30 JUNI 1998. - Decreet dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie
(1)type decreet prom. 24/07/1997 pub. 06/11/1997 numac 1997029343 bron ministerie van de franse gemeenschap Decreet dat het statuut bepaalt van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het opvoedend hulppersoneel van de hogescholen ingericht of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap sluiten, dan kan de minister het volgende beschouwen als voldoend aan de verplichtingen betreffende het schoolbezoek : 1. de tenlasteneming, voor een periode die niet langer mag duren dan drie maanden en die één keer kan worden vernieuwd, van de jongere door diensten die bijdragen tot de uitvoering van de invididuele beslissingen in het kader van de hulpverleningsprogramma's die worden uitgewerkt door ofwel de adviseur van Hulpverlening aan de Jeugd, ofwel door de Directeur van Hulpverlening aan de Jeugd, ofwel door de Jeugdrechtbank;2. de tenlasteneming, voor een periode die niet langer mag duren dan drie maanden en die één keer kan worden vernieuwd, van de jongere door een dienst die wordt gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of door een openbare macht bedoeld in artikel 2, 1, die is toegelaten en aangesteld door de Commissie voor Positieve Discriminatie, afhankelijk van het ingediende project. De gelijkstelling van de tenlasteneming met het schoolbezoek die wordt bedoeld in lid 1 mag in totaal niet langer duren dan één jaar op de totale schooltijd van de minderjarige. De adviseur van Hulpverlening aan de Jeugd, de Directeur van Hulpverlening aan de Jeugd, de Jeugdrechtbank of de door de Commissie voor Positieve Discriminatie toegelaten dienst verwittigt de minister van de aanvangs- en de einddatum van de geplande tenlasteneming. Art. 31.In het geval van een crisissitutatie en op gezamenlijk verzoek van de minderjarige, zijn ouders of de persoon die is bekleed met het ouderlijk gezag, het hoofd van de onderwijsinstelling van de Franse Gemeenschap, de Inrichtende Macht of zijn afgevaardigde voor het gesubsidieerd onderwijs, kan de minister na kennis te hebben genomen van het advies van de Klassenraad en het psycho-medisch-sociaal centrum een leerling die regelmatig ingeschreven blijft in zijn instelling tevens machtigen om ten laste te worden genomen voor een periode die niet langer mag duren dan een maand, door : 1. diensten die bijdragen tot de uitvoering van de invididuele beslissingen in het kader van de hulpverleningsprogramma's die worden uitgewerkt door ofwel de adviseur van Hulpverlening aan de Jeugd, ofwel door de Directeur van Hulpverlening aan de Jeugd, ofwel de Jeugdrechtbank;2. een dienst die is toegelaten en aangesteld door de Commissie voor Positieve Discriminatie en die wordt gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of door een openbare macht bedoeld in artikel 2, 1, c). De gelijkstelling van de tenlasteneming met het schoolbezoek die wordt bedoeld in lid 1 mag in totaal niet langer duren dan zes maanden op de totale schooltijd van de minderjarige. De adviseur van Hulpverlening aan de Jeugd, de Directeur van Hulpverlening aan de Jeugd, de Jeugdrechtbank of de door de Commissie voor Positieve Discriminatie toegelaten dienst verwittigen de minister van de aanvangs- en de einddatum van de geplande tenlasteneming. HOOFDSTUK IV. - De preventie van het vroegtijdig verlaten van de school Art. 32.Ten laatste vanaf de tiende dag ongerechtvaardigde afwezigheid van een leerling roept het instellingshoofd de leerling en, indien hij minderjarig is, zijn ouders of de persoon die bekleed is met het ouderlijke gezag op, door middel van een aangetekend schrijven met ontvangstbewijs, volgens de precieze modaliteiten die zijn vastgelegd door de Regering. Het instellingshoofd herhaalt de bepalingen betreffende het schoolverzuim ten behoeve van de leerling en, indien hij minderjarig is, van zijn ouders of de persoon die bekleed is met het ouderlijke gezag. Hij stelt hen handelingen voor ter preventie van het schoolverzuim. Indien de leerling verzuimt zich aan te melden, geeft het instellingshoofd een opvoedend hulppersoneelslid of, in voorkomend geval, een