15 JUNI 1999. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het minimum- en het maximumbedrag van de door de provincieontvanger te stellen zekerheid VERSLAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit waarvan ik de eer heb het aan Uwe Majesteit voor te leggen, beoogt het minimum- en het maximumbedrag van de door de provinciale ontvanger te stellen zekerheid vast te stellen, overeenkomstig artikel 113quater van de provinciewet, er ingevoegd bij de wet van 25 juni 1997Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/06/1997 pub. 05/07/1997 numac 1997000511 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot wijziging van de provinciewet, de wet van 1 juli 1860 tot wijziging van de provinciewet en de gemeentewet wat betreft de eedaflegging en de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen sluiten tot wijziging van de provinciewet, de wet van 1 juli 1860 tot wijziging van de provinciewet en de gemeentewet wat betreft de eedaflegging en de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen. Het minimumbedrag is vastgesteld op 900 000 B.F. Alhoewel men niet uitsluitend met het bevolkingscijfer rekening moet houden, lijkt het evenwel normaal dat er verwezen wordt naar het minimumbedrag vastgesteld voor de zekerheid die de gemeenteontvanger van gemeenten die meer dan 50 000 inwoners tellen moet leveren, zoals voorgeschreven door artikel 1 van het koninklijk besluit van 23 december 1976 tot vaststelling van het minimum- en het maximumbedrag van de door de plaatselijke gemeenteontvanger te stellen zekerheid. Het maximumbedrag van 1 500 000 B.F. is vastgesteld rekening houdende met de ongelijkheden die bestaan tussen de provincies, niet alleen m.b.t. het bevolkingscijfer, maar ook met de activiteiten en opdrachten die door de diverse provinciale organen verzekerd worden. Ik heb de eer te zijn, Sire, van uwe Majesteit, de zeer eerbiedige en zeer getrouwe dienaar, De Minister, L. VAN DEN BOSSCHE ADVIES VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 9 september 1997 door de Minister van Binnenlandse Zaken verzocht hem van advies te dienen over een ontwerp van koninklijk besluit « tot vaststelling van het minimum- en het maximumbedrag van de door de provincieontvanger te stellen zekerheid », heeft op 26 november 1997 het volgende advies gegeven : Het ontworpen besluit heeft tot doel het minimum- en maximumbedrag vast te stellen van de zekerheid die de provincieontvanger, overeenkomstig artikel 113quater van de provinciewet, moet stellen als waarborg voor zijn beheer. Deze bepaling moet beschouwd worden als een grondregeling in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. In artikel 3 van het koninklijk besluit van 29 augustus 1985 tot aanwijzing van de grondregelingen in de zin van artikel 2, § 1, 1°, van de wet van 19 december 1974Relevante gevonden documenten type wet prom. 19/12/1974 pub. 05/10/2012 numac 2012000586 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel wordt gesteld dat onder meer « de rechten en de plichten van de personeelsleden. . . » (artikel 3, 3°) en« de aansprakelijkheid van de personeelsleden » (artikel 3, 6°), als grondregelingen in verband met het administratief statuut worden beschouwd. De zekerheid die de provincieontvanger moet stellen als waarborg voor zijn beheer, is een verplichting die hem wegens zijn ambt wordt opgelegd en die bijgevolg deel uitmaakt van zijn administratief statuut. In artikel 113sexies staat overigens dat : « De provincieontvanger die zijn zekerheid of zijn aanvullende zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn stelt en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, (. . . ) geacht (wordt) ontslag te nemen en (. . .) vervangen (wordt). ». Die zekerheid is bovendien bedoeld om de terugbetaling van eventuele tekorten in een provinciekas te waarborgen, waartoe de ontvanger kan worden veroordeeld in het geval hij zich niet op overmacht kan beroepen
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.