: de erkende verzorgingsvoorziening die op multidisciplinaire wijze ambulante geestelijke gezondheidszorg verleent in een extramuraal kader aan personen wiens geestelijke gezondheid verstoord is;2° LOGO : samenwerkingsverband voor bovenlokaal gezondheidsoverleg en organisatie, zoals bedoeld in hoofdstuk IIbis van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1991 inzake gezondheidspromotie, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1997;3° patiënt : persoon met ernstige geestelijke gezondheidsproblemen of met geestelijke gezondheidsproblemen die een ernstig risico tot chroniciteit in zich dragen en die in aanmerking komen voor zorgverlening;4° psychiatrisch netwerk : het geheel van juridisch onafhankelijke voorzieningen, instellingen, diensten en initiatieven dat een functioneel samenwerkingsverband vormt teneinde voor doelgroepen zorgprogramma's aan te bieden die als een samenhangend geheel worden ervaren;5° regering : de Vlaamse regering;6° registratie : de geüniformiseerde verzameling van geanonimiseerde kwantitatieve en kwalitatieve gegevens van de kenmerken van de patiëntenpopulatie en van de geleverde verantwoorde zorg en dit met het oog op de zelfevaluatie van het centrum
en het leveren van relevante informatie aan de regering;7° subsidie-enveloppe : het budget dat het centrum
jaarlijks ontvangt, op basis van vooraf door de regering vastgestelde parameters, om de overeengekomen prestaties en resultaten te leveren op een kwaliteitsvolle wijze;8° verwijzers : de door de regering aangewezen instanties die onder meer op basis van hun adequaat inzicht in het hulpverleningsaanbod binnen de Vlaamse Gemeenschap patiënten verwijzen naar centra
. Art. 3.Een centrum
is overeenkomstig de opdrachtverklaring, verplicht aan iedere patiënt, zonder onderscheid van leeftijd of geslacht, van ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging en zonder onderscheid van de vermogenstoestand van de betrokkene, verantwoorde zorg zoals bedoeld in artikel 4 te verstrekken en hem op een respectvolle manier te behandelen. Art. 4.§ 1. Een centrum
verstrekt verantwoorde zorg als deze zorg voldoet aan de vereisten van doelmatigheid, doeltreffendheid, continuïteit, veiligheid en maatschappelijke aanvaardbaarheid, en bestaat uit onder meer volgende elementen : intake, diagnose en indicatiestelling, sociaal-psychiatrische en psychotherapeutische behandeling en begeleiding, informatie en adviesverstrekking aan verwijzers met betrekking tot haar opdracht, werkingsbeginselen en doelgroepen. § 2. Onverminderd de bepalingen van § 1 en na overleg met de patiënt, overlegt het centrum
met de verwijzer en in voorkomend geval met andere betrokken hulpverleners en/of personen uit de leefomgeving van de patiënt. Dit overleg leidt tot afspraken over de bijdrage tot de zorg van elk van deze samenwerkende betrokkenen. Art. 5.Het centrum
respecteert te allen tijde de rechten van het kind, zoals opgesomd in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, ondertekend te New York op 20 november 1989 en goedgekeurd bij de wet van 25 november 1991Relevante gevonden documenten type wet prom. 25/11/1991 pub. 29/11/2018 numac 2018014673 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende goedkeuring van het Verdrag inzake de rechten van het kind aangenomen te New York op 20 november 1989. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Art. 6.Het centrum
respecteert te allen tijde de rechten van de mens, zoals opgesomd in het Verdrag ter bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 en in de aanvullende protocollen bij het Verdrag. HOOFDSTUK II. - Opdrachtverklaring en werkingsbeginselen Afdeling
dragen bij tot de verwezenlijking van de opdracht zoals bepaald in §
" teneinde de samenwerking zoals bedoeld in artikel 9, § 1, 7°, te optimaliseren. Afdeling
zich als tweedelijnsgezondheidsvoorziening;2° stelt het centrum
het belang van de patiënt centraal;3° schenkt het centrum
uitdrukkelijk aandacht aan kinderen, ouderen en aan sociaal en financieel zwakkere personen;4° werkt het centrum
