(65)mm Meetomstandigheden Routineomstandigheden. Normen Optische densiteitscontrole : centrale waarde en stapgrootte OD-stapgrootte : aanvaardbaar : H 0,20 OD, constantheid H 0,10 OD Totaal gemeten OD-traject g 1,00 OD Kortetermijnreproduceerbaarheid Maximumafwijking : aanvaardbaar Buisspanningscompensatie Absolute waarde van de afwijking : aanvaardbaar H 0,15 OD t.o.v. de doel-OD wenselijk : H 0,10 t.o.v. de doel-OD. Objectdiktecompensatie Absolute waarde van de afwijking : aanvaardbaar : H 0,15 OD t.o.v. de doel-OD, wenselijk : H 0,10 t.o.v. de doel-OD Geïntegreerde buisspannings- en objectdiktecompensatie voor opnameprogramma's met volautomatische keuze van kV en anode/filtercombinaties Absolute waarde van de afwijking : aanvaardbaar : H 0,15 OD t.o.v. de doel-OD, wenselijk : H 0,10 t.o.v. de doel-OD. Frequentie - tijdens de acceptatietest en daarna halfjaarlijks. - na verandering of vervanging van de apparatuur. 8. Compressie : compressieplaatuitlijning en compressiekracht (zie artikel 6, 8°) Benodigde apparatuur Compressieplaatuitlijning mousse, voetjespasser compressiekracht personenweegschaal, elastische vervormbaar fantoom Meetomstandigheden Compressiestuk aanwezig Normen Compressiekracht : Automatische compressie : H 130 N maximum compressiekracht H 200 N de uitgeoefende kracht mag na 1' maximaal 10 N lager zijn dan de aanvankelijk uitgeoefende krachtC Compressieplaatuitlijning : 1.symmetrische belasting : afstandsverschil voor-achter (van thorax naar tepel) H 15 mm, afstandsverschil links-rechts (lateraal) H 5 mm. 2. asymmetrische belasting : afstandsverschil zowel voor-achter als links-rechts H 15 mm. Frequentie - tijdens de acceptatietest en daarna jaarlijks; - na veranderingen of vervangingen van de mammografie-apparatuur. 9. Roosterfactor (zie artikel 6, 9°) Benodigde apparatuur 45 mm PMMA fantoom, dosimeter, densitometer, sensitometer Meetomstandigheden Compressieplaat afwezig, automatische belichtingscel in de voorste stand (thoraxzijde) Normen Roosterfactor H 3 Frequentie - tijdens de acceptatietesten; - bij plots verhoogde dosis - na verandering of vervangingen aan de apparatuur. 10. Beeldreceptor : scherm-filmcontact en sensitiviteits- en attenuatieverschillen tussen de verschillende beeldre-ceptoren (zie artikel 6, 10°) Benodigde apparatuur scherm-filmcontact testobject met ongeveer 1,5 koperdraden per mm Sensitiviteit en attenuatie tussen de verschillende beeldreceptoren 45 mm PMMA fantoom, dosimeter, densitometer Meetomstandigheden scherm-filmcontact : de films zitten minstens tien minuten in de cassettes; sensitiviteit en attenuatie tussen de scherm-cassettesystemen : automatische belichtingscel in de voorste stand (thoraxzijde), de datum van aankoop van de cassettes wordt genoteerd, alle cassettes worden genummerd. In elke cassette moet een film van hetzelfde lot zitten om variaties in de filmgevoeligheid zo veel mogelijk uit te schakelen. De cassetteschermsystemen die onderling worden vergeleken moeten allemaal van hetzelfde type zijn. Normen Normen scherm-filmcontact : op de ontwikkelde films geen gebieden met onscherpe vlekken, groter dan ongeveer 1 cm2 sensitiviteit en attenuatie tussen de scherm-cassettesystemen absolute afwijking OD : aanvaardbaar H 0,20 OD, wenselijk H 0,15 OD relatieve afwijking exposie ( mGy en mAs) : wenselijk en aanvaardbaar H 5 % Frequentie - tijdens de acceptatietesten en daarna jaarlijks; - bij vervangingen van cassettes en/ of schermen. 