17 JULI 2000. - Besluit van de Vlaamse regering tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk De Vlaamse regering, Gelet op het
§ 2
, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor het nemen van de definitieve beslissing tot vermindering van het subsidiabel personeelskader of tot intrekking van de erkenning. Indien de definitieve beslissing van de minister niet binnen de termijn bedoeld in artikel 9, § 1, tweede lid, of § 2, eerste lid, aan de organisatie is betekend, blijft de organisatie erkend. § 3. Indien een organisatie niet meewerkt aan het toezicht dat door de administratie wordt uitgeoefend, kan haar erkenning worden ingetrokken, nadat de administratie de organisatie bij aangetekende brief heeft aangemaand om zich binnen een termijn van maximum zes maanden aan de regels betreffende het toezicht te conformeren. De bepalingen van § 2 zijn van overeenkomstige toepassing. Art. 15.Na afloop van het werkjaar, en uiterlijk tegen 1 april van het jaar nadien, dienen de organisaties een jaarverslag in waarvan de samenstelling in artikel 16 is bepaald. Bij het aflopen van een meerjarenplan wordt bovendien een samenvattend eindverslag ingediend over de afwerking van dit volledige meerjarenplan. Art. 16.Het jaarverslag omvat : 1° een overzicht en een evaluatie van de werking van het voorbije werkjaar volgens het model in bijlage 2 bij dit besluit;2° een financiële afrekening, met postgewijze toelichting; ondertekende staat per persoon met de reiskosten en de berekeningswijze ervan; de R.S.Z.-staten, de loonstaten en individuele jaaroverzichten per persoon. De financiële afrekening wordt vergezeld van een bijbehorende balans over het afgelopen kalenderjaar, en van een accountantsverklaring. Art. 17.Elke organisatie ontvangt per semester een voorschot van maximaal 45 % van de geraamde subsidies voor het kalenderjaar. Het eerste voorschot van elk jaar wordt zo snel mogelijk na de goedkeuring van de uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap uitbetaald; het tweede voorschot wordt in het begin van het tweede semester betaald. Art. 18.§ 1. De berekening van de definitieve subsidie gebeurt overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en wordt uitgekeerd na ontvangst van het jaarverslag en de eindafrekening van het afgelopen jaar. § 2. Het saldo van de subsidie wordt uitbetaald vóór 1 oktober van het jaar dat volgt op het gesubsidieerde activiteitsjaar, na controle en goedkeuring van het verslag en de eindafrekening bedoeld in § 1. Bij de berekening van het saldo wordt rekening gehouden met de uitgekeerde voorschotten. Indien de uitgekeerde voorschotten hoger zijn dan de subsidie, wordt het verschil teruggevorderd of ingehouden van de voorschotten van het daaropvolgend activiteitsjaar. Art. 19.§ 1. De loonkosten worden als volgt gesubsidieerd : 1° de brutojaarwedde, berekend volgens de salarisschalen en anciënniteitsregels bepaald in artikelen 20, 21 en 22 voor zover zij niet wordt gecumuleerd met een andere wedde, rechtstreeks of onrechtstreeks ten laste van een openbare instelling, waarbij een normale voltijdse functie wordt overschreden;2° de aan het statuut verbonden lasten inzake sociale zekerheid;3° het aan het statuut verbonden vakantiegeld en het vervroegde vakantiegeld bij uitdiensttreding.4° alle andere personeelskosten met een maximum van 2,5 % van de brutojaarwedde voor de overige werkgeverskosten zoals arbeidsongevallenverzekering, arbeidsgeneeskunde, verplichte tussenkomst in verplaatsingen van en naar het werk. Voor deeltijdse personeelsleden worden de bedragen overeenkomstig aangepast. De instellingen ontvangen 90 % van de aldus berekende subsidieerbare loonkost, de instituten 100 %. § 2. De werkingskosten worden als volgt gesubsidieerd : 1° per coördinator, educatief staflid en opbouwwerker wordt een werkingstoelage toegekend die maximaal bedraagt :
