20 OKTOBER 2000. - Besluit van de Vlaamse regering tot reglementering van het sociale huurstelsel voor sociale huurwoningen die worden verhuurd of onderverhuurd door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappi
§ 3
niet; 4° die aanspraak kan maken op de toepassing van § 3;5° die huurder is van een woning van dezelfde sociale huisvestingsmaatschappij die niet voldoet aan de rationele bezetting en die wenst te verhuizen naar een woning die aan de rationele bezetting voldoet, indien de huurder de verplichtingen, bedoeld in artikel 23, § 3 is nagekomen. Voor die huurder gelden artikel 2, §
§ 3
niet; 6° die in het Vlaamse Gewest zijn hoofdverblijfplaats heeft :
- a)in een campingverblijf voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit;
- b)in een, overeenkomstig artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet, onbewoonbaar verklaarde woning, waarvan de ontruiming noodzakelijk is;
- c)in een, overeenkomstig artikel 15 van de Vlaamse Wooncode, onbewoonbaar of ongeschikt verklaarde woning, die volgens het advies van de gewestelijke ambtenaar, bedoeld in artikel 2, tweede lid van het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 06/10/1998 pub. 30/10/1998 numac 1998036228 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen sluiten betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen, ongeschikt of onbewoonbaar is ten gevolge van ten minste drie problemen van categorie III in verband met stabiliteit en vocht. Bovendien is het noodzakelijk dat de woning ontruimd wordt;
- d)in een woning die hij betrok op de datum waarop die het voorwerp is van een onteigeningsbesluit. Eenzelfde woning of campingverblijf kan slechts eenmaal aanleiding geven tot de in
- a)tot en met
- d)vermelde voorrang. Om in aanmerking te komen voor de in
- a)tot en met
- c)vermelde voorrang moet de kandidaat-huurder de woning of het campingverblijf sedert ten minste zes maanden bewoond hebben. § 2. Na toepassing van de verplichte voorrangsregels kan de sociale huisvestingsmaatschappij beslissen om voorrang te geven aan de kandidaat-huurder die in de periode van zes jaar vóór de toewijzing ten minste drie jaar inwoner is of geweest is van : 1° ofwel de gemeente waar de toe te wijzen woning gelegen is;2° ofwel een gemeente binnen het werkgebied van de sociale huisvestingsmaatschappij. Indien een sociale huisvestingsmaatschappij gebruikmaakt van de mogelijkheid die bepaald is in eerste lid, brengt ze haar beslissing ter kennis van alle kandidaat-huurders die ingeschreven zijn in het in artikel 3 bedoelde register, van de VHM en van de opdrachthouder. Ze kan die beslissing pas herzien na verloop van een termijn van minstens twaalf maanden. § 3. Wanneer het gaat om woningen die gerealiseerd of gefinancierd zijn in het kader van een bijzonder programma en onder beding van specifieke verbintenissen, zijn de bepalingen van § 1 tot en met § 2 alleen van toepassing voorzover die verbintenissen zijn nagekomen. § 4. Bij de toewijzing van een woning moet evenwel steeds rekening worden gehouden met de leefbaarheid en met de rationele bezetting van de woning. Met leefbaarheid wordt bedoeld de zorg voor een optimale leefbaarheid van het patrimonium in het algemeen en van een woningcomplex in het bijzonder. De zorg voor een optimale leefbaarheid kan onder meer het nastreven van een sociale vermenging inhouden. Bij het beoordelen van de rationele bezetting zal ook rekening worden gehouden met kinderen die geplaatst zijn en/of bij wie de kandidaat-huurder een bezoekrecht heeft of co-ouderschap uitoefent en die derhalve niet permanent in de woning zullen verblijven. § 5. Om geldig te kunnen toewijzen krachtens dit besluit, keurt het beslissingsorgaan van elke sociale huisvestingsmaatschappij voorafgaandelijk een intern toewijzingsreglement goed. Het intern toewijzingsreglement bevat het aan zijn specifieke situatie aangepaste kader waarin de sociale huisvestingsmaatschappij de toewijzingsregels van dit besluit zal toepassen. Het intern toewijzingsreglement moet minstens regels bevatten in verband met de wijze waarop de sociale huisvestingsmaatschappij : 1° de zorg voor een optimale leefbaarheid zal realiseren door preventieve of door andere maatregelen;2° de sociale vermenging zal nastreven;3° de rationele bezetting zal toepassen;4° sociale netwerken zal versterken en ondersteunen;5° de bewoners zal informeren en zal zorgen voor een structurele inbedding van de bewonersparticipatie in de werking van de sociale huisvestingsmaatschappij;6° bijzondere aandacht besteedt aan de meest behoeftige gezinnen en aan alleenstaanden. De verhuurder moet, binnen een termijn van drie maanden na de publicatie van dit besluit in het Belgisch