zake milieuhygiëne De Vlaamse regering, Gelet op de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging,
zonderheid op artikel 1; Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, gewijzigd en/of aangevuld bij wet van 22 mei 1979 en bij de decreten van 23 december 1980, 5 april 1984, 28 juni 1985, 13 juli 1988, 20 december 1989, 12 december 1990, 21 december 1990, 25 juni 1992, 1 juli 1992, 18 december 1992, 15 december 1993, 22 december 1993, 6 juli 1994, 21 december 1994, 22 december 1995, 8 juli 1996, 20 december 1996 en 8 juli 1997,
zonderheid op artikel 32quater, § 2; Gelet op het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, gewijzigd bij de decreten van 23 maart 1983, 28 juni 1985, 22 oktober 1986, 20 december 1989, 12 december 1990, 21 december 1990, 25 juni 1992, 18 december 1992, 22 december 1993, 20 april 1994, 21 december 1994, 19 april 1995, 22 december 1995, 20 december 1996 en 19 december 1997,
zonderheid op de artikelen 14, § 5, en 39 tot 44; Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, gewijzigd bij de decreten van 7 februari 1990, 12 december 1990, 21 december 1990, 22 december 1993, 21 december 1994 en 8 juli 1996,
zonderheid op artikel 20; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen
zake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 6 september 1995, 26 juni 1996, 3 juni 1997 en 17 december 1997; Gelet op het advies van de
spectie van Financiën, gegeven op 2 februari 1998; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat titel II van het VLAREM, zoals
verdere overwegingen nader is toegelicht, dringend dient aangepast ter correcte omzetting van de Richtlijnen van de Raad van de Europese Gemeenschappen 75/439/EEG, 87/217/EEG, 89/369/EEG, 96/59/EG, 96/62/EG en 97/16/EG, van de Richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 94/51/EG en van de Beschikkingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 96/134/EG en 97/283/EG; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 26 februari 1998 met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 75/439/EEG van 16 juni 1975
zake de verwijdering van afgewerkte olie; dat de emissienormering voor zware metalen opgenomen
het artikel 5.2.3.5.5 van titel II van het VLAREM minder streng is dan deze voorgeschreven door bedoelde van toepassing zijnde richtlijn; Overwegende de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 87/217/EEG van 19 maart 1987
zake voorkoming en vermindering van verontreiniging van het milieu door asbest; dat volgens brief SG
stallaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging; dat de
het artikel 5.2.3.3.6 van titel II van het VLAREM voorziene meetverplichting minder streng is dan deze voorgeschreven door bedoelde van toepassing zijnde richtlijn; dat daarenboven de voorschriften voor de technisch onvermijdelijke stopzetting van de zuiveringsinrichtingen onvolledig blijken te zijn omgezet; Overwegende de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 89/429/EEG van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande
stallaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging; dat de
deze richtlijn voorziene overgangsregeling voor bestaande
stallaties niet is gerespecteerd; Overwegende de Richtlijn van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 94/51/EG van 7 november 1994 betreffende de aanpassing aan de technische vooruitgang van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen 90/219/EEG van 23 april 1990
zake het
geperkte gebruik van genetisch gemodificeerde micro-organismen; dat de Commissie bij Beschikking 91/448/EEG de richtsnoeren heeft opgesteld ter
terpretatie van bijlage II van voormelde richtlijn 90/219/EEG; dat bij Beschikking van de Commissie 96/134/EG van 16 januari 1996 de bijlage bij Beschikking 91/448/EEG werd vervangen; dat
gevolge deze vervanging zich een aanpassing van de milieuvoorwaarden vervat
titel II van het VLAREM
zake genetisch gemodificeerde micro-organismen opdringt; Overwegende de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie 96/59/EG van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's); dat deze richtlijn voor 16 maart 1998 dient omgezet; Overwegende de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie 96/61/EG van 24 september 1996
zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging; dat deze richtlijn op 20 oktober 1996
werking is getreden en voor 20 oktober 1999 volledig dient omgezet; dat deze omzetting een aanpassing vergt van de beide titels van het VLAREM; dat met dit besluit de omzetting gebeurt voor wat de aspecten betreft die
titel II van het VLAREM worden geregeld; Overwegende de Richtlijn van de Raad van de Europese Unie 96/62/EG van 27 september 1996
zake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit; dat deze richtlijn op 21 november 1996
werking is getreden en voor 21 mei 1998 dient omgezet; Overwegende de Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad 97/16/EG van 10 april 1997 tot vijftiende wijziging van de Richtlijn 76/769/EEG betreffende de beperking van het op de markt brengen en van het gebruik van bepaalde gevaarlijke stoffen en preparaten, die
zonderheid het gebruik regelt van hexachloorethaan
de sector van de non-ferrometalen; dat artikel 2 van deze Richtlijn 97/16/EG er de toepassing van voorschrijft vanaf 1 januari 1998; Overwegende de Beschikking van de Commissie van de Europese Gemeenschappen 97/283/EG van 21 april 1997 houdende vaststelling van de geharmoniseerde meetmethodes ter bepaling van de massaconcentraties van dioxines en furanen
de rookgassen op het niveau van 0,1 ng TEQ/Nm3 van
stallaties voor de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen; Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Wijzigingen van titel II van het VLAREM Artikel 1.
artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen
zake milieuhygiëne, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 6 september 1995, 26 juni 1996, 3 juni 1997 en 17 december 1997, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
sub "DEFINITIES ALGEMEEN" worden de definities van "verontreiniging", "emissie", "emissiegrenswaarde" of "emissienorm" en "milieukwaliteitsnormen" opgeheven;2° tussen "DEFINITIES GASSEN" en "DEFINITIES GELUID" wordt een sub "DEFINITIES GEINTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING"
gevoegd, dat luidt als volgt : « DEFINITIES GEINTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING (delen 3, 4 en 5) - "stof" : een chemisch element en de verbindingen daarvan, met uitzondering van radioactieve stoffen en genetisch gemodificeerde organismen; - "verontreiniging" : de directe of
directe
breng door menselijke activiteiten van stoffen, trillingen, warmte of geluid
lucht, water of bodem, die de gezondheid van de mens of de milieukwaliteit kan aantasten, schade kan toebrengen aan materiële goederen, dan wel de belevingswaarde van het milieu of ander rechtmatig milieugebruik kan aantasten of
de weg kan staan; - "
stallatie" : een vaste technische eenheid waarin een of meer van de
bijlage 1 bij titel I van het VLAREM vermelde activiteiten en processen alsmede andere daarmee rechtstreeks samenhangende activiteiten plaatsvinden, die technisch
verband staan met de op die plaats ten uitvoer gebrachte activiteiten en die gevolgen kunnen hebben voor de emissies en de verontreiniging; - "bestaande
stallatie" : een
stallatie : - ofwel, die op 30 oktober 1996 reeds
bedrijf was; - ofwel, die op 30 oktober 1996
het kader van titel I van het VLAREM was vergund; - ofwel, waarvoor de milieuvergunningsaanvraag voor 30 oktober 1996 overeenkomstig titel I van het VLAREM ontvankelijk en volledig werd verklaard en op voorwaarde dat die
stallatie uiterlijk op 30 oktober 1997
werking werd gesteld; - "emissie" : de directe of
directe lozing, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de
stallatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid
de lucht, het water of de bodem; - "emissiegrenswaarde" of "emissienorm" : de massa, gerelateerd aan bepaalde specifieke parameters; de concentratie en/of het niveau van een emissie, die gedurende een of meer vastgestelde perioden niet mogen worden overschreden; de emissiegrenswaarden kunnen ook voor bepaalde groepen, families of categorieën van stoffen, met name die welke
bijlage 1.1.2 worden vermeld, worden vastgesteld; de grenswaarden voor de emissies van stoffen gelden normaliter op het punt waar de emissies de
stallatie verlaten en worden bepaald zonder rekening te houden met een eventuele verdunning; voor
directe lozingen
water mag bij de bepaling van de emissiegrenswaarden van de
stallatie rekening worden gehouden met het effect van een zuiveringsstation, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu
zijn geheel wordt gewaarborgd en dat zulks niet leidt tot een hogere belasting van het milieu met verontreinigende stoffen, onverminderd de overeenkomstig de EG-richtlijn 76/464/EEG en de ter toepassing daarvan aangenomen richtlijnen door dit reglement vastgestelde bepalingen betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die
het aquatisch milieu worden geloosd; - "milieukwaliteitsnorm" : alle eisen waaraan op een gegeven ogenblik
