← België

Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2

1 DECEMBER

  1. - Besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2 De Vlaamse regering, Gelet op het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997, inzonderheid op artikel 44; Gelet op het advies van de afdeling buitengewoon basisonderwijs van de Vlaamse Onderwijsraad, gegeven op 29 juni 1998 en op 22 oktober 1998; Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 14 oktober 1998; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat de Vlaamse regering in toepassing van artikel 44, § 3, van het decreet basisonderwijs de lijst van ontwikkelingsdoelen binnen één maand na goedkeuring door de Vlaamse regering ter bekrachtiging aan het Vlaams Parlement moet voorleggen. Gelet op het feit dat de ontwikkelingsdoelen vastgelegd in dit besluit van kracht zullen zijn op 1 september 1999 en dat de schoolbesturen voldoende voorbereidingstijd moeten krijgen om ze in hun planning te verwerken; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 29 oktober 1998, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.De ontwikkelingsdoelen die als bijlage bij dit besluit zijn gevoegd, zijn de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type 2, zoals bedoeld in artikel 44 van het decreet basisonderwijs van 25 februari
  2. Art. 2.De ontwikkelingsdoelen vastgesteld bij dit besluit moeten in acht worden genomen vanaf het schooljaar 1999-
  3. Art. 3.Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad. Art. 4.De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 1 december
  4. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, E. BALDEWIJNS Bijlage Leergebied "communicatie en taal"
  5. Domein communicatieve vaardigheden 1.
  6. Basale communicatieve vaardigheden Verwerven van handelingen, gedrag en vaardigheden voor communicatie
  7. De leerling ervaart/herkent/reageert op vertrouwde personen.
  8. De leerling ervaart/herkent/onderscheidt/reageert op alledaagse situaties.
  9. De leerling ervaart/beheerst zijn ademhaling op een doeltreffende wijze.
  10. De leerling ervaart/beheerst de motoriek van de spraakorganen op een doeltreffende wijze.
  11. De leerling beheerst vaardigheden om alternatieve communicatiesystemen te gebruiken. 1.
  12. Communicatieve vaardigheden "luisteren" Communicatievormen
  13. De leerling begrijpt één of meerdere communicatiesystemen. Communicatiecontexten
  14. De leerling begrijpt communicatie in omgang met gekende personen in verschillende situaties : verzorging, eten, leren, ontspannen en leven.
  15. De leerling begrijpt communicatie in omgang met gekende personen in een uitgebreide omgeving.
  16. De leerling begrijpt communicatie met niet gekende personen in een uitgebreide omgeving. 1.
  17. Communicatieve vaardigheden "spreken" Communicatievormen
  18. De leerling communiceert via één of meerdere communicatiesystemen. Communicatiecontexten
  19. De leerling communiceert met gekende personen in verschillende situaties : verzorgen, eten, leren, ontspannen en leven.
