16 MAART 1999. - Besluit van de Vlaamse regering tot wijziging van en tot toevoeging van de CAO podiumkunsten van 19 januari 1999 aan de uitvoeringsbesluiten bij het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten, gewijzigd bij de decreten van 5 april 1995 en 19 december 1997; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten, voor wat de organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten, voor wat de organisaties voor dans betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 juli 1995, 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten, voor wat de kunstencentra betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 juli 1995, 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten, voor wat de organisaties voor muziektheater betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 juli 1995, 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën van 24 februari 1999; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op artikel 3, § 1, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1989 en 4 augustus 1996; Gelet op de dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat op 19 januari 1999 een collectieve arbeidsovereenkomst werd afgesloten voor de organisaties, bedoeld in de hoofdstukken II, III, IV en V van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van de organisaties voor podiumkunsten en dat die collectieve arbeidsovereenkomst uitwerking heeft met ingang van 1 januari 1999; Op voorstel van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van de organisaties voor podiumkunsten, voor wat de organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998, worden de woorden "de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV en V bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de woorden " de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V en VI bij dit besluit zijn gevoegd". Art. 2.Aan hetzelfde besluit wordt de collectieve arbeidsovereenkomst podiumkunsten van 19 januari 1999, als bijlage gevoegd bij dit besluit, toegevoegd als bijlage VI. Art. 3.In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van de organisaties voor podiumkunsten, voor wat de organisaties voor dans betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 juli 1995, 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998, worden de woorden "de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V en VI bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de woorden " de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V, VI en VII bij dit besluit zijn gevoegd". Art. 4.Aan hetzelfde besluit wordt de collectieve arbeidsovereenkomst podiumkunsten van 19 januari 1999, als bijlage gevoegd bij dit besluit, toegevoegd als bijlage VII. Art. 5.In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van de organisaties voor podiumkunsten, voor wat de kunstencentra betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 juli 1995, 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998, worden de woorden "de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V en VI bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de woorden " de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V, VI en VII bij dit besluit zijn gevoegd". Art. 6.Aan hetzelfde besluit wordt de collectieve arbeidsovereenkomst podiumkunsten van 19 januari 1999, als bijlage gevoegd bij dit besluit, toegevoegd als bijlage VII. Art. 7.In artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 december 1993 houdende uitvoeringsbepalingen van het decreet van 27 januari 1993 houdende regeling van de subsidiëring voor de werking van de organisaties voor podiumkunsten, voor wat de organisaties voor muziektheater betreft, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 28 juli 1995, 21 december 1995, 26 november 1996, 22 april 1997 en 2 juni 1998, worden de woorden "de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V en VI bij dit besluit zijn gevoegd" vervangen door de woorden " de collectieve arbeidsovereenkomsten en de protocolovereenkomst die als bijlagen I, II, III, IV, V, VI en VII bij dit besluit zijn gevoegd". Art. 8.Aan hetzelfde besluit wordt de collectieve arbeidsovereenkomst podiumkunsten van 19 januari 1999, als bijlage gevoegd bij dit besluit, toegevoegd als bijlage VII. Art. 9.