17 DECEMBER 1997. Besluit van de Vlaamse regering betreffende de boekhouding en de administratieve organisatie van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn De Vlaamse regering, Gelet op de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, inzonderheid op artikel 87, § 3, gewijzigd bij decreet van 17 december 1997 houdende wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976Relevante gevonden documenten type wet prom. 08/07/1976 pub. 18/04/2016 numac 2016000231 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Organieke wet betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. - Officieuze coördinatie in het Duits van de versie toepasselijk op de inwoners van het Duitse taalgebied sluiten betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 26 november 1996 en 9 december 1997; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister bevoegd voor begroting, gegeven op 29 november 1996, 12 december 1997 en 15 december 1997; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat dit besluit deel uitmaakt van een hervorming waarbij aan de Vlaamse OCMW's een nieuw beheersinstrumentarium wordt ter beschikking gesteld; dat het voor het welslagen van een dergelijke hervorming onontbeerlijk is dat zij eerst wordt toegepast in proeftuinen; dat de bepalingen van dit besluit daarom vanaf 1 januari 1998 moeten kunnen worden toegepast in vijftien piloot-OCMW's; dat dit besluit dan ook bij hoogdringendheid dient te worden genomen; Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn; Na beraadslaging, Besluit : TITEL I. - Algemene bepalingen Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° het centrum : het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;2° de raad : de raad voor maatschappelijk welzijn;3° de voorzitter : de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn;4° de secretaris : de secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;5° de ontvanger : de ontvanger die het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn bedient;6° de budgethouder : de ambtenaar die of het orgaan dat belast is met budgethouderschap;7° enveloppe : het totale bedrag van de kredieten verbonden aan budgetposten waarvan de herziening van het totale bedrag als een budgetwijziging wordt aangezien. TITEL II. - Meerjarenplan en budget Art. 2.Het meerjarenplan bestaat uit een strategische nota en een financiële nota. In de strategische nota worden de beleidsopties ten aanzien van de externe en de interne werking van het centrum toegelicht. Wat de externe werking betreft verantwoordt de raad de gemaakte keuze tussen de aanwezige behoeften en de behoeften die hij wil en kan invullen. Wat de interne werking betreft formuleert de raad hoe de performantie van de organisatie behouden en eventueel verbeterd kan worden. De financiële weerslag van de beleidsopties moet terug te vinden zijn in de financiële nota. Deze geeft enerzijds een overzicht per jaar van de ingeschatte kosten en opbrengsten van zowel de gewone exploitatie als van de geplande investeringen, en anderzijds een berekening van de vermoedelijke gemeentelijke bijdrage voor de erin opgenomen boekjaren. De budgetten worden samengevat volgens het schema van de jaarrekening. Het overzicht van de ingeschatte kosten en opbrengsten wordt opgesteld volgens het schema van de resultatenrekening in de jaarrekening en wordt evenals de geplande investeringen opgesteld zowel per activiteitencentrum als voor het centrum in zijn geheel. Er wordt eveneens een liquiditeitsplanning opgesteld houdende een aanduiding van de geldstromen van de betreffende jaren. Het meerjarenplan wordt opgesteld in overeenstemming met de waarderingsregels voor de jaarrekening en wordt in zijn geconsolideerde vorm ter beslissing aan de raad voorgelegd. De minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de nadere regelen inzake de vorm en de inhoud van de financiële nota. Art. 3.Het budget in zijn geconsolideerde vorm omvat het exploitatie-, het investerings- en het liquiditeitenbudget, alsook de vastlegging van de gebudgetteerde gemeentelijke bijdrage en de beleidsnota. De budgetten worden afgeleid uit de financiële nota bij het meerjarenplan. De beleidsnota sluit aan op de strategische nota bij het meerjarenplan. Art. 4.Het exploitatiebudget is het budget van kosten en opbrengsten van het centrum in zijn geheel en van ieder van zijn activiteitencentra. Het exploitatiebudget wordt samengevat