een bepaald milieucompartiment of een bepaald gedeelte daarvan moet worden voldaan overeenkomstig dit besluit;"; 3° onder het punt "Algemeen" van sub "DEFINITIES LUCHTVERONTREINIGING" worden de definities van "grenswaarde voor luchtkwaliteit", "grenswaarde voor stofneerslag" en "richtwaarde" opgeheven;4° aan het punt "Algemeen" van sub "Definities luchtverontreiniging" worden de volgende nieuwe definities toegevoegd : « - "lucht" : de buitenlucht
de troposfeer, met uitsluiting van de werkplek; - "verontreinigende stof" : een stof die direct of
direct door de mens
de lucht wordt gebracht en die schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens of het milieu
zijn geheel; - "niveau" : de concentratie van een verontreinigende stof
de lucht of de depositie daarvan op oppervlakken binnen een bepaalde tijd; - "beoordeling" : een methode die wordt gebruikt om het niveau van een verontreinigende stof
de lucht te meten, te berekenen, te voorspellen of te ramen; - "grenswaarde voor luchtkwaliteit" : een niveau dat op basis van wetenschappelijke kennis is vastgesteld teneinde schadelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu
zijn geheel te voorkomen, te verhinderen of te verminderen en dat binnen een bepaalde termijn moet worden bereikt en, als het eenmaal is bereikt, niet meer mag worden overschreden; - "streefwaarde of richtwaarde voor luchtkwaliteit" : een niveau dat is vastgesteld om schadelijke effecten voor de gezondheid van de mens en/of voor het milieu
zijn geheel op lange termijn te vermijden, en dat zoveel mogelijk binnen een gegeven periode moet worden bereikt; - "alarmdrempel" : een niveau, waarboven een kortstondige blootstelling risico's voor de gezondheid van de mens
houdt en er bij overschrijding onmiddellijk maatregelen moeten genomen worden; - "overschrijdingsmarge" : het percentage van de grenswaarde voor luchtkwaliteit waarmee deze onder de
dit besluit vastgelegde voorwaarden kan worden overschreden; - "zone" : een afgebakend gedeelte van het grondgebied, gelegen
het Vlaamse gewest; - "agglomeratie" : een zone die wordt gekenmerkt door een bevolkingsconcentratie van meer dan 250 000
woners of, bij een bevolkingsconcentratie van 250 000
woners of minder, door een bevolkingsdichtheid per km2 die beoordeling en beheer van de luchtkwaliteit rechtvaardigt; - "immissieniveau of immissieconcentratie" : de concentratie van een bepaalde stof
de omgevingslucht op een bepaalde plaats, als resultante van verschillende bronnen,
cl. natuurlijke, en meteorologische verspreidingskarakteristieken;"; 5° tussen "DEFINITIES OPPERVLAKTEWATERBESCHERMING" en "DEFINITIES ZEEHAVENGEBIEDEN" wordt een sub "DEFINITIES PCB'S EN PCT'S"
gevoegd, dat luidt als volgt : « DEFINITIES PCB'S EN PCT'S (hoofdstukken 2.7 en 4.8) - PCB's : polychloorbifenylen, polychloorterfenylen, monomethyltetrachloordifenylmethaan, monomethyldichloordifenylmethaan, monomethyldibroomdifenylmethaan en alle mengsels waarvan het totale gehalte aan bovengenoemde stoffen hoger is dan 0,005 gewichtsprocent; - PCB's bevattende apparaten : alle apparaten die PCB's bevatten of hebben bevat (bij voorbeeld transformatoren, condensatoren, recipiënten die resthoeveelheden bevatten) en niet zijn gereinigd; tenzij redelijkerwijs het tegendeel kan worden aangenomen, worden apparaten die mogelijk PCB's bevatten als PCB's bevattende apparaten beschouwd; - gebruikte PCB's : alle PCB's die als afvalstof worden beschouwd
de zin van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen; - houder : de natuurlijke of rechtspersoon die PCB's, gebruikte PCB's of PCB's bevattende apparaten
zijn bezit heeft; - reiniging : het geheel van werkzaamheden waardoor met PCB's verontreinigde apparaten, voorwerpen, materialen of vloeistoffen opnieuw gebruikt, gerecycleerd of onder veilige omstandigheden verwijderd kunnen worden, en die ook vervanging kunnen omvatten, dat wil zeggen het geheel van werkzaamheden waarbij PCB's worden vervangen door een passende vloeistof die geen PCB's bevat; - verwijdering : de handelingen D8, D9, D10, D12 (alleen veilige, diepe, ondergrondse opslag
een droge rotsformatie en uitsluitend voor apparaten die PCB's en gebruikte PCB's bevatten en niet kunnen worden gereinigd) en D15 als bedoeld
artikel 1.3.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 december 1997 tot vaststelling van het Vlaams reglement
zake afvalvoorkoming en -beheer. ». Art. 2.Aan artikel 2.5.1.1 van hetzelfde besluit wordt een § 5 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 5. Voor de grenswaarden vermeld
bijlage 2.5.1 en bijlage 2.5.2 worden de tijdelijke overschrijdingsmargen zoals voorzien
». Art. 3.Aan artikel 2.5.2.2 van hetzelfde besluit wordt een § 6 toegevoegd, die luidt als volgt : "§ 6. Bij overschrijding van een streefwaarde voor ozon stelt de minister de Europese Commissie
kennis van de maatregelen die zijn genomen om die waarde te bereiken. ». Art. 4.Aan het hoofdstuk 2.5 van hetzelfde besluit wordt een afdeling 2.5.3 "BEOORDELING EN BEHEER VAN DE LUCHTKWALITEIT" toegevoegd, die luidt als volgt : « Afdeling 2.5.
formatie over de luchtkwaliteit en ervoor te zorgen dat de bevolking daarover wordt
gelicht, onder andere door middel van alarmdrempels;4° goede luchtkwaliteit
stand te houden en die
de andere gevallen te verbeteren. Onderafdeling 2.5.3.
stanties en organen aangewezen : 1° de Vlaamse Milieumaatschappij die belast is met :
terne kwaliteitscontroles overeenkomstig onder meer de eisen van de Europese normen voor kwaliteitsborging, toe te zien op de handhaving van deze kwaliteit door middel van deze voorzieningen;c) de analyse van de beoordelingsmethoden;2° de
tergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL) bedoeld
artikel 6 van de samenwerkingsovereenkomst tussen het Brusselse, Vlaamse en Waalse gewest van 18 mei 1994
zake het toezicht op emissies
de lucht en op de structurering van de gegevens, die belast is met de coördinatie van de door de Europese Commissie georganiseerde communautaire programma's voor kwaliteitsborging;3° de minister die belast is met de erkenning van de meetvoorzieningen (methoden, apparaten, netten). § 2. De EU-Commissie wordt overeenkomstig de EG-richtlijn 96/62/EG van 27 september 1996 door de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen
gelicht over de
bedoelde
formatie. De Vlaamse Milieumaatschappij stelt deze
formatie tevens ter beschikking van het publiek. § 3. De Vlaamse Milieumaatschappij zendt een kopie van de
bedoelde
formatie aan de Administratie Milieu, Natuur, Land- en Waterbeheer van het departement Leefmilieu en
frastructuur van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Onderafdeling 2.5.3.
bijlage 2.5.4.A stelt de Vlaamse regering de grenswaarden en, zo nodig, alarmdrempels vast. Bij vaststelling van de grenswaarden, en zo nodig, de alarmdrempels, wordt bij wijze van voorbeeld rekening gehouden met de factoren
bijlage 2.5.4.B. Bijlage 2.5.4.C bevat criteria voor het selecteren van luchtverontreinigende stoffen, andere dan deze vermeld
bijlage 2.5.4.A, die
aanmerking kunnen genomen worden voor de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit,
dien uit wetenschappelijke gegevens blijkt dat de schadelijke gevolgen van deze verontreinigende stoffen voor de gezondheid van de mens en/of het milieu
zijn geheel moeten worden voorkomen, verhinderd of verminderd. § 2. Bij de vaststelling van de grenswaarden en alarmdrempels worden criteria en technieken bepaald voor : 1° de metingen die moeten worden verricht bij de uitvoering van de
bedoelde bepalingen :
de bestudeerde zones. § 3. Om rekening te houden met de werkelijke niveaus van een bepaalde verontreinigende stof bij de vaststelling van de grenswaarden en met de tijd die nodig is voor de
voering van maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, kan overeenkomstig de EG-richtlijn 96/62/EG van 27 september 1996 ook een tijdelijke overschrijdingsmarge voor de grenswaarden vastgesteld worden. Deze overschrijdingsmarge wordt op een voor elke verontreinigende stof vast te stellen wijze verlaagd, zodat de grenswaarde, uiterlijk aan het einde van de voor elke verontreinigende stof bij de vaststelling ervan te bepalen termijn, wordt bereikt. § 4. Wanneer strengere maatregelen worden genomen voor de
bijlage 2.5.4.A vermelde stoffen dan deze opgelegd overeenkomstig de EG-richtlijn 96/62/EG van 27 september 1996 stelt de minister de Europese Commissie daarvan op de hoogte. § 5.
voorkomend geval deelt de minister aan de EU-Commissie het voornemen mee om grenswaarden of alarmdrempels vast te stellen voor niet
bijlage 2.5.4.A bedoelde verontreinigende stoffen, die niet onder de EG-voorschriften betreffende de luchtkwaliteit
de Europese Gemeenschap vallen. Onderafdeling 2.5.3.
artikel 2.5.3.3 bedoelde regeling tijdig over deze gegevens te beschikken. Onderafdeling 2.5.3.
het kader van de uitbouw en de exploitatie van haar meetnet van de verontreiniging van de omgevingslucht de metingen uit
ten minste de volgende zones : 1° de agglomeraties zoals omschreven
het punt "Algemeen" van sub "Definities luchtverontreiniging" van artikel 1.1.2; 2° de zones waar de niveaus tussen de grenswaarden en de
van dit artikel bepaalde niveaus liggen;3° de andere zones waar de niveaus hoger dan de grenswaarden liggen. De voorgeschreven metingen kunnen met op modellen gebaseerde technieken worden aangevuld ter verkrijging van de nodige
formatie over de luchtkwaliteit. §
zake verbetering van de luchtkwaliteit Art. 2.5.3.
