← België

Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg

Wet betreffende het vervoer van zaken over de weg (1) ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen vo

§ 1, 5° en 6° verleende bevoegdheden overdragen aan de minister.

HOOFDSTUK IV. - Financiële draagkracht Art. 13.Een onderneming voldoet aan de voorwaarde van financiële draagkracht wanneer zij aantoont een hoofdelijke borgtocht te hebben gesteld waarvan het bedrag afhankelijk is van het aantal voertuigen waarvoor door de minister of zijn gemachtigde eensluidend verklaard afschrift van vergunningen nationaal vervoer of vergunningen communautair vervoer werden gevraagd of afgegeven. Art. 14.§ 1. De Koning bepaalt : 1° het bedrag van de vereiste borgtocht;2° de aard van de borgen die deze borgtocht mogen stellen;3° het model van de bewijzen van borgtocht;4° de bestemming van de borgtocht;5° de regels inzake de aanspraak op de borgtocht;6° de verplichtingen van de betrokken partijen in geval van afneming op de borgtocht en in geval van vermindering of opzegging van de borgtocht;7° de voorschriften inzake de bevrijding van de borg. § 2.

§ 1, 3° verleende bevoegdheid overdragen aan de minister.

TITEL III. - Vervoersvergunningen HOOFDSTUK I. - Ondernemingen gevestigd in België Art. 15.Met de vergunningen nationaal vervoer mogen de ondernemingen die in België een bedrijfszetel hebben de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden verrichten binnen de Belgische grenzen. De in het eerste lid bedoelde vergunningen worden afgegeven op aanvraag aan elke onderneming die in België een bedrijfszetel heeft en die voldoet aan de voorwaarden van betrouwbaarheid, van vakbekwaamheid uitsluitend voor nationaal vervoer en van financiële draagkracht, vastgesteld in titel II. Art. 16.Met de in de communautaire regeling betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Europese Unie bedoelde vergunningen communautair vervoer mogen de ondernemingen die in België een bedrijfszetel hebben de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden verrichten zowel binnen als buiten de Belgische grenzen. De in het eerste lid bedoelde vergunningen worden afgegeven op aanvraag aan elke onderneming die in België een bedrijfszetel heeft en die voldoet aan de voorwaarden van betrouwbaarheid, van vakbekwaamheid voor internationaal vervoer en van financiële draagkracht, vastgesteld in titel II. Art. 17.De vergunningen nationaal vervoer en, overeenkomstig de in artikel 16 bedoelde communautaire regeling, de vergunningen communautair vervoer worden afgegeven in de volgende vorm : 1° een origineel dat op de bedrijfszetel van de onderneming moet worden bewaard;2° een aantal door de minister of zijn gemachtigde eensluidend verklaarde afschriften dat overeenstemt met het aantal motorvoertuigen waarover de onderneming beschikt met inachtname van de limieten van de in artikel 13 bedoelde financiële draagkracht van de onderneming;elk afschrift moet zich aan boord van het motorvoertuig waarop het betrekking heeft, bevinden. Art. 18.Een ongunstige beslissing wegens de niet-naleving van de in artikel 2, 11° bepaalde criteria betreffende de bedrijfszetel van de onderneming kan door de minister of zijn gemachtigde worden herzien. HOOFDSTUK II. - Ondernemingen gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte dan België Art. 19.De ondernemingen die een bedrijfszetel hebben in een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte dan België mogen met de in de communautaire regeling betreffende de toegang tot de markt van het goederenvervoer over de weg in de Europese Unie bedoelde vergunningen communautair vervoer, de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden verrichten op het Belgische grondgebied. HOOFDSTUK III. - Ondernemingen gevestigd buiten de Europese Unie en de Europese Economische Ruimte Art. 20.Met de vergunningen internationaal vervoer en de ermee gelijkgestelde documenten mogen de ondernemingen die geen bedrijfszetel hebben in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte de Belgische grenzen overschrijden om er de in artikel 3 bedoelde werkzaamheden te verrichten, met uitzondering van cabotage over de weg. Die vergunningen worden afgegeven op aanvraag, onder de volgende voorwaarden : 1° wanneer er een regeling van de Europese Unie bestaat of wanneer er bilaterale of multilaterale akkoorden werden gesloten door de Europese Unie of door de Koning, worden de vergunningen internationaal vervoer afgegeven overeenkomstig die regeling of die akkoorden;2° bij afwezigheid van de in 1° bedoelde regeling of akkoorden, worden de vergunningen internationaal vervoer afgegeven voor zover :