- a)voor het Vlaams instituut ter bevordering en ondersteuning van het maatschappelijk opbouwwerk : 250 000 frank;
- b)voor de regionale instituten en voor de instellingen voor maatschappelijk opbouwwerk : 150 000 frank.2° voor deeltijdse plaatsen op de personeelsformatie worden de bedragen overeenkomstig aangepast. § 3. De huisvestingskosten van de instituten die in aanmerking komen voor subsidiëring zijn de huur of de eigenaarskosten, de verzekering, de energie, het dagelijks onderhoud en de herstellingen, mits deze in de begroting, bedoeld in artikel 13, eerste lid, 4°, werden opgenomen en goedgekeurd. § 4. De minister kan op gemotiveerd verzoek en na het advies te hebben ingewonnen van de administratie, aan instituten een toelage toekennen voor verhuis- en installatiekosten. § 5. Maximaal 10 % van de werkingstoelage kan aangewend worden voor de opbouw van een reserve; die reserve wordt gebruikt voor de financiering van uitgaven die bijdragen tot de realisatie van de taken van het centrum. De bestemming van de reserve wordt aangegeven in de toelichting bij de begroting, zoals bedoeld in artikel 13, eerste lid, 4° en bij de afrekening zoals bedoeld in artikel 16, 2°. Art. 20.Voor de subsidiëring van de functies bepaald in artikel 11 zijn de volgende salarisschalen van bijlage 1 bij dit besluit van toepassing : 1° coördinator : universitair diploma of HOBU-diploma: weddeschaal F (leeftijd 24 jaar);2° educatieve stafleden en opbouwwerkers :
- a)universitair diploma : weddeschaal E (leeftijd 24 jaar)
- b)HOBU-diploma : weddeschaal D (leeftijd 22 jaar)
- c)diploma hoger secundair onderwijs of daarmee gelijkgesteld bekwaamheidsbewijs : weddeschaal C (leeftijd 21 jaar);3° administratieve krachten :
- a)diploma middelbaar onderwijs : weddeschaal A (leeftijd 20 jaar)
- b)ofwel na 5 jaar anciënniteit ofwel mits het aantonen van minstens 5 jaar nuttige ervaring ofwel mits de betrokkene beschikt over een diploma van hoger onderwijs : weddeschaal B (leeftijd 20 jaar). Art. 21.De wet van 1 maart 1977Relevante gevonden documenten type wet prom. 01/03/1977 pub. 05/03/2009 numac 2009000107 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten houdende de inrichting van een stelsel waarvan sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk worden gekoppeld, is van toepassing voor de uitgaven van lonen, zoals bepaald is in artikel 19, § 1. De bedragen van de salarisschalen opgenomen als bijlage 1 bij dit besluit, zijn uitgedrukt aan 100 % en staan tegenover spilindex 102,02 basis 1988. Art. 22.Voor de toekenning van anciënniteit in de salarisschalen, bedoeld in artikel 20, komen volgende prestaties in aanmerking : 1° alle dienstjaren gepresteerd in een erkende organisatie voor maatschappelijk opbouwwerk of in een werking die in het kader van samenlevingsopbouw werd gesubsidieerd voor de inwerkingtreding van het besluit van de Vlaamse regering van 31juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk;2° alle vroegere ambten, uitgeoefend in staats- of andere openbare diensten, of in privé-diensten met betrekking tot de welzijnszorg, gezondheidszorg, opvoeding, onderwijs en cultuur die door de overheid erkend en of gesubsidieerd zijn, in zoverre deze ambten uitgeoefend worden op basis van het diploma waarvoor men aangeworven werd in het huidige ambt;3° voor de bepaling van de anciënniteit van de administratieve medewerkers wordt rekening gehouden met maximum 5 jaar nuttige beroepservaring, andere dan deze bedoeld in 1° en 2°; 4° diensten gepresteerd in het raam van bijzondere tewerkstellingsstatuten komen in aanmerking voor berekening van de anciënniteit, indien ze gebeurden op grond van een arbeidsovereenkomst en er een R.S.Z.