  20. De leerling communiceert met gekende personen in een uitgebreide omgeving.
  21. De leerling communiceert met niet gekende personen in een uitgebreide omgeving.
  22. Domein lezen 2.
  23. Faciliterende leesvoorwaarden en -aspecten Visueel-ruimtelijke leesvoorwaarden en -aspecten
  24. De leerling onderscheidt verschillen visueel.
  25. De leerling analyseert visueel.
  26. De leerling onthoudt visuele informatie.
  27. De leerling ordent visueel van links naar rechts. Auditief-temporele leesvoorwaarden en -aspecten
  28. De leerling discrimineert auditief.
  29. De leerling analyseert auditief.
  30. De leerling synthetiseert auditief.
  31. De leerling onthoudt auditieve informatie. Leesbegrippen
  32. De leerling begrijpt de ruimtelijke en temporele begrippen die voor het lezen nodig zijn. 2.
  33. Functioneel lezen Voorwerpen of voorstellingen die naar persoonlijke situatie verwijzen
  34. De leerling gebruikt verwijzers. Pictogrammen
  35. De leerling identificeert de universele pictogrammen in een vertrouwde omgeving en reageert op adequate wijze.
  36. De leerling identificeert de universele pictogrammen in openbare gebouwen en plaatsen en reageert op adequate wijze. Geschreven persoonlijke gegevens
  37. De leerling herkent en hanteert geschreven persoonlijke gegevens. Eenvoudige verhalen (met het oog op de vrijetijdsbesteding)
  38. De leerling volgt een verhaal op basis van prenten of tekeningen.
  39. De leerling volgt een verhaal op basis van de voorgelezen tekst.
  40. De leerling leest en begrijpt eenvoudige verhalen. Geschreven informatie
  41. De leerling identificeert de geschreven namen van familieleden en kennissen.
  42. De leerling identificeert eenvoudige geschreven basiswerkwoorden die een actie aangeven.
  43. De leerling reageert op adequate wijze op geschreven informatie die gevonden kan worden op veiligheidsaanduidingen / verpakkingen en etiketten / aanwijzingen en signaalwoorden.
  44. De leerling reageert correct op eenvoudig geschreven opdrachten.
  45. De leerling hanteert informatie op gegevenslijsten, dienstregelingen en mededelingenborden. Geschreven instructies uitvoeren
  46. De leerling voert gevisualiseerde instructies uit.
  47. Domein schrijven 3.
  48. Faciliterende schrijfvoorwaarden en -aspecten Klein-motorische vaardigheden
  49. De leerling bezit een adequate lichaamstonus en voldoende differentiatie in de beweging van de bovenste ledematen en de romp om tot een goede schrijfhouding te komen.
