schrijvingsgeld
het deeltijds kunstonderwijs De Vlaamse regering, Gelet op de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving,
zonderheid op artikel 24, § 2, 5°; Gelet op het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II,
zonderheid op titel V; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen « muziek », « woordkunst » en « dans », gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 31 juli 1991, 18 december 1991, 30 juli 1992, 7 juli 1993 en 1 september 1993; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting « beeldende kunst », gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 31 juli 1991, 18 december 1991, 30 juli 1992, 7 juli 1993 en 1 september 1993; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1993 tot vaststelling van het
schrijvingsgeld
het deeltijds kunstonderwijs; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 30 maart 1999; Gelet op het protocol nr. 331 van 13 april 1999 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden
de gemeenschappelijke vergadering van het sectorcomité X en van de onderafdeling « Vlaamse Gemeenschap » van afdeling 2 van het comité voor de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten; Gelet op het protocol nr. 106 van 13 april 1999 houdende de conclusies van de onderhandelingen die gevoerd werden
het overkoepelend onderhandelingscomité van het vrij gesubsidieerd onderwijs; Gelet op de dringende noodzakelijkheid, gemotiveerd door de omstandigheid dat de bijsturing van programmatievoorwaarden
het deeltijds kunstonderwijs en de
voering van
frastructuurnormen voor de studierichting dans, uitwerking moeten hebben op de programmaties die van start gaan op 1 september 1999; het is voor de rechtszekerheid noodzakelijk dat de voorwaarden voor die datum vastliggen; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 6 mei 1999, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 2° van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op voorstel van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken; Na beraadslaging, Besluit : Artikel 1.
artikel 46, § 1, van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichtingen « muziek », « woordkunst » en « dans » wordt tussen het woord «
stellingen, » en het woord « studierichtingen », het woord « filialen, »
gevoegd. Art. 2.
artikel 51 van hetzelfde besluit wordt § 1 vervangen door wat volgt: « § 1. 1° Voor filialen waarvan de programmatie gestart is
het schooljaar 1998-1999 of later, wordt per studierichting een rationalisatienorm voor de lagere graad
gesteld; 2° De rationalisatienorm, die bedoeld wordt
, 1°, is gelijk aan 80 % van de programmatienorm, vastgesteld
artikel 55bis, § 1, 2°, § 2 en § 3;3° Als de lagere graad de rationalisatienorm niet meer bereikt, moet hij geleidelijk afgebouwd worden, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste;4° Er wordt geen rationalisatienorm
gesteld voor de middelbare graad.» Art. 3.Artikel 52 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt: « Art. 52.§ 1. De programmatie wordt toegepast op
stellingen, filialen, studierichtingen en graden. Ze regelt de oprichting van
stellingen, filialen, studierichtingen en graden. § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, beslist over de goedkeuring tot programmatie, zoals bedoeld
, op advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en
spectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de rationele spreiding : 3° de mogelijkheden van de betrokken
stelling op het vlak van
frastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen;4° de onderwijskundige en opvoedkundige context
de betrokken
stelling, zoals die blijkt uit het doorlichtingsverslag. Bij het advies over de programmatie van een studierichting « dans » wordt rekening gehouden met het streven naar de normen van
frastructuur, die de bevoegde minister bepaald heeft. § 3. Voor de toepassing van de programmatienorm van een
stelling, filiaal, studierichting of graad
een bepaald schooljaar komen alleen de financierbare leerlingen, die geteld werden op 1 oktober van dat schooljaar,
aanmerking. § 4. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingstoelagen, wordt verondersteld dat de omvorming van een filiaal tot
stelling al op 1 februari van het voorafgaand schooljaar plaatsvond. § 5. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingstoelagen, wordt verondersteld dat de overheveling van een filiaal naar een andere
stelling al op 1 februari van het voorafgaand schooljaar plaatsvond. § 6. De omvorming, zoals vermeld
, of de overheveling, zoals vermeld