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1999. Art. 10.De Vlaamse minister, bevoegd voor de cultuur, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 16 maart 1999. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn, L. MARTENS Bijlage C.A.O. Podiumkunsten afgesloten op 19 januari 1999 Artikel 1.§ 1. De onderhavige collectieve arbeidsovereenkomst wordt afgesloten tussen het A.B.V.V. (A.C.O.D.-Cultuur), het A.C.V. (A.C.V.-Cultuur) en de V.D.P. (Vlaamse Directies voor Podiumkunsten v.z.w.), vertegenwoordigd respectievelijk door mevrouw Laurette Muylaert, de heer Jean-Paul Van der Vurst, de heer Stefaan De Ruyck (voorzitter V.D.P.) en de heer John Zwaenepoel (afgevaardigd beheerder V.D.P.). Ze regelt de verhouding tussen de werknemers en werkgevers van de organisaties aangesloten bij de V.D.P. en erkend en gesubsidieerd door de Vlaamse Gemeenschap, zoals bepaald in het decreet van 27 januari 1993 houdende de regeling van de subsidiëring voor de werking van organisaties voor podiumkunsten: m.n. de organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst, de organisaties voor dans, de organisaties voor muziektheater en de kunstencentra. Ze regelt tevens de verhouding tussen de werknemers, en de werkgevers die lid zijn van de VDP en bij de C.A.O. wensen aan te sluiten door zich schriftelijk daartoe te engageren. § 2. Deze C.A.O. treedt in werking op 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 30 juni 2001 voor de organisaties voor Nederlandstalige Dramatische Kunst, zoals bedoeld in hoofdstuk 2 van bovengenoemd decreet van 27 januari 1993. Deze CAO treedt in werking op 1 januari 1999 en houdt op van kracht te zijn op 31 december 2000 voor de andere organisaties zoals bedoeld in de hoofdstukken 3, 4 en 5 van bovengenoemd decreet van 27 januari 1993. Art. 2.Slechts twee soorten van arbeidsovereenkomsten worden toegepast: de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur en de arbeidsovereenkomst van bepaalde duur. Arbeidsovereenkomsten voor een bepaald werk zijn toegelaten voor de artistieke werknemers niet genoemd in artikel 3, 2o van het K.B. van 28 november 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Art. 3.M.b.t. de anciënniteit gelden volgende regels : Anciënniteit wordt verworven in organisaties uit de sector van de gesubsidieerde podiumkunsten of in vergelijkbare organisaties en opgebouwd op basis van arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur en van bepaalde duur. De arbeidsprestaties geleverd in eenzelfde beroepskwalificatie in de podiumkunstensector, in welkdanig tewerkstellingsstatuut ook, komen eveneens in aanmerking voor de anciënniteitsbepaling. Arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur, afgesloten binnen het tijdsbestek van 1 seizoen, die samengeteld de duur van 3 maanden niet overschrijden, gelden voor hun effectieve duur voor de bepaling van de anciënniteit. Arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur, afgesloten binnen het tijdsbestek van 1 seizoen, die samengeteld minimaal 3 maanden en maximaal 6 maanden bedragen, worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst van 6 maanden. Arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur, afgesloten binnen het tijdsbestek van 1 seizoen, die samengeteld minimaal 6 maanden en maximaal 12 maanden bedragen, worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst van een jaar. Voor het technisch en administratief personeel wordt de bewezen nuttige beroepservaring, verworven in loondienst of in een zelfstandig statuut, in aanmerking genomen voor het bepalen van de anciënniteit. Bij dezelfde werkgever worden de verworven sociale rechten in de loop van hetzelfde contract globaal behouden, en blijven de huidige pecuniaire rechten ongewijzigd, op voorwaarde dat ze gunstiger zijn dan de nieuw bedongen voorwaarden. Met uitzondering van de aantoonbare anciënniteit die in aanmerking genomen wordt voor