(2)worden. Naast een kwantitatieve vereenvoudiging wordt bovendien door een eenvormige en duidelijke conceptie van de multifunctionele aangifte de kwaliteit van de gegevens dermate verbeterd dat de werkgever niet telkens moet herinterpreteren in functie van de verschillende reglementeringen. Deze kwalitatieve vereenvoudiging gaat gepaard met de nodige zorg voor neutraliteit zowel vanuit het oogpunt van de rechten van de sociaal verzekerden als vanuit het oogpunt van de specifieke regels binnen de onderscheiden reglementeringen. 2. Methodologie In opdracht van de werkgroep belast met de voorbereiding van de vereenvoudiging en modernisering van de administratieve verplichtingen, heeft de Kruispuntbank een stapsgewijze methodologie uitgewerkt ter voorbereiding van de invoering van de multifunctionele aangifte. Deze methodologie is erop gericht op een pragmatische wijze, aan de hand van de bestaande formulieren de informatiebehoeften over de sectoren heen te definiëren, en in functie daarvan, na wegwerking van een aantal complicerende factoren die niet meer te verantwoorden zijn, een totaal nieuwe set aan (elektronische) opvraagformulieren te definiëren. De methode bevat verscheidene fasen die stapsgewijze gerealiseerd worden : - opstellen van een inventaris van de gegevens die zich op de formulieren uitgaande van de sectoren van sociale zekerheid bevinden en die door de werkgever ingevuld moeten worden; - analyse van de opgevraagde gegevens en opdeling ervan in basiscomponenten (looncomponenten, arbeidstijdcomponenten, andere componenten); - uitwerking van voorstellen tot vereenvoudiging en harmonisatie; - opstelling van een gegevensmodel (entiteiten-relatiemodel) aan de hand van voormelde voorstellen; - opstellen van nieuwe elektronische formulieren. Voorliggend besluit betreft één bepaald aspect van het gegevensmodel; meer bepaald de invoering van nieuwe eenduidige begrippen m.b.t. arbeidstijdgegevens. Er dient te worden vermeld dat de Nationale Arbeidsraad van bij de aanvang nauw betrokken werd bij de evolutie van het dossier. De krachtlijnennota werd aan de Raad voorgesteld en er werd toelichting gegeven bij de voorgestelde methodologie. De voorbereidende documenten m.b.t. arbeidstijdgegevens werden ter beschikking gesteld van de Raad. 3. Doel van dit besluit Gelet op de situering in het kader van vereenvoudiging van adminstratieve verplichtingen, geeft voorliggend ontwerp van besluit uitvoering aan artikel 39 van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1996 pub. 05/10/2012 numac 2012205395 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. - Officieuzecoördinatie in het Duits sluiten tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Het heeft tot doel een eenvormige definiëring te geven van begrippen met betrekking tot één soort gegevens van het gegevensmodel, nl. arbeidstijdgegevens. Op basis van de analyses van de arbeidstijdgegevens werd immers vastgesteld dat de huidige begrippen zoals arbeidsdag, gewerkte dag, bezoldigde dag, gelijkgestelde dag per sector een andere betekenis hebben. Teneinde een eenmalige inzameling van tewerkstellings-, loon- en arbeidstijdinformatie te kunnen waarborgen, is het nodig een harmonisatie door te voeren van sommige basisbegrippen met betrekking tot arbeidstijdgegevens. Deze harmonisatie vergt de bereidheid om af te stappen van voormelde noties en in de plaats daarvan nieuwe eenduidige begrippen in te voeren die door alle sectoren van de sociale zekerheid gehanteerd kunnen worden voor de berekening en de inning van de sociale zekerheidsbijdragen, alsook voor de berekening van arbeidstijdgerelateerde uitkeringen van de sociale zekerheid. Naast het toepassingsgebied en een aantal algemene beginselen, worden in onderstaand besluit een drietal soorten arbeidstijdgegevens behandeld : - arbeidstijdgegevens die betrekking hebben op de uitvoering van de arbeidsovereenkomst; - arbeidstijdgegevens die betrekking hebben op de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst; - arbeidstijdgegevens die betrekking hebben op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. Voor voormelde soorten arbeidstijdgegevens wordt de werkgever beschouwd als zijnde de authentieke bron van informatie. Daarnaast bestaat eveneens behoefte aan gegevens die geen betrekking hebben op de uitvoering, schorsing of beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die ter beschikking zijn van een sociale zekerheidsinstelling (b.v. dagen gecontroleerde werkloosheid, dagen gedekt door een ZIV-uitkering,...) of een andere overheidsinstelling (b.v. afwezigheden wegens oproeping, wederoproeping, dienst gewetensbezwaarde,...). Voor deze gegevens wordt de werkgever niet geacht de