interdisciplinair en benadert de patiënten vanuit psychiatrische, psychologische, agogische en sociale disciplines.Het centrum voorziet daartoe in logistieke ondersteuning; 5° functioneert het centrum
binnen één of meer psychiatrische netwerken waarin samenwerkingsafspraken en procedures zijn overeengekomen teneinde een voldoende, gedifferentieerd en doelgroepgericht geestelijk gezondheidszorgaanbod te realiseren, zodat patiënten er terecht kunnen voor passende zorg op maat;6° duidt het centrum
multidisciplinaire teams aan die aan kinderen en aan ouderen, bedoeld in 3°, geestelijke gezondheidszorg verlenen;7° maakt het centrum
afspraken met zijn verwijzers en werkt het centrum
samen met eerstelijnsgezondheids- en welzijnsvoorzieningen binnen zijn werkgebied;8° ontwikkelt het centrum
een deontologische code en respecteren de medewerkers van het centrum
het beroepsgeheim;9° verleent het centrum
zijn medewerking aan preventieve acties die kaderen in het verlengde van zijn opdracht en die gericht zijn op specifieke risicogroepen in de bevolking en sluit daartoe samenwerkingsakkoorden met de LOGO's die actief zijn binnen het werkgebied van het centrum
. § 2. De regering kan bijkomende taken opdragen aan de centra
ten behoeve van specifieke doelgroepen, problematieken of regionale behoeften of in geval van acute crisissituaties. § 3. Teneinde de effectiviteit, uniformiteit en professionaliteit van de aanpak van de drugproblematiek te vrijwaren, doen de centra
een beroep op de ondersteuning en begeleiding van de Vereniging voor Alcohol- en andere Drugproblemen (VAD) of haar rechtsopvolger. § 4. Een centrum
kan tegen vergoeding taken aanvaarden van personen, diensten of voorzieningen, andere dan bedoeld in artikel 2, 8°. Deze aanvullende taken beperken zich tot die gebieden die in de opdrachtverklaring zijn omschreven. Zij mogen in geen geval leiden tot een verminderde verwezenlijking of het in gevaar brengen van de realisatie van deze opdracht. De centra
rapporteren jaarlijks over de aard en omvang van deze aanvullende taken aan de regering. Art. 10.§ 1. Ter uitvoering van de bepaling omschreven in artikel 4 stelt het centrum
een handelingsplan op voor elke patiënt. §
zorg aan elke patiënt die op hem een beroep doet na verwijzing door een verwijzer. § 2. Het centrum
vat de eerste intake-gesprekken en daaropvolgend de eventuele zorgverlening aan binnen een redelijke termijn na de eerste aanmelding. Het beleidsplan zoals bepaald in artikel 25 bepaalt deze redelijke termijn. § 3. De centra
en de verwijzers en de voorzieningen bedoeld in artikel 9, § 1, 7°, wisselen met elkaar hun ervaringen uit teneinde de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de verwijzingen te evalueren en zonodig mechanismen uit te werken om de verwijzingen te optimaliseren. Art. 12.Alle partners binnen de psychiatrische netwerken voeren een registratie zoals bedoeld in artikel 2, 6°, volgens de regels die de regering bepaalt. Art. 13.Het centrum
legt voor elke patiënt aan wie zorgverlening wordt verstrekt één multidisciplinair dossier aan. Art. 14.De regering bepaalt de regels voor de samenstelling, het bijhouden, het vermenigvuldigen en de vernietiging van het patiëntendossier evenals de procedure voor de eventuele raadpleging en eventuele overdracht van het dossier. Ze houdt hierbij rekening met de geldende regels inzake het beroepsgeheim, de deontologie en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Art. 15.Het centrum
signaleert driejaarlijks aan de regering de factoren die op systematische wijze de geestelijke gezondheid van de bevolking van hun werkgebied beïnvloeden door de interpretatie van de gegevens die worden verzameld in het kader van de registratie. Een eerste rapport terzake wordt door het centrum
opgemaakt binnen een termijn van zes maanden die volgt op het einde van de eerste overeenkomst zoals bedoeld in artikel 24. Art. 16.Het centrum
organiseert de minimaal noodzakelijke permanentie tijdens vakantieperiodes en zijn bereikbaarheid tijdens de sluitingsuren. Art. 17.Het centrum