  1. a)de wederkerigheid wordt verleend door het land van inschrijving van het betrokken voertuig;
  2. b)de Koning de afgifte van de bedoelde vergunningen internationaal vervoer niet heeft opgeschort;
  3. c)de afgifte ervan wordt gedaan binnen de perken en onder de voorwaarden vastgesteld door de Koning ter uitvoering van de wettelijke en reglementaire bepalingen betreffende de in-, uit- en doorvoer van goederen. Art. 21.Met de cabotagevergunningen en de ermee gelijkgestelde documenten mogen de ondernemingen die geen bedrijfszetel hebben in een lidstaat van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte de Belgische grenzen overschrijden om er cabotage over de weg te verrichten. Die vervoersvergunningen worden afgegeven op aanvraag, overeenkomstig de communautaire regeling of de bilaterale of multilaterale akkoorden betreffende het vervoer van zaken over de weg gesloten door de Europese Unie of door de Koning. HOOFDSTUK IV. - Uitvoering Art. 22.§ 1. De Koning bepaalt : 1° de regels inzake de aanvraag tot herziening van de in artikel 18 bedoelde ongunstige beslissing;2° de gevallen waarvoor, bij gebrek aan wederkerigheid ten gunste van de in België gevestigde ondernemingen, een vergunning internationaal vervoer of een cabotagevergunning eveneens is vereist :
  4. a)voor de aanhangwagens ingeschreven in een Staat die geen lid is van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte en die worden gebruikt om de Belgische grenzen te overschrijden, inbegrepen om er cabotage over de weg te verrichten;
  5. b)voor de voertuigen ingeschreven in een Staat die geen lid is van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte en die worden gebruikt om de Belgische grenzen te overschrijden, inbegrepen om er cabotage over de weg te verrichten, ter gelegenheid van een vervoer van zaken over de weg verricht voor eigen rekening;3° de documenten die kunnen worden gelijkgesteld met de vervoersvergunningen, alsook de voorwaarden van die gelijkstelling;4° de eventuele vrijstellingen van vervoersvergunningen;5° de wijze van afgifte, vervanging, vernieuwing en schrapping van de vervoersvergunningen;6° de regels en de wijze van weigering en intrekking van de vervoersvergunningen;7° de geldigheidsvoorwaarden van de vervoersvergunningen;8° het bedrag van de te innen retributies ten bate van de erkende instellingen als tegenprestatie voor de diensten verleend in het kader van de vervaardiging en de uitgifte van de vervoersvergunningen;9° de wijze van inning van de retributies evenals van de bedragen bestemd voor de betaling van de zegelrechten;10° het model van de vervoersvergunningen;11° de bekendmaking van de afgifte en de schrapping van de vervoersvergunningen;12° de eventuele statistische gegevens die door de ondernemingen moeten worden verstrekt. § 2. De Koning kan de bevoegdheden die hem worden verleend bij § 1, 3°, 5°, 9° en 10° overdragen aan de minister. TITEL IV. - Vrachtbrieven Art. 23.Voor elke zending dient een vrachtbrief te worden opgemaakt. Art. 24.§ 1. De Koning bepaalt : 1° de verschillende modellen van vrachtbrieven, alsook de vermeldingen die daarop moeten voorkomen;2° het aantal exemplaren dat van de vrachtbrieven moet worden gemaakt en wat men met die exemplaren behoort te doen;3° welke instellingen gemachtigd zijn de vrachtbrieven af te geven, de voorwaarden waaronder de vrachtbrieven kunnen worden afgegeven en de controle op die afgifte. § 2.

§ 1verleende bevoegdheden overdragen aan de minister.

