artikel 10 van het decreet van 19 december 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 19/12/1997 pub. 11/04/1998 numac 1998035254 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende oprichting van een Raad voor Cultuur, een Raad voor de Kunsten, een Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding en van een adviserende beroepscommissie inzake culturele aangelegenheden sluiten houdende oprichting van een Raad voor Cultuur, een Raad voor de Kunsten, een Raad voor Volksontwikkeling en Cultuurspreiding en van een adviserende beroepscommissie inzake culturele aangelegenheden. Art. 3.§
het decreet van 5 april 1995 tot oprichting van de Vlaamse Opera, en evenmin op de vzw Koninklijk Ballet van Vlaanderen en de vzw de Singel. HOOFDSTUK II. - Erkenning van professionele organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst, professionele organisaties voor dans, professionele organisaties voor muziektheater, professionele kunstencentra en professionele festivals voor podiumkunsten Afdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden Art. 4.§ 1. De Vlaamse regering erkent, na advies van de beoordelingscommissie voor Nederlandstalige dramatische kunst aangaande de artistieke aspecten, de organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst,
artikel 3, § 1, 1°, indien zij voldoen aan de specifiek op hen van toepassing zijnde voorwaarden, genoemd in artikel 5 en
artikel 3, § 1, 2°, indien zij voldoen aan de specifiek op hen van toepassing zijnde voorwaarden, genoemd in artikelen 5 en
artikel 3, § 1, 3°, indien zij voldoen aan de specifiek op hen van toepassing zijnde voorwaarden, genoemd in artikelen 5 en
artikel 3, § 1, 4°, indien zij voldoen aan de specifiek op hen van toepassing zijnde voorwaarden, genoemd in artikelen 5 en
artikel 3, § 1, 5°, indien zij voldoen aan de specifiek op hen van toepassing zijnde voorwaarden, genoemd in artikelen 5 en 6. Art. 5.§ 1. De organisaties,
artikel 3, § 1, 1° tot 5°, moeten om erkend te worden, beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° formele erkenningsvoorwaarden :
, 2°, a, van dit artikel is een nota waarin de organisatie uiteenzet op welke manier zij aan kwaliteitsontwikkeling doet, haar artistieke en zakelijke beleidsvisie toelicht en haar artistieke, organisatorische en financiële planning voor de periode van vier seizoenen, waarvoor zij erkenning vraagt, op realistische en, minstens wat het eerste seizoen van deze periode betreft, meer gedetailleerde wijze uiteenzet. De nota spreekt zich minstens uit over de loonkosten, de beoogde programmatie, de doorstroming, de kansen voor jonge podiumkunstenaars, de aandacht voor de Nederlandstalige dramaturgie, de doelgroepen en het publieksbereik, de eventuele educatieve werking, de uitbouw van de organisatie en de infrastructurele omkadering. De organisatie is verplicht om met betrekking tot elk dienstjaar van de erkenningsperiode een geactualiseerd beleidsplan in te dienen. De Vlaamse regering bepaalt nader de inhoud van het artistiek en financieel beleidsplan, de wijze waarop dit jaarlijks geactualiseerd moet worden en de wijze waarop en de termijn waarbinnen de organisatie dit geactualiseerd beleidsplan moet indienen. § 3. Voor de beoordeling van de originaliteit en/of diversiteit van de voorgestelde programmatie,
, 2°, b, van dit artikel, worden rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie onder meer de volgende elementen in aanmerking genomen : de keuze van het repertoire, de creaties, de keuze van de artistieke medewerkers, de wisselwerking met andere kunstsectoren, de eventuele educatieve omkadering. De festivals moeten tevens pogen om, in de mate van het mogelijke en passend binnen de eigen artistieke opties en het nagestreefde hoog artistiek kwaliteitsniveau, buitenlandse organisaties op significante wijze aan bod te laten komen. § 4. Voor de beoordeling van het streven naar spreiding en/of publiekswerving,