volgens het model van de jaarrekening. In het budget worden de geraamde kosten en opbrengsten van het boekjaar vergeleken met de cijfers van het laatst afgesloten boekjaar en de geraamde cijfers van het lopende boekjaar, na verwerking van de laatst goedgekeurde budgetwijziging of interne kredietaanpassing. Art. 5.Het investeringsbudget is het budget van uitgaven en ontvangsten, en kosten en opbrengsten verbonden aan de aanschaf en vervreemding van duurzame middelen. Er wordt een investeringsbudget per investeringsproject opgesteld. In het investeringsbudget worden minimaal opgenomen : 1° de te investeren som;2° de vooropgestelde realisatietermijn;3° de te ontvangen subsidies;4° de kosten, opbrengsten, schulden en vorderingen uit de exploitatie van het project;5° de kasstroom per jaar en de financieringswijze;6° de verdeling over de activiteitencentra;7° de verdeling over de verschillende rekeningen van het door het centrum gebruikte rekeningstelsel. De minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de nadere regelen inzake de vorm en de inhoud van het investeringsbudget. Het investeringsbudget blijft, wanneer de investering nog niet in uitvoering is, drie jaar geldig. Verlenging is mogelijk voor zover de raad daarmee instemt. Eénmaal een investering in uitvoering blijft het budget geldig. De raad kan echter bij de goedkeuring van een bepaald investeringsbudget de termijn beperken. Art. 6.Het liquiditeitenbudget is het budget van de geldstromen. Het wordt weergegeven uitgaande van de vermoedelijke liquiditeitentoestand bij de aanvang van het boekjaar en bevat alle geplande geldstromen van het betreffende boekjaar. De minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de nadere regelen inzake de vorm en de inhoud van het liquiditeitenbudget. Art. 7.De gebudgetteerde gemeentelijke bijdrage wordt bepaald door samentelling van de bijdrage in de werking en de facultatieve bijdragen in de financiering van investeringen en in de ondersteuning van het werkkapitaal. De bijdrage in de werking stemt overeen met het werkingstekort van het jaar. Dit werkingstekort heeft enkel betrekking op de exploitatie en bestaat uit het resultaat van het boekjaar (exclusief de meetwaarden bij de realisatie van vaste activa) + niet-kaskosten verminderd met niet-kasopbrengsten + inkomsten zonder effect op de resultatenrekening verminderd met uitgaven zonder effect op de resultatenrekening. Het aldus bekomen werkingstekort wordt aangepast met de correcties op de gemeentelijke tussenkomst in de vorige jaren. De bijdrage in de financiering van investeringen is facultatief en is het jaarlijkse aandeel van de gemeente in de financiering van het centrum, zoals vastgelegd in de reeds vroeger goedgekeurde investeringsbudgetten en in het investeringsbudget van het jaar zelf. De bijdrage in de ondersteuning van het werkkapitaal is facultatief. De minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, bepaalt de nadere regelen voor de berekening van de gebudgetteerde gemeentelijke bijdrage. Art. 8.De beleidsnota verwoordt het beleid dat de raad gedurende het boekjaar wenst te voeren. De beleidsnota omvat minimaal : 1° een bespreking van de beleidsdoelstellingen van het centrum en van de operationele doelstellingen van elke budgethouder;2° een bespreking van de gebudgetteerde kosten en opbrengsten per activiteitencentrum;3° een analyse van de kostprijzen;4° een bespreking van de financiële toestand van het centrum. Art. 9.Voor de definitieve vaststelling van het exploitatiebudget mogen, door middel van voorlopige kredieten, uitgaven worden gedaan waarvoor een uitvoerbaar krediet uitgetrokken was op het exploitatiebudget van het vorige boekjaar. Deze voorlopige kredieten mogen, per verlopen of begonnen maand, niet meer bedragen dan één twaalfde van het exploitatiebudget van het vorige boekjaar met een maximum van drie twaalfden. TITEL III. - Boekhouding en jaarrekening HOOFDSTUK I. - De boekhouding Art. 10.De boekhouding van het centrum wordt door middel van een stelsel van boeken en rekeningen gevoerd met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden. De boekhouding wordt gevoerd in Belgische frank. Art. 11.Alle transacties van het centrum worden zonder uitstel, getrouw, volledig en naar tijdsorde ingeschreven in minimaal de volgende dagboeken : 1° aankoopdagboek;2° dagboek van de aan derden aanrekenbare prestaties;3° financiële dagboeken waarbij er per