Staatsblad, een intern toewijzingsreglement ter goedkeuring aan de afdeling woonbeleid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap voorleggen. Bij overschrijding van deze termijn kan de verhuurder geen toewijzingen meer doen van sociale huurwoningen. De afdeling woonbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap moet binnen een termijn van drie maanden het intern toewijzingsreglement al dan niet goedkeuren. Bij overschrijding van deze termijn wordt het intern toewijzingsreglement geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. Het intern toewijzingsreglement is openbaar. § 6. Wanneer de sociale huisvestingsmaatschappij meerderjarige natuurlijke personen wil inschrijven onder de voorwaarden van artikel 2, § 3, moet het intern toewijzingsreglement daarenboven een leefbaarheidsplan bevatten waarin aangegeven wordt hoe de sociale huisvestingsmaatschappij in samenspraak met de bewoners en de lokale besturen de leefbaarheid wil verhogen en welke ingrepen hiertoe zullen worden gerealiseerd. Het leefbaarheidsplan wordt opgemaakt, hetzij voor het gehele patrimonium van een sociale huisvestingsmaatschappij, hetzij voor een of meerdere wijken of gebouwen. Een sociale huisvestingsmaatschappij die vaststelt dat ze beantwoordt aan de voorwaarden van artikel 2, § 3 en die hiervan gebruik wenst te maken, dient bij de afdeling woonbeleid van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap onmiddellijk een leefbaarheidsplan in ter aanvulling van het in § 5 bedoelde intern toewijzingsreglement. De afdeling woonbeleid moet binnen drie maanden het leefbaarheidsplan al dan niet goedkeuren. Bij overschrijding van deze termijn wordt het leefbaarheidsplan geacht stilzwijgend te zijn goedgekeurd. § 7. Een sociale huisvestingsmaatschappij die voldoet aan de voorwaarden van § 6, kan maximaal 20 % van de toewijzingen op jaarbasis doen aan kandidaat-huurders die ingeschreven werden onder de voorwaarden van artikel 2, § 3. Die regel blijft van toepassing zolang er ingevolge artikel 2, § 3 reglementair ingeschreven kandidaat-huurders in de registers staan en voorzover zij op het ogenblik van de toewijzing nog voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, § 3 en artikel 4, § 1. § 8. De afdeling Woonbeleid van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap kan te allen tijde haar machtiging tot toewijzing intrekken wanneer de sociale huisvestingsmaatschappij in gebreke blijft bij de uitvoering van het in § 5 en § 6 bedoelde intern aanvullend toewijzingsreglement. In dit geval beslist de afdeling Woonbeleid over het tijdstip en de voorwaarden van de intrekking. Afdeling 5. - Afwijkingen Art. 7.§ 1. Het beslissingsorgaan van iedere verhuurder of de door dit orgaan aangestelden kunnen in individuele gevallen aan de VHM een gemotiveerde afwijking van de bepalingen van artikel 4, met uitzondering van § 1, 2°, en van artikel 6 vragen. In voorkomend geval kan hierbij aan de kandidaat-huurder een bijkomende voorwaarde opgelegd worden. De aanvraag moet gebaseerd zijn op bijzondere omstandigheden van sociale aard en vergezeld zijn van het advies van de opdrachthouder. De beslissing van de VHM terzake wordt ten laatste acht werkdagen na de indiening van het volledig dossier ter kennis gebracht van de verhuurder en van de opdrachthouder. De datumstempel van ontvangst bij de VHM geldt als datum van indiening. Bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn wordt het voorstel geacht te zijn aanvaard. In de beheersovereenkomst, afgesloten tussen de VHM en de sociale huisvestingsmaatschappijen kan worden opgenomen dat de sociale huisvestingsmaatschappij de afwijkingen niet ter goedkeuring moet voorleggen aan de VHM. De genomen beslissingen moeten achteraf wel aan de VHM gemeld worden, vergezeld van het advies van de opdrachthouder. § 2. Voor het toewijzen van woningen aan kandidaat-huurders die het slachtoffer zijn van een brand of een natuurramp kan het beslissingsorgaan van de verhuurder of de door hem aangestelden, na positief advies van de opdrachthouder, afwijken van de bepalingen van artikel 2, 4 en 6. De toewijzingen volgens het eerste lid moeten achteraf aan de VHM gemeld worden, vergezeld van het advies van de opdrachthouder. In zijn beslissing vermeldt het beslissingsorgaan van de verhuurder of de door hem aangestelden, de duur van de huurovereenkomst, die korter kan zijn dan negen jaar. § 3. Voor de inschrijving en de toewijzing van de in artikel 6, § 1, 1° bedoelde woningen kan de verhuurder, overeenkomstig de in § 1 vastgestelde procedure, een afwijking vragen aan de VHM van de bepalingen van artikel 2, § 1, artikel 4 en artikel 6. § 4. Het beslissingsorgaan van een verhuurder