schept de voorwaarden zodat zijn personeelsleden zich voldoende en voortdurend kunnen vormen. Art. 18.De regering bepaalt na overleg met alle betrokken partijen de bestemming en de modaliteiten inzake de financiële bijdrage van de patiënt in functie van onder meer inkomen, gezinssituatie, intensiteit en chroniciteit van de zorgbehoefte. HOOFDSTUK III. - Erkenning van centra
.Elk centrum
dient als zodanig erkend te zijn door de regering. Art. 20.§
te erkennen. Art. 21.§ 1. De regering kan de erkenning van een centrum
intrekken wanneer aan één of meer voorwaarden van artikel 20 niet meer voldaan is. §
, dat wordt erkend met ingang van 1 januari 2000 en werd opgericht door een instantie zoals bedoeld in artikel 20, § 1, 1°, of de rechtsopvolger ervan, dat het was erkend op 1 januari 1999. § 2. Indien in een werkgebied, zoals bepaald in artikel 27, § 1, minder dan twee centra
erkend zijn, kan de regering vanaf 1 januari 2001 een erkenning verlenen aan een instantie, zoals bepaald in artikel 20, § 1, 1°, en voorzover wordt voldaan aan de bepalingen van artikel 20 en artikel 27, § 1. Art. 23.Hoofdstuk III van het decreet van 20 december 1996Relevante gevonden documenten type decreet prom. 20/12/1996 pub. 12/09/1997 numac 1997035791 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1997 sluiten houdende oprichting van een Vlaamse Gezondheidsraad en van een Vlaamse Adviesraad inzake erkenning van verzorgingsvoorzieningen, is van toepassing op de beslissingen inzake de erkenning en intrekking van erkenning van de centra
. HOOFDSTUK IV. - Overeenkomst en beleidsplan Art. 24.Enkel een erkend centrum
waarmee de regering een overeenkomst sluit komt in aanmerking voor subsidiëring. Deze overeenkomst bestaat uit twee delen : enerzijds de beschrijving van het beleidsplan, anderzijds de bepaling van de subsidie-enveloppe. In deze overeenkomst worden voor een periode van 3 jaar de algemene en specifieke doelstellingen omschreven, evenals de prestaties waartoe men zich verbindt en de resultaten die het centrum
beoogt. Art. 25.Het beleidsplan omvat minimaal : 1° de wijze waarop het centrum
de bepalingen van hoofdstuk II realiseert;2° de wijze waarop de kwaliteits- en prestatie-indicatoren worden toegepast en welke acties desgevallend ondernomen worden ter optimalisering van het functioneren van het centrum
;3° in voorkomend geval het akkoord zoals bedoeld in artikel 27, § 3. Art. 26.In het kader van de overeenkomst zoals bepaald in artikel 24 onderhandelt de regering met de centra
: 1° het aandeel van de personeels en werkingskosten in de subsidie-enveloppe;2° de mate waarin de subsidie-enveloppe evolueert ingevolge indexering en weddedrift. HOOFDSTUK V. - Programmatie van de centra
en hun investeringsmiddelen Afdeling
wordt gevormd door een sociologisch geheel van aaneensluitende gemeenten dat minimum 400.000 inwoners telt en maximum de werkgebieden omvat van de LOGO's die tot één provinciaal preventieplatform toetreden. Per werkgebied kunnen maximum 2 centra
worden erkend. Voor de Vlaamse Gemeenschap kunnen maximum 26 centra
worden erkend waarvan maximum 2 in Brussel-Hoofdstad. § 2. Elk centrum
kan over verschillende vestigingsplaatsen beschikken om een vlotte bereikbaarheid voor het publiek te realiseren. § 3. In elk werkgebied formaliseren in voorkomend geval de 2 centra
hun afspraken zodat wordt geconcretiseerd op welke wijze voldaan wordt aan artikel 9, 5°. § 4. De centra
kunnen niet eerder worden erkend dan wanneer is aangetoond dat de som van de werkgebieden van de centra
, de volledige Vlaamse Gemeenschap dekt. Art. 28.De regering bepaalt de parameters die zullen worden gehanteerd om de zorgbehoeften in elk werkgebied te detecteren als instrument om te komen tot een evenwichtige spreiding van de zorgverleningscapaciteit. Afdeling 2. - Investeringsmiddelen Art. 29.De centra
kunnen een beroep doen op de aan het VIPA binnen de beschikbare begrotingskredieten toegekende investeringsmiddelen voorzover : 1° het centrum