, hebben ten aanzien van het departement Onderwijs uitwerking op 1 september van het schooljaar volgend op de melding aan het departement Onderwijs. § 7. Per schooljaar en per
stelling is slechts één aanvraag tot programmatie van of één filiaal, of één studierichting of één graad mogelijk. Als een
stelling zo'n aanvraag
dient, kan ze
hetzelfde schooljaar geen aanvraag voor een experiment
dienen. » Art. 4.Artikel 53 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 53.§ 1. Een
stelling voor deeltijds kunstonderwijs, die door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd of gefinancierd wordt, kan, met de volgende beperkingen, een nieuw filiaal oprichten, dat nog niet bestond op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar : 1° een
stelling voor muziek, woordkunst en dans kan alleen een filiaal voor de sectie jongeren oprichten;2°
een filiaal
oprichting mogen enkel de studierichtingen
gericht worden die al
de
stelling bestaan;3°
afwijking van 2°, kan de minister om
frastructurele redenen en na grondige motivatie eventueel afwijking verlenen;4°
een filiaal
oprichting moeten minstens twee studierichtingen
gericht worden;5° enkel
stellingen die minstens een lagere en een middelbare graad van de betrokken studierichting hebben, mogen een nieuw filiaal oprichten. § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, stelt de voorwaarden vast voor het
dienen en behandelen van een aanvraag tot : 1° programmatie van een
stelling, filiaal, studierichting of graad;2° omvorming van een filiaal tot
stelling. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, stelt de voorwaarden vast voor het melden van een : 1° overheveling van een filiaal naar een andere
stelling;2° fusie van twee
stellingen door opslorping van één
stelling;3° fusie door afschaffing van twee of meer
stellingen en oprichting van één nieuwe
stelling;4° verandering van net door een
stelling. § 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, stelt de procedure vast voor de goedkeuring van de programmatie van een
stelling, filiaal, studierichting of graad. » Art. 5.
artikel 54 van hetzelfde besluit worden, de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
worden de woorden « 8 km » vervangen door de woorden « 15 km »;2°
, 1°, wordt het woord « gunstig » geschrapt;3°
Art. 6.
artikel 55, § 3, van hetzelfde besluit worden de woorden « onmiddellijk en volledig moet stopzetten. » vervangen door de woorden « volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar. ». Art. 7.
hetzelfde besluit wordt een artikel 55bis
gevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 55bis.§ 1. De oprichting van een nieuw filiaal is bovendien onderworpen aan de volgende voorwaarden: 1° de programmatie van een filiaal houdt
dat de lagere graad geleidelijk, leerjaar per leerjaar,
gericht wordt;2° de programmatienorm voor een nieuw filiaal is als volgt vastgesteld :
elk schooljaar van de periode van oprichting moet
het filiaal de som van de programmatienormen van de
gerichte studierichtingen bereikt worden. § 2. Voor de
stellingen die gevestigd zijn
het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die daarbuiten geen filialen hebben, is de programmatienorm voor de oprichting van een filiaal,
afwijking van § 1, 2°, gelijk aan 40 % van de programmatienorm, die bepaald wordt
§ 3. Voor een filiaal dat gevestigd is
een gemeente met meer dan 20 000
woners, uitgezonderd de gemeenten die bedoeld worden
, is de programmatienorm voor de oprichting van een filiaal,
afwijking van § 1, 2°, gelijk aan 125 % van de programmatienorm, die bepaald wordt
§ 4. Als de berekening van de percentages
dit hoofdstuk niet uitkomt op een geheel getal, wordt het resultaat afgerond naar het hogerliggend geheel getal. § 5. Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm, zoals bedoeld
, 2°, en 3°, § 2 of § 3, bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de lagere graad georganiseerd wordt. Vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm voor elke studierichting afzonderlijk. § 6. Als de
stelling de programmatienorm
één van de jaren van oprichting niet bereikt, moet ze de oprichting van het filiaal op het einde van het schooljaar volledig stopzetten. » Art. 8.
artikel 56 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
2° wordt het woord « gunstig » geschrapt;2°
5° worden de woorden « onmiddellijk en volledig moet stopzetten. » vervangen door de woorden « volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar. »; 3° een 6° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt : « 6° De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, bepaalt de normen van
frastructuur voor de programmatie van een studierichting « dans ».» Art. 9.