TITEL V. - Controle HOOFDSTUK I. - Bevoegde ambtenaren Art. 25.Onverminderd de bepalingen van het tweede lid, stelt de Koning de categorieën van ambtenaren vast die belast zijn met het toezicht op de toepassing van de communautaire regeling betreffende het vervoer van zaken over de weg, van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten. De ambtenaren die tot een van de in het eerste lid bedoelde categorieën behoren zijn belast met de uitvoering van de artikelen 32 en 33 voor zover zij daartoe individueel zijn gemachtigd door de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar deze ambtenaren hun standplaats hebben. HOOFDSTUK II. - Opsporing en vaststelling van de inbreuken Art. 26.§ 1. De in artikel 25 bedoelde ambtenaren hebben toegang tot alle voertuigen alsook tot de onroerende goederen bestemd voor de beroepswerkzaamheden van de vervoerders, hun opdrachtgevers en ieder die tussenkomt in de uitvoering van een vervoer van zaken waarop de communautaire regeling betreffende het vervoer van zaken over de weg, deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn; de lokalen uitsluitend bestemd voor bewoning vallen buiten het toepassingsgebied van deze bepaling. § 2. Op verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 25 : 1° moet het origineel van een van de vervoersvergunningen bedoeld in de artikelen 15 en 16 hem worden vertoond op de bedrijfszetel van elke onderneming die een in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheid uitoefent; 2° moet elke bestuurder van een voertuig dat wordt gebruikt om de in artikel 3 bedoelde werkzaamheden te verrichten, hem onmiddellijk tonen :