kan, overeenkomstig de in § 1 vastgestelde procedure een afwijking vragen van de meerderjarigheidsvoorwaarde zoals bepaald in artikel 2, § 1. § 5. Een O.C.M.W. kan ten behoeve van daklozen aan het beslissingsorgaan van een sociale huisvestingsmaatschappij een afwijking vragen, zoals bepaald in § 1. Het beslissingsorgaan kan alleen, binnen een termijn van tien werkdagen, op gemotiveerde wijze weigeren op dit verzoek tot afwijking in te gaan. Indien het beslissingsorgaan van de sociale huisvestingsmaatschappij wenst in te gaan op de vraag tot afwijking, moet de in § 1 bepaalde procedure gevolgd worden. § 6. De kandidaat-huurder die vaststelt dat de verhuurder voor hem, overeenkomstig § 1 tot en met § 5, geen afwijking heeft gevraagd, kan die afwijking zelf vragen, op voorwaarde dat daarvoor een gemotiveerd verzoek gericht wordt aan de VHM. De VHM wint het advies in van de betrokken verhuurder en van de opdrachthouder. De beslissing van de VHM wordt binnen twintig werkdagen na ontvangst van het verzoek ter kennis gebracht van de verzoeker, de verhuurder en de opdrachthouder. Bij gebrek aan kennisgeving binnen die termijn wordt het voorstel geacht te zijn aanvaard. Afdeling 6. - Beroepsmogelijkheid Art. 8.§ 1. Een kandidaat-huurder die zich benadeeld acht door de toewijzing van een woning kan hiertegen per aangetekende brief beroep indienen bij de opdrachthouder van de betrokken verhuurder, die in eerste instantie beslist over dit beroep. Wordt dit beroep ontvankelijk en gegrond bevonden, dan beschikt de benadeelde kandidaat-huurder over de voorrang, bepaald in artikel 6, § 1, 2°. Wordt dit beroep niet ontvankelijk of ongegrond verklaard, dan beschikt de huurder of de kandidaat-huurder over een recht van hoger beroep tegen deze beslissing. Dit hoger beroep wordt ingesteld bij de VHM. § 2. De minister bepaalt, na advies van de VHM, de procedure voor het beroep en het hoger beroep. Afdeling 7. - Huurovereenkomst Art. 9.§ 1. De verhuurder verhuurt zijn woningen op grond van een typehuurovereenkomst die overeenkomstig artikel 100, § 1, van de Vlaamse Wooncode is vastgesteld door de VHM en goedgekeurd door de Vlaamse regering. § 2. In de typehuurovereenkomst worden de verplichtingen van de huurder opgesomd, waarvan de niet-naleving een reden tot opzegging van de huurovereenkomst kan zijn. De typehuurovereenkomst bepaalt dat elke opzeg door de verhuurder gemotiveerd moet worden. Onverminderd artikel 98, § 3, van de Vlaamse Wooncode en de andere verplichtingen, vervat in dit besluit, zijn ernstige tekortkomingen ten aanzien van de volgende verplichtingen van de huurder een bijzondere reden voor opzegging : 1° een huurder moet zich als een goede huisvader gedragen en er in het bijzonder voor zorgen dat zijn gedrag de leefbaarheid van zijn woonomgeving niet in het gedrang brengt;2° een huurder moet instemmen met een tijdelijke herhuisvesting indien de verhuurder een herhuisvesting, ingevolge een verbetering, aanpassing of renovatie van de door hem betrokken sociale huurwoning, noodzakelijk acht. De opdrachthouder moet een opzegging goedkeuren, indien ze voortspruit uit een ernstige tekortkoming ten aanzien van de verplichting, zoals bepaald in het tweede lid, 1°. De verhuurder moet aantonen dat hij een beroep heeft gedaan op de bemiddeling van het O.C.M.W. wanneer hij opzeg betekent aan een huurder, van wie het inkomen in het referentiejaar dat als basis diende voor de huurprijsberekening, minder bedraagt dan 540.100 frank. HOOFDSTUK III. - Vaststelling van de huurprijs Afdeling 1. - Basishuurprijs Art. 10.Het jaarbedrag van de basishuurprijs van de woning wordt vastgesteld op ten minste 3 % en ten hoogste 9 % van de geactualiseerde kostprijs. De maandelijkse basishuurprijs wordt afgerond naar het hogere tiental. De beperking van de basishuurprijs tot 9 % geldt niet voor woningen die, op het ogenblik van de huurprijsbepaling, meer dan 40 jaar geleden voorlopig opgeleverd werden. Vaststelling en wijziging van de basishuurprijs moeten door de VHM worden goedgekeurd. Een stijging van de basishuurcoëfficiënt met meer dan 10 % moet door de raad van bestuur van de VHM worden goedgekeurd. Indien door de sociale huisvestingsmaatschappij een beheerscontract met de VHM werd afgesloten, kan van deze goedkeuringsbepalingen afgeweken worden. Jaarlijks, uiterlijk op 1 juli worden de coëfficiënten voor de berekening van de geactualiseerde kostprijs van de woningen vastgesteld met inachtneming enerzijds van de jaargemiddelden van de oprichtings- en verwervingskosten van de woningen en anderzijds van de verouderingsgraad van de woningen. Art. 11.Behalve in geval van door de verhuurder uitgevoerde renovatiewerken die aanleiding geven tot een verhoging van de geactualiseerde kostprijs van de woning, blijft de basishuurprijs ongewijzigd tot 31 december van het lopende jaar. De nieuwe basishuurprijs wordt aldus van kracht op 1 januari van ieder jaar. Afdeling 2. - Huurprijsberekening Art. 12.