, 2°, is het voor de bijzondere doelgroepen, zoals bedoeld in artikel 2, 6°, van hetzelfde decreet voldoende dat elk programma-onderdeel door zes personen wordt gevolgd. In dat geval moet de inrichtende vereniging aantonen dat ze ook ernstige inspanningen levert voor de individuele begeleiding van de deelnemers.
, 3°, mogen er voor de bijzondere doelgroepen maximaal twaalf deelnemers zijn per cursusbegeleider. De sessies, bedoeld in § 1, 4°, die langer duren dan drie uur dienen onderbroken te worden door een rustpauze van ten minste vijftien minuten. De vormingsuren, bedoeld in § 1, 5°, georganiseerd vóór 8 uur en na 23 uur tellen niet mee. Art. 2.§ 1. Verblijven met overnachtingen zoals bedoeld in artikel 7 en 8 van hetzelfde decreet voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ze worden georganiseerd in accommodaties die hygiënisch en veilig zijn;2° ze worden georganiseerd vanuit een aanpak die pedagogisch verantwoord is.Dat moet blijken uit voorbereiding, programma en evaluatie; 3° minstens een vierde van de minimaal vereiste overnachtingen worden in België georganiseerd;4° er zijn telkens minstens twaalf deelnemers en twee jeugdwerkbegeleiders vereist, van wie één minstens 18 jaar oud is;5° de organiserende vereniging moet per aanvullende schijf van vijftien deelnemers steeds één jeugdwerkbegeleider voorzien;6° elke jeugdwerkbegeleider is minstens 16 jaar oud. § 2.
, 4°, zijn er voor de bijzondere doelgroepen slechts negen deelnemers vereist.
, 5°, is er voor de bijzondere doelgroepen één jeugdwerkbegeleider per twaalf deelnemers vereist. Art. 3.§ 1. Activiteiten zoals bedoeld in artikel 7 en 8 van hetzelfde decreet voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° ze komen overeen met de doelstellingen van de landelijke jeugdvereniging en kunnen ontspannend, informatief of kunstzinnig zijn;2° ze worden evenwichtig over het werkjaar gespreid;3° ze duren ten minste twee uur;4° tijdens elke activiteit zijn minstens twaalf deelnemers vereist;5° per 25 deelnemers is één jeugdwerkbegeleider vereist;6° elke jeugdwerkbegeleider is minstens 16 jaar oud;7° per dag en per activiteit worden maximaal tien uur meegeteld voor dezelfde deelnemers;8° het aanbod is gedifferentieerd en wordt gekenmerkt door een pedagogische aanpak wat moet blijken uit voorbereiding, programma en opvolging. § 2.
, 4°, volstaan voor bijzondere doelgroepen acht deelnemers per activiteit.
, 5°, is er voor de bijzondere doelgroepen één jeugdwerkbegeleider per vijftien deelnemers vereist. De activiteiten bedoeld in § 1, 7°, georganiseerd vóór 8 uur en na 23 uur tellen niet mee. Het programma bedoeld in § 1, 8°, is telkens aangepast aan de doelgroep en de doelstellingen. Art. 4.§
, 4°, volstaan voor bijzondere doelgroepen acht deelnemers per begeleidingsactiviteit of actie.
, 5°, is voor de bijzondere doelgroepen één jeugdwerkbegeleider per vijftien deelnemers vereist. Art. 5.§ 1. Het begeleiden van producten zoals bedoeld in artikel 9.2°, 11.2° en 12.3° van hetzelfde decreet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° voor elke productbegeleiding zijn minstens acht deelnemers vereist; 2° met betrekking tot artikel 11.2° en 12.3° van hetzelfde decreet moet de organiserende vereniging jaarlijks voor minstens drie landelijke jeugdverenigingen een productbegeleiding realiseren; 3° per 25 deelnemers is één jeugdwerkbegeleider vereist;4° elke jeugdwerkbegeleider is minstens 16 jaar oud;5° elke productbegeleiding duurt minstens twee uur;6° per dag worden maximaal tien uur productbegeleiding meegeteld voor dezelfde deelnemers. § 2.