artikel 2.5.3.1 bedoelde doelstellingen geldt het volgende : 1° er moet rekening worden gehouden met een geïntegreerde aanpak voor de bescherming van lucht, water en bodem;2° de EU-wetgeving
zake de bescherming van de veiligheid en de gezondheid van werknemers op het werk mag niet worden overtreden;3° zij mogen geen significante negatieve gevolgen hebben voor het milieu
een ander Gewest noch
andere Lid-Staten van de Europese Unie. § 3. De maatregelen die bij een dreigende overschrijding van de grenswaarden en/of de alarmdrempels op korte termijn moeten worden genomen om het risico van overschrijding te verkleinen en de duur ervan te beperken, zijn vermeld
de respectieve actieplannen vastgesteld door dit besluit,
zonderheid
de afdelingen 2.5.2 en 4.4.5. Al naar gelang van het geval behelzen voormelde actieplannen controlemaatregelen en, zo nodig, schorsing van de activiteiten die bijdragen tot overschrijding van de grenswaarden, met
begrip van het gemotoriseerde verkeer. Onderafdeling 2.5.3.7. - Maatregelen die van toepassing zijn
zones waar de niveaus hoger liggen dan de grenswaarde Art. 2.5.3.
sub 1° van het eerste lid bedoelde zones en agglomeraties en zijn de §§ 2 tot en met 4 van dit artikel erop van toepassing. § 2.
de
bedoelde zones en agglomeraties treft de minister maatregelen om ervoor te zorgen dat er een plan of programma wordt opgesteld en uitgevoerd dat ertoe leidt dat binnen de daarvoor gestelde termijn aan de grenswaarde wordt voldaan. Dit plan of programma, waartoe het publiek toegang heeft, bevat ten minste de
bijlage 2.5.4.D vermelde
formatie. § 3.
de
bedoelde zones en agglomeraties waar het niveau van meer dan één verontreinigende stof hoger ligt dan de grenswaarden, zorgt de minister voor een geïntegreerd plan voor alle betrokken verontreinigende stoffen. § 4. Wanneer het niveau van een verontreinigende stof ten gevolge van een significante verontreiniging vanuit een andere Lid-Staat of Gewest boven de met de overschrijdingsmarge verhoogde grenswaarde of,
voorkomend geval, de alarmdrempel ligt of dreigt te komen, pleegt de minister met de betrokken Lid-Staat of het betrokken Gewest overleg om een oplossing te vinden. De Europese Commissie wordt hiervan via de geëigende kanalen op de hoogte gesteld en kan dit overleg bijwonen. Onderafdeling 2.5.3.8. - Eisen die van toepassing zijn
zones waar de niveaus onder de grenswaarde liggen Art. 2.5.3.8. Op basis van de resultaten van haar meetnet van de verontreiniging van de omgevingslucht stelt de Vlaamse Milieumaatschappij een lijst op van de zones en agglomeraties waar de niveaus van de verontreinigende stoffen onder de grenswaarden liggen.
die zones en agglomeraties worden de niveaus van de verontreinigende stoffen beneden de grenswaarden gehouden en wordt ernaar gestreefd de met duurzame ontwikkeling verenigbare optimale luchtkwaliteit te beschermen. Onderafdeling 2.5.3.9. - Maatregelen voor gevallen waarin de niveaus boven de alarmdrempels liggen Art. 2.5.3.9. Tenzij anders vermeld
de specifieke actieplannen voor welbepaalde verontreinigende stoffen opgenomen
dit besluit neemt de Vlaamse Milieumaatschappij, wanneer de alarmdrempels worden overschreden, de nodige maatregelen om het publiek daarvan op de hoogte te stellen door het verspreiden via de media van de gegevens vermeld op de lijst die tegelijk met de vaststelling van de alarmdrempels is opgesteld. Tenzij anders vermeld
de specifieke actieplannen voor welbepaalde verontreinigende stoffen opgenomen
dit besluit, zendt de Vlaamse Milieumaatschappij via de geëigende kanalen voorlopig binnen drie maanden na de overschrijding
formatie over de geregistreerde niveaus en de duur van de periode(n) aan de EU-Commissie. Onderafdeling 2.5.3.10. -
diening van
formatie en verslagen Art. 2.5.3.10. Nadat de Europese Raad een eerste dochterrichtlijn met grens- en richtwaarden, conform artikel 4, lid 1 van de EG-richtlijn 96/62/EEG van 27 september 1996
zake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit, heeft goedgekeurd, verstrekt de minister aan de Europese Commissie de volgende
formatie : 1° de bevoegde
stanties en organen aangewezen
artikel 2.5.3.2, § 1; 2° voor de
artikel 2.5.3.7, § 1, 1° bedoelde zones : a)
lichtingen over waarneming van niveaus die hoger liggen dan de grenswaarden verhoogd met de overschrijdingsmarge, de datum (data) waarop of de periode(n) waarin die worden waargenomen en de geregistreerde waarden, en wel binnen negen maanden na het einde van elk jaar;b)
lichtingen over de redenen van elke waargenomen overschrijding, en wel binnen negen maanden na het einde van elk jaar; c) de plannen of programma's, bedoeld
artikel 2.5.3.7, § 2, en wel uiterlijk twee jaar na het eind van het jaar waarin de niveaus werden waargenomen; d) om de drie jaar
formatie over de stand van de vooruitgang bij de uitvoering van het plan of programma; wanneer er voor een bepaalde verontreinigende stof geen overschrijdingsmarge is vastgesteld, worden de zones en agglomeraties waar het niveau van die verontreinigende stof de grenswaarde overschrijdt, aan de sub a) genoemde zones en agglomeraties gelijkgesteld; 3° de lijsten van de
de artikelen 2.5.3.7, § 1, 1° en 2° en 2.5.3.8 bedoelde zones en agglomeraties, en dit elk jaar uiterlijk negen maanden na het einde van elk jaar; 4° de
formatie met een samenvatting van de niveaus die al naar gelang van het geval zijn waargenomen of geraamd voor de
de artikelen 2.5.3.7 en 2.5.3.8 bedoelde zones en agglomeraties,
het kader van de
artikel 4 van EG-richtlijn 91/692/EEG van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied bedoelde verslaggeving per sector, en dit om de drie jaar en uiterlijk negen maanden na het einde van elke periode van drie jaar; 5° de methoden die zijn gebruikt voor de
artikel 2.5.3.4 voorgeschreven voorafgaande beoordeling van de luchtkwaliteit. ». Art. 5.Aan deel 2 van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 2.7 "BELEIDSTAKEN TER ZAKE PCB'S EN PCT'S" toegevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK 2.7. - Beleidstaken ter zake PCB's en PCT's Art. 2.7.0.1. De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld
uitvoering van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning. Art. 2.7.0.
ventarissen opgesteld en regelmatig bijgewerkt van apparaten die meer dan 1 liter PCB's bevatten. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel. § 2. De OVAM stuurt voor 16 september 1999 via de geëigende kanalen een samenvatting van de
bedoelde
ventarissen aan de EU-Commissie. § 3. Voor de opstelling van de
bedoelde
ventarissen maakt de OVAM
zonderheid gebruik van : 1° de kennisgevingen die zijn gebeurd met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten; 2° de kennisgevingen die zijn gebeurd met toepassing van de bepalingen van het artikel 4.8.0.1. Art. 2.7.0.3. De
het artikel 2.7.0.2, § 1, bedoelde
ventarissen omvatten ten minste de volgende gegevens : 1° naam en adres van de houder;2° plaats en omschrijving van de apparaten;3° hoeveelheid PCB's
deze apparaten;4° data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen;5° datum van aangifte. Voor de apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten PCB's bevatten, dienen de
het eerste lid, sub 3° en sub 4° bedoelde gegevens niet te worden opgenomen. ». Art. 6.Aan deel 2 van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 2.8 "BELEIDSTAKEN TER ZAKE GEINTEGREERDE PREVENTIE EN BESTRIJDING VAN VERONTREINIGING" toegevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK 2.8. - Beleidstaken ter zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging Art. 2.8.0.1. De bepalingen van dit hoofdstuk worden vastgesteld
uitvoering van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning. Art. 2.8.0.2. Overeenkomstig de EG-Richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996
zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging draagt de minister er zorg voor dat de onder zijn bevoegdheid ressorterende adviesverlenende overheidsorganen waarvan sprake
artikel 20 van titel I van het VLAREM, ieder voor wat hun adviesbevoegdheid betreft, de ontwikkelingen op het gebied van de beste beschikbare technieken volgt of daarvan op de hoogte wordt gehouden. Art. 2.8.0.3. § 1. De afdeling Europa en Milieu van de AMINAL wordt aangewezen als autoriteit voor de uitwisseling van de
formatie bedoeld
het artikel 16 van de EG-richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996
zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging. De minister stelt via de geëigende kanalen de EU-Commissie van deze aanwijzing
kennis. § 2. De Europese Commissie wordt overeenkomstig de EG-richtlijn 96/61/EG van 24 september 1996
zake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging door de afdeling Europa en Milieu van de AMINAL via de geëigende kanalen
kennis gesteld van de representatieve gegevens over de beschikbare grenswaarden die zijn vastgesteld per activiteiten categorie van bijlage 2.8 en
voorkomend geval van de beste beschikbare technieken waarop die waarden zijn gebaseerd, met name
overeenstemming met de bepalingen van titel I van het VLAREM. Deze kennisgeving gebeurt driejaarlijks en voor het eerst uiterlijk op 30 april
de lucht en de afvalwaterlozingen gelden
zonderheid respectievelijk de bepalingen : 1° van artikel 5.3.2.4 en de bijlage 5.3.2, sub 2°, b), voor wat de voorwaarden voor de lozing van afvalwater betreft; 2° van artikel 4.2.5.3.1 en de bijlagen 4.2.5.2 en 4.4.5.A voor wat de meetverplichtingen en meetmethoden voor de lozing van afvalwater betreft; 3° van artikel 4.4.3.1 en de bijlage 4.4.2 voor wat de grenswaarden voor de emissies
de lucht betreft; 4° van artikel 4.4.4.1 en de bijlagen 4.4.3 en 4.4.4 en 4.4.5.B voor wat de meetverplichtingen en de meetmethode voor de emissies
de lucht betreft. ». Art. 9.Aan deel 4 van hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk 4.8 "Verwijdering van PCB's en PCT's" toegevoegd, dat luidt als volgt : « HOOFDSTUK 4.