, 2°, c, van dit artikel, worden rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie onder meer de volgende elementen in aanmerking genomen : de geografische spreiding in en eventueel buiten het bevoegdheidsgebied van de Vlaamse Gemeenschap; de keuze van de lokaliteit waar de activiteiten plaatshebben; de regelmaat waarmee gelijkaardige activiteiten op dezelfde lokatie georganiseerd worden; de uitkoopsommen, deelname- en ticketprijzen; de initiatieven die genomen worden om een vast publiek te creëren en/of een nieuw publiek aan te trekken; de bijzondere initiatieven die genomen worden om bepaalde bevolkingsgroepen bij de activiteiten te betrekken; de wijze waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van de activiteiten. Art. 6.Onverminderd de erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 5, § 1, gelden voor de organisaties,
artikel 3, § 1, 1° tot 5°, de volgende bijkomende erkenningsvoorwaarden : 1° het artistieke beleid, op grond van het beleidsplan, toevertrouwen aan een artistieke leiding, waarbij de persoon (of personen) die de artistieke leiding uitoefent (of uitoefenen) contractueel verbonden is (of zijn) met de organisatie;2° het zakelijke beleid toevertrouwen aan een manager, die contractueel verbonden is met de organisatie;zowel het artistieke als het zakelijke beleid kan aan eenzelfde persoon worden toevertrouwd; 3° a) de organisaties,
artikel 3, § 1, 1°, moeten per erkenningsperiode van vier seizoenen minimaal één opdracht toekennen aan een Nederlandstalig toneelauteur of aan een mimograaf, die betrokken is bij het Vlaamse artistieke leven;b) de organisaties,
artikel 3, § 1, 2°, moeten per erkenningsperiode van vier seizoenen minimaal één oorspronkelijke choreografieopdracht toekennen aan een choreograaf, die betrokken is bij het Vlaamse artistieke leven;c) de organisaties,
artikel 3, § 1, 3°, moeten per erkenningsperiode van vier seizoenen minimaal één opdracht toekennen aan een Nederlandstalig toneelauteur, librettist, componist, choreograaf of mimograaf, die betrokken is bij het Vlaamse artistieke leven;d) de organisaties,
artikel 3, § 1, 4°, moeten per erkenningsperiode van vier seizoenen minimaal één creatieopdracht toekennen aan een componist of librettist, die betrokken is bij het Vlaamse artistieke leven;4° de toegekende opdrachten,
3°, moeten binnen dezelfde erkenningsperiode in de programmering worden opgenomen;5° de organisaties,
artikel 3, § 1, 3°, moeten per seizoen een aantal producties en/of manifestaties realiseren die een vernieuwende impact kunnen hebben in de diverse kunstuitingen;de Vlaamse regering bepaalt nader het vereiste aantal van deze producties en/of manifestaties. Art. 7.Een erkenning geldt voor vier jaar. Er kunnen geen tussentijdse erkenningen worden verleend. Afdeling
artikel 3, § 1, 1° tot 5°, moeten schriftelijk worden ingediend uiterlijk op 1 september van het voorlaatste jaar dat voorafgaat aan de vierjarige periode waarvoor de erkenning wordt aangevraagd. Deze aanvragen moeten ofwel per aangetekende zending verstuurd worden naar, ofwel tegen ontvangstbewijs bezorgd worden bij de door de Vlaamse regering aangewezen dienst. Onverminderd § 1, tweede lid, bepaalt de Vlaamse regering op welke wijze de tijdigheid van de aanvragen tot erkenning onderzocht en bepaald wordt. § 2. Een aanvraag tot erkenning, ingediend door een organisatie, zoals
artikel 3, § 1, 1° tot 5°, dient minimaal de volgende gegevens en documenten te bevatten : 1° een kopie van de statuten van de aanvrager van de erkenning zoals deze op het ogenblik van zijn aanvraag van kracht zijn en in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad gepubliceerd werden, ofwel een kopie van het besluit tot inrichten van het initiatief;2° de ledenlijst van de raad van beheer van de aanvrager zoals deze samengesteld was op het ogenblik van de aanvraag en gepubliceerd werd in de bijlagen van het Belgisch Staatsblad, ofwel de lijst van verantwoordelijken voor het initiatief;3° het artistiek en financieel beleidsplan,