  1. a)naar gelang het geval, een eensluidend verklaard afschrift als bedoeld in artikel 17, 2°, een eensluidend verklaard afschrift van een in artikel 19 bedoelde vervoersvergunning of het origineel van een van de in de artikelen 20 en 21 bedoelde vervoervergunningen :
  2. b)in geval van huur of financieringshuur van het motorvoertuig : b.1. het origineel of een door de gemeenteoverheid eensluidend verklaard afschrift van de overeenkomst inzake huur of financieringshuur van dit motorvoertuig; b.2. indien de bestuurder niet zelf de huurder is : het origineel of een door de gemeenteoverheid eensluidend verklaard afschrift van de arbeidsovereenkomst van de bestuurder of een recent loonstrookje;
  3. c)indien het voertuig wordt gebruikt om de in artikel 3, 1° bedoelde werkzaamheden te verrichten : de in artikel 23 bedoelde vrachtbrief;
  4. d)het individueel document bedoeld in artikel 11 van het koninklijk besluit van 8 augustus 1980 betreffende het bijhouden van sociale documenten;dit individueel document is slechts vereist indien de bestuurder een van de volgende statuten bezit : - verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst; - zonder door een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn, arbeid verrichten onder het gezag van een andere persoon; - zonder arbeid te verrichten onder het gezag van een andere persoon, toch geheel of gedeeltelijk onder toepassing vallen van de wetgeving inzake de sociale zekerheid van de arbeiders; 3° moet elke vervoerder, opdrachtgever, verlader, tussenpersoon, verhuurder van een voertuig en onderneming die voertuigen in financieringshuur geeft, hem alle informatie verstrekken, aan zijn oproeping gevolg geven, hem, zonder verplaatsing, zijn boeken en andere beroepsbescheiden overleggen alsook hem kopieën of uittreksels van die boeken en bescheiden laten nemen of ter beschikking stellen; deze handelingen kunnen tevens worden uitgevoerd op de bedrijfszetel van de voornoemde personen. § 3. De in artikel 25 bedoelde ambtenaren moeten elkaar bijstaan. Art. 27.Uitgezonderd bij toepassing van de artikelen 32 en 33, stellen de ambtenaren bedoeld in artikel 25 de inbreuken op de communautaire regeling betreffende het vervoer van zaken over de weg, op deze wet en op haar uitvoeringsbesluiten vast door middel van processen-verbaal die bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen. Afschrift van de processen-verbaal wordt aan de overtreders gezonden binnen vijftien dagen na vaststelling van de inbreuken. HOOFDSTUK III. - Vervoer van zaken over de weg met een voertuig zonder geldige vervoersvergunning Art. 28.§ 1. Ieder die vervoer van zaken over de weg verricht met een voertuig zonder een geldige vervoersvergunning of een gelijkgesteld document, moet op verzoek van een ambtenaar als bedoeld in artikel 25, het bewijs kunnen leveren dat het gaat om : 1° ofwel een vervoer van zaken over de weg waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten niet van toepassing zijn;2° ofwel een vervoer van zaken over de weg tegen vergoeding met een voertuig waarvoor, overeenkomstig deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, geen vervoersvergunning vereist is. § 2. Elk vervoer van zaken over de weg tegen vergoeding verricht met een voertuig of een sleep waarvan de totale massa in beladen toestand of de afmetingen hoger zijn dan de toegelaten normen, wordt beschouwd als zijnde verricht zonder geldige vervoersvergunning. Elk vervoer van zaken over de weg verricht voor eigen rekening in dezelfde omstandigheden als bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld met een vervoer verricht zonder geldige vervoersvergunning. HOOFDSTUK IV. - Uitvoering Art. 29.De Koning wijst de overheid aan die belast is met de mededeling aan en de ontvangst vanwege de andere lidstaten van de Europese Unie of van de Europese Economische Ruimte van de door de communautaire regeling inzake het vervoer van zaken over de weg voorgeschreven inlichtingen betreffende de door de ondernemingen begane inbreuken. TITEL VI. - Sancties HOOFDSTUK I. - Maatregelen van ambtswege Art. 30.Indien het in artikel 28 bedoelde bewijs niet kan worden geleverd, mag de ambtenaar bedoeld in artikel 25 die vaststelt dat een vervoer van zaken over de weg wordt verricht met een voertuig zonder geldige vervoersvergunning of geldig afschrift van de vergunning of zonder een gelijkgesteld document, zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 27 : 1° de bestuurder verplichten ofwel naar de plaats van lading terug te keren om het voertuig te lossen of om de lading over te laden op een voertuig waarvoor een vervoersvergunning werd afgegeven;in dat geval geschieden de terugkeer naar de plaats van lading, het lossen of het overladen, alsook de verrichtingen die ze vereisen op kosten en voor risico van de overtreder; deze laatste blijft aansprakelijk voor de schade aan en het verlies van de geloste of overgeladen zaken, alsook voor de vertraging van hun levering; 2° overgaan, op kosten en risico van de overtreder, tot het ophouden van deze voertuigen totdat het lossen of overladen zoals bedoeld in 1° heeft plaatsgehad. Art. 31.