artikel 2, vervult ten aanzien van haar cliënten;4° de cliënt : de minderjarige bij wie een hoog risico op een ontwikkelingsstoornis blijkt, of bij wie dergelijke stoornis wordt vermoed of vastgesteld en bij wie een multidisciplinair onderzoek wordt opgestart, alsmede zijn/haar ouders of de wettelijke vertegenwoordigers;5° het kind : de minderjarige of verlengd minderjarig verklaarde persoon;6° het multidisciplinair onderzoek : de gecombineerde onderzoeken en conclusies op medisch, paramedisch, psychologisch, pedagogisch en/of sociaal vlak met betrekking tot één persoon, samengevoegd tot een geïntegreerd multidisciplinair verslag;7° de bezetting : het aantal opgestarte multidisciplinaire onderzoeken op jaarbasis;8° het kwaliteitsdecreet : het decreet van 29 april 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 29/04/1997 pub. 11/06/1997 numac 1997035637 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen sluiten inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen;9° de beroepscommissie : de door de Vlaamse minister ingestelde adviserende commissie met betrekking tot bezwaarschriften tegen het voornemen tot weigering of intrekking van een erkenning. HOOFDSTUK II. - De centra voor ontwikkelingsstoornissen : opdracht, doelstellingen en doelgroep Art. 2.§ 1. Het centrum heeft als opdracht multidisciplinair onderzoek uit te voeren bij in hoofdzaak minderjarigen die behoren tot de doelgroepen, genoemd in artikel 3. § 2. Bij het uitvoeren van die opdracht houdt het centrum rekening met de volgende vier belangrijke doelstellingen : 1° detectie;2° diagnosestelling;3° oriëntering;4° toegepast wetenschappelijk onderzoek. § 3. Onder detectie wordt verstaan : kinderen met ontwikkelingsstoornissen zo vroegtijdig mogelijk opsporen. § 4. Onder diagnosestelling wordt verstaan : 1° al dan niet bevestigen van het vermoeden van een ontwikkelingsstoornis;2° de graad en de ernst van de handicap vaststellen;3° bijkomende problemen opsporen en karakteriseren;4° de oorzaak van de stoornis opsporen;5° residuele mogelijkheden van het kind evalueren;6° aanvullend diagnostisch onderzoek coördineren. § 5. Onder oriëntering wordt verstaan : 1° de behoefte aan therapie en/of specifieke pedagogische aanpak beoordelen;2° over het gebruik van hulpmiddelen adviseren;3° naar geschikte voorzieningen voor behandeling, onderwijs en/of begeleiding oriënteren. § 6. Onder toegepast wetenschappelijk onderzoek wordt verstaan : de aangemelde hulpvragen, met het oog op verdere studie over specifieke ontwikkelingsproblemen bij kinderen en het opsporen van leemtes binnen de hulpverlening aan die kinderen, systematisch registreren en opvolgen. Art. 3.Het centrum richt zich tot de volgende doelgroepen : 1° kinderen bij wie een ontwikkelingsstoornis of -achterstand werd vastgesteld en bij wie een grondig multidisciplinair onderzoek aangewezen is om reden van :
afdeling 1. Art. 7.Om ontvankelijk te zijn dient de organisatie de aanvraag voor erkenning met een aangetekende brief in te dienen bij de administratie tussen 1 januari en 1 april. De aanvraag voor erkenning dient de volgende gegevens en stukken te bevatten : 1° een schriftelijke bewijsvoering waaruit blijkt dat aan de erkenningsvoorwaarden,
artikel 4 is voldaan, of een planning in dat verband;2° een verslag van de activiteiten van het centrum tijdens het jaar dat aan de aanvraag voorafgaat;3° een behoeftestudie en verantwoordingsnota;4° een afsprakennota met de andere erkende centra over het territoriale werkgebied van de diverse centra;5° een kwaliteitshandboek waarin het kwaliteitsbeleid is vastgelegd en waarin het kwaliteitssysteem wordt beschreven. Art. 8.Als de aanvraag niet ontvankelijk is, stuurt de administratie de aanvraag vóór 1 mei aan de aanvragende organisatie terug met de vermelding van de reden. In het andere geval wordt vóór 1 augustus het met redenen omklede voornemen van de Vlaamse minister om de erkenning te verlenen of te weigeren, aan de aanvragende organisatie betekend. De betekening gebeurt door de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift in te dienen als
