LAG AAN DE KONING Sire, Het ontwerp van koninklijk besluit dat wij de eer hebben ter handtekening voor te leggen aan Uwe Majesteit beoogt, enerzijds, de vaststelling van de organisatie- en werkingspri
Art. 40
.Elke kandidaat voor de algemene inspectie moet voldoen aan de volgende algemene toelatingsvoorwaarden : 1° van onberispelijk gedrag zijn;2° beantwoorden aan het opgelegde profiel;3° slagen in en nuttig gerangschikt zijn voor de respectieve selectieproeven. Art. 41.Onverminderd de artikelen 44 en 53, worden de in artikel 40, 2°, bedoelde profielen vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken op voorstel van de inspecteur-generaal. Art. 42.Binnen de grenzen van de aan de algemene inspectie toegekende kredieten, beslist de inspecteur-generaal of en voor welke van de categorieën bedoeld in artikel 39 een betrekking binnen de algemene inspectie vacant wordt verklaard. De inspecteur-generaal kan een betrekking vacant verklaren die binnen afzienbare tijd vacant wordt. Art. 43.Voor de selectie van de kandidaten kan de inspecteur-generaal een beroep doen op het selectiebureau van de federale overheid (SELOR) evenals op de algemene directie personeel van de federale politie. Als er een beroep wordt gedaan op de diensten van SELOR, dan wordt de selectieprocedure vastgelegd door de afgevaardigde bestuurder, in samenspraak met de inspecteur-generaal. Afdeling
- - Specifieke bepalingen met betrekking tot de personeelsleden bedoeld in artikel 39, 1° Onderafdeling
- De specifieke toelatingsvoorwaarden Art. 44.De politieambtenaar die kandidaat is voor de algemene inspectie moet bovendien voldoen aan de volgende specifieke toelatingsvoorwaarden : 1° ten minste tien jaar dienstanciënniteit tellen;2° een onberispelijke wijze van dienen hebben;3° een goede kennis van de werking van de politiediensten hebben;4° de nodige kwaliteiten inzake loyaliteit, discretie en integriteit bezitten. De in het eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde moet vervuld zijn op de datum bedoeld in artikel 45, eerste lid, 3°. Onderafdeling
- - De selectieprocedure Art. 45.De inspecteur-generaal beslist over : 1° de wijze van selectie voor de vacant verklaarde betrekkingen onder één of meerdere van de selectiemodaliteiten bedoeld in artikel 50;2° de gevallen waarvoor een specifieke evaluatie wordt vereist;3° de uiterste datum van indienen van de kandidaatstellingen;4° in voorkomend geval, de samenstelling van de selectiecommissie. Niettegenstaande het 2° maken de voorwaarden, bedoeld in artikel 44, 2° en 4°, steeds het voorwerp uit van een specifieke evaluatie door de functionele overheid. Art. 46.De inspecteur-generaal deelt de vacant verklaarde betrekkingen, hierna "vacatures" genoemd, onverwijld mee aan de directeur-generaal. Art. 47.De directeur-generaal doet een oproep tot kandidaatstelling voor de vacatures tot de voor de betrekking in aanmerking komende personeelsleden van de politiediensten. Deze oproep bevat minstens de volgende gegevens : 1° een korte functiebeschrijving van de te begeven betrekking en het adres van de dienst waar een uitgebreide beschrijving en alle nadere toelichtingen te verkrijgen zijn;2° het gewenste profiel;3° de gewone plaats van het werk;4° de categorieën van het personeel die zich voor de vacature mogen inschrijven;5° de uiterste datum van indiening van de kandidaatstellingen die niet vroeger mag vallen dan 16 dagen na de verschijning van de oproep tot kandidaatstelling;6° de wijze van selectie onder de kandidaten overeenkomstig artikel 45, 1° en 4°. Art. 48.§
- Het personeelslid dient zijn kandidaatstelling in bij de directeur-generaal. Om geldig te zijn moet deze kandidaatstelling : 1° gebeuren op het door de Minister van Binnenlandse Zaken bepaalde modelformulier;2° hetzij gestuurd zijn per aangetekende brief, hetzij tegen ontvangstbewijs overhandigd worden aan de hiërarchische meerdere;3° ingediend zijn ten laatste op de in artikel 47, tweede lid, 5°, bepaalde datum;4° vergezeld worden door de mobiliteitsfiche waarvan de inhoud wordt bepaald door de Minister van Binnenlandse Zaken. §