voldoet aan de erkenningsvoorwaarden zoals bedoeld in artikel 20;2° de behoefte aan nieuwbouw, verbouwing of uitbreiding is aangetoond en er binnen de werkgebieden van de psychiatrische netwerken geen bestaande geschikte gebouwen of voorzieningen beschikbaar zijn die geheel of gedeeltelijk door de Vlaamse Gemeenschap worden gesubsidieerd;3° de werken beantwoorden aan de door de regering vastgelegde fysische en financiële normen. HOOFDSTUK VI. - Multidisciplinaire wetenschappelijke ondersteuning Art. 30.§
door één of meerdere organisaties. De regering stelt deze middelen via overeenkomsten ter beschikking. § 2. Dit bedrag wordt aangepast aan de index. HOOFDSTUK VIII. - Personeel en leiding van het centrum
Het centrum
wordt geleid door een persoon die over voldoende ervaring en deskundigheid beschikt en die een specifieke vorming inzake leidinggeven heeft gevolgd. De regering bepaalt wat onder voldoende ervaring en deskundigheid wordt verstaan en welke specifieke vorming inzake leidinggeven in aanmerking komt. §
in staat om de opdrachten zoals vermeld in artikel 7 te vervullen. De regering kan aanvullende voorwaarden voor de samenstelling van het team bepalen. § 4. De regering bepaalt de minimumbarema's van de personeelsleden van de centra
evenals de respectieve diplomavoorwaarden voor de respectieve disciplines zoals vermeld in artikel 9, § 1, 4°. Art. 33.§ 1. Om specifieke deskundigheid maximaal aan te wenden kan maximum 10 procent van het personeel van een centrum
worden toegewezen aan een project waaraan andere centra
en/of één of meerdere partners van een psychiatrisch netwerk en/of de multidisciplinaire ondersteuning zoals bedoeld in artikel 30 en/of de dienstverlenende organisaties zoals bedoeld in artikel 31, participeren. § 2. De personeelsleden bedoeld in § 1 blijven administratief verbonden aan hun centrum
van oorsprong. Dit laatste centrum
rapporteert aan de regering over deze medewerking aan projecten. § 3. Elk centrum
kan een proportioneel gedeelte van zijn werkingsbudget overdragen aan de projecten zoals bedoeld in §
zijn opdrachten zoals bepaald in artikel 7 niet vervult. HOOFDSTUK IX. - Toezicht en visitatie van de centra
.De regering organiseert het toezicht op en de adviesverlening aan de centra
. Art. 35.Met het oog op de optimalisering van de zorgverlening en van het beheer van het centrum
, wordt elk centrum
minimaal zesjaarlijks doorgelicht door een visitatiecommissie. Deze visitatiecommissie is minstens samengesteld uit ambtenaren aangevuld met externe deskundigen. De regering bepaalt de opdrachten, de samenstelling en de werking van de visitatiecommissie. HOOFDSTUK X. - Opheffings en overgangsbepalingen en inwerkingtreding Art. 36.Worden opgeheven per 1 januari 2000 : 1° het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 1988 inzake erkenning en betoelaging van de centra
in Vlaanderen;2° het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 1990 betreffende de diploma's en de specifieke bekwaamheidsvereisten nodig voor het uitoefenen van bepaalde functies in de centra
;3° het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 1990 betreffende de lokalen en de infrastructuur van de centra
;4° het ministerieel besluit van 21 maart 1990 betreffende de indiening en de samenstelling van het aanvraagdossier voor het principieel akkoord, het erkenningsdossier en het wedererkenningsdossier van de centra
. Art. 37.De centra
die overeenkomstig artikel 22 worden erkend vanaf 1 januari 2000, dienen hun beleidsplan zoals bedoeld in artikel 25, in vóór 1 april 2000. Met het oog op de continuïteit van de subsidiëring wordt aan deze centra, in afwachting van de ondertekening van de overeenkomsten, maandelijks een voorschot toegekend. Dit voorschot is gelijk aan 1/12 van de som van de in 1999 verleende subsidies aan de centra
waarvan de centra die vanaf 1 januari 2000 worden erkend, dezelfde rechtspersoon of de rechtsopvolger zijn, verhoogd met 5 percent werkingskosten en 1/12 van de kostprijs voor een leidinggevende functie. Art. 38.Dit decreet treedt in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.