§ 1. Elke vervoersvergunning, elk afschrift van een vervoersvergunning of elk ermee gelijkgesteld document die het voorwerp is geweest van een beslissing tot intrekking en die in het bezit van de houder of zijn aangestelden wordt gevonden, wordt onmiddellijk in beslag genomen door de ambtenaren bedoeld in artikel 25 en overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde. § 2. Elke vervoersvergunning, elk afschrift van een vervoersvergunning of elk ermee gelijkgesteld document die in het bezit van een andere persoon dan de houder of zijn aangestelden wordt gevonden, wordt door de ambtenaren als bedoeld in artikel 25 afgenomen en onmiddellijk overgezonden aan de minister of zijn gemachtigde. Voor de ondernemingen die een bedrijfszetel in België hebben, kan de afgenomen vergunning nationaal vervoer of het afschrift ervan of de vergunning communautair vervoer of het afschrift ervan pas na drie maanden na het afnemen aan de houder ervan worden teruggegeven, behalve indien blijkt dat deze te goeder trouw is, inzonderheid indien hij het verlies of de diefstal van het document heeft aangegeven vóór de vaststelling waarvan sprake in het eerste lid. HOOFDSTUK II. - Inning en consignatie van een som bij de vaststelling van sommige inbreuken Art. 32.§ 1. Bij de vaststelling, op een openbare plaats, van een van de in artikel 36 bedoelde inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten, kan, indien het feit geen schade aan derden heeft veroorzaakt en met instemming van de overtreder, hetzij onmiddellijk, hetzij binnen een door de Koning bepaalde termijn, een som geïnd worden die niet hoger mag zijn dan het maximum van de geldboete die op deze inbreuk staat, vermeerderd met de opdeciemen. § 2. Door de betaling vervalt de strafvordering, tenzij het openbaar ministerie binnen een maand, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de betrokkene kennis geeft van zijn voornemen die vordering in te stellen. De kennisgeving geschiedt bij een ter post aangetekende brief; zij wordt geacht te zijn gedaan de eerste werkdag na de dag van afgifte ter post. Art. 33.§ 1. Indien de dader van de op een openbare plaats vastgestelde inbreuk geen woonplaats of vaste verblijfplaats in België heeft en de voorgestelde som niet onmiddellijk betaalt, moet hij aan de ambtenaren bedoeld in artikel 25 een som in consignatie geven, bestemd om de eventuele geldboete en gerechtskosten te dekken. § 2. Het door de overtreder bestuurde voertuig wordt op zijn kosten en risico ingehouden tot deze som betaald is en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn. § 3. Indien de verschuldigde som niet betaald wordt binnen de zesennegentig uren, te rekenen vanaf de vaststelling van de inbreuk, mag de inbeslagneming van het voertuig door het openbaar ministerie bevolen worden. Een bericht van inbeslagneming wordt binnen twee werkdagen aan de eigenaar van het voertuig gezonden. De kosten en het risico voor het voertuig blijven tijdens de duur van de inbeslagneming ten laste van de overtreder. De inbeslagneming wordt opgeheven nadat het bewijs is geleverd dat de som die in consignatie moet worden gegeven en de eventuele bewaringskosten van het voertuig zijn betaald. § 4. Indien de strafvordering tot veroordeling van de betrokkene leidt, zijn de volgende bepalingen van toepassing : 1° indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en de uitgesproken geldboete lager zijn dan de geïnde of in consignatie gegeven som, wordt het overschot terugbetaald;2° indien het voertuig in beslag genomen is, wordt bij vonnis bevolen dat de administratie bevoegd voor het beheer van de Domeinen het voertuig moet verkopen bij niet-betaling van de geldboete en de gerechtskosten binnen een termijn van veertig dagen vanaf de uitspraak van het vonnis;deze beslissing is uitvoerbaar niettegenstaande elk rechtsmiddel. Indien de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten, de uitgesproken geldboete en de eventuele bewaringskosten van het voertuig lager zijn dan de opbrengst van de verkoop, wordt het overschot terugbetaald. § 5. Als de