financiële rekening en per onderscheiden kas een apart financieel dagboek wordt bijgehouden;4° diversendagboek. De transacties worden volgens doorlopende nummering ingeschreven in of overgebracht naar de rekeningen waarop ze betrekking hebben. Voor de gezamenlijke mutaties die in de loop van de periode in de dagboeken of de hulpdagboeken zijn geregistreerd, wordt er op regelmatige tijdstippen en ten minste eens in de drie maanden een samenvattende boeking verricht in een centraal boek. De in het vorige lid bedoelde recapitulatie omvat, hetzij het totaal van de boekingen in de gezamenlijke dagboeken, uitgesplitst volgens de betrokken hoofdrekeningen die in het rekeningstelsel van het centrum voorkomen, hetzij het totaal van de boekingen in elk van de dagboeken, wanneer het centrum een boekhouding voert waarbij de aantekeningen tegelijk in de dagboeken en op de betrokken rekeningen geschieden. Art. 12.Elke boeking geschiedt aan de hand van een gedateerd, doorlopend genummerd bewijsstuk, waarnaar zij moet verwijzen. De bewijsstukken worden methodisch opgeborgen en tien jaar bewaard. De boeken, het meerjarenplan, het budget en de jaarrekening worden ten minste dertig jaar bewaard. Art. 13.In elk centrum dient het rekeningstelsel dermate opgebouwd te zijn dat elke grootboekrekening zowel voor de analytische boekhouding als voor de algemene boekhouding dienstig is. Dit rekeningstelsel moet het mogelijk maken om rechtstreeks vanuit de boekhouding een balans en een resultatenrekening per activiteitencentrum op te maken. Bij het inboeken van elke transactie worden de rekeningnummers uit het minimum genormaliseerd rekeningstelsel aangevuld met een analytische code. De minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, stelt het minimum genormaliseerde rekeningstelsel, de analytische codes en de indeling van de subanalytische codes vast. Het gebruik van deze subanalytische codes is niet verplicht. Art. 14.Een activiteitencentrum is een entiteit binnen het centrum die instaat voor een verzameling van afzonderbare taken of activiteiten. Elke entiteit waarvoor in hoofde van de erkennende of subsidiërende overheid een balans of resultatenrekening vereist is, dient als een activiteitencentrum beschouwd. De activiteitencentra worden onderverdeeld in de volgende groepen : 1° operationele diensten : deze leveren rechtstreekse diensten aan de bevolking;2° ondersteunende diensten : dit zijn diensten die voor twee of meer activiteitencentra werken, maar geen rechtstreeks product of dienst aan de bevolking leveren;3° algemene diensten : dit zijn de overkoepelende organen en de administratie ten behoeve van het geheel;4° moeilijk toewijsbare activiteiten : deze activiteiten kunnen niet onder een van de vorige groepen worden ondergebracht. De resultaten van de ondersteunende diensten worden omgeslagen over de diensten van het centrum volgens het reële gebruik. De resultaten van de algemene diensten worden in principe niet verdeeld over de andere diensten van het centrum. De moeilijk toewijsbare activiteiten kunnen, waar het mogelijk is, geheel of gedeeltelijk toegewezen worden aan activiteitencentra. HOOFDSTUK II. - De inventaris en de waarderingsregels Afdeling 1. - Algemene principes Art. 15.§ 1. De inventaris wordt opgesteld overeenkomstig het rekeningstelsel. De rekeningen worden in overeenstemming gebracht met de gegevens van de inventaris. § 2. De waarderingsregels die het centrum toepast, worden door de raad vastgesteld. Zij worden samengevat weergegeven in de toelichting bij de jaarrekening. De waarderingen moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw. Ze mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar. Elk bestanddeel van het vermogen wordt afzonderlijk gewaardeerd. § 3. Bij de vaststelling van de waarderingsregels wordt ervan uitgegaan dat het centrum zijn activiteiten zal voortzetten. Als er discontinuïteit in een activiteit optreedt, dient de raad aangepaste waarderingsregels te bepalen. De waarderingsregels moeten van het ene boekjaar op het andere identiek blijven en stelselmatig worden toegepast. Ze worden evenwel gewijzigd wanneer de vroeger gevolgde waarderingsregels niet langer voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw, onder meer wegens belangrijke veranderingen in de activiteiten van het centrum, in de structuur van zijn vermogen of in de economische of technologische omstandigheden. Waarderingsregels kunnen