11. Ontwikkeltoestel (zie artikel 6, 11°) Benodigde apparatuur Chronometer, thermometer Meetomstandigheden Deze test wordt uitgevoerd als het onwikkeltoestel al goed is opgewarmd. Normen Geen, het is uitermate belangrijk dat de aanbevelingen, met betrekking tot de ontwikkelparameters, gegeven door de fabrikant van het ontwikkelmachine, gevolgd worden. Frequentie - tijdens de acceptatietest en daarna halfjaarlijks; - bij plotse veranderingen van de filmparameters tijdens de dagelijkse kwaliteitscontrole. 12. Sensitometrie en densitometrie : vergelijking sensitometers, controle densitometer en sensitometrie (zie artikel 6, 12°) Benodigde apparatuur Vergelijking sensitometers Referentie en lokale sensitometer, lokale of gekalibreerde densitometer. controle densitometer; kalibratiestrookje, lokale densitometer; sensitometrie; lokale sensitometer, lokale of gekalibreerde densitometer. Meetomstandigheden Deze test wordt uitgevoerd als het onwikkeltoestel al goed is opgewarmd Normen Vergelijking sensitometers Verschil in speed H 0,15 verschil in Ggrad H 0,20 Controle densitometer Zie specificaties toestel. sensitometrie Dmin H 0,20 OD, of H 0,23 OD indien de extra OD veroorzaakt wordt door de kleur van het drager materiaal. Aanvaardbaar : 2,8 H Ggrad, wenselijk : 3.2 H Ggrad en een voldoende stabiel ontwikkelsysteem Speed : geen norm Dmax : geen norm Frequentie Controle sensitometer Tijdens de acceptatietest en daarna jaarlijks. Controle densitometer Tijdens acceptatietest en daarna halfjaarlijks. Sensitometrie Tijdens acceptatietest en daarna halfjaarlijks. 13. Donkere kamer doka lichten en lichtlekken (zie artikel 6, 13°) Benodigde apparatuur Chronometer, densitometer, twee voorbelichte films (+ 1,2 OD) Meetomstandigheden De metingen worden uitgevoerd op het werkblad in de donkere kamer. Doka lichten : doka lichten aan Lichtlekken : doka lichten uit Normen Veilige lichten : extra sluier H 0,10 OD na vier minuten. Lichtvlekken : extra sluier H 0,05 OD na vier minuten Frequentie - tijdens de acceptatietest en daarna zesmaandelijks; - wanneer veranderingen aangebracht worden aan de donkere kamer. 14. Lichtdichtheid van de cassettes (zie artikel 6, 14°) Benodigde apparatuur Lichtkast, voorbelichte film (+ 1,2 OD) Meetomstandigheden Cassette enkele uren voor de lichtkast plaatsen Normen Geen extra sluier op de ontwikkelde film Frequentie Wanneer vermoed wordt dat een cassette niet lichtdicht is.15. Lichtkasten en protocolleeromgeving (zie artikel 6, 15°) Benodigde apparatuur Meeteenheden lux en Cd/m2 Meetomstandigheden Lichtkasten : lichtkasten al een tijdje aan Omgevingslicht : lichtkasten uit, protocolzaal in de toestand waarin de foto's normaal worden geprotocolleerd Normen Lichtkasten : geen visuele afwijkingen toegelaten 2000 Cd/m2 H Lcentrum H 6000 Cd/m2 Uniformiteit over eé|$$|Aan enkel lichtvlak H 30 % Variatie in luminantie tussen de centra van de verschillende lichtvlakken H + 15 % De mogelijkheid tot afdiafragmeren is een sterke aanrader. Omgevingslichtsterkte : 16. Dosimetrie (zie artikel 6, 16°) Benodigde apparatuur Intreedosis : QC-testobject, dosimeter, densitometer, referentie sensitometer, referentie cassette bepaald in bijlage punt 10. Gemiddelde weefseldosis : QC-testobject Meetomstandigheden Intreedosis Reële 28 kV, automatische belichtingscel in de voorste stand (thoraxzijde), compressieplaat aanwezig Gemiddelde weefseldosis Routineomstandigheden voor kV, anode/filter, automatische belichtingscel in de voorste stand (thoraxzijde), compressieplaat aanwezig Normen Intreedosis : aanvaardbaar H 12 mGy, wenselijk H 10 mGy Gemiddelde weefseldosis : Netto optische densiteit (OD) (excl. Basis + sluier) 0.8 0.9 1.0 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7 Limietwaarde voor de gemiddelde weefseldosis (mGy) 1.4 1.7 1.9 2.2 2.4 2.6 2.8 3.0 3.2 3.4 Frequentie - tijdens de acceptatietest en daarna jaarlijks; - na vervanging of veranderingen aan de apparatuur. 17. Beeldkwaliteit (zie artikel 6, 17°) Benodigde apparatuur 45 mm QC-testobject, lichtbak, vergrootglas, lokale sensitometer Meetomstandigheden Routineomstandigheden Gemeten grootheden/methode Opname bij klinische AEC en klinisch toegepaste kV(`
- s)spatië|$$|Adle resolutie, aantal volledig zichtbare laagcontrast objecten, beeldcontrast Normen Spatiële resolutie : aanvaardbaar g 12 lijnparen/mm loodrecht en evenwijdig met de röntgenbuis;wenselijk g 15 lijnparen/ mm loodrecht en evenwijdig met de röntgenbuis. Drempel van contrastzichtbaarheid : geen norm. Dit wordt bepaald door de specificaties van het gebruikte testobject. Beeldcontrast : 10 % van de referentiewaarde. Frequentie - tijdens de acceptatietest en daarna wekelijks; - na vervanging of veranderingen aan de apparatuur, 18. Opnametijd (zie artikel 6, 18°) Benodigde apparatuur QC-testobject, exposietijdmeter, Meetomstandigheden Routine-omstandigheden Normen Aanvaardbaar - na verandering of vervanging van de apparatuur. 19. Dagelijkse controle (zie artikel 10) Benodigde apparatuur QC-testobject, sensitometer, densitometer Meetomstandigheden Routine-omstandigheden Normen Norm OD-film : 1.3 - 1.8 Artefacten op de film : geen Dmin : Het Lid van het Verenigd College, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, J. CHABERT Bijlage 2 Richtlijnen voor de mammografische eenheid A. Organisatie van de mammografische screening 1° Verloop eerste en tweede lezing :
- a)De eerste lezing gebeurt in de erkende mammografische eenheid, en dit door een gekwalificeerde eerste lezer.
- b)De mammografieën en het door de eerste lezer ingevulde en ondertekende gestandaardiseerde protocolformulier, worden aan het verantwoordelijk erkende screeningscentrum bezorgd voor tweede lezing.
- c)In het erkende screeningscentrum worden de mammografieën geïnterpreteerd door een tweede radiolooglezer met de nodige minimumvereisten van tweede lezer en zonder inzage van de resultaten van de eerste lezing. Volgende besluiten zijn mogelijk : 1) besluit 0 : geen protocol mogelijk : nieuwe opnamen zijn nodig wegens technische onvolkomenheden;2) besluit 1 : geen afwijkingen;3) besluit 2 : goedaardige afwijkingen;4) besluit 3 : niet conclusief;5) besluit 4 : waarschijnlijk kwaadaardig;6) besluit 5 : kwaadaardig.
- d)Bij besluit 0 : de vrouw wordt gecontacteerd om een nieuwe afspraak te maken voor de noodzakelijke vervanging van de afgekeurde foto's.