§ 1. De aangepaste huurprijs is het product van de maandelijkse basishuurprijs en de inkomenscoëfficiënt. § 2. Voor het bepalen van de aangepaste huurprijs wordt de inkomenscoëfficiënt (Ic) verkregen door de toepassing van de volgende formule : Ic= I + 60 000/630 000 waarbij I gelijk is aan het inkomen van het referentiejaar verminderd met 37.800 frank voor elk van de eerste twee personen ten laste. Art. 13.§ 1. De reële huurprijs is gelijk aan de aangepaste huurprijs, verlaagd met de in toepassing van artikel 14 toegestane huurverminderingen en rekening houdend met de in § 4 en in artikel 15 opgelegde beperkingen of aanpassingen van de basishuurprijs. § 2. Voor de vaststelling van de reële huurprijs moet de huurder aan de verhuurder de nodige gegevens verstrekken betreffende de gezinstoestand en het inkomen. § 3. Bij elke herziening van de basishuurprijs wordt de reële huurprijs herzien met inachtneming van het inkomen betreffende het referentiejaar. Wanneer voor dat jaar geen inkomen kan worden aangegeven, neemt de verhuurder het inkomen in aanmerking van het eerstvolgende jaar waarin een inkomen genoten werd. § 4. De reële huurprijs mag niet hoger zijn dan enerzijds de normale huurwaarde en anderzijds 1/60 van het inkomen, doch in geen geval lager dan de helft van de basishuurprijs. Onverminderd het bepaalde in artikel 1, 22°, is de normale huurwaarde van een woning minimaal gelijk aan het resultaat van de volgende formule : kadastraal inkomen van de woning x 100 x Index van september van het voorgaande jaar/60 x 96,11 (index september 1974) x 12 Art. 14.§ 1. De verhuurder moet aan zijn huurders met ten minste 3 personen ten laste onderstaande verminderingen toekennen : 1° 20 % op de basishuurprijs voor 3 personen ten laste;2° 30 % op de basishuurprijs voor 4 personen ten laste;3° 40 % op de basishuurprijs voor 5 personen ten laste;4° 50 % op de basishuurprijs voor 6 of meer personen ten laste. De in het eerste lid bedoelde procentuele verminderingen blijven ongewijzigd gedurende het hele jaar. De vermindering van onroerende voorheffing waarop de huurder als hoofd van een groot gezin recht heeft krachtens de gecoördineerde wetten inzake inkomstenbelasting, wordt afgetrokken van de bij dit artikel bepaalde vermindering. § 2. Voor de gezinnen met drie en meer personen ten laste wordt door het Vlaamse Gewest aan de verhuurder het verschil terugbetaald tussen de huurprijs die dezelfde huurder zou betalen indien hij twee personen ten laste zou hebben. Het terug te betalen bedrag mag niet kleiner zijn dan de door de verhuurder toegekende huurvermindering, maar is beperkt tot de in § 1, eerste lid, vermelde percentages. Bij zijn aanvraag tot terugbetaling moet de verhuurder aan het Vlaamse Gewest een verklaring overleggen die voor iedere betrokken huurder de gegevens van de berekening van de vermindering omvat, alsmede een attest waarbij hij bevestigt het aantal personen ten laste te hebben gecontroleerd. § 3. Het aan de verhuurder terug te storten bedrag wordt verlaagd met de in § 1, derde lid, bedoelde vermindering van de onroerende voorheffing. § 4. De huurder moet aan de verhuurder alle stukken overleggen om zijn recht op vermindering van de reële huurprijs te bewijzen. Art. 15.In afwijking van artikel 13, § 3, wordt de reële huurprijs opnieuw berekend in de volgende gevallen : 1° in geval van overlijden of pensionering van de huurder of van de persoon met wie hij wettelijk of feitelijk samenwoont, alsmede wanneer inwonenden van wie het inkomen bij de huurprijsberekening in aanmerking werd genomen, de woning verlaten, wordt de nieuwe reële huurprijs toegepast vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de feiten met de nodige stavingstukken ter kennis van de verhuurder werden gebracht;2° wanneer het inkomen van een huurder gedurende drie opeenvolgende maanden met minstens 20 % gedaald is ten opzichte van dat van het referentiejaar, wordt de huur herzien vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de huurder de nodige bewijsstukken ter kennis gebracht heeft van de verhuurder.Op dat ogenblik kan de verhuurder aan de huurder vragen om het voortduren van deze toestand om de zes maanden opnieuw te bewijzen. Indien dit bewijs niet wordt geleverd, wordt de vorige reële huurprijs, berekend ter uitvoering van artikel 13, § 3, onmiddellijk opnieuw van toepassing; 3° wanneer personen met een inkomen erbij komen wonen, wordt de huurprijs aangepast, rekening