slechts worden gewijzigd met instemming van de raad. De invloed van de wijzigingen op het vermogen, de financiële positie en het resultaat van het centrum wordt vermeld in de toelichting bij de jaarrekening, waarin de gewijzigde waarderingsregel voor het eerst wordt toegepast. Art. 16.De afschrijvingen, de waardeverminderingen en de voorzieningen voor risico's en kosten moeten stelselmatig worden gevormd volgens de door het centrum vastgelegde methodes. Ze mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar. Art. 17.Onverminderd de toepassing van artikel 15, § 3, wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffngswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen. Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan : of de aanschaffingsprijs of de vervaardigingsprijs of de schenkingswaarde. Art. 18.De aanschaffingsprijs omvat de aankoopprijs verhoogd met de bijkomende kosten, zoals niet-terugbetaalbare belastingen, vervoerskosten en studiekosten. De aanschaffingsprijs van een door ruil verkregen actiefbestanddeel is de marktwaarde van het actiefbestanddeel dat of de actiefbestanddelen die in ruil hiervoor zijn overgedragen. Is deze waarde moeilijk vast te stellen, dan is de aanschaffingsprijs de marktwaarde van het door ruil verkregen actiefbestanddeel. Deze waarden worden geschat op de datum van de ruil. De aanschaffingsprijs van actiefbestanddelen verkregen tegen betaling van een lijfrente is het kapitaal dat op het ogenblik van aanschaffing nodig is om de rente te betalen, in voorkomend geval verhoogd met het bedrag dat bij de aanschaffing werd betaald en met de kosten. Er dient een voorziening gevormd te worden ten belope van het bedrag van het hiervoor genoemde kapitaal. Deze voorziening wordt jaarlijks aangepast. Art. 19.De vervaardigingsprijs omvat naast de aanschaffingskosten van de grondstoffen, verbruiksgoederen en hulpstoffen, de productiekosten die rechtstreeks aan het individuele product of aan de productengroep toerekenbaar zijn. De indirecte productiekosten maken geen deel uit van de vervaardigingsprijs. Art. 20.De schenkingswaarde omvat de waarde van goederen die aan het centrum geschonken worden of in de nalatenschap aan het centrum toegewezen worden en de ermee samenhangende belastingen en kosten. Art. 21.21. Indien het centrum besluit een activiteit stop te zetten, worden de waarderingsregels voor de betreffende activiteit in het jaar van de stopzetting dienovereenkomstig aangepast en geldt in het bijzonder het volgende : 1° de oprichtingskosten met betrekking tot de stop te zetten activiteit moeten volledig worden afgeschreven;2° voor de vaste en de vlottende activa die voor de stop te zetten activiteit gebruikt worden, moet zo nodig tot aanvullende afschrijvingen of waardeverminderingen worden overgegaan om de boekwaarde terug te brengen tot de vermoedelijke realisatiewaarde;3° een voorziening moet worden gevormd voor de kosten die verbonden zijn aan de beëindiging van de werkzaamheden, inzonderheid voor de aan het personeel uit te keren vergoedingen. Art. 22.In vreemde valuta's luidende vlottende activa en courante passiva worden omgerekend tegen het gemiddelde van de aankoop- en verkoopkoers op datum van de jaarafsluiting. De aanschaffingsprijs van vaste activa gekocht in vreemde valuta's is de bij de betaling effectief in Belgische frank betaalde prijs. Afdeling 2. - Bijzondere waarderingsregels Onderafdeling A. - Oprichtingskosten Art. 23.De oprichtingskosten worden slechts op het actief geboekt voor zover : - ze niet ten laste werden genomen gedurende het boekjaar waarin ze werden besteed; - er een investeringsbudget voor bestaat; - er een nuttigheid voor meer dan één jaar bestaat. Kosten die worden gemaakt in het kader van een herstructurering, worden alleen dan onder de activa opgenomen, wanneer het gaat om welbepaalde kosten die verband houden met een ingrijpende wijziging in de structuur of de organisatie van het centrum en die ertoe strekken een gunstige en duurzame invloed te hebben op de kostenstructuur van het centrum. In de toelichting bij de jaarrekening moet worden verantwoord dat aan deze voorwaarden is voldaan. De herstructureringskosten die het karakter hebben van werkingskosten of van uitzonderlijke kosten worden geactiveerd door ze op zichtbare wijze in mindering te brengen van het totale bedrag van respectievelijk de werkingskosten en de uitzonderlijke kosten. Bedragen lager dan 100.000 