ombudsman die verbonden is aan de instelling of, met de instemming van de directeur van het psycho-medisch-sociale centrum, een personeelslid van dit centrum, de opdracht zich te begeven naar de woonplaats of de verblijfplaats van de leerling,. De afgevaardigde van het instellingshoofd stelt een rapport op van het bezoek ter attentie van het instellingshoofd. De Regering kan de modaliteiten voor het bezoek preciseren. De Regering bepaalt de aard en de duur van het schoolverzuim dat wordt beschouwd als ongerechtvaardigd, de aard en de duur van het schoolverzuim waarvan de rechtvaardiging wordt overgelaten aan het oordeel van instellingshoofd. Het interne regelement van de instelling vermeldt deze bepalingen. Art. 33.Elk jaar, en ten laatste op 1 december, wordt de lijst met leerlingen die gebonden zijn door de leerplicht en die niet zijn ingeschreven in een onderwijsinstelling en die niet gemachtigd zijn om huisonderwijs te krijgen, doorgegeven aan de adviseur van Hulpverlening aan de Jeugd, volgens de modaliteiten die door de Regering worden vastgelegd. Het instellingshoofd voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap en de Inrichtende Macht voor het gesubsidieerd onderwijs geven de Regering, volgens de door deze laatste vastgelegde modaliteiten en datums, een overzicht van : 1. de minderjarige leerlingen die worden bedoeld in artikelen 84, lid 1 en 92, lid 1 van het bovenvermelde decreet van 24 juli;2. de minderjarige of meerderjarige leerlingen die worden bedoeld in artikelen 85, lid 1 en 93, lid 1 van hetzelfde decreet;3. het schoolverzuim van leerlingen die het voorwerp zijn van een ministeriële uitzondering inzake laattijdige aankomst, op basis van artikel 79, lid 2, van hetzelfde decreet. HOOFDSTUK V. - De ombudsdienst in het secundair onderwijs Art. 34.Er wordt een ombudsdienst voor het onderwijs gecreëerd die wordt belast met de preventie van geweld en van het vroegtijdig verlaten van de school in de instellingen voor secundair onderwijs, en in de eerste plaats in degene die worden bedoeld in artikel 4. De ombudsdienst legt zich toe op de bevordering, het behoud of het herstel van het vertrouwensklimaat dat de boventoon moet voeren in de betrekkingen tussen de leerling, zijn ouders of de persoon die is bekleed met het ouderlijk gezag indien hij minderjarig is, en de onderwijsinstelling. De ombudsdienst staat onder het gezag van de Commissie voor Positieve Discriminatie. Art. 35.De ombudsdienst is samengesteld uit de ombudsmannen die hiertoe vrijgestelde personeelsleden zijn, overeenkomstig artikel 6 van het bovenvermelde decreet van 24 juni 1996, en de ombudsmannen die zijn aangeworven met een contract. De ombudsdienst omvat twee coördinatoren. Het zijn personeelsleden die op verlof worden gesteld met een opdracht, overeenkomstig artikel 6 van hetzelfde decreet. De ombudsmannen en de coördinatoren zijn aangesteld door de Regering. Eén van de coördinatoren is verantwoordelijk voor de ombudsdienst in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de andere voor de ombudsdienst in het Waalse Gewest. De ombudsdienst krijgt advies en voorstellen van de Ombudsraad, voorgezeten door de directeur-generaal van het wettelijk verplicht onderwijs en bestaande uit hemzelf, de twee coördinatoren alsook 4 leden die zijn aangesteld door de regering op voorstel van de Algemene Overlegraad voor het Secundair Onderwijs. Hij kan tevens een vertegenwoordiger omvatten van de partijen die worden bedoeld in artikel 2, 1, c), met adviserende stem. De Regering kan aanvullende modaliteiten vastleggen voor de werking van de ombudsdienst. Art. 36.In het kader van het in artikel 10 bedoelde budget, wordt een budget van ten minste 30 miljoen frank bestemd voor de betaling van het personeel en de werking van de ombudsdienst. § 2. De Regering kan het in § 1 bedoelde bedrag toewijzen aan gecoördineerde plannen met de in artikel 2, 1, c), bedoelde instellingen en organen, teneinde aan de hand van de middelen die door hen worden geïnvesteerd de menselijke of materiële hulpbronnen te verhogen die ter beschikking worden gesteld van de ombudsdienst. Art. 37.