houdend met hun inkomen, vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin ze erbij kwamen wonen. Art. 16.De te betalen huurprijs is de reële maandelijkse huurprijs, eventueel verlaagd met kortingen en/of toelagen die aan de verhuurder of aan de huurder kunnen worden toegekend krachtens een andere specifieke reglementering. Art. 17.De huurder ontvangt vanwege de verhuurder schriftelijke informatie betreffende de berekening van de te betalen huurprijs, telkens als die opnieuw berekend wordt. Art. 18.De totale huuropbrengst van de verhuurder, zijnde het jaarbedrag van de reële huurprijzen, mag niet hoger liggen dan 5,5 % van de geactualiseerde kostprijs van zijn totale patrimonium aan huurwoningen. Art. 19.Wanneer een huurder een onderbezette woning bewoont, kan de verhuurder, na de tweede weigering van een aangeboden woning die aan de rationele bezetting voldoet, een evaluatie maken van de sociale situatie van de huurder en kan hem een maandelijkse vergoeding aangerekend worden van maximum 2000 frank per slaapkamer vanaf de tweede overtollige slaapkamer. Deze vergoeding komt bovenop de reële huurprijs, berekend met toepassing van artikel 13. Art. 20.De verhuurder kan op voorwaarde dat de opdrachthouder de goedkeuring geeft, voorzover de resultatenrekening van de betrokken verhuurder per 31 december van het voorbije boekjaar een positief resultaat vertoonde : 1° tegemoetkomingen verlenen aan de meest behoeftige huurders en aan huurders die moeten verhuizen ingevolge renovatie van hun sociale huurwoning;2° gelden aanwenden voor het verwezenlijken van collectieve sociale voorzieningen, tot verhoging van de leefbaarheid, voor het financieel aanmoedigen van een rationele bezetting van woningen, en voor het nemen van integratiebevorderende initiatieven. Afdeling 3. - Solidariteitsfonds Art. 21.Uiterlijk op 1 april 2001 zal het solidariteitsfonds in werking treden. Het wordt ingesteld krachtens artikel 46 van de Vlaamse Wooncode en heeft uitsluitend betrekking op de sociale huisvestingsmaatschappijen. HOOFDSTUK IV. - Onderzoek naar het inkomen, de gezinssamenstelling en de patrimoniale voorwaarde Art. 22.Naast het onderzoek naar het inkomen dat hij voor de toepassing van artikel 2, §
§ 3
en artikel 4, § 1, 2°, moet verrichten met het oog op de inschrijving, de actualisatie, de toelating en de toewijzing van een woning, gaat de verhuurder ook over tot een onderzoek naar het inkomen van hun huurders met het oog op de herziening van de huurprijs. Art. 23.§
- De kandidaat-huurders, de huurders en hun gezinsleden geven aan de verhuurder door hun kandidaatstelling of door huurder te worden de toestemming om bij de bevoegde diensten van het ministerie van Financiën en bij de lokale besturen de noodzakelijke documenten en gegevens te verkrijgen betreffende het inkomen, de gezinssamenstelling en de bij artikel 4 § 1, 3°, bedoelde patrimoniale voorwaarde. Eventueel kan de verhuurder de kandidaat-huurder, de huurder en zijn gezinsleden verplichten hem het aanslagbiljet en de bijgevoegde berekeningsnota alsmede alle andere adequate en nuttige formulieren over te leggen. §
- De verhuurder gaat de gezinssamenstelling na op basis van uittreksels uit de bevolkingsregisters of andere bewijskrachtige documenten en/of feitelijke gegevens en vaststellingen. §
- De huurder moet elke wijziging in verband met de gezinssamenstelling onmiddellijk aan de betrokken verhuurder melden indien : 1° een of meerdere kinderen geboren worden;2° gezinsleden de woning verlaten;3° de partner van de huurder komt bijwonen. Elke andere wijziging in verband met de gezinssamenstelling moet voorafgaand door de huurder aan de verhuurder ter goedkeuring worden voorgelegd. HOOFDSTUK V. - Voorwaarden om huurder te blijven Art. 24.§
- Gedurende de hele huurtijd moeten de huurder en de leden van het gezin, blijven voldoen aan de patrimoniale voorwaarde zoals bepaald in artikel 4, § 1, 3°. Indien de huurder of een lid van zijn gezin een woning volledig in volle eigendom of volledig in vruchtgebruik verwerft, moet hij dit onmiddellijk ter kennis van de verhuurder brengen. De huurder of het gezinslid moet deze woning verkopen binnen het jaar vanaf de verwerving, zoniet is de verhuurder verplicht de huur op te zeggen, met een opzegtermijn van zes maanden. De opzegging vervalt evenwel wanneer voor het verstrijken van die opzegtermijn afstand wordt gedaan van het vruchtgebruik bedoeld in het eerste lid of wanneer vóór het verstrijken van die opzegtermijn de verworven woning : 1° ofwel onder bezwarende titel vervreemd wordt en aan de betrokken verhuurder een recht van voorkoop gegeven wordt;2° ofwel voor een periode van minstens 9 jaar verhuurd wordt aan of, al dan niet kosteloos, ter beschikking gesteld wordt van de verhuurder.Indien de woning verkocht wordt tijdens de looptijd van deze verhuring of terbeschikkingstelling, zal aan de betrokken verhuurder contractueel een recht van voorkoop gegeven worden. De overeenkomst waarin deze verhuring of terbeschikkingstelling geregeld wordt, wordt opgemaakt overeenkomstig het model, vermeld in artikel 4, § 2, derde lid. §