artikel 57 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
, 2°, wordt het woord « gunstig » geschrapt;2°
worden de woorden « onmiddellijk en volledig moet stopzetten.» vervangen door de woorden « volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar. »; 3°
worden de woorden « onmiddellijk en volledig stopzetten.» vervangen door de woorden « volledig stopzetten, op het einde van het schooljaar. ». Art. 10.Artikel 59 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 59.Voor de filialen waarvan de programmatie gestart is op 1 september 1998
toepassing van de omzendbrief van 8 april 1998 (13EA/AMD/FM) betreffende programmatie van
stellingen, studierichtingen en graden en oprichting van filialen, vanaf het schooljaar 1998-1999, gelden voor het schooljaar 1998-1999 de volgende programmatievoorwaarden : 1° filialen
oprichting mogen enkel jongeren
schrijven;2° de afstand tot de dichtstbijzijnde
stelling of filiaal van een andere
richtende macht mag niet kleiner dan 8 km zijn, waarbij deze afstand wordt gemeten volgens de kortste weg langs de rijbaan;3° een nieuw filiaal kan slechts de lagere en de middelbare graad programmeren;4° de programmatie moet
een geleidelijke uitbouw voorzien
het filiaal, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de lagere graad;5° de oprichtingsnorm voor een filiaal is als volgt : a) 20 leerlingen per leerjaar
de studierichting « muziek »;b) 8 leerlingen per leerjaar
de studierichting « woordkunst »;c) 4 leerlingen per leerjaar
de studierichting « dans »;6° de betrokken
stelling voldoet aan de rationalisatienorm;7° als de
stelling de oprichtingsnorm per leerjaar niet bereikt, moet ze het filiaal onmiddellijk en volledig stopzetten;8°
een filiaal
oprichting mogen enkel de studierichtingen die
de hoofdinstelling bestaan
gericht worden;9° enkel
stellingen die een lagere en een middelbare graad hebben, mogen nieuwe filialen oprichten.»
stellingen
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zonder filialen buiten dit gewest hebben als oprichtingsnorm 40 % van de normen, genoemd
het eerste lid, 5°. Deze norm moet telkens bereikt worden op 1 oktober van het lopende schooljaar. De Vlaamse minster, bevoegd voor het onderwijs, kan om
frastructurele redenen en na grondige motivatie een afwijking verlenen van hetgeen bepaald
het eerste lid, 8°. Art. 11.Artikelen 60 tot en met 63 van hetzelfde besluit worden opgeheven. Art. 12.Artikel 12 van het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1990 houdende organisatie van het deeltijds kunstonderwijs, studierichting « Beeldende kunst » wordt vervangen door wat volgt : « Art. 12.§ 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° leeftijdsgroep I : het eerste en tweede leerjaar lagere graad;2° leeftijdsgroep II : het derde en vierde leerjaar lagere graad;3° leeftijdsgroep III : het vijfde en zesde leerjaar lagere graad. § 2. 1° Men wordt toegelaten tot leeftijdsgroep I van de lagere graad als men zes jaar is en niet ouder dan zeven jaar of als men
geschreven is
het eerste leerjaar
het lager onderwijs; 2° Men wordt toegelaten tot leeftijdsgroep II van de lagere graad als men acht jaar is en niet ouder dan negen jaar of als men
geschreven is
het derde leerjaar
het lager onderwijs;3° Men wordt toegelaten tot leeftijdsgroep III van de lagere graad als men tien jaar is en niet ouder dan elf jaar of als men
geschreven is
het vijfde leerjaar
het lager onderwijs. § 3. De leeftijd die vermeld of bedoeld wordt
» Art. 13.
artikel 38, § 1, van hetzelfde besluit wordt tussen het woord «
stellingen » en de woorden « en graden » het woord « , filialen »
gevoegd. Art. 14.