§ 1. De ombudsmannen en de coördinatoren staan onder het hiërarichische gezag van de Voorzitter van de Commissie voor Positieve Discriminatie. De Regering wijst de ombudsmannen toe aan ofwel een geheel van instellingen, ofwel aan een enkele instelling. Elke toewijzing gebeurt op vraag van de Inrichtende Macht van deze instelling(en). Voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap wordt de aanvraag ingediend door het instellingshoofd. § 2. De coördinator controleert of de werkroosters worden nageleefd en of elke ombudsman zich kwijt van zijn taken, met inachtneming van de opdracht die is vastgelegd door artikel 34 en, afhankelijk van het geval, van de werklast van zijn opdracht of de verplichtingen van zijn contract. § 3. Wanneer de ombudsman wordt toegewezen aan een enkele instelling, dan deelt de coördinator het instellingshoofd het normale werkrooster mee. De aanwezigheid en de tussenkomst van de ombudsman is vereist binnen de instelling in het geval van een toegespitste conflictsituatie. § 4. De ombudsman ziet erop toe dat hij het vertrouwen dat hij van zijn leerlingen heeft gewonnen, behoudt. In dit opzicht is hij niet verplicht tot onthulling aan het instellingshoofd van feiten waarvan hij acht kennis te hebben genomen onder het zegel der geheimhouding dat aan dit vertrouwen is gebonden. Aan de andere kant moet hij aan de coördinator van wie hij afhangt elk feit kunnen onthullen waarvan hij kennis heeft genomen en dat van invloed kan zijn op de organisatie of de goede werking van een van de instellingen waaraan hij is toegewezen. De ombudsman tracht alle handelingen, uitspraken en initiatieven te vermijden die de autoriteit van het instellingshoofd kunnen schaden. In voorkomend geval vraagt hij het advies van zijn coördinator en volgt hij de richtlijnen die hij van hem ontvangt. Art. 38.De coördinatoren en de ombudsmannen die de contacten met de psycho-medisch-sociale centra onderzoeken en ontwikkelen, de adviseurs van Hulpverlening aan de Jeugd, de werknemers van de sector permanente opvoeding en de verschillende diensten van Hulpverlening aan de Jeugd. Met in achtneming van hun respectieve taken treden de coördinatoren en de ombudsmannen in overleg met de maatschappelijke hulpverleners die door de steden en de gemeenten zijn aangesteld in het kader van de veiligheidscontracten, de contracten met de maatschappij en de acties voor drugspreventie. Art. 39.De coördinatoren richten jaarlijks een rapport aan de Regering over de resultaten die worden behaald op het vlak van : 1. de preventie van geweld;2. de strijd tegen het vroegtijdig verlaten van de school en het schoolverzuim;3. samenwerking met de diensten van Hulpverlening aan de Jeugd. HOOFDSTUK VI. - Het schoolbezoek van de minderjarigen die illegaal op het grondgebied verblijven Art. 40.De minderjarigen die illegaal op het grondgebied verblijven, voor zover ze hun ouders of de persoon die is bekleed met het ouderlijk gezag vergezellen, worden toegelaten in de onderwijsinstellingen. De instellingshoofden ontvangen tevens inschrijvingen van niet-vergezelde minderjarigen. In dat geval zien ze erop toe dat de minderjarige de nodige stappen onderneemt voor zijn tenlasteneming door een inrichting, opdat het ouderlijke gezag in zijn voordeel zou worden uitgeoefend. Art. 41.Op basis van de door haar vastgelegde modaliteiten machtigt de Regering onderwijsinstellingen die de in artikel 40 bedoelde minderjarigen onthalen ertoe deze leerlingen in aanmerking te nemen voor de berekening van het aantal personeelsleden en de subsidies, onder voorbehoud dat ze op het moment van de telling ten minste 4 maanden lang regelmatig de lessen hebben bijgewoond in een onderwijsinstelling. Art. 42.In Art. 43.twijfelgevallen beslist de regering : 1. of de leerling wiens leeftijd niet kan worden bewezen door zijn ouders al dan niet als minderjarige wordt beschouwd;2. of de leerling wordt beschouwd als vergezeld door zijn ouders of de persoon die is bekleed met het ouderlijk gezag 3.of het schoolbezoek van de leerling wordt beschouwd als regelmatig. HOOFDSTUK VII. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen Art. 44.Artikel 4 van het koninklijk besluit van 15 april 1977 dat de regels en de voorwaarden vastlegt voor de berekening van het aantal betrekkingen in bepaalde functies van het opvoedend hulppersoneel en het administratief personeel van de instellingen voor secundair onderwijs en voor hoger onderwijs, opnieuw ingevoerd door het decreet van 2 april 1996, wordt aangevuld met het volgende lid : « In de instellingen voor secundair onderwijs waarvoor maatregelen voor positieve discriminatie gelden overeenkomstig artikel 4 van het decreet van 30 juni 1998 dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te geven, inzonderheid door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, kunnen de in artikel 3 bedoelde betrekkingen worden gecreëerd of gesubsidieerd in de devolutieve volgorde die hier wordt vastgelegd, ten belope van een betrekking per volledige schijf van 80 leerlingen ». Art. 45.In artikel 28 van het decreet van 4 maart 1991 betreffende de Hulpverlening aan de Jeugd werden de volgende wijzigingen aangebracht : 1. § 1 wordt aangevuld door de volgende bepaling : « 21.de voorzitter van de Commissie voor Positieve Discriminatie die werd gecreëerd door het decreet van Y, dat erop gericht is alle leerlingen gelijke kansen te geven op sociale emancipatie, met name door de invoering van maatregelen voor positieve discriminatie, of zijn afgevaardigde »; 2. in § 2, lid 2 worden de woorden « § 1, 14, 17, 18, 19 en 20 » vervangen door de woorden « § 1, 14, 17, 18, 19, 20 en 21 ». Art. 46.Artikel 16 van het decreet van 29 juli 1992 dat betrekking heeft op de organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan, wordt opgeheven op de datum waarop het in artikel 4, § 3, lid 2 bedoelde besluit van de Regering van kracht wordt. Art. 47.In artikel 21, § 1 van hetzelfde decreet worden de woorden « met uitzondering van de instellingen en vestigingen voor secundair onderwijs waarvoor de maatregelen voor positieve discriminatie als zeer prioritair worden beschouwd » ingevoerd na de woorden « in de instellingen die ze organiseert ». Art. 48.Artikel 10 van het decreet van 27 oktober 1994 dat het overleg organiseert voor het secundair onderwijs wordt opgeheven op de datum waarop het in artikel 4, § 3, lid 2 bedoelde besluit van de Regering van kracht wordt. Art. 49.Artikel 11 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. Art. 50.Artikel 8 van het decreet van 14 maart 1995 betreffende de promotie van het welslagen in de basisscholen wordt opgeheven op de datum waarop het in artikel 4, § 3, lid 2 bedoelde besluit van de Regering van kracht wordt. Art. 51.Artikel 9 van hetzelfde decreet wordt opgeheven. TITEL II. - De positieve discriminatie in het onderwijs voor sociale promotie HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied, doel en definities Art. 52.Deze titel is van toepassing op de onderwijsinstellingen voor sociale promotie die worden bedoeld in artikel 2 van het decreet van 16 april 1991 dat het onderwijs voor sociale promotie organiseert. Art. 53.Deze titel heeft het doel bepaalde instellingen of vestigingen voor onderwijs voor sociale promotie te onderscheiden die worden georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, hierna genoemd instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten, op basis van de hieronder gedefinieerde criteria en : 1. in deze instellingen of vestigingen pedagogische acties te promoten die gericht zijn op de garantie aan alle cursisten van gelijke kansen op professionele en sociale inschakeling overeenkomstig artikel 7, 1 van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991;2. te dien einde, hen aanvullende middelen te verschaffen;3. de coördinatie te garanderen van de hierboven bedoelde middelen met om het even welke andere hulp die wordt verschaft door om het even welke Belgische openbare macht, de Europese Unie of om het even welk orgaan van openbaar belang of privé-instelling. Art. 54.Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder : 1. « positieve discriminatie » : het onderscheid dat wordt gemaakt tussen instellingen of vestigingen voor onderwijs voor sociale promotie dat wordt georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, op basis van maatschappelijke, economische, culturele en pedagogische criteria, met het oog op de toekenning aan een aantal onder hen van aanvullende middelen ter ondersteuning van de educatieve acties die ze ondernemen om alle cursisten gelijke kansen te garanderen op professionele en sociale inschakeling overeenkomstig artikel 7, 1 van het decreet van 16 april 1991;2. « instelling » elke vestiging die wordt bedoeld in artikel 2 van het decreet van 16 april 1991;3. « vestiging » :