- Gebeurt de in § 1 bedoelde verwerving van een woning ten kosteloze titel, dan kan de verhuurder overeenkomstig de procedure vastgesteld in artikel 7, een gemotiveerde afwijking aanvragen bij de VHM. §
- Indien bij het jaarlijkse onderzoek naar het inkomen, met het oog op de herziening van de huurprijs, blijkt dat de inkomenscoëfficiënt van een huurder gedurende twee opeenvolgende jaren hoger is dan twee, dan zal de huur onmiddellijk opgezegd worden met een opzeggingstermijn van één jaar. Deze opzegging vervalt : 1° wanneer de huurder gebruikmaakt van de mogelijkheid om de woning aan te kopen volgens de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 11 mei 1999 betreffende de voorwaarden en modaliteiten van overdracht van onroerende goederen door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij en de sociale huisvestingsmaatschappijen in uitvoering van de Vlaamse Wooncode;2° of wanneer de huurder bereid is een bijdrage te betalen bovenop de maandelijkse reële huurprijs, berekend krachtens artikel 13.Deze bijdrage is verschuldigd vanaf het verstrijken van de in het eerste lid vermelde opzeggingstermijn. De bijdrage (B) wordt als volgt berekend : B = reële huurprijs x (IC - 2)/2 HOOFDSTUK VI. - Sancties en waarborg Afdeling
- - Sancties Art. 25.Onverminderd de bepalingen van het Strafwetboek of de gerechtelijke vervolgingen met toepassing van het koninklijk besluit van 31 mei 1933 betreffende verklaringen, af te leggen in verband met subsidies, vergoedingen en toelagen, geeft elke door de verhuurder of door de VHM vastgestelde overtreding van om het even welke bepaling van dit besluit aanleiding tot een onderzoek door het beslissingsorgaan van de betrokken verhuurder of van de VHM. Als uit dit onderzoek blijkt : 1° dat de huurder of een lid van zijn gezin nalaat de bij artikel 23 bedoelde documenten op het eerste verzoek van de verhuurder voor te leggen, dan zal die de huurder vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op het eerste verzoek maximaal de normale huurwaarde aanrekenen totdat de huurder de documenten bezorgt;2° dat de huurder de correcte gezinssamenstelling niet meedeelt of ter goedkeuring voorlegt, dan kan de verhuurder de huurder maximaal de normale huurwaarde aanrekenen vanaf de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand waarin de verhuurder de huurder schriftelijk op de hoogte heeft gebracht totdat de huurder het tegendeel bewijst, onverminderd de mogelijkheid tot opzegging van de huurovereenkomst zoals bepaald in artikel 9, § 2;3° dat de huurder ingevolge onjuiste of onvolledige verklaringen onrechtmatig bij dit besluit verleende voordelen heeft genoten, dan is hij ertoe verplicht het bedrag van de hem toegekende voordelen terug te storten aan de verhuurder.Werden die verklaringen te kwader trouw gedaan, dan wordt de terugstorting verhoogd met de wettelijke interesten en betekent de verhuurder hem bovendien de huuropzeg, onmiddellijk na de definitieve vaststelling van de ten laste gelegde feiten; 4° dat de huurder ingevolge onjuiste en/of onvolledige verklaringen onrechtmatig tot een huurwoning werd toegelaten of dat hij of zijn gezinsleden weigeren de bij artikel 23 bedoelde toestemming te geven, dan betekent de verhuurder hem de huuropzeg.Voor het onrechtmatig bewonen van de woning is de normale huurwaarde als vergoeding verschuldigd. Als blijkt uit het in het eerste lid vermelde onderzoek dat de verhuurder in gebreke gebleven is wat de toepassing van dit besluit betreft, dan is de VHM, na de vastgestelde overtreding per aangetekende brief aan de betrokken verhuurder betekend te hebben en zolang de overtreding voortduurt, gerechtigd om de rentevoet van de jaarlijks door de verhuurder op de toegestane leningen te betalen intresten met maximum 10 procent per jaar te verhogen en om geen nieuwe leningen meer te verlenen voor het bouwen van huurwoningen. Afdeling
- - Waarborg Art. 26.§
- De in artikel 1, 20°, bepaalde waarborg kan worden vervangen door : 1° hetzij een schriftelijke garantie van het O.C.M.W. in afwachting van een eenmalige doorstorting door het O.C.M.W. van het volledige bedrag, binnen 18 maanden na de ondertekening van de overeenkomst; 2° hetzij een schriftelijke borgstelling van het O.C.M.W. ingevolge wederzijds akkoord tussen de verhuurder en het O.C.M.W. in kwestie. De waarborg wordt verhoogd met de in de loop van de huurovereenkomst gekapitaliseerde intresten aan een intrestvoet die minimaal gelijk moet zijn aan de intrestvoet voor een spaarrekening, zoals vastgesteld door de Nationale Bank van België. §
