16 DECEMBER 1997. Besluit van de Vlaamse regering betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra De Vlaamse regering, G
de artikelen 100bis en 102bis van de wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/01/1985 pub. 12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende sociale bepalingen. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder palliatieve verzorging elke vorm van bijstand verstaan en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand en verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden. Art. 13.Elke onderbreking van de beroepsloopbaan eindigt uiterlijk op 31 augustus van het school- of dienstjaar waarin het personeelslid van wie de loopbaanonderbreking loopt de leeftijd van zestig jaar bereikt. Art. 14.§ 1. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken, dient daartoe een aanvraag in bij de inrichtende macht van de instelling(
- en)of het/de centr(um)(
- a)waar hij werkt, met vermelding van de datum waarop hij wenst dat de volledige of de gedeeltelijke onderbreking van zijn loopbaan zou aanvangen en de duur ervan. De inrichtende macht dient haar principiële beslissing mee te delen aan het personeelslid binnen vijftien kalenderdagen te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag. Het invullen en overhandigen van het formulier bedoeld in artikel 16, § 2, van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 geldt als definitieve toestemming. § 2. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken om een beroepsopleiding te volgen, voegt bij zijn aanvraag een attest van de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB), de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling (BGDA), de onderwijs- of vormingsinstelling waaruit de inschrijving voor, de aanvangsdatum, de duur en het aantal lesuren van de beroepsopleiding blijken. § 3. Het personeelslid dat zijn loopbaan wenst te onderbreken voor het verstrekken van palliatieve verzorging, deelt dit mee aan de inrichtende macht van de instelling(
- en)of het/de centr(um)(
- a)waarbij hij tewerkgesteld is. Hij voegt bij deze mededeling een attest afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve verzorging nodig heeft en waaruit blijkt dat het personeelslid zich bereid heeft verklaard deze palliatieve verzorging te verstrekken, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld. De onderbreking van de beroepsloopbaan voor het verstrekken van palliatieve verzorging begint de eerste dag van de week die volgt op de week waarin voornoemde mededeling is gebeurd of op een vroeger tijdstip mits akkoord van de inrichtende macht. Ingeval het personeelslid wenst gebruik te maken van de verlenging van de periode met één maand, dient het opnieuw een doktersattest in te dienen. Een personeelslid kan maximum twee attesten indienen voor de palliatieve verzorging van eenzelfde persoon. De inrichtende macht vult het formulier bedoeld in artikel 16, § 2, van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 in en overhandigt het aan het personeelslid. Art. 15.§ 1. De onderbreking van de beroepsloopbaan moet worden toegestaan als er een kandidaat-vervanger is die gelijktijdig voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° ter beschikking gesteld zijn wegens ontstentenis van betrekking of volledig uitkeringsgerechtigde werkloze of gelijkgestelde zijn;2° in het bezit zijn van het vereiste bekwaamheidsbewijs;3° voldoen aan de eisen van het opvoedingsproject van de inrichtende macht. De inrichtende macht mag nagaan of de kandidaat-vervanger de eventueel vereiste nuttige ervaring heeft voor het in het eerste lid, 2°, genoemde bekwaamheidsbewijs. Het onderzoek daartoe dient te gebeuren op dezelfde wijze als door de inrichtende macht gevolgd wordt bij de aanwerving van een personeelslid op grond van
de hierna volgende decreten : 1° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van bepaalde personeelsleden van het Gemeenschapsonderwijs;2° het decreet van 27 maart 1991 betreffende de rechtspositie van sommige personeelsleden van het gesubsidieerd onderwijs en de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. § 2.
§ 1
gelden voor een periode van zes jaar onderbreking van de beroepsloopbaan, ongeacht of de loopbaan volledig of gedeeltelijk onderbroken wordt.
§ 1
gelden eveneens voor de vastbenoemde of tot de proeftijd toegelaten personeelsleden voor de volledige periode van de gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan vanaf 1 september of 1 oktober volgend op het bereiken van de leeftijd van vijftig jaar. In geval van weigering moet de inrichtende macht haar weigering schriftelijk motiveren en uiterlijk zeven kalenderdagen vóór de aanvang van de loopbaanonderbreking meedelen zowel aan het personeelslid dat de loopbaanonderbreking aanvraagt, als aan de kandidaat-vervanger. § 3.