- a)de zetel van de instelling alsook de gefuseerde instellingen die gevestigd zijn op meer dan tien kilometer van de zetel van de instelling en die reeds bestonden op datum van 31 augustus 1986;
- b)de vestigingen die door een ministerieel bericht van vóór 1 juli 1991 gemachtigd zijn, op voorwaarde dat deze instellingen gevestigd zijn op meer dan tien kilometer van de zetel van de instelling en dat de cursussen voor sociale promotie hier elk jaar werden georganiseerd sinds de goedkeuring voor opening werd gegeven;
- c)de zetels en vestigingen van na 1 september 1997 gefuseerde instellingen, op voorwaarden dat de cursussen voor sociale promotie in deze instellingen of vestigingen sinds de fusie elk jaar werden georganiseerd;
- d)de vestigingen die het voorwerp zijn geweest van een herstructurering die was goedgekeurd door de Regering op grond van artikel 96ter van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991, op voorwaarde dat in deze vestigingen elk jaar cursussen voor sociale promotie werden georganiseerd sinds de herstructurering en uitsluitend voor de opleidingen die reeds bestonden ten tijde van de herstructuring en degene die voortvloeiden uit de toepassing van artikel 24, § 4 van de wet van 29 mei 1959, dat een aantal bepalingen van de onderwijswetgeving wijzigt.
- e)de vestigingen die zijn ontstaan uit de fusie van een instelling op grond van artikel 101, lid 2, van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991.4. « Hoge Raad » : de Hoge Raad voor het Onderwijs voor Sociale Promotie die wordt bedoeld door artikel 78 van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991;5. « cursist » : elke persoon die is ingeschreven in een opleidingsafdeling of -eenheid van het onderwijs voor sociale promotie;6. « eenheid voor aanpassings- of remediëringsopleidingen » : een opleidingseenheid gedefinieerd in artikel 13 van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991 en dat de cursisten in staat stelt de voorbereidende vaardigheden te verwerven die vereist zijn voor toelating tot een voorbereidende of kwalificerende opleiding;7. « lesuren-leerlingen » : de lesuren-leerlingen die worden bedoeld in het bovenvermelde artikel 106 van het decreet van 16 april 1991. HOOFDSTUK II. - Maatregelen voor positieve discriminatie Art. 55.§ 1. De Regering legt de lijst vast van de instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten, op voorstel van de Hoge Raad overeenkomstig de hieronder beschreven procedure. § 2. De Hoge Raad erkent als instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten, degene die een door de Regering op advies van de Raad vastgelegd percentage of aantal cursisten onthalen die verblijven in wijken die gekenmerkt worden door een sociaal-economisch niveau dat wordt bedoeld in artikel 4, § 3, lid 3. Worden niet in aanmerking genomen voor de berekening van het in lid 1 bedoelde percentage of aantal, zijn de cursisten die zijn ingeschreven : 1. ofwel in een opleidingsafdeling of -eenheid die het voorwerp is van de conventies die worden bedoeld in artikelen 114 en 115 van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991 en die wordt gefinancierd door de externe partner, ten belope van ten minste 50 %;2. ofwel in een opleidingsafdeling of -eenheid die geklasseerd is op het niveau van het hoger onderwijs voor sociale promotie. § 3. De Hoge Raad kan aan de Regering voorstellen instellingen of vestigingen toe te voegen aan of te verwijderen van de lijst die is opgesteld op grond van § 2 op basis van een motivatie die met name steunt op het percentage van de lesuren-leerlingen die worden georganiseerd in het kader van de acties die worden bedoeld in artikel 58, § 1, of op de mogelijkheid om een aangevat project dat zich over verschillende jaren uitstrekt tot een goed einde te brengen. § 4. De lijst van de instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten, kan jaarlijks worden herzien. Hij wordt automatisch herzien na de interuniversitaire wetenschappelijke enquête, om de 4 jaar. Art. 56.De aanvullende middelen die worden toegewezen aan de maatregelen voor positieve discriminatie in het onderwijs voor sociale promotie bestaan uit : 1. menselijke hulpbronnen in de vorm van :
