(1). Artikel 114quinquies van de provinciewet verbiedt bijgevolg dat de verrichtingen die te maken hebben met die activiteiten algemeen beschouwd door de provincieraad kunnen worden opgedragen aan een autonoom provinciebedrijf. Bepaalde activiteiten op cultureel, sportief, toeristisch gebied e.a. kunnen van industriële of commerciële aard zijn. Zulks is trouwens het geval voor de exploitatie van de voor zodanige activiteiten bestemde accommodatievoorzieningen. Indien het in de bedoeling ligt van de steller van het ontwerp de activiteiten die aanleiding kunnen geven tot het oprichten van een autonoom provinciebedrijf uit te breiden tot die gebieden, dient hij te preciseren welke en mag hij niet in het algemeen verwijzen naar "de verrichtingen met een economisch kenmerk waartoe deze activiteiten aanleiding geven".
- Onderdeel 7° zou beter als volgt worden gesteld : « 7° het aankopen van onroerend goed of van onroerende zakelijke genoterechten op zulke goederen, het bouwen, renoveren, verbouwen, in huur of in financieringshuur nemen van zulke goederen met het oog op de verkoop, het huren of de financieringshuur van die goederen of rechten;".
- Bij onderdeel 13° behoort dezelfde opmerking te worden gemaakt als die welke hierboven is geformuleerd in verband met onderdelen 5° en 6°.In verband met die bepaling is de lijst met activiteiten bovendien zodanig lang en algemeen dat nagenoeg elke levering van goederen of aanbieding van diensten door de provincie aanleiding kan geven tot het oprichten van een provinciebedrijf, ongeacht of die activiteiten verricht worden vanuit een industrieel of commercieel oogpunt. Het zou beter zijn onderdeel 13° als volgt te redigeren : « 13° diensten van studie, onderzoek, ontwikkeling, experimenteren, advisering, promotie en bemiddeling in verband met aangelegenheden van provinciaal belang, alsmede de levering van roerende gooderen die verband houden met die diensten;".
- Ten slotte zijn "opleiding, vorming en training van personeel van lokale en provinciale besturen" en "het onthaal, de integratie, de heropneming, de tewerkstelling en de hertewerkstelling van personen zonder werk of van werkzoekenden" hoe dan ook geen activiteiten van commerciële of industriële aard.Het ontwerp kan die activiteiten niet als zodanig bestempelen zonder de wet te schenden. De onderdelen 10° en 11° moeten bijgevolg vervallen. _______ Nota
(1)In de parlementaire voorbereiding van de wet van 25 j uni 1997, waarbij in de provinciewet de bepaling houdende machtiging om autonome provinciebedrijven met rechtspersoonlijkheid op te richten is ingevoegd, staat immers het volgende te lezen : « Het oude artikel 114bis van de provinciewet (dat voorziet in de organisatie van gewone provinciebedrijven, zonder rechtspersoonlijkheid), vermeldde dat slechts « de door de Koning aangewezen provinciale inrichtingen en diensten (...) georganiseerd konden worden als provinciebedrijven ». Voortaan is de tussenkomst van de Koning niet meer noodzakelijk om provinciebedrijven op te richten. Het oude artikel 114bis van de provinciewet vermeldde bovendien dat het diende te gaan om « provinciale diensten of inrichtingen van commerciële of industriële aard ». Deze voorwaarde werd afgeschaft. Voortaan zal de provincieraad provinciebedrijven kunnen oprichten ongeacht de aard van de dienst of instelling (bijvoorbeeld cultuur, enz.);" (Verslag uitgebracht namens de commissie voor de binnenlandse zaken, de algemene zaken en het openbaar ambt, Kamer, nr. 935/8-96/97). De kamer was samengesteld uit : de heren : J.-J. Stryckmans, eerste voorzitter; Y. Kreins, P. Quertainmont, staatsraden; F. Delperee, J. Kirkpatrick, assessoren van de afdeling wetgeving; Mevr. B. Vigneron, griffier. Het verslag werd uitgebracht door de heer L. Detroux, adjunct-auditeur. De nota van het coördinatiebureau werd opgesteld en toegelicht door de heer A. Lefebvre, adjunct-referendaris. De overeenstemming tussen de Nederlandse en de Franse tekst werd nagezien onder toezicht van de heer J.-J. Stryckmans. De griffier, B. Vigneron. De voorzitter, J.-J. Stryckmans. 9 MAART
- - Koninklijk besluit tot bepaling van de activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de provincie wet van 30 april 1836Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/04/1836 pub. 07/12/2000 numac 2000000913 bron ministerie van binnenlandse zaken Provinciewet. - Duitse vertaling sluiten, inzonderheid op artikel 114quinquies, tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 juni 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/06/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997000511 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de provinciewet, de wet van 1 juli 1860 tot wijziging van de provinciewet en de gemeentewet wat betreft de eedaflegging en de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen sluiten; Gelet op het advies van de Raad van State; Op de voordracht van Onze Minister van Binnenlandse Zaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : Artikel 1.Activiteiten van industriële of commerciële aard waarvoor de provincieraad een autonoom provinciebedrijf met rechtspersoonlijkheid kan oprichten zijn : 1° de levering en de voorziening van water, gas, elektriciteit of stoom;2° de verkoop van bomen en hout van een bosbedrijf;3° de exploitatie van havens, bevaarbare waterlopen en luchthavens;4° de exploitatie van parkeergelegenheden, opslagplaatsen of parkeerterreinen;5° de exploitatie van infrastructuren met culturele, sportieve of toeristische bestemming of voor ontspanning;6° de exploitatie van infrastructuren met een opvoedkundige bestemming, voor sociale of wetenschappelijke activiteiten of voor zorgenverstrekking;7° het verwerven van onroerende goederen, de vorming van zakelijke onroerende rechten, de bouw, de renovatie, de verbouwing, het verhuren of de financieringshuur van onroerende goederen met het oog op de verkoop, de verhuur, de financieringshuur of andere juridische behandelingen betreffende deze onroerende goederen;8° de organisatie van openbare gebeurtenissen;9° de exploitatie van vervoer te water, te land en in de lucht;10° de exploitatie van infrastructuren met bestemming tot de opleiding, vorming en training van personeel van lokale en provinciale besturen;11° de dienstprestaties inzake onthaal, integratie, heropneming, tewerkstelling en hertewerkstelling van personen zonder werk of van werkzoekenden;12° de levering van informatica- en drukkerijdiensten,- werken en -goederen;13° de prestaties van studiediensten, advisering, onderzoek en proefneming, ontwikkeling, promotie en bemiddeling alsmede de levering van roerende goederen in verband met deze dienstprestaties in de volgende domeinen : economie, milieu en ruimtelijke ordening, mobiliteit en infrastructuur, bescherming van de goederen en van de personen, landbouw, visserij, toerisme, cultuur en recreatie, onderwijs en vorming, gezondheidszorg, bijstand aan de personen en internationale samenwerking;14° het beheer van het onroerend vermogen van de provincie en van de provinciale hogescholen. Art. 2.Onze Minister van Binnenlandse Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 9 maart
- ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, L. VAN DEN BOSSCHE