zijn bezit heeft alsook de hoeveelheden PCB's
deze apparaten;c) de hoeveelheden PCB's die hij
zijn bezit heeft;d) de hoeveelheden gebruikte PCB's die hij
zijn bezit heeft;e) data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen; wanneer dergelijke kennisgeving eerder is gebeurd met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten, worden daarbij de eventuele wijzigingen vermeld ten aanzien van deze vroegere kennisgeving; 2° na 1 januari 1999 aan de OVAM kennis te geven van elke wijzigingen
de sub 1° ter kennisgebrachte situatie;3° ervoor te zorgen dat elk apparaat dat meer dan 1 liter PCB's bevat wordt voorzien van een etiket;voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel; apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten PCB's bevatten, mogen worden voorzien van een etiket waarop staat "verontreinigd met PCB's 4° ervoor te zorgen dat gebruikte PCB's zo spoedig mogelijk worden verwijderd;5° ervoor te zorgen dat PCB's en apparaten die PCB's bevatten, zo spoedig mogelijk worden gereinigd of verwijderd;6° gebruikte PCB's en de
3° bedoelde apparaten die PCB's bevatten, zo spoedig mogelijk over te brengen naar een
richting die overeenkomstig titel I van het VLAREM is vergund voor de reiniging en/of de verwijdering van PCB's, gebruikte PCB's en/of PCB's bevattende apparaten. Art. 4.8.0.
afwijking van de bepalingen van artikel 1.2.2.1, § 2 kan een afwijking op de
het eerste lid vermelde milieuvoorwaarde slechts maximaal worden toegestaan tot 31 december 2010. § 2.
afwijking van § 1 mogen de transformatoren waarvan de vloeistoffen tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten PCB's bevatten, ofwel worden gereinigd overeenkomstig de bepalingen van artikel 4.8.0.4, § 2, ofwel aan het einde van de gebruiksduur worden verwijderd. § 3. Apparaten met PCB's die niet overeenkomstig artikel 2.7.0.2, § 1, moeten worden geïnventariseerd en die onderdeel uitmaken van een ander apparaat, worden waar dit redelijkerwijs haalbaar is, afzonderlijk
gezameld wanneer het apparaat buiten gebruik wordt gesteld, wordt gerecycleerd of verwijderd. Art. 4.8.0.3. Alvorens PCB's, gebruikte PCB's en/of apparaten met PCB's door een overeenkomstig titel I van het VLAREM vergunde
richting worden overgenomen, worden alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om elk brandgevaar te vermijden. Hiertoe worden de PCB's gescheiden gehouden van brandbare stoffen. Art. 4.8.0.
houden;3° de vervanging van de vloeistof mag de latere verwijdering van de PCB's niet
gevaar brengen; 4° de etikettering van de transformator na reiniging moet worden vervangen door de etikettering als aangegeven
de bijlage 4.8 bij dit besluit. §
het eerste lid bedoelde perioden mag het totale stofgehalte van de uitstoot onder geen beding meer bedragen dan 150 mg/m3 en moet aan alle andere gestelde voorwaarden, met name met betrekking tot de verbranding, worden voldaan. ». Art. 12.
artikel 5.2.3.3.6 worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
, 1°, a) worden de woorden "van ten minste 3 ton/uur" vervangen door de woorden "van ten minste 1 ton/uur";2°
, 1°, b), eerste gedachtenstreep worden de woorden "van ten minste 3 ton/uur" vervangen door de woorden "van ten minste 1 ton/uur";2°
, 1°, b), laatste gedachtenstreep worden de woorden "van minder dan 3 ton/uur" vervangen door de woorden "van minder dan 1 ton/uur". Art. 13.Aan de subafdeling 5.2.3.3 wordt een artikel 5.2.3.3.7 toegevoegd dat luidt als volgt : « Art. 5.2.3.3.
de subafdelingen 5.2.3.1 en 5.2.3.3, met uitzondering van artikel 5.2.3.3.4, 3° waarvan de bepalingen voor bestaande
richtingen gelden. § 2. Bestaande verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen met een nominale capaciteit van minder dan 6 ton afval per uur moeten : 1° uiterlijk op 1 december 1995 voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen zoals bepaald
de subafdelingen 5.2.3.1 en 5.2.3.3, behalve wat betreft het artikel 5.2.3.3.4, 3° waarvan de bepalingen voor bestaande
richtingen gelden en de
artikel 5.2.3.3.4 voor stof vermelde emissiegrenswaarde waarvoor de volgende emissiegrenswaarde geldt : Emissiegrenswaarde
mg/m3
functie van de nominale capaciteit van de verbrandingsinrichting Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld
stallaties met een capaciteit van minder dan 1 ton per uur kunnen de emissiegrenswaarden betrekking hebben op een zuurstofgehalte van 17 %.
dit geval mogen de concentratiewaarden niet hoger zijn dan de aangegeven waarde gedeeld door 2,5. 2° uiterlijk op 1 januari 1999 voldoen aan de voorwaarden voor nieuwe verbrandingsinrichtingen voor huishoudelijke afvalstoffen zoals bepaald
de subafdelingen 5.2.3.1 en 5.2.3.3, met uitzondering van artikel 5.2.3.3.4, 3° waarvan de bepalingen voor bestaande
richtingen gelden. ». Art. 14.
sub 2° van het artikel 5.2.3.5.5 worden de bepalingen met betrekking tot de verontreinigde stof "zware metalen" vervangen door de volgende bepalingen : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 15.
artikel 5.2.4.1.3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
, 3° wordt het eerste gedachtenstreepje vervangen door wat volgt : « - afvalstoffen die vrije asbestvezels bevatten zoals spuitasbest, asbestisolatiemateriaal, asbeststof met
begrip van bodemmaterialen verontreinigd met vrije asbestvezels
concentraties > 0,1 % of waarin duidelijk asbestvlokken waarneembaar zijn;"; 2°
wordt 5° vervangen door wat volgt : « 5° verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof tengevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt : ofwel totaal organische koolstof, uitgezonderd de koolstof vervat
vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof : 3°
, 7°, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
artikel 5.2.5.2.3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° 5° wordt vervangen door wat volgt : « 5° verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof tengevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt : ofwel totaal organische koolstof, uitgezonderd de koolstof vervat
vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof : 2°
sub 6° worden de volgende wijzigingen aangebracht :
artikel 5.12.0.2 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° aan § 1, 4°, worden de volgende bepalingen toegevoegd : « wanneer het gaat om een bestaande transformator dient voormelde
kuiping aangebracht bij een eerste vernieuwing, wijziging, vervanging of verplaatsing van de transformator.» ; 2° aan § 2 wordt een 5° toegevoegd, die luidt als volgt : « 5° overeenkomstig de EG-Richtlijn 96/59/EG van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (PCB's/PCT's) en onverminderd de bepalingen van het hoofdstuk 4.8 gelden met betrekking tot de bestaande tranformatoren die PCB's bevatten bijkomend de volgende voorwaarden : 1° het bijvullen van transformatoren met PCB's is verboden; 2° het onderhoud van transformatoren die PCB's bevatten, mag, totdat ze overeenkomstig de bepalingen van het hoofdstuk 4.8 gereinigd worden, buiten gebruik worden gesteld en/of verwijderd worden, uitsluitend worden voortgezet
dien het doel daarvan is ervoor te zorgen dat de PCB's die deze apparaten bevatten, voldoen aan de technische normen of specificaties
zake diëlektrische kwaliteit, mits de transformatoren
goede staat zijn en geen lekken vertonen. ». Art. 18.Aan hoofdstuk 5.29 "Metalen" van hetzelfde besluit wordt een artikel 5.29.0.10 toegevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 5.29.0.
artikel 5.51.1.2, § 3, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "GGO's" en het woord "zijn" de woorden "binnen de
richting"
gevoegd. Art. 21.
artikel 5.51.2.2, § 2, van hetzelfde besluit worden tussen de woorden "
de bijlagen" en het woord "5.51.3," het woord "5.51.2,"
gevoegd. Art. 22.
artikel 5.51.2.3 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
, f) worden de woorden "voor de biologisch veiligheid" vervangen door de woorden "voor de biologische veiligheid";2°
worden tussen de woorden "efficiënte" en het woord "therapie" de woorden "bestrijding of"
gevoegd;3°
worden de woorden "van de klassen 2,3 of 4" vervangen door de woorden "van de risicoklassen 2, 3 of 4";4°
worden de woorden "van klasse 2 of minder" vervangen door de woorden "van risicoklasse 1 of 2";5°
worden de woorden "van klasse 2 of 1" vervangen door de woorden "van risicoklasse 1 of 2". Art. 23.