- a)toelagen voor aanvullende periodes die het mogelijk maken leerkrachten aan te werven of aan te stellen, met name om het aantal cursisten in de groepen te verminderen;
- b)gesubsidieerde contractuelen in samenwerking met andere Gewesten, met name : - leerkrachten, om de groepen van de cursisten te verkleinen; - opvoeders; - maatschappelijk werkers;
- c)de organisatie van specifieke opleidingen tijdens de loopbaan voor de leerkrachten;
- d)contractuelen in het kader van een programma voor beroepsheroriëntering, in samenwerking met de Gewesten; - voor lichte renovatiewerken, zoals schilderwerken, timmerwerken, het inrichten van lokalen of de directe omgeving; - voor bijstand aan het opvoedend hulppersoneel of het onderwijzend personeel; 2. materiële middelen die gericht zijn op de garantie van de aanschaf van didactisch of informaticamateriaal dat onmisbaar is voor de uitvoering van projecten voor positieve discriminatie. Art. 57.Ten minste 40 miljoen frank wordt toegewezen aan instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast, en voor het eerst in 1999, op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen die werd gedefinieerd door het koninklijk besluit van 24 december 1993 dat de uitvoering inhoudt van de wet van 6 januari 1989 ter bescherming van de concurrentiekracht van het land, de « gezondheidsindex » genoemd. Art. 58.Van het in artikel 56 bedoelde budget wordt een bedrag van ten minste 35 miljoen frank bestemd voor projecten die aansluiten bij één van de in artikel 58 gedefinieerde hoofdlijnen. Dit bedrag wordt verdeeld in vier onderscheiden toelagen die respectievelijk bestemd zijn voor het onderwijs van de Franse Gemeenschap, het gesubsidieerd officieel onderwijs, het gesubsidieerd vrij onderwijs van confessionele aard, het gesubsidieerd vrij onderwijs van niet-confessionele aard. Elke toelage wordt verkregen door het in lid 1 gedefinieerde bedrag te vermenigvuldigen met een breuk waarvan de teller gelijk is aan het aantal lesuren-leerlingen van de scholen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten en waarop deze toelage betrekking heeft, en de noemer aan het aantal lesuren-leerlingen van alle scholen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten. De lesuren-leerlingen die in aanmerking worden genomen, zijn degene van het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar in de loop waarvan de middelen zullen worden gebruikt. Art. 59.§ 1. Art. 60.De actieprojecten voor positieve discriminatie ontwikkelen solidaire gedragingen en sluiten aan bij ten minste één van de volgende hoofdlijnen : 1. de invoering van acties die gericht zijn op een betere kennis en/of beheersing van de Franse taal of die de organisatie inhouden van eenheden voor aanpassings- of remediëringseenheden;2. pedagogische projecten die cursisten en leden van het onderwijzend personeel samenbrengen met het oog op een concrete realisatie in de technische en professionele domeinen van het secundaire niveau;3. projecten die cursisten en leden van het onderwijzend personeel van het secundaire niveau samenbrengen, en daarbij voorrang geven aan het gebruik van informatie- en multimediacommunicatietechnieken. § 2. Voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs geven de directeurs van de instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten de in § 1 bedoelde projecten door aan de minister onder wiens bevoegdheid het onderwijs voor sociale promotie valt, die ze onderwerpt aan het advies van de Hoge Raad. Voor het gesubsidieerd onderwijs geven de Inrichtende