- e)Bij concordantie van besluit 1 of 2 tussen beide lezers : het protocolformulier van de eerste lezer wordt eveneens ondertekend door de tweede lezer en nadien opgestuurd naar hetzij de verwijzende, hetzij de opgegeven arts(en).Er gaat steeds een protocol naar de huisarts, tenzij de vrouw weigert. Een standaardbrief wordt opgestuurd naar de vrouw. De foto's worden bij voorkeur teruggestuurd naar de eerste lezer-radioloog die ze bewaart. Andere mogelijkheden : het screeningscentrum bewaart ze in opdracht van de eerste lezer. Slechts de mammografieën van twee ronden moeten bewaard worden. Eventueel overgebleven mammografieën kunnen aan het screeningscentrum bezorgd worden, die ze kan gebruiken bij zogenaamde "teaching files".
- f)Bij concordantie van besluit 3, 4 of 5 tussen beide lezers : er worden kopieën gemaakt door de eerste lezer (eventueel kan deze taak van de eerste lezer door het screeningscentrum verricht worden).De radioloog stuurt deze kopieën, samen met de originele mammografieën en het protocol, naar het screeningscentrum. Deze kopieën worden samen met het door de eerste en tweede lezer (elektronisch) ondertekend protocol verstuurd naar de (huis)arts. De originele mammografieën blijven in het screeningscentrum. De vrouw krijgt nadien een standaardbrief dat zij contact moet opnemen met de verwijzende of opgegeven (huis)arts.
- g)Bij discordantie tussen eerste en tweede lezer : op een vastgesteld tijdstip worden de mammografieën van de eerste en tweede lezer samen herbekeken om een consensus te bereiken.Indien er geen consensus bereikt wordt, duidt men een derde lezer aan (eventueel van een ander screeningscentrum). Bij afwezigheid van de eerste lezer, kan een derde lezer zijn taak overnemen om een consensusbesluit te bereiken.
- h)De globale procedure neemt niet meer dan twee werkweken in beslag.2° Voorlopige criteria voor de tweede lezer :
- a)De tweede lezing gebeurt door radiologen die onder de verantwoordelijkheid staan van en contractueel verbonden zijn aan het erkende screeningscentrum.
- b)De tweede lezer voldoet aan de criteria die, door het intern reglement worden bepaald.Dit intern reglement wordt opgesteld door de radiologen die deel uitmaken van de werkgroep borstkankerscreening en wordt goedgekeurd door deze werkgroep.
- c)Indien er in de Europese richtlijnen een minimum aantal te lezen mammografieën per jaar wordt vooropgesteld, wordt dit aantal overgenomen in de Vlaamse richtlijnen voor tweede lezers.
- d)De tweede lezer deelt de resultaten mee aan het regionaal screeningscentrum voor de verwerking en registratie ervan.3° Criteria voor de derde lezer : Hier worden dezelfde criteria gehanteerd als die voor tweede lezers. B. Het screeningsprotocol 1° Het screeningsprotocol, door de radiologische lezers gebruikt, wordt bij voorkeur in de vorm van een voorgedrukt raster gegoten.2° Het staat elk screeningscentrum vrij om naar bepaalde details onderzoek te doen;deze details worden dan ook vermeld. 3° Minimaal volgende punten moeten aanwezig zijn in het protocol :
- a)Kwaliteit van de opnamen : 1) goed;2) niet goed; 2.1) fysisch-technische reden; 2.2) positionering.
- b)Algemeen uitzicht van het borstweefsel : 1) diffuus helder lipomateus weefsel;2) aanwezigheid van maximaal 25 % dens weefsel;3) aanwezigheid van dens weefsel tussen de 25 % en 60 %;4) aanwezigheid van meer dan 60 % dens weefsel.
- c)Besluit : Besluit 0 : technisch niet interpreteerbaar/geen besluit mogelijk; Besluit 1 : geen afwijking; Besluit 2 : goedaardige afwijking; Besluit 3 : niet conclusief; Besluit 4 : waarschijnlijk kwaadaardig; Besluit 5 : kwaadaardig.