artikel 42 van hetzelfde besluit wordt § 1 vervangen door wat volgt : « § 1. 1° Voor filialen waarvan de programmatie gestart is
het schooljaar 1998-1999 of later wordt een rationalisatienorm voor de lagere graad
gesteld; 2° De rationalisatienorm, zoals bedoeld
1°, is gelijk aan 80 % van de programmatienorm, die vastgesteld is
artikel 47bis, § 1, § 2 en § 3;3° Als de lagere graad de rationalisatienorm niet meer bereikt, moet hij geleidelijk afgebouwd worden, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het laagste;4° Er wordt geen rationalisatienorm
gesteld voor de middelbare graad.» Art. 15.Artikel 43 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 43.§ 1. De programmatie wordt toegepast op
stellingen, filialen en graden. Ze regelt de oprichting van
stellingen, filialen en graden. § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, beslist over de goedkeuring tot programmatie, zoals bedoeld
, op advies van de Vlaamse onderwijsraad en van de bevoegde administratie en
spectie van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. Elk advies dient uit te gaan van de volgende criteria : 1° de behoeften;2° de rationele spreiding;3° de mogelijkheden van de betrokken
stelling op het vlak van
frastructuur, leermiddelen en goedgekeurde leerplannen;4° de onderwijskundige en opvoedkundige context
de betrokken
stelling, zoals die blijkt uit het doorlichtingsverslag. § 3. Voor de toepassing van de programmatienorm van een
stelling, filiaal, of graad
een bepaald schooljaar komen alleen de financierbare leerlingen, die geteld werden op 1 oktober van dat schooljaar,
aanmerking. § 4. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingstoelagen, wordt verondersteld dat de omvorming van een filiaal tot
stelling al op 1 februari van het voorafgaand schooljaar plaatsvond. § 5. Voor de toepassing van de omkaderingsnormen van het personeel, de toepassing van de minimale schoolbevolkingsnormen en de vaststelling van de werkingstoelagen, wordt verondersteld dat de overheveling van een filiaal naar een andere
stelling al op 1 februari van het voorafgaand schooljaar plaatsvond. § 6. De omvorming, zoals vermeld
, of de overheveling, zoals vermeld
, hebben ten aanzien van het departement Onderwijs uitwerking op 1 september van het schooljaar volgend op de melding aan het departement Onderwijs. § 7. Per schooljaar en per
stelling is slechts één aanvraag tot programmatie van of één filiaal, of één graad mogelijk. Als de
stelling zo'n aanvraag
dient, kan ze
hetzelfde schooljaar geen aanvraag voor een experiment
dienen. » Art. 16.Artikel 44 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 44.§ 1. Een
stelling voor deeltijds kunstonderwijs, die door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd of gefinancierd wordt, kan, met de volgende beperkingen, een nieuw filiaal oprichten, dat nog niet bestond op 1 oktober van het voorafgaande schooljaar : 1° een
stelling voor Beeldende Kunst kan alleen een filiaal voor jongeren oprichten;2° enkel
stellingen die minstens een lagere en een middelbare graad hebben, mogen een nieuw filiaal oprichten. § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, stelt de voorwaarden vast voor het
dienen en behandelen van een aanvraag tot : 1° programmatie van een
stelling, filiaal of graad;2° omvorming van een filiaal tot
stelling. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, stelt de voorwaarden vast voor het melden van een : 1° overheveling van een filiaal naar een andere
stelling;2° fusie van twee
stellingen door opslorping van één
stelling;3° fusie door afschaffing van twee of meer
stellingen en oprichting van één nieuwe
stelling;4° verandering van net door een
stelling. § 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor het onderwijs, stelt de procedure vast voor de goedkeuring van de programmatie van een
stelling, filiaal of graad. » Art. 17.
artikel 45 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
worden de woorden « 8 km » vervangen door de woorden « 15 km »;2°
Art. 18.
artikel 46, 1°, van hetzelfde besluit wordt het woord « gunstig » geschrapt. Art. 19.
artikel 47, § 3, van hetzelfde besluit worden de woorden « onmiddellijk en volledig moet stopzetten. » vervangen door de woorden « volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar. ». Art. 20.
hetzelfde besluit wordt een artikel 47bis
gevoegd, dat luidt als volgt : « Art. 47bis.§ 1. De oprichting van een nieuw filiaal is bovendien onderworpen aan de volgende voorwaarden : 1° a) De oprichting van een lagere graad gebeurt
leeftijdsgroepen,
leerjaren of als combinatie van beide;
gericht, mag het volgende schooljaar of de hogere leeftijdsgroep
gericht worden, of het eerste van de twee leerjaren van deze leeftijdsgroep;d) Als slechts het eerste van de twee leerjaren van een leeftijdsgroep wordt
gericht, mag het volgende schooljaar slechts het tweede leerjaar van de betreffende leeftijdsgroep worden
gericht;2° de programmatienorm voor een nieuw filiaal moet
elk schooljaar van de periode van oprichting bereikt worden en is als volgt vastgesteld : 20 leerlingen vermenigvuldigd met het aantal opgerichte leerjaren. § 2. Voor de
stellingen die gevestigd zijn
het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die daarbuiten geen filialen hebben, is de programmatienorm voor de oprichting van een filiaal,
afwijking van § 1, 2°, gelijk aan 40 % van de programmatienorm, die bepaald wordt
§ 3. Voor een filiaal dat gevestigd is
een gemeente met meer dan 20 000
woners, uitgezonderd de gemeenten die bedoeld worden
, is de programmatienorm voor de oprichting van een filiaal,
afwijking van § 1, 2°, gelijk aan 125 % van de programmatienorm, die bepaald wordt
§ 4. Als de berekening van de percentages
dit hoofdstuk niet uitkomt op een geheel getal, wordt het resultaat afgerond naar het hogerliggend geheel getal. § 5. Het laatste schooljaar waarin de programmatienorm, zoals bedoeld
, 2°, § 2 of § 3, bereikt moet worden, is het schooljaar waarin voor het eerst het hoogste leerjaar van de lagere graad georganiseerd wordt. Vanaf het daaropvolgend schooljaar geldt de rationalisatienorm. § 6. Als de
stelling de programmatienorm
één van de jaren van oprichting niet bereikt, moet ze de oprichting van het filiaal op het einde van het schooljaar volledig stopzetten. » Art. 21.