artikel
artikel 9, derde lid. In dat laatste geval dient de Vlaamse minister de organisatie vooraf te horen, als die daarom heeft verzocht in haar bezwaarschrift. De met redenen omklede beslissing van de Vlaamse minister wordt uiterlijk tegen 20 december door de administratie aan de organisatie betekend bij aangetekende brief. § 2. Als de organisatie geen bezwaarschrift heeft ingediend overeenkomstig artikel 9, eerste lid, of in het geval,
artikel 8, derde lid, wordt de definitieve beslissing van de Vlaamse minister over het verlenen of het weigeren van de erkenning uiterlijk tegen 1 oktober door de administratie aan de organisatie betekend bij aangetekende brief. § 3. Als de definitieve beslissing van de Vlaamse minister niet aan de organisatie wordt betekend binnen de termijn,
, tweede lid, en § 2, wordt de erkenning geacht te zijn verleend vanaf 1 januari van het daaropvolgende jaar. Art. 11.Als de Vlaamse minister de erkenning heeft geweigerd, kan de organisatie geen nieuwe gelijksoortige aanvraag indienen, tenzij ze aantoont dat de reden voor de weigering niet langer geldt. HOOFDSTUK IV. - De subsidiëring Art. 12.Binnen het begrotingskrediet en overeenkomstig de bepalingen van dit besluit kan de Vlaamse minister subsidies toekennen aan de centra voor ontwikkelingsstoornissen. Art. 13.Die subsidies worden toegekend op voorwaarde dat het centrum : 1° aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet;2° jaarlijks vóór 31 maart aan de administratie een jaarverslag bezorgt, dat minstens een gedetailleerd overzicht van de inhoudelijke werking geeft, onder meer betreffende de bezetting, de bereikte populatie, het aantal mono- en multidisciplinaire onderzoeken, de samenwerkingsverbanden en aandachtspunten voor de toekomst;3° een boekhouding voert overeenkomstig een rekeningenstelsel, bepaald door de Vlaamse minister, en die boekhouding, geviseerd door een bedrijfsrevisor, vóór 31 maart aan de administratie bezorgt;4° minimaal 85 % van de som van de subsidie krachtens dit besluit en de bijdrage van de cliënt zoals bepaald in artikel 4, 6° van dit besluit besteedt aan personeelskosten. Art. 14.§ 1. De subsidie bestaat in een enveloppe, waarvan het bedrag als volgt wordt vastgesteld : 1° Centrum voor ontwikkelingsstoornissen Leuven : 16 980 000 frank;2° Centrum voor ontwikkelingsstoornissen Gent : 11 920 000 frank;3° Centrum voor ontwikkelingsstoornissen Antwerpen : 9 900 000 frank. § 2. Om recht te hebben op de volledige subsidie, genoemd in § 1, moeten de centra jaarlijks respectievelijk minstens 1140 (voor Leuven), 720 (voor Gent) en 540 (voor Antwerpen) multidisciplinaire onderzoeken opstarten. § 3. Als een centrum niet voldoet aan het minimum aantal multidisciplinaire onderzoeken,
, zal de subsidie, genoemd in § 1, verminderd worden met 15 000 frank per multidisciplinair onderzoek dat niet werd opgestart. Art. 15.Als de som van alle inkomsten meer bedraagt dan de reële uitgaven voor de uitvoering van zijn opdrachten van dat kalenderjaar, bouwt het centrum reserves op. Maximaal 20 % van het subsidiebedrag conform artikel 14, § 1 en 17 kan opgenomen worden in deze reserve. De opgebouwde reserve mag na vijf jaar in totaal niet meer bedragen dan de jaarlijkse subsidie toegekend, conform artikel 14, § 1 en
het eerste lid, als ze daarom verzoeken, de stukken die met de erkenningsaanvraag of de erkenning verband houden. Art. 20.Als een centrum niet langer voldoet aan één of meer erkenningsvoorwaarden of als het niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan de administratie het centrum bij aangetekende brief aanmanen om zich binnen een termijn van maximaal zes maanden aan de erkenningsvoorwaarden of binnen een termijn van maximaal één maand aan de regels betreffende het toezicht te conformeren. Art. 21.Als het centrum ondanks de aanmaning, na het einde van de termijnen, genoemd in artikel 20, de erkenningsvoorwaarden niet naleeft of niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan de Vlaamse minister zijn gemotiveerde voornemen tot intrekking van de erkenning aan het centrum betekenen. De administratie bezorgt de betekening aan het centrum bij aangetekende brief, waarin de mogelijkheid en de voorwaarden worden vermeld om een bezwaarschrift als