  50. De leerling gebruikt schrijfmateriaal correct.
  51. De leerling tekent lijnen en vormen na.
  52. De leerling kopieert getallen, letters en woorden. Eenvoudige figuren en tekens
  53. De leerling reproduceert eenvoudige figuren en tekens uit het hoofd. 3.
  54. Functioneel schrijven Persoonlijke gegevens, noden en gedachten
  55. De leerling schrijft persoonsgebonden gegevens neer.
  56. De leerling schrijft eenvoudige boodschappen.
  57. De leerling adresseert correct. Hulpmiddelen
  58. De leerling gebruikt hulpmiddelen om te communiceren via geschreven taal. Leergebied "leren leren"
  59. Domein motivatie Gevoel van bekwaamheid 1.De leerling vertoont voldoende zelfvertrouwen om te leren. Zelfontplooiing
  60. De leerling streeft zelf naar een optimale ontplooiing van zijn mogelijkheden. Veranderbaarheid
  61. De leerling stelt vorderingen bij zichzelf vast. Persoonlijke zingeving
  62. De leerling is intrinsiek gemotiveerd, leergierig en leerbereid.
  63. De leerling vraagt naar/begrijpt de zin van aangeboden taken. Adequate werkhouding
  64. De leerling toont concentratie.
  65. De leerling stemt zijn werktempo af op de moeilijkheidsgraad en zijn vertrouwdheid met de taak.
  66. De leerling heeft zin voor orde en netheid en werkt uit zichzelf nauwkeurig. Doelgerichtheid
  67. De leerling stuurt zijn gedrag naar een bepaald doel. Omgaan met successen en mislukkingen
  68. De leerling ervaart falen of slagen.
  69. De leerling gaat adequaat om met successen en mislukkingen. Open staan voor uitdagingen
  70. De leerling neemt initiatief bij nieuwe taken.
  71. Domein cognitie en metacognitie 2.
  72. Metacomponenten Probleemanalyse
  73. De leerling ervaart een probleem.
  74. De leerling uit het probleem op een materiële, perceptuele of verbale wijze.
  75. De leerling analyseert het probleem.
  76. De leerling beslist of hij een bepaald probleem al dan niet zal aanpakken. Snelheidselectie en reflecterend vermogen
  77. De leerling beheerst zijn impulsiviteit.
  78. De leerling reflecteert vóór, tijdens en na het handelen. Planmatig werk
  79. De leerling ervaart planmatig werken.
  80. De leerling stelt een plan op en kent de volgorde van de stappen.
  81. De leerling evalueert en stuurt zijn planmatig werken bij. Zelfinstructie
  82. De leerling verwoordt voor zichzelf wat hij aan het doen is en wat hij zal doen via gebaren, voorstellingen en taal.
  83. De leerling bewaakt zijn werkwijze tijdens de taakuitvoering. Zelfregulatie
  84. De leerling voltooit een begonnen taak met het nodige doorzettingsvermogen.
  85. De leerling stuurt en controleert zijn denken en handelen. 2.
  86. Performantiecomponenten
  87. De leerling groepeert om een probleem op te lossen.
  88. De leerling serieert om een probleem op te lossen.
  89. De leerling vergelijkt om een probleem op te lossen.
  90. De leerling ervaart conservatie.
  91. De leerling legt relaties in functionele situaties.
  92. De leerling bouwt een geheel op grond van delen.
  93. De leerling splitst een groter geheel op in delen, deelaspecten en/of tussenstappen.
  94. De leerling lost een probleem op via imitatie.
  95. De leerling gaat op eigen initiatief een oplossing zoeken door effectief te proberen en te leren uit ervaringen.
  96. De leerling gebruikt een gekende oplossingsmethode in een vergelijkbare situatie.
  97. De leerling komt vanuit concrete oplossingen tot een meer algemeen geldend oplossend gedrag.
  98. De leerling vindt door gebruik te maken van een algemene regel oplossingen in een concrete situatie.
  99. De leerling ervaart de zin van structuren en regels.
  100. De leerling hanteert ordeningsprincipes om structuren aan te brengen. 2.
  101. Kennisverwervende componenten Leercomponenten
  102. De leerling is gericht op het juist begrijpen van woorden en ideeën.
  103. De leerling is gericht op het juist gebruiken van woorden en ideeën.
  104. De leerling vraagt uitleg bij wat hij niet begrijpt.
  105. De leerling begrijpt relatiewoorden. Geheugencomponenten
  106. De leerling onthoudt en reproduceert op een adequate wijze informatie. Transfercomponenten
  107. De leerling draagt gekende informatie over van de ene situatie naar de andere. Leergebied "Motorische ontwikkeling en lichamelijke opvoeding"
  108. Domein basale stimulatie 1.
  109. Somatische waarneming Aanraking
  110. De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op aanraking.
  111. De leerling ervaart zichzelf als een eenheid. Bioritme
  112. De leerling ervaart en reageert adequaat op het bioritme. Contrast spanning en ontspanning
  113. De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op spanning en ontspanning. 1.
  114. Vibratorische waarneming
  115. De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op vibratorische waarneming. 1.
  116. Vestibulaire waarneming
  117. De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op vestibulaire prikkels. 1.
  118. Ademhalingswaarneming Ademritme
  119. De leerling ervaart, verdraagt en reageert adequaat op beïnvloeding van het ademhalingsritme.
  120. De leerling ontwikkelt toegankelijkheid voor communicatie via de ademhaling.
  121. Domein lichaamsperceptie Lichaamsbewustzijn 9.De leerling ervaart dat hij een lichaamscentrum heeft.
  122. De leerling ervaart het lichaam als totaliteit.
  123. De leerling toont dat hij de opbouw van zijn lichaam kent: is zich bewust van de verschillende delen.
  124. De leerling ontwikkelt en beheerst (met/zonder hulp) een goede uitgangshouding. Lichaamsgrenzen
  125. De leerling voelt zich goed in het eigen lichaam. Lichaamshelften
  126. De leerling ervaart en onderscheidt beide lichaamshelften. Links-rechts oriëntering
  127. De leerling ervaart en kent de voorkeurslichaamszijde en ontwikkelt het gebruik ervan.
  128. De leerling onderscheidt links en rechts bij zichzelf, bij de anderen of bij een afbeelding door aan te duiden en/of te benoemen. Verbale termen in verband met het eigen lichaam
  129. De leerling is in staat lichaamsdelen bij zichzelf, bij de anderen of op een afbeelding aan te duiden, te herkennen en/of te benoemen.
  130. De leerling toont bij zichzelf, bij de anderen of op een afbeelding het lichaamsdeel dat een bepaalde functie uitoefent.