betrokkene wordt vrijgesproken, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig teruggegeven; de eventuele bewaringskosten van het voertuig vallen ten laste van de Staat. § 6. Als de betrokkene voorwaardelijk is veroordeeld, wordt de geïnde of in consignatie gegeven som teruggegeven na aftrek van de gerechtskosten; het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs is geleverd dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn. § 7. De in consignatie gegeven som of het in beslag genomen voertuig wordt teruggegeven wanneer het openbaar ministerie beslist geen vervolging in te stellen of wanneer de strafvordering vervallen of verjaard is. § 8. Indien, bij toepassing van artikel 216bis van het wetboek van strafvordering, de door het openbaar ministerie vastgestelde som lager is dan de geïnde som, wordt het overschot terugbetaald. § 9. De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing wanneer de inbreuk is begaan door een militair, die zich verplaatst voor de behoeften van de dienst, of door één van de personen bedoeld in de artikelen 479 en 483 van het wetboek van strafvordering. Art. 34.De Koning bepaalt : 1° het bedrag van de te innen som bedoeld in artikel 32, § 1 en de wijze van inning;2° het bedrag van de in consignatie te geven som bedoeld in artikel 33, § 1 en de wijze van inning. HOOFDSTUK III. - Strafbepalingen Art. 35.§ 1. De in artikel 36 bedoelde inbreuken op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van vijftig tot tienduizend frank, vermeerderd met de opdeciemen, of met één van die straffen alleen, onverminderd de eventuele schadevergoeding. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek, waaronder ook hoofdstuk VII en artikel 85, zijn op die inbreuken van toepassing. § 2. Onverminderd de bepalingen van artikel 56 van het Strafwetboek, mag de straf in geval van herhaling binnen twee jaar na de veroordeling echter niet lager zijn dan het dubbele van de straf die vroeger wegens dezelfde inbreuk werd uitgesproken. § 3. Bij veroordeling wegens vervoer van zaken tegen vergoeding verricht met een voertuig waarvoor geen vervoervergunning werd afgegeven overeenkomstig de bepalingen van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten : 1° kan de rechter de verbeurdverklaring of de tijdelijke vastlegging van het voertuig bevelen;bij tijdelijke vastlegging stelt de rechter vast hoe lang deze zal duren en op welke plaats het voertuig, op kosten en op risico van de eigenaar, aan de ketting zal worden gelegd; 2° worden de schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij, bevoorrecht op het voertuig dat voor het plegen van de inbreuk heeft gediend.Dit voorrecht neemt rang in onmiddellijk na het voorrecht bedoeld in artikel 20, 5° van de hypotheekwet van 16 december 1851. § 4. In afwijking van artikel 43, eerste lid van het Strafwetboek kan de verbeurdverklaring van het voertuig wegens inbreuk op deze wet en haar uitvoeringsbesluiten slechts in het in § 3 bepaalde geval worden uitgesproken. Art. 36.De schending van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten wordt strafbaar gesteld wanneer zij de bepalingen betreft inzake : 1° de verplichting houder te zijn van een geldige vervoersvergunning overeenkomstig de artikelen 5, §§ 1 en 6 evenals, in de door de Koning bepaalde gevallen, krachtens artikel 22, § 1, 2°;2° de krachtens de artikelen 9, 2° en 12, § 1, 10°,
  5. a)door de Koning vastgestelde termijnen inzake betrouwbaarheid en vakbekwaamheid;3° de verplichting tot daadwerkelijke en permanente leiding van de werkzaamheden van de onderneming door de persoon die werd aangeduid om er, overeenkomstig artikel 10, zijn vakbekwaamheid te doen gelden;4° de krachtens artikel 14, § 1, 6° door de Koning vastgestelde verplichtingen van de borgen;5° de krachtens artikel 22, § 1, 6° door de Koning vastgestelde verplichting de vervoersvergunningen terug te geven die het voorwerp hebben uitgemaakt van een beslissing tot intrekking;6° de krachtens artikel 22, § 1, 7° door de Koning vastgestelde voorschriften inzake de geldigheid van de vervoervergunningen;7° de krachtens artikel 22, § 1, 8° en 9° door de Koning vastgestelde verplichtingen inzake de betaling van de retributies;8° de eventueel krachtens artikel 22, § 1, 12° door de Koning vastgestelde verplichting tot het verstrekken van statistische gegevens;9° de door artikel 23 vastgestelde verplichting een vrachtbrief op te maken, alsook de daarmee gepaard gaande verplichtingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 24;10° de toegang van de in artikel 25 bedoelde ambtenaren tot de voertuigen en het onroerend goed, overeenkomstig artikel 26, § 1;11° het bijhouden en het overleggen aan de in artikel 25 bedoelde ambtenaren van welbepaalde informatie en documenten, alsook de oproeping door deze ambtenaren, overeenkomstig de artikelen 26, § 2 en 28. Art. 37.