-bijdrage werd betaald; in afwijking van het voorgaande worden evenwel maximaal twee jaar voltijdse prestaties als tewerkgestelde werkloze in aanmerking genomen 5° voor deeltijdse werknemers worden de prestaties na 1 oktober 1981 voor voltijdse anciënniteit aanvaard;de prestaties geleverd vóór 1 oktober 1981 worden in verhouding met de reëel gepresteerde diensten verrekend. Enkel volle maanden worden voor anciënniteit in aanmerking genomen. Art. 23.§ 1. Voor elk gesubsidieerd personeelslid wordt voor de maand van indiensttreding aan de administratie minstens het diploma bezorgd om het personeelsdossier samen te stellen, en in voorkomend geval ook attesten van vroegere werkgevers en attesten bij uitdiensttreding. De administratie stelt op grond daarvan de verklaring op inzake subsidieerbare barema en anciënniteit, en stuurt deze binnen een maand na ontvangst van de stukken op aan de organisatie. Deze stuurt de verklaring binnen een maand ondertekend terug, samen met een ondertekende kopie van het arbeidscontract. § 2. Daarenboven dient elke wijziging in de elementen die de subsidieerbare loonkosten bepalen, aan de administratie te worden meegedeeld. § 3. Elke wijziging gaat slechts in op de eerste dag van de maand volgend op de maand van indiening van de documenten. Art. 24.Wijzigingen in de begroting of in het jaarprogramma dienen onmiddellijk schriftelijk te worden meegedeeld. Wanneer de planning van een project grondig wordt gewijzigd of het project wordt stopgezet, dient hiervan een verantwoording te worden verstrekt. Art. 25.De administratie oefent ter plaatse of op stukken toezicht uit op de werking en het beheer van de organisaties die een erkenning aanvragen of die erkend zijn. De organisaties verlenen hun medewerking aan de uitoefening van het toezicht. Ze bezorgen aan de administratie, op haar eenvoudig verzoek, de stukken die met de erkenningsvraag of de erkenning zelf verband houden. Art. 26.§ 1. In geval de administratie ernstige en niet-meegedeelde afwijkingen vaststelt ten opzicht van de ingediende jaarprogramma's en projecten, hetzij op grond van een inspectie, hetzij op grond van een jaarverslag of andere vaststellingen, maakt zij een verslag op dat aan de betrokken organisatie wordt meegedeeld. De organisatie kan hierop repliceren tot uiterlijk dertig dagen na ontvangst van het verslag. § 2. Indien op basis van het verslag en de repliek daartoe aanleiding bestaat, kan de minister beslissen om de erkenning in te trekken of om de subsidies terug te vorderen of te verminderen in evenredigheid met het niet-uitgevoerde deel van de planning. § 3. Indien er aanleiding bestaat om de erkenning in te trekken, wordt het gemotiveerde voornemen van de minister om daartoe over te gaan aan de organisatie betekend. Die betekening gebeurt door de minister of de administratie met een aangetekende brief, waarin de mogelijkheden en de voorwaarden om een bezwaarschrift in te dienen, worden vermeld. Artikel 8 en artikel 9, §
§ 2
, eerste lid, zijn van overeenkomstige toepassing voor het nemen van de definitieve beslissing tot vermindering van het subsidiabele personeelsbestand of tot intrekking van de erkenning. Indien de definitieve beslissing van de minister niet binnen de termijn bedoeld in artikel 9, §
§ 2, eerste lid, aan de organisatie is betekend, blijft de organisatie erkend.