artikel 5, § 1, 2°, a;4° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de erkenningsvoorwaarden, genoemd in artikel 5, § 1, en artikel 6;5° het activiteitenverslag van het voorbije seizoen. De Vlaamse regering bepaalt in hoeveel exemplaren de aanvraag tot erkenning overgemaakt moet worden. § 3. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst onderzoekt de tijdigheid, de volledigheid en de ontvankelijkheid van de aanvraag tot erkenning. Indien de aanvraag tot erkenning niet tijdig of onvolledig werd ingediend, dan is deze aanvraag onontvankelijk. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst brengt de betrokken organisatie op de hoogte van de onontvankelijkheid van haar aanvraag tot erkenning wegens laattijdigheid of onvolledigheid. De Vlaamse regering bepaalt de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. Indien de aanvraag tot erkenning, ingediend door een organisatie, zoals
artikel 3, § 1, 1° tot en met 5°, tijdig, volledig maar onontvankelijk is omdat de organisatie die de erkenning aanvroeg op het ogenblik van haar aanvraag niet voldeed aan de formele erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 5, § 1, 1°, dan brengt de door de Vlaamse regering aangewezen dienst de betrokken organisatie hiervan op de hoogte met vermelding van de reden waarom de aanvraag tot erkenning onontvankelijk werd verklaard. De Vlaamse regering bepaalt de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. Indien de aanvraag tot erkenning ontvankelijk is, dan brengt de door de Vlaamse regering aangewezen dienst de organisatie die deze aanvraag indiende hiervan op de hoogte. De Vlaamse regering bepaalt de termijn waarbinnen dit moet gebeuren. § 4. De daartoe bevoegde beoordelingscommissie of ad hoc commissie beoordeelt of de organisatie,
artikel 3, § 1, 1° tot en met 5°, die de aanvraag tot erkenning indiende, voldoet aan de kwalitatieve erkenningsvoorwaarden, bepaald in artikel 5, § 1, 2°. De beoordelingscommissies of de ad hoc commissie kunnen alle initiatieven nemen die zij nodig achten om de kwalitatieve erkenningsvoorwaarde op adequate wijze te kunnen toetsen. Zij kunnen onder meer de organisatie die de aanvraag tot erkenning indiende, horen, bijkomende documenten en gegevens opvragen en een bezoek ter plaatse brengen. §
Onderafdeling C. - Procedure voor schorsing en intrekking van een erkenning Art. 10.§
HOOFDSTUK III. - Subsidiëring van professionele organisaties voor Nederlandstalige dramatische kunst, professionele organisaties voor dans, professionele organisaties voor muziektheater, professionele kunstencentra, professionele festivals voor podiumkunsten en opdrachten aan scheppende kunstenaars Afdeling 1. - Subsidiëring voor het geheel van de werking Onderafdeling A. - Technieken en vormen van subsidiëring Art. 12.§ 1. Aan organisaties, zoals
artikel 3, § 1, 1° tot en met 5°, kunnen subsidies worden verleend voor het geheel van hun werking. §
artikel 12, § 1, worden om de vier jaar toegekend in de vorm van een vierjaarlijks financieringsbudget. Dit financieringsbudget bevat de nodige middelen voor de subsidiëring van basis-, personeels-, en werkingskosten van de organisaties,
artikel 3, § 1, 1° tot en met 5°. § 2. De subsidies,
artikel 12, § 1, worden in de vorm van voorschotten per kwartaal beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden. §
artikel 8, §
artikel 12, §
artikel 16, over de toekenning en over de grootte van het financieringsbudget. §
van dit artikel, dan wordt de subsidiëring van de organisaties, die reeds in toepassing van artikel 12, § 1, gesubsidieerd werden, met één jaar verlengd. Onverminderd artikel 12, § 2, is de voor dat jaar uitgekeerde subsidie gelijk aan een vierde van het financieringsbudget van vier jaar, eventueel met een aanpassing, zoals
artikel 13, § 3. Onderafdeling B. - Subsidiëringsvoorwaarden en beoordelingscriteria Art. 15.Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, zoals
artikel 12, § 1, moeten de organisaties,
artikel 3, § 1, 1° tot en met 5°, voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° erkend worden voor een duur van vier jaar, zoals
artikel 4 en deze erkenning gedurende deze vier jaar onbetwist behouden;2° per seizoen minimum 12,5 procent aan eigen inkomsten verwerven, berekend in verhouding tot de totale artistieke uitgaven; 3° a) de organisaties,
artikel 3, § 1, 1°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan of gelijk is aan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal honderdtwintig voorstellingen; b) de organisaties,