de §§ 1 en 2 gelden niet voor de onderbreking van de beroepsloopbaan voor het verstrekken van palliatieve verzorging, zoals bedoeld in artikel 12, § 2. Art. 16.Tijdens de onderbreking van zijn beroepsloopbaan is het personeelslid met verlof. Dit verlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Voor de prestaties waarvoor het personeelslid zijn beroepsloopbaan onderbreekt, krijgt het geen wedde(toelage); hij krijgt wel een onderbrekingsuitkering overeenkomstig
het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus
- Art. 17.§
- Om uitzonderlijke familiale redenen en mits een opzegging van één maand, kan het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft, van de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of van zijn gemachtigde de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan is verstreken. Deze opzegging moet worden gericht aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs : 1° door tussenkomst en met akkoord van de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs voor de onder deze raad ressorterende instellingen en centra;2° door tussenkomst en met akkoord van de inrichtende macht in het gesubsidieerd onderwijs en in de gesubsidieerde psycho-medisch-sociale centra. §
- De personeelsleden genoemd in artikel 10, § 1, en in artikel 11, 1° en 2°, kunnen in geen geval hun ambt weer opnemen of opnieuw volledig uitoefenen na 1 mei van het school- of dienstjaar. §
- Behoudens de toepassing van de §§ 1 en 2, kunnen de in artikel 8 genoemde personeelsleden hun ambt slechts opnieuw volledig uitoefenen met ingang van 1 september. Ze moeten hun voornemen meedelen aan de inrichtende macht vóór 1 mei. §
- De Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs of zijn gemachtigde brengt, binnen vijftien dagen na de beslissing, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de hoogte van de datum waarop het personeelslid een einde maakt aan zijn loopbaanonderbreking. § 5.
§ 1
zijn niet van toepassing op de personeelsleden die hun loopbaan onderbreken om de redenen bedoeld in artikel 12, §§ 1 en 2. Het personeelslid dat zijn loopbaan onderbroken heeft voor het verstrekken van palliatieve verzorging, kan evenwel, na het overlijden van de persoon die de verzorging genoot, van de inrichtende macht van de instelling(
- en)of het/de centr(um)(
- a)waarbij hij tewerkgesteld is, de toelating krijgen om zijn ambt opnieuw op te nemen of opnieuw volledig uit te oefenen vooraleer de periode van onderbreking van de beroepsloopbaan verstreken is. Art. 18.Een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan onderbreekt, wordt vervangen door een personeelslid dat ter beschikking gesteld is wegens ontstentenis van betrekking volgens de geldende reglementaire bepalingen inzake terbeschikkingstelling wegens ontstentenis van betrekking, reaffectatie en wedertewerkstelling. Bij ontstentenis van personeelsleden zoals bedoeld in het eerste lid, wordt het personeelslid dat zijn beroepsloopbaan onderbreekt, vervangen door een uitkeringsgerechtigde volledig werkloze die uitkeringen geniet voor alle dagen van de week, of door een van de personen die, in uitvoering van de artikelen 100, vierde lid, en 102, § 1, derde lid, van de wet van 22 januari 1985Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/01/1985 pub. 12/08/2013 numac 2013000511 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Herstelwet houdende sociale bepalingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende sociale bepalingen, voor de toepassing van deze bepalingen ermee gelijkgesteld is. Art. 19.Elke wijziging inzake vervanging dient door de in artikel 17, § 1, tweede lid, vermelde overheid meegedeeld te worden aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, met vermelding van de datum van mededeling ervan aan het bevoegde Gewestelijke Werkloosheidsbureau van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening. Art. 20.§ 1. Als bij beslissing van de directeur van het werkloosheidsbureau het recht op uitkeringen wordt ontzegd aan een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, dient de in artikel 17, § 1, tweede lid, vermelde overheid dit onverwijld mee te delen aan de Vlaamse minister bevoegd voor het onderwijs, met vermelding van de datum waarop de beslissing ingaat. § 2. Gedurende de periode(
- n)waarin het personeelslid, op grond van het voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, kan het evenmin verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan krijgen. In afwijking van het eerste lid kan wel verlof voor volledige of gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan worden toegekend aan het personeelslid dat rechthebbende is op een overlevingspensioen en op grond van artikel 6 van voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 een loopbaanonderbreking zonder onderbrekingsuitkering krijgt. § 3. Het verlof van een personeelslid dat zijn beroepsloopbaan heeft onderbroken, maar geen recht heeft op een onderbrekingsuitkering, wordt, behoudens als hij zich bevindt in de toestand bedoeld in § 2, tweede lid, met ingang van de datum van de beslissing waarbij op grond van voormeld koninklijk besluit van 12 augustus 1991 hem het recht op onderbrekingsuitkering wordt ontzegd, ambtshalve omgezet in : 1° afwezigheid voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheid bij gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan;2° terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden bij volledige onderbreking van de beroepsloopbaan. In dit geval mag de duur overschreden worden van de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheden waarop het betrokken personeelslid aanspraak kan maken krachtens de reglementaire bepalingen die terzake op hem van toepassing zijn. Deze terbeschikkingstelling eindigt alleszins bij het verstrijken van de lopende periode waarvoor een verlof voor onderbreking van de beroepsloopbaan was aangevraagd. HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen Art. 21.Het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1991 betreffende de onderbreking van de beroepsloopbaan van de personeelsleden van het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra wordt opgeheven, wat de instellingen en de personeelsleden betreft, waarop dit besluit van toepassing is. Art. 22.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 september 1997, met uitzondering van : 1° de artikelen 12, 14, §§ 2 en 3 en artikel 17, § 5 die uitwerking hebben met ingang van 15 juni 1995;2° de artikelen 4, § 2 en 7, die uitwerking hebben met ingang van 1 september 1996;3° de artikelen 3, 4, § 1, 6, 8, 9, 13 en 15, die uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1997. Art. 23.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel,16 december 1997. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, L. VAN DEN BOSSCHE