hetzelfde besluit wordt het opschrift van de afdeling 5.51.3 vervangen door wat volgt : "Vrijstelling". Art. 24.Artikel 5.51.3.1 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 5.51.3.1. § 1. GGM's of GGO's,
gedeeld
risicoklasse 1 overeenkomstig de criteria van bijlage 5.51.2 bij dit besluit, kunnen vrijgesteld worden van de toepassing van dit besluit, uit hoofde van artikel 5.51.1.
richting en van de verantwoordelijke gebruiker;2° de identiteit van de GGM's of de GGO's die het voorwerp uitmaken van de aanvraag; 3° het bewijs van betaling van de dossierrechten, bedoeld
artikel 5.51.8.
bijlage 5.51.1.B. voor de opbouw van deze GGM's en GGO's, hetzij de vergunningsattesten voor het op de markt brengen. § 3. De exploitant of de gebruiker stuurt aan de bevoegde
stantie, op het adres van het Hoofdbestuur, een aanvraag om een vrijstelling van toelating. Tegelijkertijd stuurt de exploitant een eensluidend afschrift van de aanvraag en het technisch dossier betreffende een vrijstelling van toelating naar de technische deskundige. De technische deskundige registreert de ontvangst van het dossier en deelt binnen de 5 werkdagen de registratiedatum mede aan de exploitant en aan de bevoegde
stantie. § 4. De technische deskundige geeft een met redenen omkleed advies aan de bevoegde
stantie binnen 30 werkdagen na registratie. De bevoegde
stantie doet uitspraak en verzendt een afschrift hiervan per aangetekend schrijven aan de aanvrager binnen de 45 werkdagen na registratie, zoniet wordt de aanvraag geacht te zijn geweigerd. § 5. Voor de berekening van de
de §§ 3 en 4 bedoelde termijnen wordt geen rekening gehouden met de termijnen, tijdens dewelke de bevoegde
stantie of de technische deskundige wachten op bijkomende
formatie van de kennisgever. § 6. Bij definitieve weigering van de aanvraag zullen de confidentiële gegevens aangetekend en onder verzegelde omslag door de technische deskundige aan de exploitant teruggestuurd worden. » . Art. 25.
artikel 5.51.4.2. van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° § 4 wordt vervangen door wat volgt : « § 4.De bevoegde
stantie deelt binnen 15 werkdagen na de ontvangst van het advies van de technische deskundige haar beslissing
zake de aangevraagde activiteit mee aan de aanvrager, de technische deskundige en de overheid welke bevoegd is voor het verlenen van de milieuvergunning. » ; 2° § 6 wordt vervangen door wat volgt : « § 6.De milieuvergunningverlenende overheid stelt de technische deskundige,
voorkomend geval,
kennis van een definitieve weigering van de milieuvergunning. De technische deskundige stuurt de eventuele bijlage met vertrouwelijke
formatie, bedoeld
artikel 5.51.4.1, § 7, e), onder verzegelde enveloppe aangetekend aan de aanvrager terug. ». Art. 26.
artikel 5.51.6.1 van hetzelfde besluit wordt de eerste zin vervangen door wat volgt : « Voor het transporteren van pathogenen, GGM's of GGO's binnen een
richting moet het vervoermiddel zodanig zijn ontworpen dat tijdens het transport geen GGM's, GGO's of pathogene organismen, noch delen ervan buiten het vervoermiddel kunnen geraken tenzij door tussenkomst van de mens of ten gevolge van een ongeval. ». HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van bijlagen bij Titel II van het VLAREM Art. 27.Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage 1.1.2 toegevoegd, die luidt als volgt : « Bijlage 1.1.2
dicatieve lijst van de belangrijkste verontreinigende stoffen die
aanmerking moeten worden genomen
dien zij relevant zijn voor de vaststelling van de emissiegrenswaarden 1° LUCHT
water dergelijke verbindingen kunnen ontstaan;
of via het water een kankerverwekkende, mutagene of voor de voortplanting gevaarlijke werking hebben;
suspensie;
vloed hebben op de zuurstofbalans (en meetbaar zijn aan de hand van parameters als BZV en CZV).». Art. 28.Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage 2.5.4 toegevoegd, die luidt als volgt : « Bijlage 2.5.4 Beoordeling en beheer van de luchtkwaliteit Bijlage 2.5.4.A Lijst van luchtverontreinigende stoffen die
aanmerking moeten worden genomen
het kader van de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit 1° Verontreinigende stoffen die
een eerste stadium moeten worden onderzocht, met
begrip van verontreinigende stoffen die vallen onder bestaande communautaire richtlijnen op het gebied van de luchtkwaliteit a) Zwaveldioxide.b) Stikstofdioxide.c) Fijne deeltjes, zoals roet (
clusief PM 10).
aanmerking moeten worden genomen bij de vaststelling van de grenswaarden en alarmdrempels Bij de vaststelling van de grenswaarde en, zo nodig, de alarmdrempel kunnen met name de hierna als voorbeeld genoemde factoren
aanmerking worden genomen : 1° mate van blootstelling van de bevolking, en met name van kwetsbare subgroepen;2° gesteldheid van het klimaat;3° kwetsbaarheid van flora en fauna en de habitats daarvan;4° aan verontreinigende stoffen blootgesteld historisch erfgoed;5° economische en technische haalbaarheid;6° verplaatsing over lange afstand van verontreinigende stoffen, waaronder secundaire verontreinigende stoffen,
clusief ozon. Bijlage 2.5.4.C Criteria voor het selecteren van luchtverontreinigende stoffen die
aanmerking moeten worden genomen 1° Mogelijkheid, mate en frequentie van effecten;met betrekking tot de volksgezondheid en het milieu
zijn geheel moet speciale aandacht worden besteed aan onomkeerbare effecten. 2° Algemene aanwezigheid en hoge concentratie van de verontreinigende stof
de lucht.3° Milieutransformatie of metabolische omzetting, aangezien dergelijke wijzigingen kunnen leiden tot de vorming van chemische stoffen met een grotere toxiciteit.4° Persistentie
het milieu, met name
dien de verontreinigende stof resistent is voor afbraak
het milieu en kan accumuleren
mensen, het milieu of de voedselketen.5° Effect van de verontreinigende stof :
het betrokken gebied.6° Ook risicobeoordelingsmethodes mogen worden gebruikt. Bij de selectie van de verontreinigende stoffen moet tevens rekening worden gehouden met de relevante gevaarcriteria die overeenkomstig de EG-richtlijn 67/548/EEG van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
zake de
deling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, zijn vastgesteld
deel II van bijlage 7 bij titel I van het VLAREM. Bijlage 2.5.4.D
formatie die moet worden opgenomen
de plaatselijke, regionale of nationale programma'ster verbetering van de luchtkwaliteit
formatie die moet worden verstrekt krachtens artikel 2.5.3.7, § 2, van titel II van het VLAREM 1° Plaats van de overschrijding : a) regio;b) stad (kaart);c) meetstation (kaart, geografische coördinaten).2° Algemene
formatie : a) soort gebied (stad,
dustriezone of landelijk gebied);
formatie over de doelgroepen
het betrokken gebied die bescherming nodig hebben.3° Verantwoordelijke
stanties Naam en adres van de personen die verantwoordelijk zijn voor de opstelling en tenuitvoerlegging van plannen ter verbetering.4° Aard en bewaking van de verontreiniging : a) waargenomen concentraties
de voorgaande jaren (vóór de tenuitvoerlegging van de maatregelen ter verbetering);
formatie over de verontreiniging vanuit andere gebieden.6° Analyse van de situatie :
formatie over de maatregelen of projecten ter verbetering die reeds bestonden voor 21 november 1996 : a) plaatselijke, regionale, nationale en
ternationale maatregelen;b) waargenomen effecten van deze maatregelen.8°
formatie over maatregelen of projecten teneinde de verontreiniging te beperken, die zijn goedgekeurd op 21 november 1996 of later : a) opsomming en beschrijving van alle
het project opgenomen maatregelen;
formatie over de maatregelen of projecten die voor de lange termijn zijn vastgesteld of gepland.10° Lijst van publicaties, documenten, werkzaamheden enz.ter aanvulling van de
deze bijlage gevraagde
formatie. ». Art. 29.Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage 2.8 toegevoegd, zoals vastgesteld
bijlage I bij dit besluit. Art. 30.De bijlage 4.2.5.2 bij hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt : 1° aan artikel 2, § 1, 2° wordt een nummer 51 toegevoegd, die luidt als volgt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld 2° aan artikel 4 wordt een § 4 toegevoegd, die luidt als volgt : « § 4.Met betrekking tot de lozingen van asbest geldt de meetmethode omschreven
sub A van bijlage 4.4.5 bij titel II van het VLAREM. ». Art. 31.Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage 4.8 toegevoegd, die luidt als volgt : « Bijlage 4.8 Etikettering van gereinigde PCB-apparaten Elk gereinigd apparaat moet worden voorzien van een duidelijk, onuitwisbaar etiket
hoog- of diepdruk, waarop de volgende
formatie voorkomt : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 32.