  131. De leerling benoemt de functie van de belangrijkste lichaamsdelen.
  132. De leerling demonstreert de belangrijkste lichaamsfuncties.
  133. De leerling geeft de positie van de verschillende lichaamsdelen t.o.v. elkaar weer. Verbale termen in verband met houdingen en bewegingen
  134. De leerling beeldt houdingen en/of bewegingen uit na verbale omschrijving.
  135. De leerling benoemt de voornaamste houdingen.
  136. Domein groot-motorische bewegingen en vaardigheden Bevorderen van motorische ontwikkeling 24.De leerling beheerst primaire lichaamscontrole en bewegingen. Algemene dynamische coördinatie
  137. De leerling houdt zijn lichaam in evenwicht.
  138. De leerling hanteert aangepast materiaal op verschillende wijzen (werpen, opvangen, trekken, duwen, tillen, dragen, opheffen, zwaaien, zwieren, erop slaan,wegschoppen).
  139. De leerling beweegt zich voort (stappen, marcheren, wandelen, lopen, huppelen, hinkelen, klimmen, klauteren, glijden, schuiven).
  140. De leerling springt in de hoogte en in de verte.
  141. De leerling beweegt rug- en/of zijwaarts. Dynamische coördinatie bij voortbewegen
  142. De leerling gebruikt adequaat de nodige hulpmiddelen bij het dynamisch voortbewegen.
  143. De leerling voelt zich veilig en beweegt zich voort in het water.
  144. De leerling stapt trappen op en af.
  145. Domein klein-motorische vaardigheden Initiële manipulatieve vaardigheden 33.De leerling komt tot grijpen, vasthouden, optillen en loslaten van een voorwerp binnen handbereik.
  146. De leerling draait zijn romp en maakt een voor- of achterwaartse circulaire armbeweging.
  147. De leerling manipuleert voorwerpen met overschrijding van de verticale lichaamsas (middellijn van het lichaam).
  148. De leerling ontwikkelt een samenwerking van beide handen. Klein-motorische vaardigheden voor het bedienen van eenvoudige instrumenten en uitrustingen
  149. De leerling werkt met sensopatisch materiaal.
  150. De leerling werkt met verschillende materialen.
  151. De leerling bewerkt materiaal met instrumenten.
  152. De leerling maakt constructies door gebruik te maken van verschillende materialen zoals papier, hout, stof, leder, koord, garen, stenen, schelpen, gras, rijst, bonen en macaroni. Leergebied "muzische vorming" Exploreren
  153. De leerling exploreert (met alle zintuigen) allerlei voorwerpen en materialen in zijn omgeving.
  154. De leerling verkent zijn bredere omgeving. Experimenteren
  155. De leerling experimenteert (manipuleert, transformeert en combineert) en speelt met allerlei basisspeelgoed en spelletjes.
  156. De leerling experimenteert met verschillende materialen en technieken om tot beeldend werk te komen.
  157. De leerling experimenteert met klanken, stem en instrumenten, en test verschillende klankbronnen uit.
  158. De leerling experimenteert met de verschillende bewegingsmogelijkheden van het eigen lichaam.
  159. De leerling experimenteert met symbolische spelvormen. Representeren via diverse expressievormen
  160. De leerling komt tot imitatie.
  161. De leerling uit zich op een beeldende manier.
  162. De leerling vindt plezier en voldoening in verschillende expressiemogelijkheden.
  163. De leerling zoekt een eigen oplossing voor problemen waarmee hij geconfronteerd wordt bij het spelen of muzisch handelen. Samenwerken in spel of bij een muzische activiteit
  164. De leerling speelt samen met anderen tijdens een muzische activiteit. Spelen als bijdrage tot ontwikkeling
  165. De leerling kiest voor functiespel (en dit kan door aanwending van de verschillende sensorische kanalen).
  166. De leerling doet aan symbolisch spel waarbij de alsof-realiteit primeert.Binnen deze alsof-realiteit wordt de werkelijkheid herschapen en/of door fantasie bewerkt.
  167. De leerling doet aan constructiespel dat gekenmerkt wordt door een vooropgezet plan, een voorafgaande benoeming van het product, de uitvoering van het plan en de herkenbaarheid van het eindproduct.