bron van informatie te zijn. Zij zijn niet opgenomen in onderstaand besluit. Er dient te worden opgemerkt dat het aantal gedefinieerde arbeidstijdgegevens niet overeenstemt met het aantal codes voorzien in de aangifte - hetzij de trimestriële, hetzij bij wijze van bijlage bij de aangifte van een sociaal risico. Sommige definities zijn bedoeld met het oog op de aangifte ervan bij middel van bijlage bij de aangifte van een sociaal risico, niettegenstaande voor de trimestriële RSZ-aangifte geen aparte codes noodzakelijk zijn. Zo bijvoorbeeld worden verschillende soorten arbeidstijd gedekt door loon gedefinieerd (kort verzuim, dwingende reden, gewaarborgd dagloon, technische stoornis en sluiting leefmilieu), niettegenstaande deze onder één code aangegeven kunnen worden. 4. Onderzoek van de artikelen Artikel 1 Dit artikel bepaalt het materieel toepassingsgebied van het besluit, meer bepaald ten behoeve van welke sociale zekerheidsregelingen arbeidstijdgegevens eenvormig gedefinieerd worden. De notie « sociale zekerheid » wordt hier beperkt opgevat en bevat : - de regeling betreffende de heffing en de inning van de bijdragen; - de zeven takken van het algemene werknemersstelsel (arbeidsongevallen, beroepsziekten, gezinsbijslagen, jaarlijkse vakantie, rust- en overlevingspensioenen, werkloosheid en verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen). De wijziging van deze regelingen in functie van deze eenvormige definiëring maakt het voorwerp uit van twee afzonderlijke koninklijke besluiten en een ministerieel besluit tot het in overeenstemming brengen van de sociale zekerheid. Behoren geenszins tot de « sociale zekerheid » bedoeld in artikel 1 : - het stelsel der zelfstandigen; - de overzeese sociale zekerheid; - de sociale bijstandsregelingen. De eenvormige definiëring strekt zich niet uit tot voormelde regelingen. De Raad van State wijst op de rechtsonzekerheid die de toepassing van dit besluit kan meebrengen gelet op het materieel toepassingsgebied. Dit lijkt ons nochtans voldoende afgebakend aangezien het aansluit bij de regelingen bedoeld in artikel 2, eerste lid, 1°,
- a)en
- g)van de Kruispuntbankwet. Ratione personae strekt onderstaand besluit zich uit tot de werknemers die door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn en op wie de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten toepassing vindt. Voor de toepassing van onderstaand besluit worden de personen waarvan de onderwerping aan het stelsel van de sociale zekerheid der werknemers volgt uit artikel 1, § 1, tweede lid, van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de sociale zekerheid der arbeiders, geacht werknemers of werkgevers te zijn en geacht partij te zijn bij een arbeidsovereenkomst. Deze bepaling heeft in de eerste plaats tot gevolg dat het personeel toepassingsgebied van onderstaand besluit volledig afgestemd wordt op het personeel toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten. Bovendien wordt zo vermeden dat in elk artikel moet worden verwezen naar de specifieke modaliteiten en regelgeving voor de personen waartoe de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten wordt uitgebreid. Artikel 2 Dit artikel bepaalt de wijze waarop arbeidstijd uitgedrukt wordt : niet alleen in « dagen », maar ook in « uren » en « periodes ». In de huidige reglementeringen zijn een aantal rekenregels voorzien voor de berekening van het aantal in aanmerking te nemen dagen. Probleem hierbij is dat deze regels geconcipieerd zijn vanuit de optiek van een voltijdse tewerkstelling in een vijfdagenweek, terwijl een dergelijke tewerkstelling niet meer als regel kan beschouwd worden. In de sectoriële reglementeringen worden een aantal rekenregels ingeschreven voor de vaststelling van het aantal in aanmerking te nemen dagen. Aangezien voor de voltijdse werknemers de arbeidstijd in dagen zal vermeld worden, gebeurt de vaststelling van het in aanmerking te nemen dagen in functie van het aantal dagen van tewerkstelling voorzien in de arbeidsregeling (artikel 11), of indien het geen vast aantal dagen per week betreft, in functie van het aantal dagen van tewerkstelling van de maatpersoon (artikel 7, 2°). Voor de deeltijdse werknemers zal de arbeidstijd in uren vermeld worden. Op het tekstvoorstel van de Raad van State tot aanpassing van artikel 2 wordt niet ingegaan aangezien het probleem van terminologische volledigheid in functie van het soort arbeidsverhouding zich eveneens stelt ten aanzien van andere begrippen en artikelen. De voorgestelde wijze van aanpassing komt niet tegemoet aan de terminologische verscheidenheid in de huidige sectoriële reglementeringen. Aangezien het onmogelijk is op dit punt exhaustief te zijn, alsook