artikel 3, § 1, 1°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat groter is dan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal tweehonderdveertig voorstellingen; c) de organisaties,
artikel 3, § 1, 1°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat groter is dan 160.000.000 Belgische frank (3.966.296,40 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal vierhonderdtachtig voorstellingen; 4° a) de organisaties,
artikel 3, § 1, 2°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan of gelijk is aan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal tachtig voorstellingen; b) de organisaties,
artikel 3, § 1, 2°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat groter is dan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal honderdzestig voorstellingen; 5° a) de organisaties,
artikel 3, § 1, 3°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan of gelijk is aan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, op regelmatige wijze voorstellingen brengen, met dien verstande dat binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar minimum tweehonderd voorstellingen of manifestaties plaatsvinden; b) de organisaties,
artikel 3, § 1, 3°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat groter is dan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, op regelmatige wijze voorstellingen brengen, met dien verstande dat binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar minimum vierhonderd voorstellingen of manifestaties plaatsvinden; 6° a) de organisaties,
artikel 3, § 1, 4°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat kleiner is dan of gelijk is aan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal twintig voorstellingen; b) de organisaties,
artikel 3, § 1, 4°, die een vierjarig financieringsbudget ontvangen dat groter is dan 24.000.000 Belgische frank (594.944,45 euro), moeten overeenkomstig het beleidsplan, met een eigen gezelschap binnen de subsidiëringsperiode van vier jaar, evenwichtig gespreid over deze periode, zorgen voor een aanbod van minimaal vier nieuwe producties, en minimaal veertig voorstellingen; 7° een boekhouding voeren conform de bepalingen van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen;8° de collectieve arbeidsovereenkomsten voor de podiumkunsten, gesloten tussen de erkende vakbonden en werkgeversfederaties en geregistreerd op het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, naleven;9° a) de organisaties,
artikel 3, § 1, 1°, moeten minimum 50 % van de toegekende financieringsenveloppe gebruiken voor de honorering van personeelsleden;b) de organisaties,
artikel 3, § 1, 2°, moeten minimum 50 % van de toegekende financieringsenveloppe gebruiken voor de honorering van personeelsleden;c) de organisaties,
artikel 3, § 1, 3°, moeten minimum 20 % van de toegekende financieringsenveloppe gebruiken voor de honorering van personeelsleden;d) de organisaties,
artikel 3, § 1, 4°, moeten minimum 50 % van de toegekende financieringsenveloppe gebruiken voor de honorering van personeelsleden;e) de organisaties,
artikel 3, § 1, 5°, moeten minimum 10 % van de toegekende financieringsenveloppe gebruiken voor de honorering van personeelsleden. Art. 16.§ 1. Om de grootte van het financieringsbudget te bepalen, worden rekening houdend met de specificiteit van de betrokken organisatie de volgende beoordelingscriteria gehanteerd, voor zover deze relevant zijn voor de beoordeling van de gesubsidieerde activiteit : 1° beoordelingscriteria met betrekking tot de artistieke kwaliteit van de activiteit :
artikel 3, § 1, 1°, is gevestigd, opgericht of mede-opgericht door deze ondergeschikte besturen en gesubsidieerd zoals
artikel 13, § 1, behoudens afwijkingen toegestaan door de Vlaamse regering, het bewijs leveren dat zij gedurende de periode van vier seizoenen een financiële bijdrage verlenen waarvan het totale bedrag gelijk is aan de door de Vlaamse Gemeenschap verleende financieringsenveloppe. Behoudens de door de Vlaamse regering goed te keuren afwijkingen, komt dit totale subsidiebedrag voor één vierde ten laste van de provincie en voor drie vierden ten laste van de gemeente. § 2. De afwijkingen,