Machten de in § 1 bedoelde projecten door aan de representatie- en coördinatieorganen die in artikel 3, 11 worden bedoeld, en die ze onderwerpen aan het advies van de Hoge Raad. § 3. De in § 1 bedoelde projecten moeten ten laatste op 15 juni worden doorgegeven aan de Hoge Raad. § 4. De Hoge Raad geeft vóór 1 oktober de lijst met de in aanmerking genomen projecten, alsook zijn advies door aan de Regering. § 5. De Regering handelt als volgt : 1. indien ze de lijst met de in aanmerking genomen projecten goedkeurt, dan wijst ze de in § 6 bedoelde bedragen toe via afzonderlijke besluiten, voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en voor elk van de representatie- en coördinatieorganen die in artikel 3, 11 worden bedoeld;2. indien ze de lijst met de in aanmerking genomen projecten niet goedkeurt, dan verzoekt ze de Hoge Raad om hem te wijzigen.Bij ontstentenis wijzigt de Regering de lijst. § 6. De budgettaire tussenkomst van de Franse Regering zal niet hoger liggen dan twee miljoen frank per project en per instelling. Dit bedrag wordt jaarlijks aangepast, en voor de eerste keer in 1999, op basis van de evolutie van de index van de consumptieprijzen die werd gedefinieerd door het koninklijk besluit van 24 december 1993 dat de uitvoering inhoudt van de wet van 6 januari 1989 ter bescherming van de concurrentiekracht van het land, de « gezondheidsindex » genoemd. Art. 61.§ 1. Het saldo van het in artikel 56 bedoelde budget, dat niet lager mag liggen dan 5 miljoen frank, wordt bestemd voor de uitvoering van aanvullende projecten ten voordele van instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten, en die betrekking hebben op de aanwerving van niet-onderwijzend personeel met een arbeidscontract in het kader van een programma van beroepsheroriëntering : - voor lichte renovatiewerken, zoals schilderwerken, timmerwerken, het inrichten van lokalen of de directe omgeving; - voor bijstand aan het opvoedend hulppersoneel of het onderwijzend personeel; § 2. Het in § 1 bedoelde bedrag wordt verdeeld over het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs en de representatie- en coördinatieorganen die worden bedoeld in artikel 3, 11 overeenkomstig artikel 57, lid 2. § 3. De projecten die worden bedoeld in § 2 worden overgedragen aan de Hoge Raad volgens de volgende modaliteiten : Voor het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs geven de directeurs van de instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten de in § 1 bedoelde projecten door aan de minister onder wiens bevoegdheid het onderwijs voor sociale promotie valt, en die ze onderwerpt aan het advies van de Hoge Raad. Voor het gesubsidieerd onderwijs geven de Inrichtende Machten de in § 1 bedoelde projecten door aan de representatie- en coördinatieorganen die in artikel 3, 11 worden bedoeld, en die ze onderwerpen aan het advies van de Hoge Raad. De in § 1 bedoelde projecten moeten ten laatste op 15 juni worden doorgegeven aan de Hoge Raad. § 4. De Hoge Raad geeft vóór 1 oktober de lijst met de in aanmerking genomen projecten, alsook zijn advies door aan de Regering. § 5. De Regering handelt als volgt : 1. indien ze de lijst met de in aanmerking genomen projecten goedkeurt, dan belast ze de directeur-generaal van het niet-verplicht onderwijs met het opstellen van de besluiten voor subsidies en toekenning van kredieten;2. indien ze de lijst met de in aanmerking genomen projecten niet goedkeurt, dan verzoekt ze de Hoge Raad om hem te wijzigen.Bij ontstentenis wijzigt de Rde lijst. Art. 62.De Commissie voor Positieve Discriminatie die in artikel 6 wordt bedoeld, beoordeelt jaarlijks de tenuitvoerlegging van het positieve-discriminatiebeleid dat wordt gevoerd op grond van deze titel, met inbegrip van de complementariteit ten aanzien van andere acties die voortvloeien uit analoge doelstellingen. Bij uitvoering van de in lid 1 bepaalde beoordeling verbindt de Commissie voor Positieve Discriminatie, met beslissende stem, vier leden van de Hoge Raad aan haar werkzaamheden. Art. 63.Geen enkele definitieve benoeming of aanwerving kan worden uitgevoerd in de betrekkingen die worden gecreëerd