§ 1. De opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur zullen worden gestraft op dezelfde wijze als de daders van de door de onderneming begane overtredingen en wanbedrijven voor zover zij wetens en willens : 1° vóór de uitvoering van een vervoer van zaken waarop deze wet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn, hebben nagelaten zich ervan te vergewissen dat de vereiste vervoervergunning voor het gebruikte motorvoertuig afgegeven werd en dat de vereiste vrachtbrief opgemaakt werd;2° instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot de hierna genoemde inbreuken, door beloften of bedreigingen deze inbreuken rechtstreeks hebben uitgelokt of aan het plegen ervan hebben meegewerkt :
  6. a)overschrijding van de maximaal toegelaten massa's en afmetingen van de voertuigen;
  7. b)niet-naleving van de voorschriften betreffende de veiligheid van de lading van de voertuigen;
  8. c)niet-naleving van de voorschriften betreffende de rij- en rusttijden van de bestuurders van voertuigen;
  9. d)overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van de voertuigen. § 2. De houder van het getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid die de in artikel 3, 1° en 2° bedoelde werkzaamheden van de onderneming niet zou hebben geleid overeenkomstig de bepalingen van artikel 10 zal worden gestraft op dezelfde wijze als de vervoerder als deze een natuurlijke persoon is of indien de onderneming geen natuurlijke persoon is, op dezelfde wijze als de natuurlijke persoon aan wie de door deze onderneming begane inbreuken moeten worden toegerekend. TITEL VII. - Vervoersovereenkomst Art. 38.§ 1. De bepalingen van artikel 1, punten 2 en 3 alsook van de artikelen 2 tot 41 van het Verdrag betreffende de overeenkomst tot internationaal vervoer van goederen over de weg, afgekort CMR-Verdrag, ondertekend te Genève op 19 mei 1956 en goedgekeurd door de wet van 4 september 1962, alsook de bepalingen van het Protocol bij het bovengenoemde verdrag, ondertekend te Genève op 5 juli 1978 en goedgekeurd door de wet van 25 april 1983, zijn van toepassing op het nationaal vervoer van zaken over de weg. § 2. De artikelen 1 tot 7 en 9 van de wet van 25 augustus 1891 houdende herziening van de titel van het wetboek van koophandel betreffende de vervoersovereenkomsten zijn niet van toepassing op het vervoer van zaken over de weg. § 3. De bepalingen van de §§ 1 en 2 zijn niet van toepassing op : 1° postvervoer verricht in het kader van een openbare dienst;2° begrafenisvervoer;3° verhuizingen. § 4. De regresvorderingen ontstaan uit de overeenkomst tot vervoer van goederen over de weg moeten, op straffe van verval, worden ingesteld binnen een termijn van een maand te rekenen vanaf de dagvaarding die aanleiding geeft tot recht van regres. § 5. Voor de toepassing van deze titel, wordt de vervoerscommissionair gelijkgesteld met een vervoerder, wat zijn contractuele verplichtingen en verantwoordelijkheden betreft. TITEL VIII. - Commissie goederenvervoer over de weg Art. 39.§ 1. Een commissie wordt ingesteld bij het bestuur dat bevoegd is voor het vervoer van zaken over de weg, onder de benaming Commissie goederenvervoer over de weg. § 2. De Commissie goederenvervoer over de weg heeft volgende functies : 1° een gemotiveerd advies geven over elke kwestie in verband met het vervoer van zaken over de weg waarvan het onderzoek haar nuttig schijnt en er verslag over uitbrengen bij de minister;2° op verzoek van de minister, een gemotiveerd advies geven over elke kwestie in verband met het vervoer van zaken over de weg;3° aan de minister of zijn gemachtigde, een gemotiveerd advies geven vóór elke beoordeling van betrouwbaarheid, overeenkomstig artikel 8, § 5, 3°;4° aan de minister of zijn gemachtigde, een gemotiveerd advies geven vóór elke herziening van een ongunstige beslissing :
  10. a)wegens het niet daadwerkelijk of niet permanent leiden van de vervoerswerkzaamheden van de onderneming door een persoon die houder is van het getuigschrift of bewijs van vakbekwaamheid, overeenkomstig artikel 10, § 3;
  11. b)wegens de niet-naleving van de criteria betreffende de bedrijfszetel overeenkomstig artikel 18. § 3. De Koning bepaalt : 1° de samenstelling van de Commissie goederenvervoer over de weg;2° de procedure voorafgaand aan het onderzoek van de dossiers alsook de werking van de commissie. § 4.