  168. De leerling doet aan regelspel waarbij (spel)regels, wedijver en het beurtrolsysteem en in sommige gevallen het spelen in een partnersituatie centraal staan. Waarderen van expressie van anderen en van andere culturen
  169. De leerling geniet van en waardeert expressie van anderen en andere culturen. Zelfstandig spelen
  170. De leerling kiest een spel, spelmateriaal, of een muzische activiteit in functie van activiteit en omstandigheden.
  171. De leerling speelt zelfstandig of is muzisch bezig in de buurt van volwassenen.
  172. De leerling speelt of werkt gedurende een tijd alleen. Streven naar een « eindproduct »
  173. De leerling geeft aan wanneer datgene wat gemaakt werd « af » is.
  174. De leerling gaat om met de waardering van anderen over de muzische activiteit. Uitbouwen van een eenvoudige hobby
  175. De leerling beleeft een zelf gekozen activiteit als hobby.
  176. De leerling communiceert met anderen over zijn hobby. Leergebied "sociaal-emotionele ontwikkeling"
  177. Domein emotiebeleving Besef van behoeften, verlangens en gevoelens 1.De leerling ontdekt lust- en onlustgevoelens.
  178. De leerling hanteert gedrag dat leidt tot behoeftebevrediging.
  179. De leerling beseft grenzen vanuit zijn omgeving en vanuit zichzelf ten aanzien van zijn behoeftebevrediging. Inzicht en beheersing van behoeften en verlangens
  180. De leerling ervaart en herkent elementaire behoeften en verlangens.
  181. De leerling gaat adequaat om met elementaire behoeften en verlangens.
  182. De leerling maakt een eenvoudige keuze tussen behoeften/verlangens.
  183. De leerling stelt bepaalde behoeften en verlangens uit of ziet ervan af. Ontwikkelen en beheersen van emoties
  184. De leerling ervaart en herkent bij zichzelf emoties en gevoelsuitdrukkingen.
  185. De leerling gaat bij zichzelf adequaat om met emoties en gevoelsuitdrukkingen.
  186. De leerling benoemt bepaalde emoties bij zichzelf. Ontwikkelen van autonomie
  187. De leerling is zich bewust van zijn eigenheid als individu.
  188. De leerling ervaart de regelmatig voorkomende gevoelens van macht en onmacht en leert met deze gevoelens rekening te houden.
  189. Domein sociale beleving Passief contact met de wereld via één of meer kanalen (zie ook leergebied "wereldoriëntatie - domein "mens") 13.De leerling aanvaardt contact via één of meerdere kanalen (tactiele, auditieve, visuele, smaak- en reukwaarneming). Actief contact met de wereld, via één of meer kanalen