de inschaling van de werknemer in de barema's, kunnen bepaalde verworven rechten niet aan een latere werkgever worden opgelegd. Art. 4.De betalingen worden uiterlijk de laatste werkdag van de maand uitgevoerd. Maandelijks ontvangt de werknemer een loonstaat waarop de bedragen van de bezoldiging en de diverse afhoudingen gedetailleerd vermeld zijn, overeenkomstig de wet op de sociale documenten. Voor arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur wordt het vakantiegeld uiterlijk de laatste dag van de arbeidsovereenkomst uitbetaald. Voor arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur gebeurt de uitbetaling uiterlijk 30 juni, en in elk geval steeds vóór de hoofdvakantie opgenomen wordt. De werkgevers verbinden zich ertoe een voldoende deel van het geheel van hun middelen voor te behouden aan het verzekeren van bezoldigingen en vergoedingen. Art. 5.De arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur kunnen worden beëindigd, mits naleving van de wettelijke opzeggingsmodaliteiten, of mits wederzijds akkoord. Bij opzegging van de arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur zal voor de werknemers van de categorie A.1 (zie artikel 7) ernaar gestreefd worden de einddatum van de opzeggingstermijn te laten samenvallen met 30 juni. Ongeacht de opzeggingsmodaliteiten dient de beëindiging van de arbeidsovereenkomst van de werknemers uit categorie A.1 met een contract van onbepaalde duur, steeds schriftelijk te worden aangekondigd door de werkgever, uiterlijk op 31 januari van het lopende seizoen. Deze mededeling hoeft niet te gebeuren indien de wettelijke opzegtermijn langer is dan 5 maanden. Werknemers uit de categorie A.1 die zelf hun arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur wensen te beëindigen, dienen dit eveneens, ongeacht de opzeggingsmodaliteiten, schriftelijk mee te delen aan hun werkgever, uiterlijk op 31 januari van het lopende seizoen. De arbeidsovereenkomsten van bepaalde duur lopen ten einde bij het volmaken van de overeengekomen termijn. Wanneer een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur samenvalt met de duur van een seizoen, zal ten minste 5 maanden voor het einde van het seizoen de intentie medegedeeld worden dat de arbeidsovereenkomst zal vernieuwd worden. Als deze mededeling niet gebeurt, loopt de arbeidsovereenkomst automatisch af bij het volmaken van de overeengekomen termijn. Een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur die niet geheel overeenstemt met een volledige maand wordt bezoldigd a rato van 1/22 maandloon per repetitiedag en 1/20 maandloon per voorstellingsdag. Indien er minstens 54 voorstellings- of repetitiedagen gepresteerd worden binnen de periode van drie maanden, wordt een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur afgesloten (drie maanden). Een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur voor een rolovername (opneemcontract) op korte termijn wordt bezoldigd a rato van 1/11 maandloon per repetitiedag (voor de eerste vier repetitiedagen) en 1/9 maandloon per voorstellingsdag (voor de eerste 4 voorstellingsdagen). Deze laatste 2 paragrafen gelden enkel voor werknemers die op dat ogenblik niet reeds met een arbeidsovereenkomst aan het gezelschap verbonden zijn. Art. 6.Er kunnen enkel andere prestaties worden opgedragen dan deze vermeld in de arbeidsovereenkomst, indien zij verenigbaar zijn met de beroepsbekwaamheden van de werknemer en voor zover deze wijziging hem geen materieel of moreel nadeel berokkent. De werknemer moet vóór de ondertekening van de arbeidsovereenkomst de werkgever schriftelijk op de hoogte brengen van alle verbintenissen met derden op het gebied van tewerkstelling. Een werknemer die al met een arbeidsovereenkomst in dienst is, moet schriftelijk toestemming krijgen van de werkgever voor alle eventuele verbintenissen die hij met derden wil aangaan op het gebied van tewerkstelling op de dagen of in de periodes die door het contract gevat zijn. Het niet nakomen van deze verplichtingen kan leiden tot verbreking van de arbeidsovereenkomst vanwege de werkgever wegens dringende redenen. Art. 7.Er worden vijf loongroepen onderscheiden : - Loongroep A : 1. - acteurs, dansers, zangers, musici, figurenspelers; - regisseur, choreograaf; - dramaturg; - ontwerpers (klank, licht, decor, kostuums...); - eerste regieassistent : de persoon die de regisseur vervangt tijdens de repetitieperiode en/of belast is met de bewaking van de kwaliteit van de voorstelling. 