, kunnen alleen toegestaan worden op voorwaarde dat de betrokken provincie of gemeente onderworpen wordt aan een door een hogere overheid opgelegde sanering van de overheidsfinanciën. § 3. De Vlaamse regering sluit een overeenkomst met de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en met één of meer gemeenten gelegen in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, om een gelijkwaardige medefinanciering te verkrijgen, zoals
, voor de organisaties,
artikel 3, § 1, 1°, opgericht of medeopgericht door de Vlaamse Gemeenschapscommissie van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en/of gemeenten en gevestigd in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. Afdeling 2. - Subsidiëring van projecten Art. 19.Aan organisaties kunnen subsidies worden toegekend voor de realisatie van een project. Art. 20.Organisaties, die reeds gesubsidieerd worden, zoals
artikel 12, § 1, kunnen geen subsidie verkrijgen, zoals
artikel 19. Art. 21.De subsidies,
artikel 19, worden in de vorm van voorschotten beschikbaar gesteld. De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden. Art. 22.Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, zoals
artikel 19, moeten de organisaties voldoen aan de volgende voorwaarden : 1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter, zoals de vereniging zonder winstgevend doel en de instelling van openbaar nut;2° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;3° de meerderheid van de medewerkers moet in hoofdambt actief betrokken zijn bij het project;4° de collectieve arbeidsovereenkomsten voor de podiumkunsten, gesloten tussen de erkende vakbonden en werkgeversfederaties en geregistreerd op het ministerie van Arbeid en Tewerkstelling, naleven;5° minstens vijf voorstellingen brengen van het gesubsidieerde project. Art. 23.§
artikel 19, aanvraagt, voldoet aan de voorwaarden, bepaald in artikel 20 en artikel 22, 1° en 2°. Als de organisatie in kwestie niet aan die voorwaarden voldoet, dan is haar aanvraag tot subsidiëring onontvankelijk. De door de Vlaamse regering aangewezen dienst brengt de betrokken organisatie op de hoogte van de onontvankelijkheid van haar aanvraag tot subsidiëring met vermelding van de reden waarom de aanvraag onontvankelijk werd verklaard. De Vlaamse regering bepaalt de wijze waarop en de termijn waarbinnen dat moet gebeuren. § 4. De daartoe bevoegde beoordelingscommissie of ad hoc commissie beoordeelt de artistieke aspecten van het project waarvoor subsidiëring wordt aangevraagd en brengt daarover een gemotiveerd advies uit. De beoordelingscommissie of ad hoc commissie toetst daarbij de relevante beoordelingscriteria met betrekking tot de artistieke kwaliteit van het project, zoals
De door de Vlaamse regering aangewezen dienst beoordeelt de werking en het beheer van de organisatie die het project zal realiseren, aan de hand van de relevante beoordelingscriteria, zoals
§
artikel
artikel 19, uiterlijk vier maanden na de ultieme indieningsdatum van de aanvragen tot subsidiëring, zoals bepaald in §
artikel
artikel 3, § 1, 1° tot en met 5°, die gesubsidieerd worden, zoals
artikel 12, § 1, of artikel 19, voldoen aan de specifiek op hen van toepassing zijnde subsidiëringsvoorwaarden, genoemd in artikelen 15 en 22. Voor de organisaties die worden gesubsidieerd, zoals
artikel 12, § 1, geschiedt dit onderzoek op basis van een jaarverslag, dat ingediend wordt uiterlijk drie maanden na het einde van elk seizoen en dat gecontroleerd wordt door de door de Vlaamse regering aangewezen dienst en door een onafhankelijk bedrijfsrevisor of accountant. Voor organisaties die worden gesubsidieerd, zoals
artikel 19, geschiedt dit onderzoek op basis van een werkingsverslag, dat ingediend wordt uiterlijk 15 maanden na de datum van ondertekening van het besluit, waarin de projectsubsidie wordt toegekend. §
artikel 26, moet minimaal aan de volgende voorwaarden worden voldaan : 1° de scheppende kunstenaar moet betrokken zijn bij het Vlaamse artistieke leven;2° de opdrachtgever moet beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter, zoals de vereniging zonder winstgevend doel en de instelling van openbaar nut;hij moet gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad; 3° het opdrachtwerk moet door de opdrachtgever worden uitgevoerd;4° het opdrachtwerk moet een origineel werk zijn. § 2. Onverminderd § 1, kan de Vlaamse regering aanvullende voorwaarden bepalen voor de toekenning van subsidies, zoals