, 3°, is voor de bijzondere doelgroepen één jeugdwerkbegeleider per vijftien deelnemers vereist. De productbegeleiding bedoeld in § 1, 6°, georganiseerd vóór 8 uur en na 23 uur telt niet mee. Art. 6.Een gespecialiseerd documentatiecentrum zoals bedoeld in artikel 11.3° van hetzelfde decreet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° het registratiesysteem moet aantonen dat ten minste 350 verschillende personen gebruik hebben gemaakt van de diensten van het centrum;2° de dienstverlening van het documentatiecentrum wordt verzorgd door personen met een opleiding of vorming die aan hun taak is aangepast;3° het aanbod is afgestemd op de doelstelling van de vereniging en wordt permanent aangepast aan de behoeften van de doelgroep;4° er wordt een catalogus ter beschikking gesteld en het aanbod wordt gepromoot bij de beoogde doelgroep. Art. 7.Een gespecialiseerde databank zoals bedoeld in art. 12.5° van hetzelfde decreet voldoet aan volgende voorwaarden : 1° gedurende vier uur per week is er iemand beschikbaar om in de vrije tijd informatie te geven aan de beoogde doelgroep over het gebruik van de databank;2° de databank wordt bij de jeugd en het jeugdwerk gepromoot. Art. 8.Pedagogische beroepskrachten dienen jaarlijks 16 uur bijscholing te volgen. Art. 9.§ 1. Kadervorming zoals bedoeld in artikel 2, 7° van hetzelfde decreet voldoet aan de volgende voorwaarden : 1° ze wordt gekenmerkt door continuïteit in methodische opbouw en groepsbegeleiding evenals persoonlijkheidsontplooiing en maatschappelijke integratie en participatie;2° er nemen ten minste acht dezelfde personen uit de doelgroep aan deel;3° er mogen maximaal 20 deelnemers zijn per cursusbegeleider;4° ze duurt ten minste vier uur en kan worden ingedeeld in sessies van minimaal twee uur;5° per dag worden maximaal tien kadervormingsuren meegeteld per programma. § 2. De cursusbegeleider, bedoeld in § 1, 3°, heeft een opleiding gevolgd of vorming genoten die aan zijn opdracht is aangepast. De sessies bedoeld in § 1, 4°, die langer duren dan drie uur worden onderbroken door een rustpauze van ten minste vijftien minuten. De kadervormingsuren, bedoeld in § 1, 5°, georganiseerd vóór 8 uur en na 23 uur tellen niet mee. § 3. Kadervormingsactiviteiten worden ingericht voor een regio die meerdere gemeenten bevat, de steden Antwerpen en Gent uitgezonderd. De afdeling Jeugdwerk ontvangt 14 dagen voor aanvang van een initiatief het programma samen met de aankondiging die werd verspreid. Op de plaats van het initiatief ligt een presentielijst ter inzage met per deelnemer de naam, geboortedatum, woonplaats, reeds behaald attest, naam van de vereniging waarin de deelnemer zich engageert en handtekening. Deze presentielijst moet uiterlijk één maand na de beëindiging van de kadervormingsactiviteit aan de afdeling Jeugdwerk worden bezorgd. Op het landelijk secretariaat ligt permanent een globaal overzicht van de genomen kadervormingsinitiatieven ter inzage. HOOFDSTUK II. - Erkenningsprocedure en de modaliteiten inzake inspectie en begeleiding door de bevoegde dienst van de Vlaamse regering. Art. 10.§ 1. De erkenningsprocedure verloopt als bepaald in dit artikel : Een aanvraag voor een erkenning als landelijke jeugdvereniging wordt ingediend vóór 1 september bij de afdeling Jeugdwerk van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, volgens de leidraad die de afdeling Jeugdwerk ter beschikking stelt. Als vastgesteld wordt dat een aanvraag onvolledig is en nog vervolledigd kan worden, vraagt de afdeling Jeugdwerk de aanvullende gegevens op vóór 1 oktober. De afdeling Jeugdwerk brengt vóór 1 november alle landelijke jeugdverenigingen die een aanvraag tot erkenning hebben ingediend ervan op de hoogte of hun aanvraag al dan niet ontvankelijk is. De afdeling Jeugdwerk brengt vóór 15 november de Jeugdraad voor de Vlaamse Gemeenschap op de hoogte van de al dan niet ontvankelijke aanvragen. § 2. De afdeling Jeugdwerk begeleidt en inspecteert alle landelijke jeugdverenigingen die een aanvraag tot erkenning hebben ingediend door informatie en documentatie te verstrekken en door hun activiteiten te controleren. Er heeft ten minste één algemene inspectie plaats op de zetel van de vereniging. Vóór 1 februari brengt de afdeling Jeugdwerk bij de bevoegde Vlaamse minister advies uit over de landelijke jeugdverenigingen die erkend kunnen worden. § 3. Vóór 15 februari deelt de bevoegde minister aan de aanvragende verenigingen zijn voornemen mee om ze in aanmerking te nemen voor erkenning of niet. De aanvragende verenigingen kunnen hiertegen een gemotiveerd beroep aantekenen bij de bevoegde minister vóór 1 maart. Als een beroepsschrift onontvankelijk is, meldt de afdeling Jeugdwerk dat