2.- hoofd toneeltechniek (eerste toneelmeester) : - is verantwoordelijk voor de voorbereiding, de opbouw en het verloop van de voorstelling op technisch gebied, voor zowel licht, geluid als decor, zoals deze zijn bepaald door de regie; - geeft leiding aan de technici en de assistent-technici; - productieleider: stelt per productie een begroting op voor de technische uitvoering en beheert het budget per productie en rapporteert aan de zakelijke leider. - Loongroep B : 1.- hoofd decoratelier; - hoofd kostuumatelier; - assistent-ontwerpers; - tweede regieassistent : degene die belast is met de organisatie van het repetitieproces; - technicus (tweede toneelmeester) : bereidt voorstellingen voor op aanwijzingen van het Hoofd Toneeltechniek en/of de directie en draagt tijdens voorstellingen zorg voor de voorbereiding, de opbouw en het verloop van de voorstelling, voor één van de disciplines: licht, geluid of decor. 2. - administratief personeel voor coördinatie van administratieve opdrachten;met eindverantwoordelijkheid wat betreft de opgedragen taken. - Loongroep C + : 1. a.de werknemers genoemd in loongroep C 1. met een specifieke opleiding; b. de werknemers genoemd in loongroep C 1.met minimum 4 jaar anciënniteit die omwille van hun bekwaamheid kunnen gelijkgesteld worden met deze in punt 1.a. van loongroep C +; 2. a.de werknemers genoemd in loongroep C 2. met een specifieke opleiding; b. de werknemers genoemd in loongroep C.2. met minimum 4 jaar anciënniteit, die omwille van hun bekwaamheid kunnen gelijkgesteld worden met deze in punt 2.a. van loongroep C +. - Loongroep C : 1.- werknemers atelier (naaisters,|PO); - voorstellingsassistenten (kleedsters, grimeurs, opgevers, kappers); - assistent-technici (derde toneelmeesters, machinisten, elektriciens): verrichten volgens instructies van het Hoofd Toneeltechniek of van de technicus voorbereidende werkzaamheden bij de opbouw van licht, geluid en decor en/of tijdens het verloop van de voorstelling; - chauffeurs. 2. - administratief personeel met uitvoerende taak. - Loongroep D : - onderhoudspersoneel; - zaalpersoneel; - kassapersoneel; - portiers; - en vergelijkbare functies. Art. 8.§ 1. De wekelijkse rustdag is vastgesteld op zondag. Indien zondag een werkdag is, dan valt de rustdag op een andere vast te stellen dag, in principe in de volgende week, maar rekening houdend met wat bepaald wordt in artikel 8 § 2. Valt een wettelijke feestdag op een rustdag, dan zal de wettelijke feestdag worden toegekend op een andere werkdag. Indien de werknemers tijdens buitenlandse tournees een vrije dag hebben wordt die vrije dag als rustdag erkend. § 2. Onderstaande flexibiliteitsregelingen gelden voor de volgende werknemersgroepen : A. De werknemers genoemd in artikel 7, groep A.1 : - Er kunnen maximum 2 voorstellingen per dag gegeven worden. Uitzonderlijk zijn drie voorstellingen mogelijk wanneer het gaat om een gezamenlijke duurtijd van maximum drie uur en gegeven op dezelfde locatie. - Op een dag van 2 voorstellingen kan niet gerepeteerd worden. - Er kunnen maximum 6 opeenvolgende dagen arbeidsprestaties geleverd worden. Bij reisvoorstellingen kan hiervan afgeweken worden, met respect voor wat in art. 8 § 1 bepaald wordt. - Er kunnen na overleg tussen werkgever en werknemers maximum 10 opeenvolgende dagen arbeidsprestaties geleverd worden in periodes van generale repetities. De eindbeslissing daaromtrent ligt bij de werkgever. - Er moet minstens 10 u. nachtrust voorzien worden; daarbij wordt bij reisvoorstellingen uitgegaan van de veronderstelling dat een half uur na de voorstelling afgereisd wordt. B. De werknemers genoemd in artikel 7, groep A.2, groep B.1, groep C+1 en groep C.1 :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.