is, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;3° degene die bedragen geniet uitgekeerd als bestaansminimum of als maatschappelijke bijstand, op voorlegging van de geldige beslissing van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;4° degene die bedragen geniet uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden, op voorlegging van het jaarlijks attest van de Rijksdienst voor Pensioenen;5° degene die een vervangingsinkomen voor gehandicapten zonder integratievergoeding geniet, op voorlegging van de beslissing van de minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of van de door hem afgevaardigde ambtenaar;6° de persoon die een kind ten laste heeft dat gewaarborgde kinderbijslag geniet, op voorlegging van het attest van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers;7° de huurder van een sociale woning die in het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een huur betaalt die overeenkomt met de helft van de basishuurprijs of die in het Waals Gewest een minimumhuur betaalt, op voorlegging van de laatste huurberekeningsfiche;8° de minderjarige, op voorlegging van zijn identiteitskaart;9° de vreemdeling, voor wat betreft de indiening van het verzoek tot regularisering van verblijf, of van een beroep tegen een uitwijzing, op voorlegging van bewijsstukken;10° de asielaanvrager of de persoon die een aanvraag indient van het statuut van ontheemde, op voorlegging van een bewijsstuk. Voor de vaststelling van de in 2° bedoelde inkomsten, wordt rekening gehouden met een aftrek van 10 % van het bestaansminimum per persoon ten laste. Voor de vaststelling van de in 1° en 2° bedoelde inkomsten, wordt eveneens rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast alsook met elk ander bestaansmiddel, doch met uitsluiting van de gezinsbijslagen. Onder de samenwoning bedoeld in het 2° wordt verstaan het feit dat twee of meerdere personen samen onder hetzelfde dak wonen en hoofdzakelijk huishoudelijke aangelegenheden regelen. De persoon bedoeld in 2° die de juridische bijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen valt onder toepassing van 1° voor zover die belangen strijdig zijn met deze van zijn echtgenoot of met deze van de persoon met wie hij samenwoont. Het in 1° bedoelde bedrag wordt elk jaar proportioneel in dezelfde mate aangepast als het in artikel 1409, § 1,
§
is, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek;3° degene die bedragen geniet uitgekeerd als bestaansminimum of als maatschappelijke bijstand, op voorlegging van de geldige beslissing van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;4° degene die bedragen geniet uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden, op voorlegging van het jaarlijks attest van de Rijksdienst voor Pensioenen;5° degene die een vervangingsinkomen voor gehandicapten zonder integratievergoeding geniet, op voorlegging van de beslissing van de minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of van de door hem afgevaardigde ambtenaar;6° de persoon die een kind ten laste heeft dat gewaarborgde kinderbijslag geniet, op voorlegging van het attest van de Rijksdienst voor Kinderbijslag voor Werknemers;7° de huurder van een sociale woning die in het Vlaams Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een huur betaalt die overeenkomt met de helft van de basishuurprijs of die in het Waals Gewest een minimumhuur betaalt, op voorlegging van de laatste huurberekeningsfiche;8° de minderjarige, op voorlegging van zijn identiteitskaart;9° de vreemdeling, voor wat betreft de indiening van het verzoek tot regularisering van verblijf, of van een beroep tegen een uitwijzing, op voorlegging van bewijsstukken;10° de asielaanvrager of de persoon die een aanvraag indient van het statuut van ontheemde, op voorlegging van een bewijsstuk. Voor de vaststelling van de in 2° bedoelde inkomsten, wordt rekening gehouden met een aftrek van 10 % van het bestaansminimum per persoon ten laste. Voor de vaststelling van de in 1° en 2° bedoelde inkomsten, wordt eveneens rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast alsook met elk ander bestaansmiddel, doch met uitsluiting van de gezinsbijslagen. Onder de samenwoning bedoeld in het 2° wordt verstaan het feit dat twee of meerdere personen samen onder hetzelfde dak wonen en hoofdzakelijk huishoudelijke aangelegenheden regelen. De persoon bedoeld in 2° die de juridische bijstand of rechtsbijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen valt onder toepassing van 1° voor zover die belangen strijdig zijn met deze van zijn echtgenoot of met deze van de persoon met wie hij samenwoont. Het in 1° bedoelde bedrag wordt elk jaar proportioneel in dezelfde mate aangepast als het in artikel 1409, § 1,
§ 2. De gedetineerde, de beklaagde bedoeld in de wet betreffende de onmiddellijke verschijning of de geesteszieke die het voorwerp heeft uitgemaakt van een maatregel voorzien in de wet van 26 juni 1990Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/06/1990 pub. 22/07/2009 numac 2009000474 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke sluiten betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke, wordt, behoudens tegenbewijs, beschouwd als een persoon wiens inkomsten onvoldoende zijn. Art. 3.Kan gedeeltelijke kosteloosheid genieten : 1° de alleenstaande persoon die bewijst, door een document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand of voor de rechtsbijstand, al naargelang het geval, door het bureau voor rechtsbijstand of door de rechter, dat zijn maandelijks netto-inkomen tussen het bedrag bepaald in artikel 2, § 1, 1°, en het niet voor beslag vatbare minimumbedrag bedoeld in artikel 1409, § 1,
is, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek ligt;2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand of, voor de rechtsbijstand, al naargelang het geval, door het bureau voor rechtsbijstand of door de rechter, dat het gemiddeld maandelijks netto-inkomen van het gezin tussen het niet voor beslag vatbare minimumbedrag bepaald in artikel 1409, § 1,
is, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en ditzelfde bedrag vermeerderd met 18 % ligt. Voor de vaststelling van de inkomsten bedoeld in 2°, wordt rekening gehouden met een aftrek van 10 % van het bestaansminimum per persoon ten laste. Voor de vaststelling van de in 1° en 2° bedoelde inkomsten, wordt eveneens rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast alsook met elk ander bestaansmiddel, met uitsluiting van de gezinsbijslagen. Onder de samenwoning bedoeld in het 2° wordt verstaan het feit dat twee of meerdere personen samen onder hetzelfde dak wonen en hoofzakelijk huishoudelijke aangelegenheden regelen. De persoon bedoeld in 2°die de juridische bijstand of rechtsbijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen valt onder toepassing van 1° voor zover die belangen strijdig zijn met deze van zijn echtgenoot of met deze van de persoon met wie hij samenwoont. HOOFDSTUK III. - Slotbepalingen Art. 4.Het koninklijk besluit van 20 december 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 20/12/1999 pub. 30/12/1999 numac 1999010235 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit tot vaststelling van de voorwaarden van de kosteloosheid van de juridische eerstelijnsbijstand en van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand sluiten tot vaststelling van de voorwaarden van de kosteloosheid van de juridische eerstelijnsbijstand en van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid van de juridische tweedelijnsbijstand en de rechtsbijstand, wordt opgeheven. Art. 5.Treden in werking op 1 september 2001 : 1° de artikelen 6 en 9 van de wet van 23 november 1998Relevante gevonden documenten type wet prom. 23/11/1998 pub. 22/12/1998 numac 1998009936 bron ministerie van justitie Wet betreffende de juridische bijstand sluiten betreffende de juridische bijstand;2° dit besluit. Art. 6.Onze Minister van Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 10 juli 2001. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.