in het kader van artikel 55, 1, a). Art. 64.Zonder afbreuk aan de bijzondere bepalingen verwijzen de termijnaanduidingen naar het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvullende middelen worden gebruikt. Art. 65.In afwijking van artikel 12, § 4 van de bovenvermelde wet van 29 mei 1959 kan in geen geval rechtstreeks of onrechtstreeks collegegeld worden geïnd in het kader van de toepassing van de maatregelen voor positieve discriminatie die in deze titel worden bedoeld. TITEL III. - Overgangsbepalingen Art. 66.Zolang het in artikel 4, § 3, lid 2 bedoelde besluit niet werd genomen, worden de volgende instellingen beschouwd als in aanmerking komend voor positieve discriminatie, en genieten ze als zodanig aanvullende middelen die worden toegekend aan de instellingen en de vestigingen die worden bedoeld in artikel 4 : 1. in het basisonderwijs : de gewone basis-, lagere en kleuterscholen die worden erkend als prioritair overeenkomstig artikel 8, § 2 van het decreet van 14 maart 1995 met betrekking tot de promotie van het welslagen in de basisscholen;in het geval een school niet wordt erkend als prioritarir, maar een of meer van haar vestigingen dit wel zijn, dan zal de berekening gebeuren naar evenredigheid van het aantal leerlingen van deze vestiging(en); 2. in het secundair onderwijs : de instellingen die zijn bepaald op grond van artikel 10, lid 1 van het decreet van 27 oktober dat het overleg voor het secundair onderwijs organiseert;in het geval een instelling niet wordt erkend als prioritair, maar een of meer van haar vestigingen dit wel zijn, dan zal de berekening gebeuren naar evenredigheid van het aantal leerlingen van deze vestiging(en); 3. op beide niveaus : de scholen, instellingen en vestigingen die zijn goedgekeurd in het kader van het programma van de zones voor prioritair onderwijs. De uiterste datum van inwerkingtreding van het in artikel 4, § 3, lid 2 bedoelde besluit is vastgelegd op 1 september 1999. Art. 67.In het onderwijs voor sociale promotie, zolang het in artikel 4, § 3, lid 3 bedoelde besluit niet in werking is getreden : 1. wordt het in artikel 56 bedoelde bedrag verdeeld over het onderwijs van de Franse Gemeenschap en de representatie- en coördinatieorganen die worden bedoeld in artikel 3, 11 :
- a)voor 50 % rekening houdend met de toewijzingen van lesuren;
- b)voor 50 % rekening houdend met de acties die medegefinancierd worden door het Europees Sociaal Fonds tijdens het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar in de loop waarvan de middelen zullen worden gebruikt;2. worden beschouwd als instellingen of vestigingen die maatregelen voor positieve discriminatie genieten, die instellingen of vestigingen die een percentage of een aantal werkzoekenden tellen dat hoger ligt dan het door de Regering op voorstel van de Hoge Raad vastgelegde percentage of aantal. Worden niet in aanmerking genomen bij de berekening van het in lid 1, 2 bedoelde percentage of aantal, zijn de cursisten die zijn ingeschreven : 1. ofwel in een opleidingsafdeling of -eenheid die het voorwerp is van de conventies die worden bedoeld in artikelen 114 en 115 van het bovenvermelde decreet van 16 april 1991 en die wordt gefinancierd door de externe partner, ten belope van ten minste 50 %;2. ofwel in een opleidingsafdeling of -eenheid die geklasseerd is op het niveau van het hoger onderwijs voor sociale promotie. Art. 68.Voor het jaar 1989 worden de in artikelen 56, 57 en 59 bedoelde bedragen vermenigvuldigd met een coëfficiënt met waarde 0,3. Art. 69.Het decreet treedt in werking op 1 september 1998. Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Brussel, 30 juni 1998. De Minister-Voorzitster van de Regering van de Franse Gemeenschap, belast met het Onderwijs, de Audiovisuele Sector, de Hulpverlening aan de Jeugd, het Kinderwelzijn en de Gezondheidspromotie, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Hoger Onderwijs, Wetenschappelijk Onderzoek, Sport en Internationale Betrekkingen, W. ANCION De Minister van Cultuur en Permanente Opvoeding, Ch. PICQUE De Minister van Begroting, Financiën en Ambtenarenzaken, J.-Cl. VAN CAUWENBERGHE _______ Nota