  190. De leerling legt of vraagt contact via één of meerdere kanalen. Gehechtheidsrelatie met een vertrouwde volwassene
  191. De leerling ervaart het onderscheid tussen zijn persoon en de anderen (scheiding ik-niet ik).
  192. De leerling herkent vertrouwde personen.
  193. De leerling is bereid tot medewerking en samenwerking met zijn verzorger/begeleider.
  194. De leerling aanvaardt verwijdering van vertrouwde personen.
  195. De leerling vraagt om en hecht zich aan materialen, dieren en personen.
  196. De leerling beseft en geniet van wederkerigheid met vertrouwde personen.
  197. De leerling herkent gevoelens (uitdrukkingen) bij anderen.
  198. De leerling benoemt gevoelens en emoties bij anderen.
  199. De leerling reageert adequaat op gevoelens van anderen. Voor zichzelf opkomen
  200. De leerling durft communiceren met anderen.
  201. De leerling geeft zijn mening op een aanvaardbare manier.
  202. De leerling komt voor zichzelf op.
  203. De leerling aanvaardt een compromis. Interpersoonlijke relaties
  204. De leerling komt los van vertrouwde personen en gaat een relatie aan met anderen.
  205. De leerling houdt rekening met anderen.
  206. De leerling aanvaardt en beantwoordt vriendschap. Seksuele identiteit
  207. De leerling ervaart en exploreert seksuele gevoelens.
  208. De leerling gaat op een aanvaardbare manier om met seksuele gevoelens. Gevolgen van eigen gedrag inzien en accepteren
  209. De leerling neemt verantwoordelijkheid voor bepaalde taken en afspraken op zich.
  210. De leerling aanvaardt kritiek.
  211. De leerling is oprecht. Leergebied "wereldoriëntatie"
  212. Domein mens en natuur 1.
  213. Gezondheidseducatie Gezonde keuzes maken
  214. De leerling aanvaardt dat anderen gezonde keuzes voor hem maken.
  215. De leerling maakt zelf gezonde keuzes. Omgaan met gezondheidsproblemen
  216. De leerling aanvaardt dat medicatie wordt toegediend.
  217. De leerling neemt maatregelen om ongelukjes te voorkomen.
  218. De leerling geeft te kennen dat hij zich ziek voelt.
  219. De leerling behandelt kleine verwondingen adequaat.
  220. De leerling gaat gepast om met medicatie. Gevaarsituaties herkennen
  221. De leerling herkent gevaarlijke materialen en situaties en reageert adequaat.
  222. De leerling gaat niet mee met onbekenden of vreemden.
  223. De leerling herkent signalen die wijzen op mogelijk gevaar. Veiligheid
  224. De leerling speelt op een veilige wijze met materialen en instrumenten.
  225. De leerling gaat veilig om met dieren.
  226. De leerling begrijpt veiligheidsvoorschriften en reageert er adequaat op.
  227. De leerling reageert op adequate wijze in noodsituaties. 1.
  228. Mens Geurwaarneming
  229. De leerling staat open voor en reageert op geuren.
  230. De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. geuren.
  231. De leerling communiceert de beleving van geuren. Smaakwaarneming
  232. De leerling staat open voor en reageert op smaken.
  233. De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. smaken.
  234. De leerling communiceert de beleving van smaken. Tactiele waarneming
  235. De leerling staat open voor en reageert op tactiele waarneming.
  236. De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. tactiele stimuli.
  237. De leerling communiceert de beleving van tactiele stimuli. Auditieve waarneming
  238. De leerling staat open voor en reageert op auditieve waarneming.
  239. De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. auditieve stimuli.
  240. De leerling communiceert de beleving van auditieve stimuli. Visuele waarneming
  241. De leerling staat open voor en reageert op visuele waarneming.
  242. De leerling exploreert, herkent, vergelijkt en legt relaties m.b.t. visuele stimuli.
  243. De leerling communiceert de beleving van visuele stimuli. 1.
  244. Milieu-educatie
  245. De leerling is ontvankelijk voor milieubewust gedrag.
  246. De leerling begrijpt milieubewust gedrag van anderen.
  247. De leerling gedraagt zich milieubewust.
  248. Domein tijd Tijdsbewustzijn 33.De leerling ervaart en reageert op tempo en ritme.
  249. De leerling stemt zijn beweging af op een bepaald tempo en ritme. Functionele tijdsituaties
  250. De leerling identificeert en benoemt de specifieke momenten van de dag (morgen, namiddag, nacht) en koppelt het tijdstip (delen van de dag) aan gepaste activiteiten.
  251. De leerling identificeert en benoemt de dagen van de week, de maanden van het jaar, de seizoenen en de persoonlijke tijdsituaties.
  252. De leerling gebruikt een kalender.
  253. De leerling heeft kennis en begrip van de noties "bijna" en "juist voorbij" in verband met tijd en kan deze noties hanteren in functionele situaties.
  254. De leerling identificeert en benoemt de objectieve tijd.
  255. De leerling onderscheidt gebeurtenissen die in het heden, verleden en de toekomst plaatsvinden en heeft besef van heden, verleden en toekomst. Tijdsduur
  256. De leerling ervaart, begrijpt de verschillende aspecten van tijdsduur en gebruikt de begrippen in verband met tijdsduur.
