K. PINXTEN De Staatssecretaris voor Veiligheid, Maatschappelijke Integratie en Leefmilieu, J. PEETERS Bijlage II Methode voor het meten van het luchtgeluid dat door gazonmaaimachines wordt uitgestraald Werkingssfeer Deze methode is van toepassing op gazonmaaimachines. Hierin zijn de procedures aangegeven voor de proeven ter bepaling van het geluidsvermogensniveau van deze machines met het oog op de afgifte van de verklaring dat zij overeenstemmen met de voorschriften. Deze technische procedures zijn in overeenstemming met de voorschriften van bijlage I van het koninklijk besluit van 16 juni 1982 gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 februari 1985. De bepalingen van bijlage I van het koninklijk besluit van 16 juni 1982, gewijzigd bij koninklijk besluit van 13 februari 1985 gelden voor gazonmaaimachines, met inachtneming van de volgende wijzigingen : 4. Beoordelingsfactoren voor het weergeven van de resultaten 4.1. Het naar de omgeving uitgestraalde geluid Het naar de omgeving uitgestraalde geluid van een gazonmaaimachine wordt uitgedrukt door het geluidsvermogensniveau. 6. Meetomstandigheden 6.1. Meetobject 6.1.1. Gazonmaaimachines met een voorziening voor het opvangen van het gras worden met deze voorziening beproefd onder normale gebruiksomstandigheden. 6.1.2. Het maaimechanisme wordt ingesteld op een hoogte van 3 cm boven de grond. Indien dit om technische redenen niet mogelijk is, wordt het maaimechanisme ingesteld op een hoogte zo dicht mogelijk bij 3 cm. Het gazon op de meetplaats wordt, alvorens enige geluidsmeting plaatsvindt, met deze instelling van het maaimechanisme gemaaid. Voor de geluidsmeting moet de maaimachine vrij zijn gemaakt van gras en moet de grasvanger leeg zijn. 6.1.3. Bij gazonmaaimachines met een messenkooi wordt de afstand tussen de messenkooi en het ondermes ingesteld volgens aanwijzing van de fabrikant. Deze instelling is zodanig dat aan één van de volgende eisen wordt voldaan : - een blad papier, zoals gedefinieerd in ISO/R4046 met een gewicht van 80 g/m2 (kraftpapier), wordt doorgesneden over ten minste 50 % van de maaibreedte; - of de afstand tussen de messenkooi en het ondermes bedraagt over de gehele maaibreedte niet meer dan 0,15 mm; - of het maaimechanisme wordt bijgesteld totdat de messen elkaar raken en dan teruggetrokken totdat het contact wordt onderbroken wanneer de messenkooi met maximale snelheid draait. De mogelijkheid gebruik te maken van de in het derde streepje omschreven test is uitsluitend opengesteld voor met een elektromotor uitgeruste maaimachines met een messenkooi met een maaibreedte van minder dan 50 cm. Voor en tijdens de metingen moeten de roterende messen worden gesmeerd met SAE 20/50-olie. 6.2 Werking van de geluidsbron gedurende de metingen Vóór elke geluidsmeting moet de motor van de gazonmaaimachine volgens de instructies van de fabrikant op temperatuur worden gebracht. De metingen van het geluidsvermogensniveau van gazonmaaimachines worden in beginsel verricht bij stilstaande maaimachines, zonder de bedienende persoon, terwijl maaimechanisme en motor op het maximale toerental werken. Indien het maaimechanisme niet kan worden ontkoppeld van de aandrijfwielen van de gazonmaaier, wordt deze getest hetzij na plaatsing op een ondersteuningsvlak, hetzij al rijdend, vergezeld van de bedienende persoon en onder de volgende omstandigheden : - maaimachine met directe transmissie : In dat geval beweegt de maaimachine zich voort met een zodanige snelheid dat het maaimechanisme op het maximale door de fabrikant vastgestelde toerental werkt; - maaimachine met regelbare transmissie : In dat geval wordt de hoogste overbrengingsverhouding gekozen. De maaimachine beweegt zich voort met een zodanige snelheid dat het maaimechanisme op het maximale door de fabrikant vastgestelde toerental werkt.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.