met het oog op de leesbaarheid van de bepalingen, werd geopteerd voor een algemene bepaling in artikel 1, § 2. Deze bepaling impliceert dat de gebruikte terminologie ruim geïnterpreteerd moet worden in functie van het soort arbeidsverhouding. Op deze wijze wordt vermeden dat in elke artikel moet worden verwezen naar de specifieke modaliteiten voor de personen waartoe de wet van 27 juni 1969Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/06/1969 pub. 24/01/2011 numac 2010000730 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten wordt uitgebreid. Artikelen 3 tot 11 Deze artikelen definiëren een aantal arbeidstijdgegevens die slechts éénmalig moeten aangegeven worden : de werkgever dient deze gegevens in principe niet opnieuw te herhalen bij een volgende periodieke aangifte. Met « begindatum van de arbeidsovereenkomst » wordt bedoeld : de datum waarop de arbeidsrelatie aanvangt ongeacht de datum waarop de overeenkomst gesloten wordt. De datum van het einde van de arbeidsovereenkomst zoals gedefinieerd in artikel 4 kan slechts worden opgegeven wanneer de arbeidsovereenkomst effectief beëindigd wordt. De voorziene datum van het einde van de arbeidsovereenkomst zoals gedefinieerd in artikel 5 kan slechts worden opgegeven in geval van een arbeidsovereenkomst van bepaalde duur, of in geval van opzegging van een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur waarvan de opzeggingstermijn nog niet beëindigd is. De artikelen 6 en 7 bepalen wat begrepen wordt onder gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van respectievelijk de werknemer en de maatwerknemer. Het betreft hier het gemiddeld aantal uren dat de betrokkene geacht wordt arbeid te verrichten, los van eventuele schorsingen van de arbeidsovereenkomst. Voor voltijdse tewerkstellingen met een niet-vast aantal dagen per week, wordt de maatpersoon gedefinieerd als zijnde het aantal dagen waarop de werknemer geacht wordt arbeid te verrichten. De aangifte ervan is cruciaal om de sectoren toe te laten de nodige conversies te doen naar het totaal aantal in aanmerking te nemen dagen. Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat voor de deeltijdse werknemers de arbeidstijdgegevens in uren worden aangegeven. Over hoeveel dagen en over welke dagen van de week deze uren gespreid zijn, wordt aangeduid in het in artikel 8 gedefinieerde werkrooster. De hoeveelheid te presteren arbeid zoals aangeduid in het werkrooster voor een bepaald tijdvak stemt niet noodzakelijk overeen met het « normaal gemiddeld aantal uren per week ». Het werkrooster kan zodanig opgesteld zijn dat gedurende een bepaald tijdvak gemiddeld 40 uren per week gearbeid wordt terwijl het « normaal gemiddeld aantal uren per week » slechts 38 bedraagt. Door toekenning van inhaalrustdagen voorzien in het werkrooster blijft de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur gehandhaafd. De werkgever dient deze tijdelijke wijziging van de gemiddelde wekelijkse arbeidsduur niet aan te geven; zij zal niettemin blijken uit de opgave van het werkrooster voor een bepaalde tijdseenheid. De artikelen 9 en 10 definiëren wat begrepen wordt onder voltijdse en deeltijdse werknemer. Onder « voltijdse werknemer » wordt verstaan de werknemer wiens normale contractuele arbeidsduur overeenstemt met de maximale arbeidsduur die in de onderneming geldt krachtens wet. De maximale wettelijke arbeidsduur kan worden ingekort bij al dan niet algemeen verbindend verklaarde sectoriële cao, bij cao op het niveau van de onderneming, bij andere akkoorden of bij arbeidsreglement. In ondernemingen waar geen arbeidsreglement kan worden opgelegd kan de maximale wettelijke arbeidsduur worden ingekort voor een groep werknemers bij individuele overeenkomsten. Onder « deeltijdse werknemer » wordt verstaan de werknemer wiens normale contractuele arbeidsduur gemiddeld lager is dan de arbeidsduur van de maatpersoon. Tenslotte wordt in artikel 11 ten behoeve van een aantal sectoren de notie vaste arbeidsregeling gedefinieerd. De aangifte ervan is cruciaal om de sectoren toe te laten de nodige conversies te doen naar het totaal in aanmerking te nemen dagen. Artikelen 12 tot 15 In deze artikelen worden een viertal soorten arbeidsprestaties gedefinieerd : « normale werkelijke arbeid » (artikel 12), « meerprestaties zonder inhaalrust » (artikel 13), « meerprestaties mits inhaalrust » (artikel 14) en « andere meerprestaties mits inhaalrust » (artikel 15). Met « normale werkelijke arbeid » wordt bedoeld : prestaties die geen aanleiding geven tot overloon, noch tot inhaalrust. Meerprestaties daarentegen worden hier gedefinieerd als zijnde de prestaties die aanleiding geven tot overloon en/of inhaalrust. Binnen de