- d)Gevolg : 1) geen verder onderzoek; 2) verder onderzoek door : 2.1) mammografie : bijkomende incidenties; 2.2) echografie-doppler; 2.3) FNAC (fijne naald punctie); 2.4) core biopsie (dikke naald biopsie); 2.5) chirurgische biopsie; 2.6) controle onderzoek na zes maanden; 2.7) controle onderzoek na één jaar; 2.8) andere (bv. NMR-Sestamibi).
- e)Eventuele vorige opnamen ter vergelijking ? JA - NEEN Datum : ............... Ongewijzigd/nieuw letsel/veranderd/niet vergelijkbaar Uitvoerder van de opnamen : ................. (initialen)
- f)Naam + ordenummer van : eerste lezer : ..../.... (vijf cijfers) of tweede lezer : ..../.... of derde lezer : ..../..... Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van het Verenigd College van 19 juli 2001 betreffende de erkenning van mammografische eenheden voor borstkankeropsporing. Het Lid van het Verenigd College, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, J. CHABERT Bijlage 3 Data die door de radioloog worden doorgegeven aan het erkende screeningscentrum A) Administratieve data 1° naam 2° geboortedatum 3° geslacht 4° voornaam 5° uniek identificatienummer 6° adres 7° rechtstreekse uitnodiging : JA/NEEN 8° verwijzende arts 9° huisarts 10° andere arts die het resultaat moet krijgen 11° datum mammografie 12° identificatie röntgenlaborant 13° identificatie eerste lezer 14° identificatie mammografische eenheid Opmerkingen :
- a)de identificatie van de eerste lezer (en eventueel van de derde lezer) wordt later op hetzelfde document aangebracht;
- b)de schriftelijke toestemming van de vrouw blijft vereist. B) Relevante informatie, vastgesteld door de radioloog of de röntgenlaborant. 1° hormonale substitutietherapie : JA/NEEN 2° menopauze : JA/NEEN 3° komen er wratten, littekens of tekens van vroegere ingreep voor : JA/NEEN (voorzien van een eenvoudige schets) 4° indien tepelretractie : hoe lang aanwezig ? C) Protocol. 1° Technische kwaliteit :
- a)Goed : JA/NEEN Indien neen, reden : 1) technisch fysisch (apparaat) 2) röntgen technisch (technieker)
- b)MX direct hernomen : JA/NEEN
- c)Heroproep aangewezen : JA/NEEN 2° Vorige MX :
- a)Datum : ../../....
- b)Vergeleken : JA/NEEN
- c)Ongewijzigd/nieuw letsel/veranderd/niet vergelijkbaar 3° Classificatie borstklierweefsel :
- a)diffuus helder lipomateus weefsel;
- b)aanwezigheid van maximaal 25 % dens weefsel;
- c)aanwezigheid van dens weefsel tussen de 25 % en 60 %;
- d)aanwezigheid van meer dan 60 % dens weefsel.4° Besluit : Besluit 0 : technisch niet interpreteerbaar; Besluit 1 : geen afwijking; Besluit 2 : goedaardige afwijking; Besluit 3 : niet conclusief; Besluit 4 : waarschijnlijk kwaadaardig; Besluit 5 : kwaadaardig. 5° Gevolg :
- a)Geen verder onderzoek;
- b)Verder onderzoek (vanaf besluit 3 moet doorverwezen worden) : 1) mammografie en eventueel vergrotingsopnamen;2) echografie;3) fijne naald aspiratie (FNA);4) true cut biopsie;5) biopsie;6) vervolgonderzoek na zes maanden;7) vervolgonderzoek na één jaar; 8) andere ................ Gezien om te worden gevoegd bij het besluit van het Verenigd College van 19 juli 2001 betreffende de erkenning van mammografische eenheden voor borstkankeropsporing. Het Lid van het Verenigd College, bevoegd voor het Gezondheidsbeleid, J. CHABERT.