artikel
artikel 26, worden verleend aan de opdrachtgever. Zij worden echter rechtstreeks aan de scheppende kunstenaar uitbetaald. §
artikel 26, en de wijze waarop deze subsidies toegekend en uitbetaald worden. HOOFDSTUK IV. - Het steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap Art. 28.§ 1. De Vlaamse regering erkent en subsidieert voor een periode van vier seizoenen een organisatie als steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap, zoals
artikel 3, § 1, 6°. § 2. Het steunpunt podiumkunsten,
van dit artikel, moet als doel hebben een bijdrage te leveren tot het optimaal functioneren van de podiumkunsten op alle niveau's en in al hun aspecten. Daartoe zal het de kennis en meningsvorming over de podiumkunsten bevorderen, zowel op nationaal als op internationaal niveau; dit door onder andere informatie en documentatie, promotie en spreiding, studie en onderzoek. Het steunpunt vervult op het geheel van de podiumkunsten een dienstverlenende en ondersteunende functie. Art. 29.Om als steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap, zoals
artikel 3, § 1, 6°, te worden erkend en gesubsidieerd, moet de organisatie in kwestie beantwoorden aan de volgende voorwaarden : 1° beschikken over rechtspersoonlijkheid met niet-commercieel karakter, zoals de vereniging zonder winstgevend doel en de instelling van openbaar nut;2° gevestigd zijn in het Nederlandse taalgebied of het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad;3° in de beheersorganen van de organisatie moeten op een evenwichtige wijze representatieve partners en specialisten uit de diverse genres en onderdelen van de professionele podiumkunstensector zijn opgenomen, die een wezenlijke bijdrage kunnen leveren aan de werking van het steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap;4° een beleidsplan indienen en uitvoeren;in dat beleidsplan zet de organisatie haar organisatorische en financiële planning uiteen voor de periode van vier seizoenen, waarvoor zij erkenning en subsidiëring vraagt, en geeft zij aan op welke manier zij de taakomschrijving,
artikel 28, § 2, beleidsmatig zal invullen; 5° het beleid, op grond van het beleidsplan,
4°, toevertrouwen aan een directeur, die contractueel verbonden is met de organisatie;6° een boekhouding voeren conform de bepalingen van de wet van 17 juli 1975Relevante gevonden documenten type wet prom. 17/07/1975 pub. 30/06/2010 numac 2010000387 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen. Art. 30.§
artikel 29, 4°;4° een overzicht van de financiële situatie en de nodige elementen waaruit blijkt dat kan worden voldaan aan de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden, genoemd in artikel 29;5° het activiteitenverslag van het voorbije seizoen. Art. 31.§ 1. De Vlaamse regering legt, binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten, in de algemene uitgavenbegroting de bedragen vast die kunnen worden besteed voor de subsidiëring van de organisatie,
artikel 28, §
, worden toegekend in de vorm van een vierjaarlijks financieringsbudget voor het geheel van de werking. Dit budget bevat de nodige middelen voor de subsidiëring van basis-, personeels- en werkingskosten van de organisatie. § 3. De subsidies,
De Vlaamse regering bepaalt hoe de voorschotten berekend, uitbetaald en teruggevorderd kunnen worden. § 4. Bij de aanvang van elk werkingsjaar mag de Vlaamse regering de subsidies,
, aanpassen ter financiering van de extra personeelsuitgaven die voortvloeien uit de stijging van het indexcijfer op basis waarvan de salarissen van de Vlaamse ambtenaren worden berekend. Die aanpassing moet gebeuren binnen de perken van de door het Vlaams Parlement goedgekeurde kredieten. §
artikel 31, § 2, uiterlijk zes maanden voor het begin van de vierjarige periode. § 2. Indien de Vlaamse regering niet tijdig een beslissing neemt, zoals