meerprestaties die recht geven op overloon wordt een onderscheid gemaakt tussen « meerprestaties zonder inhaalrust » (b.v. dringende arbeid aan machines, arbeid om het hoofd te bieden aan een voorgekomen of dreigend ongeval), en « meerprestaties mits inhaalrust » (b.v. werken aan inventarissen en balansen, voorbereidend werk of nawerk,...). Tenslotte zijn er de « andere meerprestaties mits inhaalrust » waarvoor geen overloon verschuldigd is omdat deze deel uitmaken van een regeling van de arbeid, maar wél aanleiding geven tot inhaalrust (b.v. in het kader van ploegenarbeid). De aangifte van de inhaalrust veronderstelt dat de in de artikelen 14 en 15 bedoelde meerprestaties onbetaald zijn en in principe niet aangegeven worden. Niettemin wordt voorgesteld dat de werkgever in dit geval toch aangifte doet van deze meerprestaties en wel om de hierna vermelde reden. Op het moment van het risico moeten de betrokken sectoren kunnen nagaan voor hoeveel arbeidstijd de betrokkene nog ten laste is van de werkgever. Artikel 16 De eerste bepaling van dit artikel definieert wat moet worden begrepen onder inhaalrust. Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang deze inhaalrust toegekend wordt ingevolge de prestaties bedoeld in artikel 14, of ingevolge prestaties bedoeld in artikel 15. Ten behoeve van de sociale zekerheid is het irrelevant onderscheid te maken binnen de inhaalrust naargelang de aard van de prestaties : in beide gevallen betreft het immers arbeidstijd, overeenstemmende met de in artikel 14 en/of 15 omschreven prestaties, die bezoldigd is en niet ten laste kan worden genomen door de sociale zekerheid. De inhaalrustdagen waarop de werknemer recht heeft in het kader van een vermindering van de arbeidsduur (artikel 16, 3°), worden afzonderlijk gedefinieerd aangezien zij voor de vaststelling van het loon en voor de toekenning van sociale prestaties op een specifieke wijze behandeld worden. Anders dan de in artikel 16, 2° bedoelde inhaalrust zijn zij niet sowieso bezoldigd. De afwezigheidsdagen die toegekend worden in de bouwsector op grond van het koninklijk besluit nr. 213 van 26 september 1983 of bij een binnen het paritair comité voor het bouwbedrijf afgesloten C.A.O. - in de huidige praktijk niet zelden verkeerdelijk als « vakantiedagen » gekwalificeerd - worden voortaan gedefinieerd als « inhaalrust bouwbedrijf » (artikel 16, 2°). Zij worden toegekend in het kader van een regeling van arbeidsduurvermindering. In haar advies over het koninklijk besluit tot het in overeenstemming brengen van sommige koninklijke besluiten merkt de Raad van State op dat de wijzigingen ingevolge de eenvormige definiëring geen voldoende rechtsgrond vinden in artikel 39 van de wet van 26 juli 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 26/07/1996 pub. 05/10/2012 numac 2012205395 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet tot bevordering van de werkgelegenheid en tot preventieve vrijwaring van het concurrentievermogen. - Officieuzecoördinatie in het Duits sluiten. Nochtans heeft de Ministerraad met het oog op vereenvoudiging en harmonisering eertijds geopteerd de bestaande regeling inzake vrijstelling van sociale zekerheidsbijdragen te behouden, met dien verstande dat zowel de inhaalrustdagen-K.B. als de inhaalrustdagen-C.A.O. beschouwd worden als gelijkgestelde dagen. Dit impliceert niet alleen dat bedoelde dagen eenvormig gedefinieerd worden; maar dat zij tevens in de bestaande reglementeringen gelijkgesteld worden. Artikelen 17, 18 en 19 Voormelde artikelen definiëren wat begrepen wordt onder afwezigheid op het werk wegens jaarlijkse vakantie. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen « wettelijke vakantie » (artikel 17), « vakantie krachtens algemeen verbindend verklaarde C.A.O. » (artikel 18) en « bijkomende vakantie » (artikel 19). De wettelijke vakantie wordt als dusdanig gedefinieerd omwille van de verschillende betalingsbron naargelang het gaat om een arbeider of een bediende (vakantiekassen of werkgever). Bovendien kunnen de wettelijke vakantiedagen - anders dan de aanvullende of bijkomende vakantie - in de onderscheiden reglementeringen niet beschouwd worden als een loutere afwezigheid met behoud van loon. Zo bijvoorbeeld gelden specifieke regels wat betreft de uitputting ervan alvorens ten laste te vallen van de sociale zekerheid. De vakantiedagen toegekend bij algemeen verbindend verklaarde C.A.O. o.b.v. van artikel 6 van de gecoördineerde wetten op de jaarlijkse vakantie worden afzonderlijk gedefinieerd in artikel 18. Aangezien de kwalificatie van de Vacantex-vakantiedagen als conventioneel aanvullende vakantiedagen een loonkostenverhoging van ongeveer 1 % zou betekenen, werd eertijds