Belgische frank komen niet in aanmerking voor boeking op het actief en behoren tot de werkingskosten van het boekjaar, tenzij de raad, per individueel geval en op basis van een consistente en consequente gedragslijn, besluit om een afwijking toe te passen. Art. 24.Oprichtingskosten worden niet geherwaardeerd. Art. 25.Oprichtingskosten worden afgeschreven over maximaal vijf boekjaren. De kosten die voortvloeien uit uitgifte van leningen en het disagio mogen echter afgeschreven worden over de looptijd van de desbetreffende lening. De afschrijvingen op oprichtingskosten worden steeds berekend op basis van een volledig jaar. Het eerste afschrijvingsjaar is het jaar van activering van de oprichtingskosten. Aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen worden geboekt wanneer, ingevolge technische ontwaarding of wegens de wijziging van de economische of technologische omstandigheden, de boekhoudkundige waarde van de oprichtingskosten hoger is dan hun waarde voor het centrum. Onderafdeling B. - Immateriële vaste activa Art. 26.Immateriële vaste activa mogen slechts als zodanig opgenomen worden indien er een nuttigheid van meer dan één jaar bestaat. Zij mogen geboekt worden indien er een investeringsbudget voor bestaat of indien ze het voorwerp van een schenking uitmaken. Bedragen lager dan 100.000 Belgische frank per investeringsproject komen niet in aanmerking voor boeking op het actief en behoren tot de werkingskosten van het boekjaar, tenzij de raad, per individueel geval en op basis van een consistente en consequente gedragslijn, besluit om een afwijking toe te passen. Immateriële vaste activa worden afgeschreven over maximaal vijf boekjaren. De afschrijvingen worden steeds berekend op basis van een volledig jaar. Het eerste afschrijvingsjaar is het jaar van ingebruikneming van het actief. Aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen worden geboekt indien de boekhoudkundige waarde van de immateriële vaste activa hoger is dan hun gebruikswaarde voor het centrum. Art. 27.Andere dan van derden verworven immateriële vaste activa worden slechts tegen vervaardigingsprijs op het actief geboekt voor zover die niet hoger is dan een voorzichtige raming van hun gebruikswaarde of van hun toekomstig rendement voor het centrum. Art. 28.In de toelichting bij de jaarrekening wordt het bedrag van de onder de immateriële vaste activa opgenomen kosten van onderzoek en ontwikkeling vermeld. Art. 29.Immateriële vaste activa worden niet geherwaardeerd. Art. 30.Voor de immateriële vaste activa waarvan de gebruiksduur niet is beperkt, wordt er slechts tot waardevermindering overgegaan in geval van duurzame minderwaarde of ontwaarding. Onderafdeling C. - Materiële vaste activa Art. 31.Materiële vaste activa mogen slechts als zodanig opgenomen worden indien de levensduur meer dan één jaar bedraagt. Zij mogen slechts geboekt worden indien er een investeringsbudget voor bestaat of indien ze het voorwerp van een schenking uitmaken. Bedragen lager dan 100.000 Belgische frank per investeringsproject in zijn geheel komen niet in aanmerking voor boeking op het actief en behoren tot de werkingskosten van het boekjaar tenzij de raad, per individueel geval en op basis van een consistente en consequente gedragslijn, besluit om een afwijking toe te passen. Art. 32.In de vervaardigingsprijs van materiële vaste activa mag rente op vreemd vermogen dat wordt gebruikt voor de financiering van hun aanschaffing of constructie, worden opgenomen doch slechts voor zover deze rente betrekking heeft op de periode die het gebruik van deze activa voorafgaat. Art. 33.De gebruiksrechten betreffende materiële vaste activa waarover het centrum beschikt op grond van leasing of gelijkaardige overeenkomsten, worden onder de activa opgenomen voor het gedeelte van de volgens de overeenkomst te storten termijnen, dat strekt tot wedersamenstelling van de kapitaalswaarde van het goed waarop de overeenkomst betrekking heeft. Art. 34.