- De hiërarchische meerdere, bedoeld in § 1, tweede lid, 2°, zendt onverwijld het dossier van de kandidaatstelling naar de directeur-generaal. Art. 49.De directeur-generaal deelt de kandidaatstellingen onverwijld mee aan de inspecteur-generaal. Art. 50.De inspecteur-generaal kan, wat de wijze van selectie betreft voor de vacatures, een keuze maken bestaande uit één of meerdere van de volgende selectiemodaliteiten : 1° het houden van een interview met de verschillende kandidaten, waarbij een waarnemer van elke representatieve vakorganisatie aanwezig mag zijn;2° het inwinnen van het advies van de korpschef van de kandidaat of van de directeur-generaal of de door deze aangewezen officier van de algemene directie waaronder de kandidaat ressorteert;3° het inwinnen van het advies van een selectiecommissie die de kandidaten hoort. De in het eerste lid bedoelde modaliteiten kunnen gepaard gaan met het organiseren van door de inspecteur-generaal bepaalde testen of geschiktheidsproeven. Art. 51.De in artikel 50, 3°, bedoelde selectiecommissie bestaat uit een afgevaardigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, een afgevaardigde van de Minister van Justitie en van ten minste drie personeelsleden aangewezen door de inspecteur-generaal. Art. 52.Ongeacht de overeenkomstig artikel 50 gekozen selectiemodaliteit zal steeds het advies van de in artikel 51 bedoelde selectiecommissie worden ingewonnen indien de te begeven betrekking een ambt voor het officierskader betreft. Afdeling
- - Specifieke bepalingen met betrekking tot de personeelsleden bedoeld in artikel 39, 2° Onderafdeling
- - De specifieke toelatingsvoorwaarden Art. 53.Het personeelslid van het administratief en logistiek kader van de federale politie of van een korps van de lokale politie, dat kandidaat is voor de algemene inspectie, moet bovendien voldoen aan de volgende specifieke toelatingsvoorwaarden : 1° voor de door de inspecteur-generaal bepaalde gezaghebbende ambten, ten minste tien jaar dienstanciënniteit tellen;2° een onberispelijke wijze van dienen hebben;3° in functie van de beoogde betrekking, een goede kennis van de werking van de politiediensten hebben;4° de nodige kwaliteiten inzake loyaliteit, discretie en integriteit bezitten. Art. 54.De in artikel 53, 1°, bedoelde voorwaarde moet vervuld zijn op de datum bedoeld in artikel 45, eerste lid, 3°. Onderafdeling
- - De selectieprocedure Art. 55.De artikelen 45 tot en met 51 zijn van overeenkomstige toepassing op de in deze afdeling bedoelde personeelsleden. Art. 56.Ongeacht de overeenkomstig artikel 50 gekozen selectiemodaliteit zal steeds het advies van de in artikel 51 bedoelde selectiecommissie worden ingewonnen indien de te begeven betrekking een ambt van het niveau A voor het administratief en logistiek kader betreft. HOOFDSTUK III. De aanwijzng van de personeelsleden Afdeling
- -
Art. 57
.Op de dag van hun toelating leggen de statutaire personeelsleden de eed af in handen van de inspecteur-generaal, in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten0, betreffende de eed. Art. 58.Bij de toewijzing van de ambten van de algemene inspectie aan de politieambtenaren, wordt, rekening houdend met de respectieve effectieven, een evenredige verdeling betracht tussen de personeelsleden komende uit de federale politie en die komende uit de lokale politie. Afdeling
- - Specifieke bepalingen met betrekking tot de statutaire personeelsleden bedoeld in artikel 39, 1° en 2° Art. 59.Op grond van de dossiers van de kandidaatstellingen, de mobiliteitsfiches en de resultaten van de overeenkomstig artikel 50 gekozen selectie, vergelijkt de inspecteur-generaal de aanspraken en verdiensten van de kandidaten. Art. 60.Betreft de te begeven betrekking een betrekking voor officier of voor een personeelslid van niveau A, dan draagt de inspecteur-generaal de door hem meest geschikt bevonden kandidaat aan Ons voor om te worden benoemd in het ambt en, in voorkomend geval, in de overeenstemmende graad, overeenkomstig de procedure tot bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een hoger kader, zoals bepaald bij toepassing van het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet. Art. 61.Betreft het een andere dan in artikel 60 bedoelde te begeven betrekking, dan draagt de inspecteur-generaal de door hem meest geschikt bevonden kandidaat voor aan de Minister van Binnenlandse