artikel 22, in te dienen. Art. 22.Op straffe van niet-ontvankelijkheid kan het centrum tot uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het voornemen tot intrekking van de erkenning, tegen dat voornemen bij aangetekende brief een gemotiveerd bezwaarschrift indienen bij de Vlaamse minister. Het centrum kan daarin uitdrukkelijk vragen om te worden gehoord. De Vlaamse minister bezorgt het bezwaarschrift binnen 15 dagen na ontvangst aan de beroepscommissie, samen met het volledige administratieve dossier. De beroepscommissie verstrekt haar gemotiveerde advies uiterlijk 60 dagen na ontvangst van de stukken,
het tweede lid, aan de Vlaamse minister. In uitzonderlijke omstandigheden kan ze bij gemotiveerde beslissing die termijn met maximaal 30 dagen verlengen. Ze hoort het centrum, als het daarom in het bezwaarschrift heeft verzocht. Art. 23.§ 1. Als het centrum overeenkomstig artikel 22, eerste lid, een bezwaarschrift heeft ingediend, kan de Vlaamse minister alleen een definitieve beslissing over het intrekken van de erkenning nemen, na ontvangst van het advies van de beroepscommissie of, als er geen advies werd verstrekt, na het verstrijken van de termijnen,
artikel 22, derde lid. In dat laatste geval dient hij het centrum vooraf te horen, als het daarom in het bezwaarschrift heeft verzocht. De administratie betekent zijn met redenen omklede beslissing uiterlijk 30 dagen na ontvangst van het advies van de beroepscommissie, of na het verstrijken van de termijnen,
artikel 22, derde lid, aan het centrum bij aangetekende brief. § 2. Als het centrum geen bezwaarschrift heeft ingediend overeenkomstig artikel 22, eerste lid, wordt de definitieve beslissing van de Vlaamse minister over het intrekken van de erkenning uiterlijk binnen 60 dagen na het verstrijken van de termijn,
artikel 22, eerste lid, door de administratie aan het centrum betekend bij aangetekende brief. § 3. Als de definitieve beslissing van de Vlaamse minister niet binnen de termijn,
Afdeling 2. - Subsidiëring Art. 24.Personeelsleden van de administratie controleren ter plaatse of op stukken of de erkende centra de subsidiëringsvoorwaarden naleven. De erkende centra verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Zij bezorgen aan de personeelsleden
het eerste lid, als ze erom verzoeken, de stukken die met de subsidiëring verband houden. Art. 25.Als een centrum niet langer voldoet aan één of meer subsidiëringsvoorwaarden of als een centrum niet meewerkt aan de uitoefening van het toezicht, kan de Vlaamse minister de subsidiëring voor een termijn die de Vlaamse minister zelf kan bepalen, volledig of gedeeltelijk stoppen en/of de al verleende subsidies geheel of gedeeltelijk terugvorderen. De volledige stopzetting van de subsidiëring en de terugvordering van alle verleende subsidies is enkel mogelijk na het uiten van het voornemen tot intrekking van de erkenning of bij vastgestelde subsidiefraude. De gedeeltelijke stopzetting van de subsidiëring en de gedeeltelijke terugvordering van al verleende subsidies is enkel mogelijk na het uiten van het voornemen tot intrekking van de erkenning, bij vastgestelde subsidiefraude of als een centrum de subsidievoorwaarden genoemd in artikel 13, 2°, 3° en 4° niet naleeft. HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen Art. 26.Het besluit van de Vlaamse regering van 26 april 1995, houdende de erkenning en subsidiëring van de centra voor ontwikkelingsstoornissen, wordt opgeheven. Art. 27.Alle erkenningen, verleend krachtens het besluit van de Vlaamse regering, genoemd in artikel 26, blijven gelden. Art. 28.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1998, met uitzondering van artikel 4, 10° en artikel 7, 5°, die in werking treden op 1 januari 2001. Art. 29.De Vlaamse minister, bevoegd voor de bijstand aan personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 16 juli 1998. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.