geopteerd de bestaande regeling te behouden. De in artikel 19 gedefinieerde vakantie wordt aangeduid met de notie « bijkomende vakantie » om verwarring te vermijden met de notie « aanvullende vakantie voor jeugdige werknemers » zoals omschreven in de gecoördineerde wetten op de jaarlijkse vakantie. Er wordt geen onderscheid gemaakt naargelang deze vakantie toegekend wordt bij C.A.O. al dan niet afgesloten in een paritair orgaan. Artikelen 20, 21 en 22 In de voormelde artikelen worden een viertal soorten feestdagen onderscheiden : « de feestdag tijdens de arbeidsovereenkomst » (artikel 20, 1°), « de vervangingsdag van een feestdag » (artikel 21), « de feestdag of vervangingsdag tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid » (artikel 22) en « de feestdag na beëindiging van de arbeidsovereenkomst » (artikel 20, 2°). De vervangingsdag van een feestdag wordt afzonderlijk gedefinieerd aangezien de werkgever ertoe gehouden is het loon verder te betalen voor vervangingsdagen die zich situeren in de periode van dertig dagen die volgt op de aanvang van de schorsing van de arbeidsovereenkomst ingevolge ziekte of ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval of beroepsziekte, of bevallingsrust. Voor deze dagen worden geen uitkeringen toegekend. De « feestdag na beëindiging van de arbeidsovereenkomst » en de « feestdag of vervangingsdag tijdens een periode van tijdelijke werkloosheid » betreffen twee bijzondere types van dagen die ten behoeve van de sociale zekerheid onderscheiden worden van overige feestdagen en vervangingsdagen. Ofschoon deze dagen zich situeren in een periode waarin betrokkene in principe ten laste is van de sociale zekerheid worden voor deze dagen geen uitkeringen toegekend aangezien de werkgever verplicht is loon te betalen voor deze dagen. De sector werkloosheid en de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen brengen deze wel in rekening voor de berekening van de wachttijd. Artikel 23 Ofschoon arbeidsrechtelijk geen onderscheid gemaakt wordt naargelang de reden van afwezigheid waarvoor het gewaarborgd dagloon verschuldigd is, worden ten behoeve van de sociale zekerheid een drietal soorten « afwezigheden gedekt door gewaarborgd dagloon » onderscheiden : « afwezigheid met gewaarborgd dagloon wegens arbeidsongeschiktheid » (artikel 23, 1°), « afwezigheid met gewaarborgd dagloon wegens een andere reden dan arbeidsongeschiktheid » (artikel 23, 2°) en « afwezigheid eerste dag wegens slecht weer bouwbedrijf » (artikel 23, 3°). De Raad van State merkt op dat in artikel 27 van de wet van 3 juli 1978Relevante gevonden documenten type wet prom. 03/07/1978 pub. 03/07/2008 numac 2008000527 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten type wet prom. 03/07/1978 pub. 12/03/2009 numac 2009000158 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de arbeidsovereenkomsten sluiten niet uitgegaan wordt van de hypothese arbeidsongeschiktheid. Voor de toepassing van de sociale zekerheid dient echter een onderscheid gemaakt te worden naargelang de reden waarvoor het gewaarborgd dagloon verschuldigd is. De « afwezigheid met gewaarborgd dagloon wegens arbeidsongeschiktheid » wordt als dusdanig gedefinieerd aangezien het arbeidstijd betreft die ten laste kan worden genomen door de arbeidsongevallenverzekering en waarvoor een specifieke terugbetalingsregeling geldt. Indien de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte, dan heeft de betrokkene voor de dag waarop het ongeval zich voordoet recht op een vergoeding gelijk aan het normaal loon (100 %) - in tegenstelling met de dagen die daarop volgen waarvoor de betrokkene recht heeft op een vergoeding gelijk aan 90 %. De « afwezigheid eerste dag wegens slecht weer bouwbedrijf » wordt als dusdanig gedefinieerd aangezien voor deze dagen een onvolledig loon betaald wordt. Zij worden niet in aanmerking genomen door de arbeidsongevallen- en beroepsziekteverzekering voor de berekening van het gemiddeld dag/uurloon. In artikel 23, 2° wordt bepaald wat begrepen wordt onder « afwezigheid met gewaarborgd dagloon wegens een andere reden dan arbeidsongeschiktheid ». In het kader van de verlenging van de nabevallingsrust moet deze afwezigheid gekend zijn ten behoeve van de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen. Het volstaat nochtans dat deze aangegeven worden samen met ander afwezigheden die voor deze doelstelling in aanmerking komen. Artikel 24 De in artikel 24 bedoelde carensdag wordt als dusdanig gedefinieerd ten behoeve van de sector werkloosheid en de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen. Voor de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen is deze dag van belang in de gevallen waar