Zaken die de kandidaat benoemt in het ambt en, in voorkomend geval, in de overeenstemmende graad, overeenkomstig de procedure tot bevordering door verhoging in graad of door overgang naar een hoger kader, zoals bepaald bij toepassing van het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet. Art. 62.De in artikelen 60 en 61, bedoelde voordracht geschiedt, met uitsluiting van de betrekkingen bedoeld in de artikelen 71 en 72, na een proefperiode van drie maanden binnen dewelke de inspecteur-generaal de laureaat beoordeelt op zijn functioneren binnen de algemene inspectie. Voldoet de laureaat niet, dan deelt de inspecteur-generaal zijn grieven mee aan betrokkene. Deze laatste beschikt over vijf werkdagen te rekenen vanaf de dag na die van de kennisgeving om een verweerschrift in te dienen. Op grond van het in het tweede lid bedoelde verweerschrift beslist de inspecteur-generaal ofwel om betrokkene voor benoeming voor te dragen, ofwel om aan de Minister van Binnenlandse Zaken voor te stellen betrokkene terug te zenden naar zijn korps van herkomst. Art. 63.De Minister van Binnenlandse Zaken, geadieerd door een voorstel tot terugzending, deelt zijn beslissing onverwijld mee aan de betrokkene die, in voorkomend geval, zijn korps van herkomst vervoegt. Gedurende de proefperiode kan de laureaat vragen om teruggezonden te worden naar zijn korps van herkomst. Art. 64.De in artikelen 60 en 61, bedoelde benoemingen geschieden met terugwerkende kracht op de dag van aanvang van de in artikel 62 bedoelde proefperiode. Afdeling
- - Specifieke bepaling met betrekking tot de contractuele personeelsleden bedoeld in artikel 39, 2° Art. 65.Op grond van de dossiers van de kandidaatstellingen, de mobiliteitsfiche en de resultaten van de overeenkomstig artikel 50 gekozen selectie, vergelijkt de inspecteur-generaal de aanspraken en verdiensten van de kandidaten en neemt hij de door hem meest geschikt bevonden kandidaat in dienst. HOOFDSTUK IV. De rechtpositie van de personeelsleden Afdeling
- -
Art. 66
.Het beheer van de geschillen inzake de personeelsleden wordt behartigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. Art. 67.De inspecteur-generaal draagt bij tot de uitwerking en waakt over de toepassing van de bijzondere statutaire regels van de personeelsleden vastgesteld met toepassing van artikel 149 van de wet. Art. 68.Elk personeelslid wordt een kopie van het in artikel 22 bedoelde huishoudelijk reglement ter hand gesteld. Afdeling
- - Het statuut van de persoon die geen personeelslid is van de politiedienst en die bij mandaat wordt aangewezen voor het ambt van inspecteur-generaal Art. 69.§
- Op gezamenlijke voordracht van de Minister van Binnenlandse Zaken en van de Minister van Justitie, na advies van de federale politieraad en bij een in Ministerraad overlegd besluit, wordt de in deze afdeling bedoelde inspecteur-generaal door Ons benoemd. §
- Niemand kan inspecteur-generaal benoemd worden indien hij : 1° op de dag van de benoeming, niet de leeftijd van veertig jaar heeft bereikt of een leeftijd bereikt heeft die het voltooien van zijn mandaat niet toelaat;2° geen houder is van een diploma dat toegang verleent tot de betrekkingen van niveau 1 in de rijksbesturen;3° niet het bewijs heeft geleverd van de kennis van de andere taal, Nederlands of Frans, dan die van zijn diploma;4° niet beantwoordt aan het voor het ambt van inspecteur-generaal vereiste profiel. §
- De benoeming geldt voor een mandaat van vijf jaar en is éénmaal hernieuwbaar voor eenzelfde termijn. §
- De bepalingen tot regeling van het administratief en geldelijk statuut van het personeel van de ministeries zijn van toepassing op de inspecteur-generaal bedoeld in §
- De wedde van de inspecteur-generaal evenals de regels met betrekking tot zijn toestand bij het beëindigen van zijn mandaat worden door Ons bepaald. §