Art. 27.Bij vastgestelde afwending van de toegekende subsidie of voorschotten kan de minister de erkenning intrekken, de subsidiëring stopzetten en tot terugvordering van de ten onrechte ontvangen subsidies overgaan. Wat de intrekking van erkenning betreft, is artikel 24, § 3, van overeenkomstige toepassing. HOOFDSTUK IV. - Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen Art. 28.Door de organisaties zullen alle stukken die betrekking hebbende op de uitvoering van de opdrachten, programma's en projecten, gedurende minstens tien jaar bewaard worden. Art. 29.Alle personeelsleden, werkzaam in het maatschappelijk opbouwwerk, waarvoor op 1 januari 2000 lastens de begroting van de Vlaamse Gemeenschap een weddesubsidie werd uitgekeerd, kunnen in afwijking van artikel 19 en artikel 21 de wedde behouden zoals zij op die datum voor subsidiëring in aanmerking werd genomen. Art. 30.Het besluit van de Vlaamse regering van 31 juli 1991 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse regering van 8 december 1993 en 16 maart 1994, wordt opgeheven. Art. 31.De organisaties voor maatschappelijk opbouwwerk die op datum van inwerkingtreding van dit besluit zijn erkend, blijven erkend tot 31 december 2002 met inachtneming van de regels die voor eerstgenoemde datum op hen van toepassing waren, voorzover ze : 1° tegen 1 november 2001 een dossier indienen waarin uiteengezet wordt hoe het kwaliteitsdecreet in de organisatie zal worden ingevoerd.In geval de inwerkingtreding van het kwaliteitsdecreet wordt uitgesteld, wordt deze termijn overeenkomstig aangepast; 2° indien hun huidige erkenning voor 31 december 2001 zou aflopen, zes maanden voor het verstrijken van de erkenning een actualisering en aanvulling van het meerjarenplan indienen. Art. 32.§ 1. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2001. § 2. Uiterlijk tegen 1 juli 2002 dienen de organisaties een nieuw erkenningsdossier in volgens de bepalingen van dit besluit. Art. 33.De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 17 juli 2000. De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. M. VOGELS Bijlage 1 Subsidieerbare salarisschalen Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 tot uitvoering van het decreet van 26juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk. De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. M. VOGELS Bijlage 2 Schema jaarverslag IDENTIFICATIE : naam en adres v.z.w. Lopende erkenning : - statuut : Vlaams instituut, regionaal instituut of instelling voor maatschappelijk opbouwwerk - territorium : Vlaanderen / de provincie.... / de grootstad... / regio, gemeente of wijk...... DE ORGANISATIE Statuten en huishoudelijk reglement vermelden of er al dan niet wijzigingen zijn geweest in de loop van het jaar; in positief geval de nieuwe tekst(
- en)bijvoegen, met eventueel exemplaar publicatie in het Belgisch Staatsblad Bestuursorganen Algemene vergadering : kopie ledenlijst neergelegd bij de griffie van de rechtbank van eerste aanleg Raad van Beheer : vermelden of er al dan niet wijzigingen zijn geweest in de loop van het jaar; in positief geval exemplaar publicatie in het Belgisch Staatsblad bijvoegen Interne organisatiestructuur vermelden of er al dan niet wijzigingen zijn geweest in de loop van het jaar; in positief geval de nieuwe structuur bijvoegen Personeel Decretaal : Ander : lijst, met bij elke persoon tewerkstellingstermijn en -volume, statuut, functie, salarisschaal, activiteiten Financiën in voorkomend geval vermelden van speciale organen, eventuele opmerkingen.. DE WERKING A. MEERJARENPLAN Erkende programma's : vermelden welke dat zijn voor het jaar waarover het verslag wordt gemaakt Actualisering meerjarenplan : vermelden of er al dan niet wijzigingen zijn geweest in de loop van het jaar; in positief geval de nieuwe tekst(
- en)bijvoegen Uitvoering programma's en projecten : per programma; telkens de projecten en andere activiteiten bondig beschrijven en situeren, en eventueel evalueren Toepassing kwaliteitsdecreet : de acties ondernomen in de loop van het jaar B. ANDERE Vorming personeel : overzicht van het personeel werkzaam in het maatschappelijk opbouwwerk Overleg : vermelden of er al dan niet wijzigingen zijn geweest in de loop van het jaar; in positief geval de nieuw gegevens bijvoegen Publicaties, studiewerk : lijst, met eventueel beknopte toelichting Werking met niet-decretale middelen : een overzicht met korte beschrijving, en met situering t.o.v. de decretale opdrachten C. SAMENWERKING REGIONAAL INSTITUUT/INSTELLING (in voorkomend geval) Beschrijving hiervan, op vlak van bestuur, personeel en werking D. EIGEN EVALUATIE EN OPMERKINGEN Een samenvattende evaluatie, waar nodig uitgewerkt voor belangrijke aspecten van de organisatie en haar werking. Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 juli 2000 tot uitvoering van het decreet van 26 juni 1991 houdende erkenning en subsidiëring van het maatschappelijk opbouwwerk. De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, Mevr. M. VOGELS