sub 2° van bijlage 5.3.2 bij hetzelfde besluit wordt : 1° onder punt
de bijlage 5.51.1.B, gevoegd bij hetzelfde besluit, worden de woorden "overeenkomstig artikel 8" vervangen door de woorden "overeenkomstig artikel 5.51.3.1". Art. 34.De bijlage 5.51.2, gevoegd bij hetzelfde besluit, wordt vervangen door de bijlage 5.51.2 zoals vastgesteld
bijlage II bij dit besluit. Art. 35.
de bijlage 5.51.4, gevoegd bij hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° bij A,1.1, eerste streepje worden de woorden "waarvan bekend is dat geen ziekte kunnen verwekken" vervangen door de woorden "waarvan bekend is dat ze geen ziekte kunnen verwekken"; 2° bij C, tabel 1, wordt
de rij "Werkwijze- vorming van aërosols",
de kolommen "L3" en "L4" het woord "vermijderen" vervangen door het woord "vermijden"; 3° tussen "Tabel 1" en "Tabel 2" wordt een C.2 en een C.3
gevoegd, respectievelijk luidend als volgt : « C.
perkingsniveaus : - Niveau 1 : de zichzelf niet verspreidende dieren die een vreemd DNA-fragment
hun genoom hebben opgenomen, zonder de hulp van een virale vector en de zichzelf niet verspreidende dieren die drager zijn van GGO's van risicoklasse 1; - Niveau 2 : de zichzelf verspreidende dieren die een vreemd DNA-fragment
hun genoom hebben opgenomen, zonder de hulp van een virale vector en de zichzelf verspreidende dieren die drager zijn van GGO's van risicoklasse 1; - Niveau 3 : de dieren die drager zijn van biologische agentia, zoöpathogenen of van GGO's van risicoklasse 2 of hoger en die een vreemd DNA-fragment, dat zich op
(!!!) een virale vector bevond,
hun genoom hebben opgenomen of die, door eender welke techniek een volledig of gedeeltelijk viraal genoom hebben opgenomen, dat een actief virus kan doen ontstaan. 2.
perkingseisen voor de niveaus 1, 2 en 3 : - Proefdierenverblijf van niveau 1 (A1): De dieren worden gekweekt
de normale kweekomstandigheden, maar afgezonderd van hun niet transgene soortgenoten of die niet drager zijn van GGO's.Door de kweekomstandigheden moeten de dieren bijzonder goed afgeschermd blijven van de buitenwereld. Aan het einde van het experiment worden de dieren afgemaakt. Het is tevens aanbevolen hun krengen te
activeren. - Proefdierenverblijf van niveau 2 (A2): De kweekomstandigheden zijn dezelfde als die voor dieren van niveau 1, met daarenboven specifieke barrières die de dieren verhinderen zich
het milieu te verspreiden: filters, olie- of waterbaden, U.V.-lampen, detectors. - Proefdierenverblijf van niveau 3 (A3): De kweekomstandigheden zijn deze die gewoonlijk worden geëist voor de virusdragende dieren en overeenstemmen met de
perkingen vastgelegd voor de onderzoeks- en ontwikkelingslaboratoria (L2, L3 en L4): kweekzalen
negatieve druk, luchtfilters aan de
- en uitgang van de kweekzalen, vernietiging door verbranding of sterilisatie door chemische agentia van de afvalstoffen en van de proefdieren. Over het algemeen moeten de
perkingsvoorwaarden dezelfde zijn als deze die gelden voor het virus dat als vector werd gebruikt.
ieder geval worden de dieren aan het einde van het experiment volgens een passend procédé afgemaakt. C.
perkingsvoorwaarden G1, G2, G3, G4 (G = Greenhouse): - Niveau G1 : - de steriele of gesteriliseerde planten; - de strikt autogame planten; - de planten die niet
staat zijn om
het ecosysteem te overleven; - de planten die
het ecosysteem geen
terfertiele soorten hebben; - de planten die door een virus van risicoklasse 2 zijn geïnfecteerd, door een genetische gemodificeerde virus van risicoklasse 1 of 2, door een virale vector van risicoklasse 1 of 2, of die een viraal genoom van risicoklasse 1 of 2 vertonen; - de planten die drager zijn van een zichzelf niet verspreidend fytopathogeen van risicoklasse 2 of van een zichzelf niet verspreidend GGO van risicoklasse 1 of 2; - Niveau G2 : - de allogame of autogame, anemofiele of entomofiele planten; - de planten waarvan de volledige ontwikkelingscyclus enkel kan plaatsvinden
het ecosysteem en waarvan de zaden een lange overlevingsduur hebben (naargelang het geval en de verworven ervaring); - de planten die door een virus van risicoklasse 3 zijn geïnfecteerd, door een virale virus van risicoklasse 3 of die een viraal genoom van risicoklasse 3 vertonen; - de planten die drager zijn van een zichzelf verspreidend fytopathogeen of van een GGO van risicoklasse 2 of van een fytopahtogeen of van een GGO van risicoklasse 3; - Niveau G3 : - de planten die gelijkaardige eigenschappen hebben als degene die beschreven zijn
niveau 2 en die, hetzij een gevaarlijk vreemd gen hebben gekregen (dat bij voorbeeld voor een toxine codeert), hetzij een virus van risicoklasse 4, hetzij een virale vector van risicoklasse 4, hetzij een viraal genoom van risicoklasse 4; - de planten die onderworpen zijn aan eerste proeven van overdracht van genen, die afkomstig zijn van een voor de mens of het milieu gevaarlijk pathogeen organisme en waarvan de risico's niet bekend zijn; - de planten die drager zijn van een fytopathogeen of van een GGO van risicoklasse 4; - Niveau G4 : - de planten die een virus van risicoklasse 4 hebben gekregen, dat een bijzonder hoog gevaar vertegenwoordigt voor het milieu (of waarvoor een nultolerantie vereist is) of een gen bevat dat verantwoordelijk is voor de synthese van voor de mens of het dier bijzonder gevaarlijke stoffen; - de planten die drager zijn van een fytopathogeen of een GG0 van risicoklasse 4, dat een bijzonder groot gevaar vertegenwoordigt voor het milieu (of waarvoor een nultolerantie vereist is); - de planten die vreemde genen bevatten, afkomstig van een voor de mens, het dier of voor het milieu bijzonder pathogeen organisme en waarvan de risico's niet bekend zijn. 2.
perkingseisen voor de niveaus G1, G2, G3 en G4 : De vereisten voor elk
perkingsniveau zijn opgenomen
tabel 2.». Art. 36.
de bijlage 5.51.6., B.2, gevoegd bij hetzelfde besluit, worden bij het derde streepje de woorden "die
staat zijn zich autoom te verspreiden" vervangen door de woorden "die
staat zijn zich autonoom te verspreiden". Art. 37.
de bijlage 5.51.8, gevoegd bij hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° het woord "viruses" wordt telkens vervangen door het woord "virussen";2° onder "Biologische agentia", sub "Bacteriën en aanverwanten" worden de woorden "Cytophaga spp.» vervangen door de woorden "Cythofaga spp. (pathogene stammen)" en worden de woorden "2 Haemophilus ducreyi" eenmaal geschrapt; 3° onder "Biologische agentia", sub "Virussen" worden :
werking op de dag van de bekendmaking ervan
het Belgisch Staatsblad. Art. 39.De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 24 maart 1998. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Th. KELCHTERMANS Bijlage I « Bijlage 2.8
artikel 2.8.0.3 van titel II van het VLAREM bedoelde categorieën van
dustriële activiteiten 1. Deze bijlage heeft geen betrekking op
stallaties of delen van
stallaties welke voor onderzoek, ontwikkeling en beproeving van nieuwe producten en procédés worden gebruikt.2. De hieronder genoemde drempelwaarden hebben
het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen.Wanneer een exploitant
dezelfde
stallatie of op dezelfde plaats verscheidene activiteiten van dezelfde rubriek verricht, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. 1° Energie-
dustrie 1.1° Stookinstallaties met een hoeveelheid vrijkomende warmte van meer dan 50 MW. 1.2° Aardolie- en gasraffinaderijen. 1.3° Cokesfabrieken. 1.4°
stallaties voor het vergassen en vloeibaar maken van steenkool. 2°Productie en verwerking van metalen 2.1°
stallaties voor het roosten of sinteren van ertsen, met
begrip van zwavelhoudend erts. 2.2°
stallaties voor de productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met
begrip van uitrusting voor continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 ton per uur. 2.3°
stallaties voor verwerking van ferrometalen door :
stallaties :
begrip van legeringen,
clusief terugwinningsproducten (affineren, vormgieten) met een smeltcapaciteit van meer dan 4 ton per dag voor lood en cadmium of 20 ton per dag voor alle andere metalen per dag. 2.6°
stallaties voor oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé, wanneer de
houd van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt. 3° Minerale
dustrie 3.1°
stallaties voor de productie van cementklinkers
draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 ton per dag, of van ongebluste kalk
draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag, of
andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 ton per dag. 3.2°
stallaties voor de winning van asbest en de fabricage van asbestproducten. 3.3°
stallaties voor de fabricage van glas, met
begrip van
stallaties voor de fabricage van glasvezels met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag. 3.4°
stallaties voor het smelten van minerale stoffen, met
begrip van
stallaties voor de fabricage van mineraalvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 ton per dag. 3.5°
stallaties voor het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit per kilo van meer dan 75 ton per dag, en/of een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3. 4° Chemische
dustrie Onder fabricage
de zin van de categorieën van activiteiten van deel 4 wordt verstaan de fabricage van de
4.1° tot en met 4.6° genoemde stoffen of groepen van stoffen op
dustriële schaal door chemische omzetting. 4.1° Chemische
stallatie voor de fabricage en organische-chemische basisproducten zoals :
stallaties voor de fabricage van anorganische-chemische basisproducten, zoals :
stallaties voor de fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen). 4.4° Chemische
stallaties voor de fabricage van basisproducten voor gewasbescherming en van biociden. 4.5°
stallaties voor de fabricage van farmaceutische basisproducten die een chemisch of biologisch procédé gebruiken. 4.6° Chemische
stallaties voor de fabricage van explosieven. 5° Afvalbeheer Onverminderd de overeenkomstig artikel 11 van de EG-richtlijn 75/442/EEG en artikel 3 van EG-richtlijn 91/689/EEG van 12 december 1991 door het Vlaams reglement
zake afvalvoorkoming en -beheer vastgestelde regels