  257. De leerling gaat bewust om met de beschikbare tijd.
  258. Domein ruimte Ruimtebeleving 43.De leerling ervaart de ruimte waarin hij zich bevindt.
  259. De leerling koppelt activiteiten en gebeurtenissen aan ruimten. Ruimte ordenen
  260. De leerling ordent gekende en minder gekende ruimtes.
  261. De leerling kent en gebruikt de belangrijkste begrippen in verband met de ruimte. Ruimte voorstellen
  262. De leerling stelt de ruimte voor in drie dimensies.
  263. De leerling stelt de ruimte voor in twee dimensies. Functioneel verplaatsen in de ruimte
  264. De leerling verplaatst zich en/of een voorwerp op een adequate wijze in een kleine of grote ruimte. Lokaliseren in de ruimte
  265. De leerling lokaliseert zichzelf, objecten en personen in de ruimte.
  266. Domein redzaamheid 4.
  267. Persoonlijke redzaamheid Functionele onafhankelijkheid bij het naar toilet gaan
  268. De leerling ontwikkelt zindelijk gedrag.
  269. De leerling respecteert sociale regels bij het naar het toilet gaan.
  270. De leerling verzorgt zichzelf bij het naar het toilet gaan. Functionele onafhankelijkheid bij het eten en drinken en het bereiden van voedsel en drank
  271. De leerling neemt zelfstandig voedsel op onder verschillende vormen.
  272. De leerling hanteert verschillende instrumenten bij het eten.
  273. De leerling respecteert sociale regels bij het samen eten.
  274. De leerling bereidt courant voedsel en drank. Functionele onafhankelijkheid bij aan- en uitkleden en de zorg voor kleding
  275. De leerling is bereid mee te werken bij het aan- en uitkleden.
  276. De leerling trekt kledingstukken aan en uit.
  277. De leerling herkent de eigen kledingstukken.
  278. De leerling draagt zorg voor kleding. Functionele onafhankelijkheid bij het zich wassen en verzorgen (hygiëne)
  279. De leerling is bereid mee te werken bij het wassen en verzorgen.
  280. De leerling verzorgt zich met behulp van instrumenten.
  281. De meisjes verzorgen zichzelf tijdens de menstruatie en verschonen zelfstandig het maandverband. 4.
  282. Huishoudelijke redzaamheid Functionele onafhankelijkheid bij het uitvoeren van huishoudelijke karweitjes.
  283. De leerling voert huishoudelijke taken uit met of zonder gebruik te maken van huishoudtoestellen.
  284. De leerling bedient geluids- en beeldapparatuur. 4.
  285. Maatschappelijke redzaamheid Functionele onafhankelijkheid bij het boodschappen doen of het winkelen
  286. De leerling onderscheidt verschillende waren en weet waar ze te koop zijn.
  287. De leerling gaat onder begeleiding winkelen.
  288. De leerling doet boodschappen. Functionele onafhankelijkheid bij het telefoneren.
  289. De leerling beantwoordt een telefoon.
  290. De leerling maakt gebruik van de telefoon in een vertrouwde omgeving.
  291. De leerling maakt gebruik van een telefoon in een niet-vertrouwde omgeving. Functionele onafhankelijkheid in het verkeer
  292. De leerling weet waar hij thuishoort in het verkeer.
  293. De leerling identificeert verkeerstekens en leeft ze na.
  294. De leerling begeeft zich zelfstandig naar voor hem vertrouwde plaatsen.
  295. De leerling gaat of verplaatst zich adequaat met hulpmiddelen.
  296. Domein Maatschappij Openheid voor de omringende wereld 77.De leerling bemerkt en reageert op de aanwezigheid van voorwerpen, dieren of personen.
  297. De leerling gewent aan de aanwezigheid van voorwerpen, dieren of personen.
  298. De leerling wordt aangesproken door de aanwezigheid van voorwerpen, dieren of personen. Leefregels
  299. De leerling is zich bewust van zichzelf en begrijpt zijn eigen plaats binnen de groep, gezin, leefgemeenschap of buurt.