§ 3, 2° verleende bevoegdheden overdragen aan de minister.

§

  1. De minister benoemt de voorzitter en de leden van de Commissie goederenvervoer over de weg evenals hun plaatsvervanger. TITEL IX. - Overlegcomité goederenvervoer over de weg Art. 40.§
  2. Een comité wordt ingesteld bij het bestuur dat bevoegd is voor het vervoer van zaken over de weg, onder de benaming Overlegcomité goederenvervoer over de weg §
  3. Het Overlegcomité goederenvervoer over de weg bestaat uit vertegenwoordigers van de betrokken ministeriële departementen en van de representatieve beroepsorganisaties van de sector van het vervoer van zaken over de weg; het komt samen op verzoek van een van de voornoemde partijen. Zijn functie bestaat erin : 1° de minister of zijn gemachtigde in staat te stellen om de voornoemde beroepsorganisaties te informeren over elke kwestie die de bedoelde sector kan interesseren;2° de voornoemde beroepsorganisaties in staat te stellen om de problemen van de sector die zij vertegenwoordigen voor te leggen aan de betrokken ministeriële departementen;3° de twee voornoemde partijen in staat te stellen om te overleggen over elke kwestie met betrekking tot de sector van het vervoer van zaken over de weg. §
  4. De Koning bepaalt : 1° de samenstelling van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg;2° de werking van dit comité. § 4.

§ 3, 2° verleende bevoegdheden overdragen aan de minister.

§

  1. De minister benoemt de voorzitter van het Overlegcomité goederenvervoer over de weg. TITEL X. - Wijzigings- en opheffingsbepalingen en inwerkingtreding Art. 41.§
  2. Artikel 20, 5° van de hypotheekwet van 16 december 1851 wordt aangevuld met een tweede lid, luidend als volgt : « De schadevergoedingen toegekend aan de burgerlijke partij op het voertuig dat gediend heeft voor het plegen van de inbreuk. ». §
  3. In de wet van 18 februari 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 18/02/1969 pub. 25/04/2012 numac 2012000279 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over de weg, de spoorweg of de waterweg, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985 en 28 juli 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1° in artikel 2, § 2 worden de woorden « als dit vervoermiddel eigendom is van de dader van de overtreding, of van de mededader of van de medeplichtige » geschrapt;2° in artikel 2, § 3 worden de woorden« als dit vervoermiddel eigendom is van de dader van de overtreding of van de mededader of van de medeplichtige » geschrapt;3° in artikel 3, § 1, tweede lid, wordt het woord « vijf » vervangen door het woord « vijftien ». Art. 42.De wet van 1 augustus 1960 betreffende het vervoer van zaken met motorvoertuigen tegen vergoeding, gewijzigd bij de wetten van 10 oktober 1967 en 18 november 1977, het koninklijk besluit nr. 239 van 31 december 1983 en de wetten van 6 mei 1985, 21 juni 1985 en 21 mei 1991, wordt opgeheven. Art. 43.De Koning bepaalt de datum waarop deze wet in werking treedt, met uitzondering van de bepalingen van de artikelen 37, § 1 en 38 die in werking treden op de tiende dag na die waarop deze wet is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 3 mei
  4. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Vervoer, M. DAERDEN Met 's Lands zegel gezegeld : De Minister van Justitie : T. VAN PARYS _______ Nota

(1)Kamer van volksvertegenwoordigers Zitting 1998-
  1. Parlementaire bescheiden : 1743/1 - Wetsontwerp. 1743/2 - Amendementen. 1743/3 - Amendementen. 1743/4 - Amendementen. 1743/5 - Advies van de Raad van State. 1743/6 - Amendementen. 1743/7 - Verslag. 1743/8 - Tekst aangenomen dor de Commissie voor de Infrastructuur, het Verkeer en de Overheidsbedrijven. 1743/9 - Amendementen. 1743/10 - Artikelen aangenomen in plenaire vergadering. 1743/11 - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en overgezonden aan de Senaat. Parlementaire handelingen. Bespreking - Vergadering van 13 januari
  2. Aanneming - Vergadering van 21 januari
  3. Senaat. Zitting 1998-
  4. Parlementaire bescheiden : 1-1242/1 - Wetsontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers. 1-1242/2 - Amendement. 1-1242/3 - Amendement. 1-1242/4 - Verslag. 1-1242/5 - Tekst aangenomen door de Commissie voor Financiën en Economische Aangelegenheden. 1-1242/6 - Beslissing om niet te amenderen. Parlementaire handelingen : Vergadering van 1 april 1999.

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.