zake aanwending van afvalstoffen als secundaire grondstoffen : 5.1°
stallaties voor de verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen zoals vastgesteld door het Vlaams reglement
zake afvalvoorkoming en -beheer en zoals opgenomen op de
delingslijst gevoegd bij titel I van het VLAREM overeenkomstig de lijst van artikel 1, lid 4, van de EG-richtlijn 91/689/EEG
de zin van de bijlagen II A en IIB (handelingen R1, R5, R6, R8 en R9) van EG-richtlijnen 75/442/EEG en 75/439/EEG van 16 juni 1975
zake de verwijdering van afgewerkte olie met een capaciteit van meer dan 10 ton per dag. 5.2°
stallaties voor de verbranding van stedelijk afval zoals opgenomen op de
delingslijst gevoegd bij titel I van het VLAREM overeenkomstig de EG-richtlijn 89/369/EEG van 8 juni 1989 ter voorkoming van door nieuwe
stallaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging en de EG-richtlijn 89/429/EEG van 21 juni 1989 ter vermindering van door bestaande
stallaties voor de verbranding van stedelijk afval veroorzaakte luchtverontreiniging, met een capaciteit van meer dan 3 ton per uur. 5.3°
stallaties voor de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen zoals opgenomen op de
delingslijst gevoegd bij titel I van het VLAREM overeenkomstig de bijlage II A van EG-richtlijn 75/442/EEG, rubrieken D8, D9, met een capaciteit van meer dan 50 ton per dag. 5.4° Stortplaatsen die meer dan 10 ton per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25 000 ton hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor
erte afvalstoffen. 6° Overige activiteiten 6.1°
dustriële
stallaties voor :
stallaties voor de voorbehandeling (wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag. 6.3°
stallaties voor het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 ton eindproducten per dag. 6.4°
stallaties voor de destructie of verwerking van kadavers en dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 ton per dag. 6.6°
stallaties voor
tensieve pluimvee- of varkenshouderij met meer dan :
stallaties voor de oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten, waarin organische oplosmiddelen worden gebruikt
het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impragneren met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg oplosmiddel per uur, of meer dan 200 ton per jaar. 6.8°
stallaties voor de fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of electrografiet door verbranding of grafitisering. » Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1998 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen
zake milieuhygiëne. De minister president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling Th. KELCHTERMANS Bijlage II « Bijlage 5.51.2 Criteria voor de
deling van genetisch gemodificeerde micro-organismen en organismen
risicoklasse 1 (artikel 5.51.2.1, § 2, a) van titel II van het VLAREM) A. Micro-organismen B. Dieren C. Planten A. Genetisch gemodificeerde micro-organismen Een genetisch gemodificeerd micro-organisme wordt ondergebracht
risicoklasse 1 als aan alle volgende criteria voldaan is :
sert moeten van die aard zijn dat ze het genetisch gemodificeerde micro-organisme niet belasten met een fenotype dat rechtstreeks of onrechtstreeks een ziekte kan verwekken bij de mens, bij dieren of planten of een negatief effect kan hebben op het leefmilieu; iii) het genetisch gemodificeerde micro-organisme mag niet -rechtstreeks of onrechtstreeks- een ziekte verwekken bij de mens, bij dieren of planten of een negatief effect hebben op het leefmilieu. Voor de
terpretatie van deze drie vooropgestelde criteria worden de hiernavolgende richtsnoeren gebruikt : 1° de criteria
acht genomen worden dat vermoedelijk wordt blootgesteld aan dit GGM;
het laboratorium en/of de
dustrie en geen negatieve impact heeft op de gezondheid van de mens, van dier- en plantensoorten; en/of ii) de stam op irreversibele wijze deficiënt is
genetisch materiaal dat de virulentie bepaalt, of stabiele mutaties draagt die de virulentie voldoende verminderen. als het niet essentieel is alle virulentiedeterminanten te verwijderen van een pathogeen, moet speciale aandacht besteed worden aan genen die voor toxines coderen en aan virulentiedeterminanten die gecodeerd worden door plasmiden of fagen.
deze omstandigheden is een geval per geval beoordeling noodzakelijk;
sert mag geen genen bevatten die coderen voor een actief eiwit of transcript (bijvoorbeeld virulentiedeterminanten, toxines, enz.)
een hoeveelheid of
een zodanige vorm dat dit het genetisch gemodificeerd micro-organisme belast met een fenotype dat rechtstreeks of onrechtstreeks een ziekte kan veroorzaken bij de mens, bij dier- of plantensoorten;
ieder geval, als de vector/het
sert sequenties bevat die schadelijke eigenschappen tot expressie kunnen brengen
sommige micro-organismen, maar die anderzijds het micro-organisme niet belasten met een fenotype dat rechtstreeks of onrechtstreeks een ziekte kan veroorzaken bij de mens, bij dier- of plantensoorten of negatieve effecten kan hebben op het leefmilieu, mag de vector/het
sert niet zelf-overdraagbaar zijn en moet deze/dit moeilijk te mobiliseren zijn; b) bij activiteiten van type B moeten de volgende punten
acht genomen worden : - vectoren mogen niet zelf-overdraagbaar zijn, noch bestaan uit functionele overdraagbare sequenties;zij moeten weinig mobiliseerbaar zijn; - om te beslissen of een vector/
sert het genetisch gemodificeerd micro-organisme belast met een fenotype dat een ziekte kan veroorzaken bij de mens, bij dier- of plantensoorten of negatieve effecten kan hebben op het leefmilieu, is het belangrijk om ervoor te zorgen dat de vector of het
sert goed gekarakteriseerd is of dat de grootte ervan zoveel mogelijk beperkt blijft tot de genetische sequenties die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van de nagestreefde functie; 4° met betrekking tot criterium (iii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren nageleefd : a) om te beslissen of het genetisch gemodificeerd micro-organisme een ziekte kan veroorzaken bij dier- of plantensoorten of negatieve effecten kan hebben op het leefmilieu, moet het leefmilieu
acht genomen worden dat vermoedelijk blootgesteld kan worden aan het GGM;b) bij activiteiten van type B moeten, naast criterium (iii), ook de volgende punten
acht genomen worden : - het genetisch gemodificeerde micro-organisme mag geen resistentiemerkers overdragen op micro-organismen of organismen,
dien dergelijke overdracht de ziektebehandeling zou benadelen; - het genetisch gemodificeerde micro-organisme moet
de
dustriële opzetting even veilig zijn als het gastheer- of oudermicro-organisme of organisme, of eigenschappen bezitten die zijn overleving en genenoverdracht beperken; - het genetisch gemodificeerde micro-organisme mag niet sporulerend zijn of zijn sporulatiemechanisme moet zodanig gewijzigd zijn dat zijn sporulatiecapaciteit maximaal beperkt is of zijn sporulatiefrequentie tot een minimum beperkt is; c) andere GGM's die ondergebracht kunnen worden
risicoklasse 1, op voorwaarde dat zij geen negatieve effecten hebben op het leefmilieu en voldoen aan de vereisten van punt (i), zijn diegenen die opgebouwd zijn uitgaande van één enkel prokaryoot gastheerorganisme (met
begrip van zijn eigen plasmiden, springende genen en virussen), of uitgaande van één enkel eukaryoot gastheerorganisme (met
begrip van zijn chloroplasten, mitochondria, plasmiden, maar met uitsluiting van virussen), of volledig bestaan uit genensequenties afkomstig van verschillende soorten die deze sequenties uitwisselen via bekende fysiologische processen; vooraleer te beslissen of deze GGM's ondergebracht kunnen worden
risicoklasse 1, moet nagegaan worden of ze vrijgesteld kunnen worden van het huidig besluit op grond van de bepalingen van afdeling 5.51.3. en bijlage 5.51.1.B punt 4), rekening houdend met het feit dat zelfkloning beantwoordt aan het verwijderen van een nucleïnezuur uit een cel of organisme, gevolgd door herinbrengen van hetzelfde nucleïnezuur of een gedeelte ervan- met of zonder enzymatische, scheikundige of mechanische stap-
dezelfde cel (of cellijn) of
cellen van fylogenetisch nauwverwante soorten die op natuurlijke wijze genetisch materiaal uitwisselen met de donorsoorten. B. Transgene dieren Een genetisch gemodificeerd of transgeen dier wordt ondergebracht
risicoklasse 1 als aan alle volgende criteria voldaan is :
sert moeten van die aard zijn dat ze het transgeen dier : - niet belasten met een fenotype dat rechtstreeks of onrechtstreeks ziekte kan verwekken bij de mens, bij dieren of planten, en/of - niet belasten met een fenotype dat schadelijk is voor de mens, voor dieren of planten, en/of - niet belasten met een fenotype dat nadelig is voor het leefmilieu, en/of - geen selectieve voordelen geven t.o.v. het ouder- of gastheerdier als dit
staat is zich te verspreiden en/of te vestigen
het leefmilieu; iii) het genetisch materiaal dat
het dier
gebracht wordt moet geïntegreerd zijn
het genoom; iv) het transgeen dier : - mag niet rechtstreeks of onrechtstreeks ziekte verwekken bij mens, dier of plant - mag niet schadelijk zijn voor mens, dier of plant, en/of - mag niet nadelig zijn voor het leefmilieu, en/of - mag geen selectieve voordelen hebben t.o.v. het ouder- of gastheerdier als dit
staat is zich te verspreiden en/of te vestigen
het leefmilieu. Voor de
terpretatie van deze vier vooropgestelde criteria worden de hiernavolgende richtsnoeren gebruikt : 1° de criteria
het laboratorium en/of de
dustrie en/of landbouw en geen negatieve impact heeft op de gezondheid van de mens, van dieren en planten, geen schadelijk effect heeft op de mens, op dieren of planten en geen nadelige effecten heeft op het leefmilieu; en/of ii) dat het dier op onomkeerbare wijze deficiënt is
genetisch materiaal dat zijn pathogeen, schadelijk of nadelig karakter bepaalt of stabiele mutaties draagt die dit kenmerk voldoende reduceren; 3° met betrekking tot criterium (ii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren nageleefd : de vector/het
sert mag geen genen bevatten die coderen voor een actief eiwit of transcript (bijvoorbeeld toxines, enz....)