- Bij het beëindigen van de huurovereenkomst, om welke reden ook, kan de verhuurder van rechtswege van de gestelde waarborg, verhoogd met de gekapitaliseerde intresten, alle sommen afhouden die hem door de huurder verschuldigd zijn. §
- De sommen die na het beëindigen van de huurovereenkomst en het ontruimen van de woning, na verrekening van alle aan de verhuurder verschuldigde bedragen, overblijven, worden aan de rechthebbende terugbetaald. §
- De waarborgen, gestort ter uitvoering van huurovereenkomsten die werden afgesloten vanaf 1 januari 1985 brengen in hoofde van de huurder intrest op. Deze intrest wordt vanaf 1 januari 2001 voor alle huurovereenkomsten vanaf 1 januari 1985 gekapitaliseerd tijdens de verdere duur van de overeenkomst. §
- Een huurder kan de verhuurder jaarlijks vragen om een overzicht te geven van de door de huurder gestelde waarborg, verhoogd met de gekapitaliseerde intresten. De huurder moet deze aanvraag schriftelijk richten tot de verhuurder. Art. 27.§
- Alle berekeningen waarvan de uitkomst een decimaal getal is, worden afgerond naar het hogere natuurlijke getal. De inkomenscoëfficiënt wordt berekend tot vier cijfers na de komma, met afronding naar beneden. §
- De bedragen, vermeld in artikel 1, 20°, 2, §
§ 3
, 9, § 2, 12, §
19, worden vanaf 1 januari 2001 jaarlijks aangepast volgens de volgende formule : nieuw bedrag = basisbedrag x gezondheidsindex juni referentiejaar (basis 1996)/99,53 (gezondheidsindex juni 1996) De aldus berekende nieuwe bedragen worden afgerond op het hogere honderdtal. HOOFDSTUK VII. - Wijzigingsbepalingen Art. 28.Aan artikel 7 van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 1990 tot aanmoediging van de bouw van sociale woningen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 22 mei 1991 en 15 oktober 1996, wordt een § 4 toegevoegd die luidt als volgt : « §
- In afwijking van § 1 en § 2 zijn artikel 1 tot en met 8, 22 tot en met 24, 26 en 27 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 2000 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor sociale huurwoningen die worden verhuurd of onderverhuurd door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of een sociale huisvestingsmaatschappij met toepassing van titel VII van de Vlaamse Wooncode van toepassing op de onderverhuring door de sociale huisvestingsmaatschappijen van de woningen die onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen. » Art. 29.Aan artikel 10 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 1987 tot instelling van een huurcompensatie, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 14 september 1988, 14 december 1988 en 14 november 1990 en 19 december 1996, wordt een § 4 toegevoegd die luidt als volgt : « §
- In afwijking van § 1 tot en met § 3 zijn artikel 1 tot en met 8, 22 tot en met 24, 26 en 27 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 2000 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor sociale huurwoningen die worden verhuurd of onderverhuurd door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of een sociale huisvestingsmaatschappij met toepassing van titel VII van de Vlaamse Wooncode van toepassing op de onderverhuring door de sociale huisvestingsmaatschappijen van de woningen die onder het toepassingsgebied van dit besluit vallen. » Art. 30.In artikel 1 het besluit van de Vlaamse regering van 16 juni 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 16/06/1998 pub. 23/10/1998 numac 1998036174 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse Regering tot aanmoediging van projecten inzake het zelfstandig wonen van personen met een fysieke handicap in sociale woonwijken sluiten tot aanmoediging van projecten inzake het zelfstandig wonen van personen met een fysische handicap in sociale woonwijken wordt het 12° wordt vervangen door wat volgt : « 12° sociaal huurbesluit : besluit van de Vlaamse regering tot reglementering van het sociale huurstelsel, genomen met toepassing van titel VII van het decreet van 15 juli 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 15/07/1997 pub. 19/08/1997 numac 1997036023 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de Vlaamse Wooncode sluiten houdende de Vlaamse Wooncode ». Art. 31.In artikel 18, § 2 van hetzelfde besluit worden de woorden « artikel 6, § 1 » vervangen door de woorden « artikel 7, § 1 ». Art. 32.In artikel 4, § 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 