vóór 15 maart aan de betrokken jeugdvereniging. Uiterlijk 6 maanden na de ontvangst van het ontvankelijk en gemotiveerd beroepsschrift deelt de bevoegde minister aan de betrokken landelijke jeugdverenigingen zijn beslissing inzake het al dan niet erkennen mee. Vóór 1 oktober deelt de afdeling Jeugdwerk aan de Jeugdraad voor de Vlaamse Gemeenschap de beslissing van de minister inzake het erkennen of niet erkennen van de aanvragende landelijke jeugdverenigingen mee. Art. 11.Een landelijke jeugdvereniging kan gesubsidieerd worden vanaf het kalenderjaar dat volgt op het jaar van de erkenning. Art. 12.De procedure tot intrekking of schorsing van de erkenning verloopt als volgt : Een erkende landelijke jeugdvereniging die het bericht krijgt van het voornemen van de bevoegde minister om haar erkenning te schorsen of in te trekken kan daartegen een gemotiveerd beroep aantekenen bij de bevoegde minister binnen de 30 dagen na verzending van dit bericht. De afdeling Jeugdwerk informeert de Jeugdraad voor de Vlaamse Gemeenschap over het voornemen van de minister met betrekking tot het schorsen of intrekken van de erkenning, binnen de 15 dagen nadat het voornemen werd bericht aan de betrokken erkende landelijke jeugdvereniging. Als het gemotiveerd beroepsschrift onontvankelijk is, brengt de afdeling Jeugdwerk de betrokken vereniging binnen de 15 dagen na ontvangst van het beroepsschrift hiervan op de hoogte. Uiterlijk 6 maanden na ontvangst van het gemotiveerd beroepsschrift, brengt de afdeling Jeugdwerk de betrokken vereniging op de hoogte van de beslissing van de minister met betrekking tot de schorsing of intrekking van de erkenning. De afdeling Jeugdwerk informeert de Jeugdraad voor de Vlaamse Gemeenschap over de beslissing van de minister met betrekking tot het schorsen of intrekken van de erkenning, binnen de 15 dagen nadat de beslissing werd bericht aan de betrokken landelijke jeugdvereniging. HOOFDSTUK III. - Subsidiëringswijze Art. 13.Vóór 1 november dient elke erkende landelijke jeugdvereniging bij de afdeling Jeugdwerk een gemotiveerde begroting in voor het volgend werkjaar op formulieren die de afdeling Jeugdwerk ter beschikking stelt. Tweejaarlijks voegt de vereniging daar eveneens een beleidsnota aan toe. Vóór 1 februari deelt de afdeling Jeugdwerk aan de landelijke jeugdverenigingen mee in hoeverre hun begroting is aanvaard wat betreft de maximaal subsidieerbare werkingsuitgaven. Art. 14.Als de landelijke jeugdvereniging niet akkoord gaat met de beslissing kan ze vóór 15 februari een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de minister, bevoegd voor de cultuur. De afdeling Jeugdwerk behandelt dit bezwaar binnen 60 dagen na ontvangst. Art. 15.Vóór 1 maart dient elke erkende landelijke jeugdvereniging een financieel verslag, een balans, een revisor- of accountantsverslag en een werkingsverslag over het voorbije werkjaar in bij de afdeling Jeugdwerk. Daarenboven formuleert ze een gemotiveerd voorstel voor een eventuele personeelsuitbreiding of bijzonder project voor het volgend werkjaar. De afdeling Jeugdwerk zal haar beslissing hierover vóór 30 september aan de verenigingen meedelen. Het financieel verslag wordt ingediend op formulieren die de afdeling Jeugdwerk ter beschikking stelt. Het werkingsverslag wordt opgesteld overeenkomstig de leidraad die de afdeling Jeugdwerk ter beschikking stelt. Vóór 15 mei wordt aan de verenigingen meegedeeld welke subsidiebedragen werden toegekend op basis van de financiële verslagen van het vorige werkjaar. Art. 16.De formulieren bedoeld in artikel 13 en 15 bevatten alle inkomsten en uitgaven in dezelfde volgorde. Voor alle subsidiabele kosten legt de vereniging een afzonderlijke kostenrekening aan. Art. 17.§ 1. Van de posten opgesomd in artikel 25 van hetzelfde decreet worden de volgende uitgaven gesubsidieerd : 1° kosten voor de aanmaak van tijdschriften en publicaties;2° kosten voor drukwerken : omzendbrieven, brochures, rapporten, nota's, briefomslagen en papier;3° kosten van het landelijk secretariaat :
artikel 13 van dit besluit deelt de afdeling Jeugdwerk in 1998 vóór 1 oktober aan de landelijke jeugdverenigingen mee in hoeverre hun begroting is aanvaard wat betreft de maximaal subsidieerbare werkingsuitgaven. § 2.
artikel 14 van dit besluit kan een landelijke jeugdvereniging die niet akkoord gaat met de beslissing in 1998 vóór 15 oktober een gemotiveerd bezwaar indienen bij de minister bevoegd voor de cultuur. § 3.
artikel 15 van dit besluit formuleert elke erkende landelijke jeugdvereniging in 1998 vóór 15 juli een gemotiveerd voorstel voor een eventuele personeelsuitbreiding of een bijzonder project voor
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.