- In afwijking van § 4, eerste zin, zijn van toepassing op de inspecteur-generaal bedoeld in § 1 : 1° de wet van 13 mei 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 13/05/1999 pub. 16/06/1999 numac 1999000472 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten sluiten houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten;2° de wet van 24 maart 1999Relevante gevonden documenten type wet prom. 24/03/1999 pub. 08/05/1999 numac 1999000340 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten sluiten tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakverenigingen van het personeel van de politiediensten;3° de administratieve standen, de verloven, de dienstvrijstellingen en de non-activiteiten zoals bepaald bij toepassing van het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet. §
- De inspecteur-generaal legt de eed af in handen van de Minister van Binnenlandse Zaken, in de termen bepaald bij artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831Relevante gevonden documenten type wet prom. 07/12/1998 pub. 05/01/1999 numac 1998021488 bron diensten van de eerste minister Wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sluiten0, betreffende de eed. §
- De inspecteur-generaal oefent zijn mandaat uit in overeenstemming met de opdrachtbrief, gezamenlijk vastgesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken en door de Minister van Justitie, waarin de te bereiken doelstellingen en de daartoe ter beschikking gestelde middelen zijn vervat. De opdrachtbrief wordt aangepast, door dezelfde overheden, ingevolge essentiële wijzigingen van de doelstellingen of van de middelen. §
- De bepalingen met betrekking tot de evaluatie van de inspecteur-generaal, de hernieuwing en het beëindigen van zijn mandaat worden bepaald door het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet. Afdeling
- - Specifieke bepalingen met betrekking tot de statutaire personeelsleden bedoeld in artikel 39, 1° en 2° Art. 70.De statutaire personeelsleden behouden hun statuut zoals vastgelegd in toepassing van artikel 121 van de wet met dien verstande evenwel dat in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 22 de overheden binnen de algemene inspectie worden aangewezen die zich, voor de toepassing van dat statuut, substitueren aan de in het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet aangewezen respectieve bevoegde overheden. De toestand van het personeelslid, bij het beëindigen van zijn mandaat van inspecteur-generaal, wordt door Ons bepaald. Art. 71.De bevordering door verhoging in graad bedoeld in de artikelen 60 en 61, kan ook geschieden door de benoeming in een vacante betrekking van hoger officier bij de algemene inspectie. Art. 72.De bevordering door overgang naar een hoger kader, bedoeld in de artikelen 60 en 61, kan ook geschieden door toelating, door de Minister van Binnenlandse Zaken, van betrokkene tot de stage in een vacante overeenstemmende betrekking bij de algemene inspectie. In dat geval zijn de bepalingen met betrekking tot de stage en de benoeming, vervat in het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet, van overeenkomstige toepassing, met dien verstande evenwel dat het in artikel 22 bedoelde reglement de personen binnen de algemene inspectie aanwijst die de respectieve bevoegdheden in het raam van die stage uitoefenen. Art. 73.Het personeelslid dat politieambtenaar is en dat kandidaat is voor een betrekking in de politiediensten en hiervoor geschikt is bevonden, heeft voorrang op alle andere kandidaten voor die betrekking. Deze voorrang, die één jaar geldig is, gaat in vanaf de eerste dag van het zesde jaar na de in artikel 57 bedoelde dag. Art. 74.Onder de voorwaarden bedoeld in artikel 73 wordt een voorrangstermijn van twee jaar toegekend vanaf het ingaan van het elfde jaar na de in artikel 57 bedoelde dag. Art. 75.Zo daar, gelet op de artikelen 40, 1° en 2°, 44, 2° en 4°, of 53, 2° en 4°, en op de aan de algemene inspectie toevertrouwde opdrachten, ernstige redenen toe zijn, kan de inspecteur-generaal, te allen tijde, aan de Minister van Binnenlandse Zaken voorstellen een personeelslid terug te zenden naar een dienst van de federale politie. Voor de officieren geschiedt die terugzending door Ons. De inspecteur-generaal deelt zijn motieven daarvoor mee aan het betrokken personeelslid. Deze laatste beschikt over vijftien dagen te rekenen vanaf de dag na die van de kennisgeving, om een verweerschrift in te dienen. Op grond van voormeld verweerschrift beslist de inspecteur-generaal al dan niet tot voortzetting van de procedure. Art. 76.In geval van gestaakte procedure van terugzending, worden de stukken met betrekking tot het initiële dossier niet opgenomen in het persoonlijk dossier van betrokkene. Art. 77.De artikelen 73, 74 en 75 zijn niet van toepassing op de personeelsleden van een politiedienst die voor een bij mandaat te begeven ambt in de algemene inspectie worden aangewezen. Art. 78.De algemene inspectie onderzoekt de klachten die bij haar worden ingediend door haar gewezen leden die menen dat er jegens hen nadelige maatregelen werden getroffen wegens de functies die ze in de schoot van de algemene inspectie hebben vervuld. Afdeling