  300. De leerling gedraagt zich op een aanvaardbare wijze zowel in openbare als in privé situaties.
  301. De leerling draagt zorg voor zijn persoonlijke bezittingen.
  302. De leerling draagt zorgt voor de bezittingen van anderen. Leergebied "wiskunde: functioneel rekenen" Rekentaalbegrippen in functionele situaties
  303. De leerling kent en begrijpt ruimtelijke relatiebegrippen.
  304. De leerling kent en begrijpt kwalitatieve relatiebegrippen.
  305. De leerling kent en begrijpt kwantitatieve relatiebegrippen. Tellen in functionele situaties
  306. De leerling telt (getekende) voorwerpen al dan niet in een rij met /zonder manipulatie, met/zonder aanwijzen.
  307. De leerling legt of tekent een opgegeven aantal voorwerpen.
  308. De leerling drukt het resultaat van zijn tellen uit in een getal dat de hoeveelheid weergeeft. Hoeveelheden in functionele situaties
  309. De leerling ervaart, vergelijkt en verwerft inzicht in verschillende hoeveelheden. Inzicht in getallen en symbolen in functionele situaties
  310. De leerling verwerft getalbeelden.
  311. De leerling leest en schrijft getallen.
  312. De leerling identificeert en reproduceert cijfers die voor hem persoonlijk van belang zijn.
  313. De leerling groepeert volgens een opgegeven aantal.
  314. De leerling automatiseert de getallenrij.
  315. De leerling leest grotere getallen in functionele situaties.
  316. De leerling identificeert de telwoorden van eenvoudige getallen.
  317. De leerling identificeert rangtelwoorden van eenvoudige getallen.
  318. De leerling kent en begrijpt de termen die bij het optellen gebruikt worden: "plus", "meer", "toevoegen", "bijdoen", "som" en "erbij".
  319. De leerling kent en begrijpt de termen die gebruikt worden bij het aftrekken: "wegnemen", "wegdoen", "aftrekken", "min", "minder" en "eraf".
  320. De leerling heeft inzicht in de bewerkingssymbolen: "+", "-" en het relatiesymbool "=".
  321. De leerling splitst getallen tot 5, 10, 20... Rekenkundige bewerkingen in functionele situaties
  322. De leerling voert eenvoudige optellingen uit bij vraagstukjes uit het dagelijks leven tot 10, 20, 100,...
  323. De leerling voert eenvoudige aftrekkingen uit bij vraagstukjes uit het dagelijks leven tot 10, 20, 100,...
  324. De leerling heeft kennis en begrip van de noties: "dubbel", "enkel", "paar", "half", "helft", "verdelen" en kan deze begrippen toepassen in functionele situaties.
  325. De leerling gebruikt een rekenmachine in functionele situaties.
  326. De leerling hanteert numerieke informatie uit zijn omgeving. Functioneel gebruik van geld
  327. De leerling identificeert en benoemt munten en briefjes.
  328. De leerling ordent munten en briefjes volgens waarde.
  329. De leerling telt kleingeld dat samengesteld is uit verschillende muntstukken.
  330. De leerling selecteert gepaste muntstukken en briefjes voor telefooncellen en verkoopautomaten.
  331. De leerling voert eenvoudige berekeningen uit met munten en briefjes in concrete situaties.
  332. De leerling begrijpt de zin van het wisselen van geld.
  333. De leerling betaalt benaderend en weet dat er nog wisselgeld moet volgen.
  334. De leerling stelt de prijs van artikelen vast aan de hand van prijskaartjes en prijsaanduidingen.
  335. De leerling frankeert brieven en postkaarten. Meetvaardigheden
  336. De leerling ervaart en hanteert het begrip "maat" in relatie met de lengte en de afstand.
  337. De leerling past een geschikte lengtemaat toe.
  338. De leerling ervaart en hanteert het begrip "maat" in relatie met het gewicht 37.De leerling past een geschikte gewichtsmaat toe.
  339. De leerling ervaart en hanteert het begrip "maat" van de inhoud.
  340. De leerling past een geschikte inhoudsmaat toe. Gezien om bevoegd te worden als bijlage bij het besluit van de Vlaamse regering van 1 december 1998 tot bepaling van de ontwikkelingsdoelen voor het buitengewoon basisonderwijs type
  341. Brussel, 1 december
  342. De minister-president van de Vlaamse regering, L. VAN DEN BRANDE De Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, E. BALDEWIJNS

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.