een hoeveelheid of
een zodanige vorm dat dit het transgene dier belast met een fenotype dat rechtstreeks of onrechtstreeks een ziekte kan veroorzaken bij de mens, bij dieren of planten, of met een fenotype dat schadelijk is voor de mens, dier- of plantensoorten, of met een fenotype dat nadelige effecten heeft op het leefmilieu;
ieder geval,
dien de vector/het
sert sequenties bevat die pathogene, schadelijke of nadelige eigenschappen tot expressie kunnen brengen
sommige organismen, maar die anderzijds het transgene dier niet belasten met een fenotype dat een ziekte kan veroorzaken of schadelijk is voor de mens, voor dier- of plantensoorten of nadelige effecten kan hebben op het leefmilieu, mag het transgeen dier niet
staat zijn zich te verspreiden en/of te vestigen
het leefmilieu; transgene dieren mogen niet ondergebracht worden
risicoklasse 1 als de gebruikte vector behoort tot een hogere risicoklasse, tenzij aangetoond is dat ze geen vector meer bevatten; 4° met betrekking tot criterium (iii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren nageleefd : a) de subcellulaire lokalisatie van het
gebrachte genetisch materiaal moet bekend zijn; b) voor activiteiten van type B moet het
gebrachte genetisch materiaal goed gekarakteriseerd zijn (aantal geïntegreerde kopieën, grootte en structuur van het
sert,...); elk van deze nieuw
gebrachte functionele genetische elementen zou op stabiele wijze geïntegreerd moeten worden
het genoom van het dier; 5° met betrekking tot criterium (
acht genomen worden : het transgene dier moet
de
richting even veilig zijn als het gastheer- of ouderdier, of eigenschappen bezitten die zijn overleving en verspreiding
het leefmilieu beperken;b) andere transgene dieren die ondergebracht kunnen worden
risicoklasse 1, op voorwaarde dat zij geen ongewenste effecten hebben op het leefmilieu en voldoen aan de vereisten van punt (i), zijn diegene die opgebouwd zijn uitgaande van één enkel eukaryoot gastheerorganisme (met
begrip van zijn mitochondria, plasmiden, maar met uitsluiting van virussen), of volledig bestaan uit genensequenties afkomstig van verschillende soorten die deze sequenties uitwisselen via bekende fysiologische processen; vooraleer te beslissen of deze transgene dieren ondergebracht kunnen worden
risicoklasse 1, moet nagegaan worden of ze kunnen worden vrijgesteld van het huidig besluit op grond van de bepalingen van Afdeling 5.51.3. en bijlage 5.51.1.B punt 4), rekening houdend met het feit dat zelfkloning beantwoordt aan het verwijderen van een nucleïnezuur uit een organisme, gevolgd door herinbrengen van hetzelfde nucleïnezuur of een gedeelte ervan- met of zonder enzymatische, scheikundige of mechanische stap-
dezelfde diersoort of
terfertiele diersoorten. C. Transgene planten Een genetisch gemodificeerde of transgene plant wordt ondergebracht
risicoklasse 1 als aan alle volgende criteria voldaan is :
sert moeten van die aard zijn dat ze de transgene plant : - niet belasten met een fenotype dat schadelijk is voor de mens, voor dieren of planten, en/of - niet belasten met een fenotype dat nadelig is voor het leefmilieu, en/of - geen selectieve voordelen geven t.o.v. de ouder- of gastheerplant
dien deze
staat is zich te verspreiden en/of te vestigen
het leefmilieu; iii) het genetisch materiaal dat
de plant
gebracht wordt moet geïntegreerd zijn
het genoom (op niveau van de nucleus, chloroplasten, mitochondriën); iv) de transgene plant mag : - niet schadelijk zijn voor de mens, voor dieren of planten, en/of - niet nadelig zijn voor het leefmilieu, en/of - geen selectieve voordelen hebben t.o.v. de ouder- of gastheerplant
dien deze
staat is zich te verspreiden en/of te vestigen
het leefmilieu. Voor de
terpretatie van deze vier vooropgestelde criteria worden de hiernavolgende richtsnoeren gebruikt : 1° met betrekking tot de criteria i), ii) en iv) verwijst de term "leefmilieu" naar het leefmilieu dat
het kader van de geplande activiteiten vermoedelijk blootgesteld kan worden aan de transgene plant of aan zijn voortplantingsorganen;2° met betrekking tot criterium (
het laboratorium en/of de
dustrie en/of landbouw en geen schadelijk effect heeft op de mens, op dieren of planten of geen nadelige effecten heeft op het leefmilieu; en/of ii) dat de plant op onomkeerbare wijze deficiënt is
genetisch materiaal dat zijn schadelijk of nadelig karakter bepaalt of stabiele mutaties draagt die dit kenmerk voldoende reduceren; 3° met betrekking tot criterium (ii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren nageleefd : de vector/ het
sert mag geen genen bevatten die coderen voor een actief eiwit of transcript (bijvoorbeeld toxines, enz.)
een hoeveelheid of
een zodanige vorm dat dit de transgene plant belast met een fenotype dat schadelijk is voor de mens, dier- of plantensoorten, of met een fenotype dat nadelige effecten heeft op het leefmilieu.
ieder geval,
dien de vector/het
sert sequenties bevat die betrokken zijn bij de expressie van schadelijke of nadelige eigenschappen
sommige organismen, maar die anderzijds de transgene plant niet belasten met een fenotype dat schadelijk is voor de mens, voor dier- of plantensoorten of nadelige effecten kan hebben op het leefmilieu, mag de transgene plant niet
staat zijn zich te verspreiden en/of te vestigen
het leefmilieu. 4° Met betrekking tot criterium (iii) worden de hieronder opgesomde richtsnoeren nageleefd: a) de subcellulaire lokalisatie van het
gebrachte genetisch materiaal moet bekend zijn (op niveau van de nucleus, chloroplasten, mitochondriën); b) voor activiteiten van type B moet het
gebrachte genetisch materiaal goed gekarakteriseerd zijn (aantal geïntegreerde kopieën, grootte en structuur van het
sert,...); elk van deze nieuw
gebrachte functionele genetische elementen zou op stabiele wijze geïntegreerd moeten worden
het genoom van de plant (op niveau van de nucleus, chloroplasten, mitochondriën). 5° Met betrekking tot criterium (
acht genomen worden : - de transgene plant moet
de
richting even veilig zijn als de gastheer- of ouderplant, of eigenschappen bezitten die zijn overleving en verspreiding
het leefmilieu beperken.b) andere transgene planten die ondergebracht kunnen worden
risicoklasse 1, op voorwaarde dat zij geen ongewenste effecten hebben op het leefmilieu en voldoen aan de vereisten van punt (i), zijn diegene die opgebouwd zijn uitgaande van één enkel eukaryoot gastheerorganisme (met
begrip van zijn chloroplasten, mitochondria, plasmiden, maar met uitzondering van virussen), of volledig bestaan uit gensequenties afkomstig van verschillende soorten die deze sequenties uitwisselen via gekende fysiologische processen. Vooraleer te beslissen of deze transgene planten ondergebracht kunnen worden
risicoklasse 1, moet nagegaan worden of ze kunnen vrijgesteld worden van het huidige besluit op grond van de bepalingen van Afdeling 5.51.3. en bijlage 5.51.1.B punt 4), rekening houdend met het feit dat zelfkloning beantwoordt aan het verwijderen van een nucleïnezuur uit een organisme, gevolgd door herinbrengen van hetzelfde nucleïnezuur of een gedeelte ervan- met of zonder enzymatische, scheikundige of mechanische stap-
dezelfde plantencellijn of
plantencellijnen van
terfertiele soorten. » Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse regering van 24 maart 1998 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen
zake milieuhygiëne, De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling, Th. KELCHTERMANS
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.