- - Specifieke bepaling met betrekking tot de contractuele personeelsleden bedoeld in artikel 39, 2° Art. 79.De artikelen 70, 75 en 76 zijn van overeenkomstige toepassing op de in deze afdeling bedoelde personeelsleden. TITEL VII. Opheffings-, overgangs- en slotbepalingen HOOFDSTUK I. - Opheffingsbepaling Art. 80.Worden opgeheven : 1° het koninklijk besluit van 4 november 1987 betreffende de algemene inspectie van de rijkswacht, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 1994;2° het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot oprichting van een algemene inspectie van de gerechtelijke politie bij de parketten. HOOFDSTUK II. Overgangsbepalingen Art. 81.Voor de toepassing van deze afdeling moet worden begrepen onder : 1° "gezaghebbend ambt " : iedere betrekking die een gezagsuitoefening inhoudt en die binnen de algemene inspectie als dusdanig wordt bepaald door de inspecteur-generaal;2° "het koninklijk besluit" : het koninklijk besluit van 31 oktober 2000Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 31/10/2000 pub. 04/11/2000 numac 2000000891 bron ministerie van binnenlandse zaken en ministerie van justitie Koninklijk besluit houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling in bepaalde betrekkingen van de federale politie en van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie sluiten houdende vaststelling van de voorwaarden en de modaliteiten van de eerste aanstelling tot bepaalde betrekkingen voor de federale politie en de algemene inspectie van de federale politie en de lokale politie. Art. 82.De eerste aanstelling tot de betrekkingen van adjunct-inspecteur-generaal geschiedt overeenkomstig de bepalingen met betrekking tot de aanstelling tot de betrekking van directeur bedoeld in de hoofdstukken II en III van het koninklijk besluit, met uitzondering van artikel 8, § 6, vijfde lid. Art. 83.In afwijking van de artikelen 44, 1°, 45, 47, 2°, 3° en 6°, 48 tot en met 52, 53, 1°, 54, 55 in de mate van de voorgaande afwijkingen, en 56, en onverminderd de bepalingen met betrekking tot de aanwezigheidstermijn vastgelegd in het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet, wijst de inspecteur-generaal, aangewezen bij toepassing van hoofdstuk I van het koninklijk besluit, onder de personeelsleden van de federale politie en onder de in artikel 235 van de wet bedoelde personeelsleden die overgaan naar de lokale politie, bepaalde personeelsleden, voor zover die daarmee instemmen, aan voor een gezaghebbend ambt, in overleg met respectievelijk de commissaris-generaal van de federale politie aangewezen bij toepassing van hoofdstuk I van het koninklijk besluit of de korpschef van het betrokken korps van de gemeentepolitie. De toewijzing van de betrekkingen bedoeld in het eerste lid waarborgt, in de mate van het mogelijke en in functie van de opdrachten toevertrouwd aan de algemene inspectie, een proportionele verdeling van betrekkingen tussen de personen bedoeld in artikel 91 alsook de vroegere leden van de gerechtelijke politie, de gemeentepolitie of de rijkswacht. Art. 84.De selecties voor de in de artikelen 83 en 87 bedoelde aanwijzingen vinden plaats gedurende een periode van zes maanden, die ingaat vanaf de datum van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad en geschieden op grond van het persoonlijk dossier van de betrokken personeelsleden, met uitzondering van de evaluaties uitgebracht na 21 april