19 december 1996 houdende vaststelling van de procedure inzake de programmering en de subsidiëring van operaties en werken die voor sociale huisvestingsdoeleinden worden uitgevoerd, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt : « De in het eerste lid vermelde verplichtingen gelden niet voor bewoners die niet voldoen aan de voorwaarden waaraan particulieren moeten voldoen in het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 2000 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor sociale huurwoningen die worden verhuurd of onderverhuurd door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of een sociale huisvestingsmaatschappij met toepassing van titel VII van de Vlaamse Wooncode ingevolge artikel 2, § 3, en artikel 4, § 1, 3°, tenzij de te ontruimen woning voor de aanvang van het sociaal woonproject of het bijzonder woonproject aan de initiatiefnemer toebehoorde. Voor de toepassing van de onroerende bezitsvoorwaarde wordt er geen rekening gehouden met de te ontruimen woning. » Art. 33.In artikel 11, eerste lid van het besluit van de Vlaamse regering van 6 oktober 1998Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 06/10/1998 pub. 30/10/1998 numac 1998036228 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen sluiten betreffende de kwaliteitsbewaking, het recht van voorkoop en het sociaal beheersrecht op woningen worden de woorden « vermeld in het besluit van de Vlaamse regering ter uitvoering van artikel 91, § 2 van de Vlaamse Wooncode » vervangen door de woorden « vermeld in artikel 2, § 3 en artikel 4, § 1, 3° van het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 2000 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor sociale huurwoningen die worden verhuurd of onderverhuurd door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of een sociale huisvestingsmaatschappij met toepassing van titel VII van de Vlaamse Wooncode ». HOOFDSTUK VIII. - Slotbepalingen Art. 34.Dit besluit is van toepassing op alle door de VHM en de door de VHM erkende sociale huisvestingsmaatschappijen verhuurde woningen. Onverminderd de bepalingen van artikel 28 en 29 is in afwijking van het eerste lid dit besluit niet van toepassing op de huurwoningen die werden gefinancierd op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 4 april 1990 tot aanmoediging van de bouw van sociale huurwoningen, op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 19 mei 1987 tot instelling van een huurcompensatie of op basis van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1992 tot uitvoering van artikel 49 van het decreet van 25 juni 1992 houdende diverse bepalingen tot begeleiding van de begroting van
- Art. 35.§
- Het besluit van de Vlaamse regering van 29 september 1994 tot reglementering van het sociale huurstelsel voor de woningen die door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij of door de door de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij erkende lokale sociale huisvestingsmaatschappijen worden verhuurd in toepassing van artikel 80ter van de Huisvestingscode, wordt voor de toepassing van artikel 34, eerste lid, opgeheven. §
- In afwachting van de uitvoering door Vlaamse regering van de bepalingen van artikel 3, § 1, 9 en de uitvoering door de minister van de bepalingen van artikel 3, §
artikel 8 blijven de volgende besluiten van toepassing op de in dit besluit bedoelde verhuringen : 1° het besluit van de Vlaamse regering van 25 januari 1985 betreffende de huurlasten;2° het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 1985 betreffende het verhaal;3° het besluit van de Vlaamse regering van 6 april 1995 tot bepaling van de vorm, de inhoud, de wijze van bijhouden, de modaliteiten van de actualisering en de controle van de registers van de kandidaat-huurders voor sociale woningen;4° het besluit van de Vlaamse regering van 6 april 1995 tot vaststelling van de type-huurovereenkomst. §
- Voor de toepassing in 2001 van artikel 2, § 3, eerste lid wordt het gemiddeld inkomenscoëfficiënt van 1 december 2000 in aanmerking genomen. In dat geval dient het leefbaarheidsplan binnen de in artikel 6, § 5, derde lid, bepaalde termijn worden ingediend. De verhuurder kan in afwachting van de goedkeuring van het in artikel 6, § 5 bedoelde intern toewijzingsreglement woningen toewijzen volgens de bepalingen van artikel 6, § 1 tot en met §
- Art. 36.Dit besluit en titel VII van de Vlaamse Wooncode, met uitzondering van artikel 100, § 3, 101 en 102, treden in werking op 1 januari
- Art. 37.De Vlaamse minister, bevoegd voor de huisvesting, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 20 oktober
- De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport, J. SAUWENS