artikel 48 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht : 1°
, 2°, wordt het woord « gunstig » geschrapt;2°
worden de woorden « onmiddellijk en volledig moet stopzetten.» vervangen door de woorden « volledig moet stopzetten, op het einde van het schooljaar. »; 3°
worden de woorden « onmiddellijk en volledig stopzetten.» vervangen door de woorden « volledig stopzetten, op het einde van het schooljaar. ». Art. 22.Artikel 50 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt : « Art. 50.Voor de filialen waarvan de programmatie gestart is op 1 september 1998
toepassing van de omzendbrief van 8 april 1998 (13EA/AMD/FM) betreffende programmatie van
stellingen, studierichtingen en graden en oprichting van filialen, vanaf het schooljaar 1998-1999, gelden voor het schooljaar 1998-1999 de volgende programmatievoorwaarden : 1° filialen
oprichting mogen enkel jongeren
schrijven;2° de afstand tot de dichtstbijzijnde
stelling of filiaal van een andere
richtende macht mag niet kleiner dan 8 km zijn, waarbij deze afstand wordt gemeten volgens de kortste weg langs de rijbaan;3° een nieuw filiaal kan slechts de lagere en de middelbare graad programmeren;4° de programmatie moet
een geleidelijke uitbouw voorzien
het filiaal, leerjaar per leerjaar, te beginnen met het eerste leerjaar van de lagere graad;5° de oprichtingsnorm voor een filiaal bedraagt 20 leerlingen per leerjaar.6° de betrokken
stelling voldoet aan de rationalisatienorm;7° als de
stelling de oprichtingsnorm per leerjaar niet bereikt, moet ze het filiaal onmiddellijk en volledig stopzetten;8° enkel
stellingen die een lagere en een middelbare graad hebben, mogen nieuwe filialen oprichten.»
stellingen
het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zonder filialen buiten dit gewest hebben als oprichtingsnorm 40 % van de normen, genoemd
het eerste lid, 5°. Deze norm moet telkens bereikt worden op 1 oktober van het lopende schooljaar. Art. 23.Artikelen 54 tot en met 56 van hetzelfde besluit worden opgeheven. Art. 24.Artikel 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 7 juli 1993 tot vaststelling van het
schrijvingsgeld
het deeltijds kunstonderwijs wordt vervangen door wat volgt : « Art. 2.§ 1. Het
schrijvingsgeld voor de leerlingen van het deeltijds kunstonderwijs bedraagt 1500 frank als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar
kwestie. § 2.
alle andere gevallen bedraagt het
schrijvingsgeld 4500 frank tot en met het schooljaar 1999-2000, 5500 frank
de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 en 6000 frank vanaf het schooljaar 2002-
schrijvingsgeld voor de leerlingen van het deeltijds kunstonderwijs bedraagt 1 000 frank als de leerling de leeftijd van 18 jaar niet bereikt heeft op 31 december van het schooljaar
kwestie. § 2.
alle andere gevallen bedraagt het verminderd
schrijvingsgeld 3 000 frank tot en met het schooljaar 1999-2000, 4 000 frank
de schooljaren 2000-2001 en 2001-2002 en 4 500 frank vanaf het schooljaar 2002-2003. » Art. 26.Dit besluit treedt
werking op 1 februari 1999, met uitzondering van artikelen 10 en 22, die
werking treden op 1 september
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.