§ 1. Voor de materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur worden passende afschrijvingen geboekt. De afschrijvingsduur wordt per actief bepaald in het investeringsbudget. De volgende lineaire afschrijvingsduurtijden zijn van toepassing : 1° gebouwen : 33 jaar, dit is 1/33ste per jaar;2° meubilair, niet-medisch materiaal, niet-medische installaties : 10 jaar;3° rollend materiaal, medisch materiaal, medische installaties, computeruitrusting : 5 jaar;4° verbeteringswerken : de levensduur van het betreffende actief die de kortste is, hetzij de technische, hetzij de economische;5° de activa in leasing of verworven onder gelijkaardige overeenkomsten : het afschrijvingspercentage voor gelijkaardige goederen in eigendom van het centrum. Van deze afschrijvingspercentages mag worden afgeweken indien het getrouw beeld dit vereist, met dien verstande dat de afschrijvingsduur nooit langer mag zijn. § 2. De afschrijvingen worden steeds berekend op basis van een volledig jaar. Het eerste afschrijvingsjaar is het jaar van ingebruikneming van het actief. Aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen worden geboekt wanneer, wegens technische ontwaarding of wegens wijziging van de economische of technologische omstandigheden, de boekhoudkundige waarde van de materiële vaste activa hoger is dan hun gebruikswaarde voor het centrum. De afschrijvingen mogen slechts worden teruggenomen wanneer blijkt dat daarvoor toegepaste afschrijvingsplan, wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad. Art. 35.Voor de materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur niet is beperkt, wordt slechts tot waardevermindering overgegaan ingeval van duurzame minderwaarde of ontwaarding. Art. 36.Voor de buiten gebruik gestelde of niet meer duurzaam tot de activiteiten van het centrum behorende materiële vaste activa wordt in voorkomend geval tot een uitzonderlijke afschrijving overgegaan om rekening te houden met de waarschijnlijke realisatiewaarde ervan. Art. 37.Materiële vaste activa mogen worden geherwaardeerd wanneer de waarde van deze activa, bepaald al naargelang van hun nut voor het centrum, op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. Zij mogen slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de rentabiliteit van het centrum of de betrokken activiteit. De geherwaardeerde waarde die voor deze materiële vaste activa in aanmerking wordt genomen, wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst werd toegepast. Wanneer de herwaardering betrekking heeft op materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur, wordt de geherwaardeerde waarde afgeschreven over de vermoedelijke residuele gebruiksduur van de betrokken activa. De geboekte meerwaarden worden rechtstreeks toegerekend op de rubriek ''Herwaarderingsmeerwaarden'' van het passief van de balans. Onderafdeling D. - Financiële vaste activa Art. 38.De deelnemingen en aandelen worden gewaardeerd tegen aanschaffingsprijs. Art. 39.De aanschaffingswaarde van deelnemingen of aandelen ontvangen als vergoeding voor inbrengen die niet bestaan in contanten of die voortkomen uit de omzetting van vorderingen, stemt overeen met de conventionele waarde van de ingebrachte goederen en waarden of van de omgezette vorderingen. Als evenwel die conventionele waarde lager is dan de marktwaarde van de ingebrachte goederen en waarden of van de ingebrachte vordering, stemt de aanschaffingswaarde overeen met de hogere marktwaarde. De niet-opgevraagde bedragen op deelnemingen en aandelen worden vermeld in de toelichting waarin de nog vol te storten deelnemingen en aandelen zijn opgenomen. Art. 40.Voor de deelnemingen en de aandelen die in de rubriek ''Financiële vaste activa'' zijn opgenomen, wordt tot waardevermindering overgegaan ingeval van duurzame minderwaarde of ontwaarding, verantwoord door de toestand, van de rentabiliteit of de vooruitzichten van de vennootschap waarin de deelnemingen of de aandelen worden aangehouden. Op de vorderingen, inclusief de vastrentende effecten, die in de financiële activa zijn opgenomen, worden waardeverminderingen toegepast, als er voor het geheel of een gedeelte van de vordering onzekerheid bestaat over de betaling hiervan op de vervaldag. Art. 41.De bijkomende kosten voor het aanschaffen van financiële vaste activa mogen ten laste worden genomen van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan ze werden aangegaan. Art. 42.Het centrum mag deelnemingen en aandelen herwaarderen, wanneer de waarde van deze activa, bepaald al naargelang van hun nut voor het centrum, op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. Wanneer de betrokken activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van de activiteiten van het centrum of van een onderdeel daarvan, mogen zij slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de rentabiliteit van de activiteit of het betrokken