tussenkomst verleend wordt tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid van minder dan 14 dagen, bijvoorbeeld in geval van tijdelijke werkloosheid. In dat geval dienen ziekte-uitkeringen te worden toegekend voor alle niet bezoldigde dagen met inbegrip van de carensdag, op voorwaarde dat de sector zelf de carensdag niet toepast. Binnen de werkloosheidsreglementering moet deze dag kunnen worden onderscheiden van de andere dagen voor de berekening van de inkomensgarantie-uitkering voor deeltijdse werknemers met behoud van rechten. Artikelen 25 tot 30 Voormelde artikelen bevatten een aantal definities van arbeidstijd overeenstemmende met afwezigheid op het werk wegens arbeidsongeschiktheid. Een aantal van deze afwezigheden zijn uitsluitend ten laste van de werkgever : « arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon eerste week » (artikel 25) en « arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd maandloon » (artikel 27). De afwezigheden wegens arbeidsongeschiktheid zoals bepaald in de artikelen 26, 28, 29 en 30, kunnen geheel of gedeeltelijk ten laste worden genomen door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering voor werknemers, de arbeidsongevallen- of beroeps-ziekteverzekering. De in artikel 26 gedefinieerde « arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week » wordt afzonderlijk gedefinieerd omdat voor deze dagen een onvolledig loon betaald wordt. Zij worden niet in aanmerking genomen door de arbeidsongevallen- en beroepsziekteverzekering voor de berekening van het gemiddeld dag/uurloon. Bovendien worden de dagen « arbeidsongeschiktheid met gewaarborgd loon tweede week » in aanmerking genomen voor de opening en het behoud van het recht op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ofschoon het gewaarborgd loon tweede week niet aan bijdragen onderworpen is. Wat betreft de « arbeidsongeschiktheid met aanvulling of voorschot overeenkomstig de C.A.O. nr. 12bis of nr. 13bis » (artikel 28) wordt in de definiëring geen onderscheid gemaakt naargelang de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid (ziekte/ongeval van gemeen recht, arbeidsongeval, beroepsziekte). De aangifte van deze arbeidstijd door de werkgever moet de sectoren die deze ten laste kunnen nemen, de mogelijkheid bieden een beslissing te nemen inzake de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen of inzake terugbetaling van het voorschot aan de werkgever. Deze sectoren hebben uiteraard behoefte aan de juridische kwalificatie van de oorzaak. Het is evenwel niet aangewezen deze oorzaak op te vragen aan de werkgever. De werkgever is van de uiteindelijke kwalificatie niet op de hoogte en medisch gezien is het trouwens niet eenvoudig om te bepalen of de arbeidsongeschiktheid toe te schrijven is aan een arbeidsongeval, een beroepsziekte, een andere oorzaak of aan een combinatie van beide. Bovendien is mogelijk dat de juridische kwalificatie in de loop van de arbeidsongeschiktheidsperiode gewijzigd wordt. Artikel 29 bepaalt wat begrepen wordt onder « arbeidsongeschiktheid met arbeidsongevallenvergoeding in toepassing van artikel 54 van de Arbeidsongevallenwet ». Artikel 54 Arbeidsongevallenwet laat toe dat de statuten van een gemeenschappelijke kas bepalen dat de vergoedingen wegens tijdelijke arbeidsongeschiktheid voor een periode van ten hoogste 6 maanden rechtstreeks aan de getroffene worden betaald door de werkgever voor rekening van een gemeenschappelijke kas. In dit geval moet de vergoeding ten laste van de werkgever worden gezien als een voorschot op een sociale zekerheidsuitkering die door de verzekeraar aan de werkgever terugbetaald wordt. Aangezien de afrekening tussen de werkgever en de verzekeraar slechts na verloop van tijd gebeurt en de sector arbeidsongevallen deze informatie slechts laattijdig aan het netwerk kan aanbieden, wordt deze informatie in eerste instantie bij de werkgever opgevraagd. « Afwezigheden zonder behoud van loon wegens arbeidsongeschiktheid of ingevolge profylactisch verlof » worden gedefinieerd in artikel 30. Het betreft hier arbeidstijd - die niet ten laste valt van de werkgever en waarvoor de betrokkene een uitkering kan ontvangen ten laste van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, de arbeidsongevallen- of beroepsziekteverzekering. Artikelen 31 tot 34 Deze artikelen betreffen arbeidstijd die geheel of gedeeltelijk ten laste kan worden genomen door de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering of de beroepsziekteverzekering : nl. de « volledige werkverwijdering als maatregel van moederschapsbescherming » (artikel 31), « aangepaste arbeid met loonverlies » (artikel 32), « moederschapsrust » (artikel 33) en « vaderschapsverlof » (artikel 34). Anders dan de in artikelen 25 tot 30 gedefinieerde afwezigheden betreft het hier arbeidstijd die ingevolge de wet van 22 december 1989Relevante gevonden documenten type wet prom. 22/12/1989 pub. 20/03/2009 numac 2009000181 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet op de bescherming van de gezinswoning sluiten en de wet van 4 augustus 1996 niet meer kan beschouwd worden als zijnde « arbeidsongeschiktheid ». Het moederschaps- en vaderschapsverlof zijn dagen die ten laste genomen worden door de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen. De arbeidstijd overeenstemmende met volledige werkverwijdering of aangepaste arbeid met loonverlies, betreft arbeidstijd die naargelang de situatie, door de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen, door de sector arbeidsongevallen of door de sector beroepsziekten ten laste kan worden genomen. De aangifte van deze arbeidstijd door de werkgever onder een tweetal codes moet de sector die deze ten laste kan nemen, de mogelijkheid bieden een beslissing te nemen inzake de toekenning van uitkeringen. Wat betreft de « aangepaste arbeid met loonverlies » wordt een onderscheid gemaakt tussen deze in het kader van een maatregel van moederschapsbescherming en overige aangepaste arbeid met loonverlies. Met uitzondering van aangepaste arbeid in het kader van moederschapsbescherming, dient de aard van het risico waaraan de betrokkene blootgesteld is, niet meegedeeld te worden aangezien het niet aangewezen is deze informatie aan de werkgever op te vragen. In geval van moederschapsbescherming daarentegen dient de informatie wel aan de werkgever gevraagd te worden aangezien de maatregel uitgaat van de werkgever. Artikelen 35 tot 38 De voormelde artikelen betreffen afwezigheden op het werk met behoud van loon om een andere reden dan wegens jaarlijkse vakantie, arbeidsongeschiktheid, moederschap, beëindiging van de arbeidsovereenkomst of inhaalrust. Hieronder wordt o.a. begrepen : « kort verzuim » (artikel 35), « technische stoornis in de onderneming » (artikel 36), « dwingende redenen met behoud van loon » (artikel 37) en « sluiting van de onderneming ter bescherming van het leefmilieu » (artikel 38). Afwezigheden om dwingende redenen met behoud van loon worden afzonderlijk gedefinieerd ten behoeve van de sector geneeskundige verzorging en uitkeringen met het oog op de verlenging van de nabevallingsrust. Er wordt opgemerkt dat de afwezigheid om reden van « sluiting van de onderneming ter bescherming van het leefmilieu » of « technische stoornis in de onderneming » - anders dan de in artikelen 51 en 53 gedefinieerde arbeidstijd - niet ten laste kan worden genomen door de werkloosheidsverzekering. Artikelen 39 tot 50 Deze artikelen bevatten een aantal definities van afwezigheden zonder behoud van loon die in principe niet ten laste worden genomen door de sociale zekerheid. Hieronder wordt o.a. begrepen : « burgerplichten zonder behoud van loon » (artikel 39), « functie van rechter in sociale zaken » (artikel 40), « syndicale opdracht » (artikel 41), « staking » (artikel 42), « lock-out » (artikel 43), « sociale promotie » (artikel 44), « militieverplichtingen » (artikel 45), « verlof om dwingende redenen zonder behoud van loon » (artikel 46), « openbaar mandaat » (artikel 47), « verlof zonder wedde » (artikel 48) en « voorlopige hechtenis » (artikel 49) en « vrijheidsberoving » (artikel 50). Er wordt opgemerkt dat de afwezigheid om reden van « staking » of « lock-out » deze betreft welke - anders dan de in artikel 56 gedefinieerde arbeidstijd - niet ten laste wordt genomen door de werkloosheidsverzekering. Wat betreft de definiëring van het begrip « staking » in artikel 42 is dezelfde graad van precisie behouden als in de huidige reglementering. Wat betreft de notie « militieverplichtingen » wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de aard van de militaire verplichting (oproeping, wederoproeping, civiele bescherming,...) aangezien de werkgever hiervan niet de authentieke bron van informatie is. De afwezigheid op het werk om reden van verblijf in een recruterings- en selectiecentrum wordt niet begrepen onder de in artikel 45 bedoelde « militieverplichtingen ». Deze afwezigheid wordt in dit besluit gekwalificeerd als « kort verzuim » zoals gedefinieerd in artikel 35. Artikelen 51 tot 67 Het betreft hier arbeidstijd waarvoor de werknemer een werkloosheids- of onderbrekingsuitkering kan ontvangen. De artikelen 51 tot 60 definiëren de arbeidstijd die ten laste kan worden genomen door de werkloosheidsverzekering : nl. « tijdelijke werkloosheid ingevolge overmacht » (artikel 51), « tijdelijke werkloosheid ingevolge medische overmacht » (artikel 52), « tijdelijke werkloosheid ingevolge technische stoornis » (artikel 53), « tijdelijke werkloosheid ingevolge slecht weer » (artikel 54), « tijdelijke werkloosheid ingevolge gebrek aan werk wegens economische redenen » (artikel 55), « tijdelijke werkloosheid ingevolge staking of lock-out » (artikel 56), « tijdelijke werkloosheid in geval van ontslag van beschermde werknemers » (artikel 57), « tijdelijke werkloosheid ingevolge sluiting van de onderneming wegens jaarlijkse vakantie » (artikel 58), « tijdelijke werkloosheid ingevolge sluiting van de onderneming wegens vakantie krachtens een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst » (artikel 59), « tijdelijke werkloosheid ingevolge sluiting van de onderneming wegens inhaalrust in het kader van een arbeidsduurvermindering » (artikel 60). De aangifte ervan moet de sector de mogelijkheid bieden een beslissing te nemen inzake de toekenning ervan. De artikelen 61 en 62 definiëren de arbeidstijd die niet ten laste is van de werkloosheidsverzekering, maar waarvoor een onderbrekingsuitkering kan toegekend worden : « volledige beroepsloopbaan-onderbreking » (artikel 61), « gedeeltelijke beroepsloopbaan-onderbreking » (artikel 62). Artikelen 64 tot 68 Deze artikelen definiëren deze arbeidstijd gedurende dewelke de werknemer ten laste is van de werkgever in geval van beëindiging van de arbeidsovereenkomst door opzegging of verbreking : nl. « opzeggingstermijn » (artikel 64), « beëindiging van de arbeidsovereenkomst in gemeenschappelijk akkoord » (artikel 65), « onregelmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst » (artikel 66), « eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor personeelsafgevaardigden » (artikel 67) en « eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor syndicale afgevaardigden » (artikel 68). Ofschoon een vijftal definities voorzien worden voor arbeidstijd n.a.v. beëindiging van de arbeidsovereenkomst, volstaat het dat de werkgever deze aangeeft onder twee codes. Er wordt in de aangifte geen onderscheid gemaakt binnen de in artikelen 65, 66, 67 en 68 gedefinieerde arbeidstijd aangezien de sectoren deze op dezelfde wijze behandelen. Er wordt opgemerkt dat de in artikel 68 bedoelde periode geacht wordt onmiddellijk in te gaan na het verstrijken van de in artikel 64 of 65 bedoelde periode. De periodes gedekt door loon of door een vergoeding wegens onregelmatige verbreking van de arbeidsovereenkomst kunnen dus niet meer overlappen met de periode die wordt gedekt door een vergoeding aan beschermde werknemers. Artikel 69 Dit artikel bepaalt dat de in dit besluit gedefinieerde arbeidstijdgegevens van rechtswege vervangen worden in de regelingen opgenomen in artikel 1. De Raad van State wijst op de rechtsonzekerheid die deze bepaling kan meebrengen aangezien het niet altijd even duidelijk zal zijn welk begrip in de plaats komt van een ander. De begrippen opgenomen in onderstaand besluit worden geacht een multifunctioneel karakter te hebben en zijn zodanig gedefinieerd dat ze inhoudelijk een minimum lading dekken. Het is dus in principe uitgesloten dat een begrip dat gedefinieerd wordt in onderstaand koninklijk besluit, in een sectoriële regeling in meer beperkte of ruime betekenis gehanteerd wordt, tenzij in de basisreglementering een afwijking of een mogelijkheid tot afwijken van het begrippenapparaat opgenomen wordt. De Koning kan afwijkingen bepalen op de in dit besluit genomen definities. Afwijkingen zijn slechts toegelaten na een met redenen omkleed advies van de Nationale Arbeidsraad en van het Algemeen Coördinatiecomité bij de Kruispuntbank, het orgaan waarin in onderling overleg tussen vertegenwoordigers van instellingen van sociale zekerheid de organisatie en de uitbouw van het netwerk wordt voorbereid en een oplossing gezocht wordt voor alle ermee verwante problemen. De Raad van State merkt op dat de Koning in geen geval bevoegd is om af te wijken van het begrippenkader o.b.v. de respectievelijke sectoriële wettelijke machtigingen. Artikel 70 Dit artikel stelt de inwerkingtreding van het besluit vast op een door de Koning te bepalen datum. Artikel 71 Dit artikel duidt de ministers aan welke belast worden met de uitvoering van dit besluit. Er wordt tenslotte opgemerkt dat in dit ontwerp van koninklijk besluit rekening werd gehouden met de opmerkingen van de Raad van State, onder voorbehoud van de opmerkingen die uitdrukkelijk worden toegelicht in dit Verslag aan de Koning. Wij hebben de eer te zijn, Sire, van Uwe Majesteit, de zeer eerbiedige, en zeer getrouwe dienaars, De Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX De Minister van Sociale Zaken en Pensioenen, F. VANDENBROUCKE _______ Nota's