, dan worden de erkenning en subsidiëring van de organisatie, die reeds met toepassing van artikel 28, § 1, werd erkend en gesubsidieerd, met één jaar verlengd. Onverminderd artikel 31, § 1, is de voor dat jaar uitgekeerde subsidie gelijk aan een vierde van het financieringsbudget van vier jaar, eventueel met een aanpassing, zoals
artikel 31, §
artikel 28, § 1, voldoet aan de erkennings- en subsidiëringsvoorwaarden, genoemd in artikel
artikel 28, § 1, een overeenkomst voor vier jaar, die betrekking heeft op de samenwerking tussen de Vlaamse Gemeenschap en het steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap en op het toezicht op de aanwending van de ter beschikking gestelde middelen. Deze overeenkomst wordt na goedkeuring door de Vlaamse regering onverwijld meegedeeld aan het Vlaams Parlement. Art. 35.Aan de organisatie,
artikel 28, § 1, kan door de Vlaamse Gemeenschap infrastructuur ter beschikking worden gesteld. Die terbeschikkingstelling is onderworpen aan een overeenkomst die de voorwaarden van de terbeschikkingstelling regelt. De overeenkomst wordt na goedkeuring door de Vlaamse regering onverwijld ingediend bij het Vlaams Parlement. De terbeschikkingstelling is tot wederopzegging toe, zonder dat daaruit enige eis tot schadeloosstelling kan worden gesteld. HOOFDSTUK V. - Slotbepalingen Art. 36.§ 1. Dit decreet wordt aangehaald als : "Podiumkunstendecreet". § 2. Dit decreet treedt in werking op de datum van bekrachtiging ervan door de Vlaamse regering. § 3. De bepalingen in verband met de erkenning en de toekenning van subsidies voor het geheel van de werking, zoals
hoofdstukken II en III, worden voor de eerste maal toegepast voor het seizoen dat start op 1 juli 2001. De bepalingen in verband met de toekenning van subsidies voor de realisatie van een project en van subsidies voor opdrachten aan scheppende kunstenaars, zoals
hoofdstuk III, worden voor de eerste maal toegepast voor het seizoen dat start op 1 januari 2001. De bepalingen in verband met de erkenning van en de toekenning van subsidies aan een steunpunt podiumkunsten van de Vlaamse Gemeenschap, zoals
hoofdstuk IV, worden voor de eerste maal toegepast voor het seizoen dat start op 1 januari 2001; § 4. In afwijking van artikel 8, § 1, tweede lid, moeten de aanvragen tot erkenning,
artikel 8, met betrekking tot de eerste vierjarige erkenningsperiode waarvoor erkenning kan worden aangevraagd, ingediend worden in het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan deze eerste vierjarige periode. De Vlaamse regering zal de datum waarop deze aanvragen tot erkenning ingediend moeten worden, nader bepalen; § 5. In afwijking van artikel 14, § 1, eerste lid, moeten de aanvragen tot subsidiëring,
artikel 14, met betrekking tot de eerste vierjarige periode waarvoor subsidiëring kan worden aangevraagd, ingediend worden in het voorlaatste kalenderjaar dat voorafgaat aan deze eerste vierjarige periode. De Vlaamse regering zal de datum waarop deze aanvragen tot subsidiëring ingediend moeten worden, nader bepalen; §
artikel 14, § 1, van het decreet van 27 januari 1993, bij wijze van overgangsmaatregel, verlengd tot 30 juni 2001. De voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2001 uitgekeerde subsidie is gelijk aan een achtste van de subsidies, zoals
artikel 18, § 1, van het decreet van 27 januari 1993, eventueel verhoogd met de bijkomende subsidies, zoals
artikel 21 van het decreet van 27 januari
artikel 25 van het decreet van 27 januari 1993, bij wijze van overgangsmaatregel, verlengd tot 30 juni 2001.De voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2001 uitgekeerde subsidie is gelijk aan een achtste van het financieringsbudget, zoals
artikel 29 van het decreet van 27 januari 1993, eventueel verhoogd met de bijkomende subsidies, zoals
artikel 31 van het decreet van 27 januari
artikel 34, § 1, van het decreet van 27 januari 1993, bij wijze van overgangsmaatregel, verlengd tot 30 juni 2001. De voor de periode van 1 januari 2001 tot en met 30 juni 2001 uitgekeerde subsidie is gelijk aan een achtste van het financieringsbudget, zoals
artikel 38, § 1, 1°, van het decreet van 27 januari 1993, eventueel verhoogd met de bijkomende subsidies, zoals
artikel 40 van het decreet van 27 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.