onderdeel. De geherwaardeerde waarde die voor deze deelnemingen en aandelen in aanmerking wordt genomen, wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst werd toegepast. Onderafdeling E. - Voorraden Art. 43.De grond- en hulpstoffen, het gereed product en de voor verkoop bestemde gebouwen worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde of tegen de marktwaarde op balansdatum als die lager is. Als voorraadwaarderingsmethode voor de aanschaffmgswaarde wordt de FIFO-methode of de methode van de voortschrijdende gewogen gemiddelde kostprijs gehanteerd. De waardering tegen de lagere marktwaarde mag niet worden gehandhaafd indien achteraf de marktwaarde hoger is dan de lagere waarde waartegen de voorraad werd gewaardeerd. De waardering kan echter nooit hoger liggen dan de aanschaffingswaarde. Art. 44.De goederen in bewerking en de bestellingen in uitvoering worden gewaardeerd tegen vervaardigingsprijs. Art. 45.Het klein materiaal, alsook de grond- en hulpstoffen, die continu worden vernieuwd en waarvan de aanschaffingswaarde te verwaarlozen is in verhouding tot het balanstotaal, mogen op het actief worden opgenomen voor een vast bedrag indien de hoeveelheid, de waarde en de samenstelling ervan niet aanmerkelijk veranderen van het ene boekjaar tot het andere. In dit geval wordt de prijs voor de vernieuwing van deze bestanddelen opgenomen onder de werkingskosten. Art. 46.Aanvullende waardeverminderingen op de voorraden worden geboekt om rekening te houden hetzij met de evolutie van hun realisatie- of marktwaarde hetzij met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten of de gevoerde activiteit. Onderafdeling F. - Vorderingen en schulden Art. 47.De vorderingen en schulden worden in de balans opgenomen voor hun nominale waarde onverminderd de eventuele boeking van waardeverminderingen op de vorderingen. Art. 48.Op de vorderingen worden waardeverminderingen toegepast, als er voor het geheel of een gedeelte van de vordering onzekerheid bestaat over de inbaarheid hiervan. Op de vorderingen worden eveneens waardeverminderingen toegepast als hun realisatiewaarde op datum van de jaarafsluiting lager is dan de boekwaarde. Onderafdeling G. - Vastrentende effecten Art. 49.De vastrentende effecten worden gewaardeerd op grond van hun aanschaffingswaarde. Wanneer evenwel hun actuariële rendement berekend bij de aankoop, met inachtneming van hun terugbetalingswaarde op vervaldag verschilt van hun nominale rendement, wordt het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde pro rata temporis voor de resterende looptijd van de effecten in resultaat genomen als bestanddeel van de renteopbrengst van deze effecten en, naargelang van het geval, toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde van de effecten. De inresultaatneming van dit verschil geschiedt op actuariële basis, uitgaande van het actuariële rendement bij aankoop. Art. 50.De bepalingen van artikel 48 zijn eveneens van toepassing op de vastrentende effecten. Onderafdeling H. - Geldbeleggingen en liquide middelen Art. 51.Geldbeleggingen en liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Art. 52.Waardeverminderingen op liquide middelen worden toegepast wanneer de realisatiewaarde op de datum van de jaarafsluiting lager is dan de aanschaffingswaarde. Onderafdeling I. - Herwaarderingsmeerwaarden Art. 53.De op de passiefzijde van de balans geboekte herwaarderingsmeerwaarden mogen bij latere minderwaarde worden afgeboekt tot beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde. Onderafdeling J. - Voorzieningen voor risico's en kosten Art. 54.De voorzieningen voor risico's en kosten hebben tot doel naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of kosten te dekken die op de balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, doch waarvan het bedrag niet vaststaat. Voorzieningen mogen niet worden gebruikt voor waardecorrecties op activa. Art. 55.De voorzieningen voor risico's en kosten worden geïndividualiseerd naargelang van de risico's en kosten met dezelfde aard die ze moeten dekken. Voorzieningen moeten, onder meer, gevormd worden met het oog op : 1° de verplichtingen die op het centrum rusten inzake rust- en overlevingspensioenen, brugpensioenen en andere gelijkaardige pensioenen of renten voor zijn personeel;2° de kosten van verbeteringswerken;3° de verlies- of kostenrisico's die voortvloeien uit :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.