- Art. 85.De inspecteur-generaal legt de lijst van de aangewezen personeelsleden, bedoeld in artikel 83, ter gezamenlijke goedkeuring voor aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de Minister van Justitie. Voor de officieren geschiedt de voordracht aan Ons. Art. 86.Als het toegewezen gezaghebbend ambt bedoeld in artikel 83, een mandaatbetrekking is of zou worden bij toepassing van het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet, dan geldt die aanwijzing voor een periode van ten minste drie en ten hoogste vijf jaar en tot de toewijzing van de betrekking die zal geschieden op grond van de toewijzingsprocedure voor het mandaat bij toepassing van het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet. Bij de in het eerste lid bedoelde beëindiging van de aanwijzing, wordt de betrokkene herplaatst overeenkomstig de regels bepaald in het statuut bedoeld in artikel 121 van de wet. Art. 87.In afwijking van de artikelen 44, 1°, 45, 47, 2°, 3° en 6°, 48 tot en met 52, 55 in de mate van de voorgaande afwijkingen en 56, wijst de inspecteur-generaal onder de in artikel 83, bedoelde personeelsleden van de federale politie of die overgaan naar een korps van de lokale politie, bepaalde personeelsleden, voor zover die daarmee instemmen, aan voor de andere betrekkingen in de algemene inspectie dan die bedoeld in artikel 81, 1°. De aanwijzingen bedoeld in het eerste lid gebeuren in overleg met respectievelijk de in artikel 83 bedoelde commissaris-generaal of korpschef van het betrokken korps van de gemeentepolitie. Art. 88.De inspecteur-generaal legt de lijst van de aangewezen personeelsleden, bedoeld in artikel 87, ter gezamenlijke goedkeuring voor aan de Minister van Binnenlandse Zaken en de Minister van Justitie. Art. 89.De in artikelen 85 en 88 bedoelde aangewezen personeelsleden worden vanaf de dag van de in die artikelen bedoelde gezamenlijke goedkeuring, geacht aangewezen te zijn overeenkomstig de artikelen 59 tot en met
- Art. 90.Voor het bepalen van de in de artikelen 73 en 74 bedoelde termijnen van voorrang met betrekking tot de in de artikelen 85 en 88 bedoelde aangewezen personeelsleden, wordt uitgegaan van de datum van de in dezelfde artikelen bedoelde gezamenlijke goedkeuring. Art. 91.Worden, voor de toepassing van de artikelen 83 en 87, geacht te voldoen aan de algemene en specifieke toelatingsvoorwaarden, de personen die : 1° op 31 december 2000 deel uitmaakten van de algemene inspectie van de rijkswacht evenals de personen bedoeld in artikel 5, 2° en 3°, van het koninklijk besluit van 30 maart 1995 tot oprichting van een algemene inspectie van de gerechtelijke politie bij de parketten;2° in uitvoering van de omzendbrief POL 48 betreffende de inrichting van een dienst "Intern Toezicht" bij de korpsen van de gemeentepolitie, leden ervan zijn of die, binnen hun korps van gemeentepolitie, uitdrukkelijk worden aangewezen voor het vervullen van de functie "Intern Toezicht";3° sinds 1 januari 2001 ter beschikking van de inspecteur-generaal zijn gesteld. HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen Art. 92.Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 93.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 20 juli
- ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN Bijlage bij het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de werking en het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie ALGEMENE INSPECTIE PERSONEELSFORMATIE A) Algemene Dienst Hoofdcommissaris van politie 3 Hoofdinspecteur van politie 1 Inspecteur van politie 2 B) Dienst inspectie 1) Politieambtenaren Hoofdcommissaris van politie 8 Commissaris van politie 9 Hoofdinspecteur van politie 11 Inspecteur van politie 1 2) Statutair personeel niet-politieambtenaar Niveau A 1 C) Dienst individuele onderzoeken Hoofdcommissaris van politie 5 Commissaris van politie 5 Hoofdinspecteure van politie 15 Inspecteur van politie 1 D) Dienst statuten 1) Politieambtenaren Hoofdcommissaris van politie 4 Commissaris van politie 8 Inspecteur van politie 1 2) Statutair personeel niet-politieambtenaar Niveau A 1 E) Secretariaat 1) Politieambtenaren Hoofdinspecteur van politie 2 2) Statutair personeel niet-politieambtenaar Niveau A Informaticus 1 Niveau A 2 Niveau B Boekhouder 1 Niveau C Bediende 3 TOTAAL : 85 Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 20 juli 2001 betreffende de werking en het personeel van de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN