reglement betreffende de milieuvergunning en het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne De Vlaamse regering, Gelet op het decree
§ 1
mogen op een categorie 1 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. Art. 5.2.4.1.
- §
- Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.
- kunnen, voor zover uitdrukkelijk bepaald in de milieuvergunning, op een categorie 2 stortplaats afvalstoffen van huishoudelijke of andere herkomst, die beantwoorden aan de volgende voorwaarden worden gestort : ? afvalstoffen die hoofdzakelijk zijn samengesteld uit gemakkelijk biologisch afbreekbare stoffen of uit stoffen die weinig of niet uitloogbaar zijn t.o.v. een biologisch afbraakmilieu; ? afvalstoffen die bij de blootstelling aan het biologisch afbraakmilieu geen voor het milieu of voor de uitbating van de stortplaats nadelige gevolgen met zich meebrengen. Het betreft meer bepaald volgende afvalstoffen :
- huishoudelijke afvalstoffen die langs de normale ophaalbeurten door de gemeente of in haar opdracht worden opgehaald, met uitzondering van de afvalstoffen die gezien de recuperatieverplichtingen selectief werden ingezameld of opgehaald;
- met huishoudelijke afvalstoffen gelijkgestelde afvalstoffen;
- bedrijfsafvalstoffen die omwille van aard of samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen;
- volgende afvalstoffen : ? steekvaste afvalstoffen afkomstig van vetvangers van huishoudelijke aard; ? steekvaste afvalstoffen afkomstig van het normaal onderhoud van openbare rioleringsnetten; ? zand en roostergoed van rioolwaterzuiveringsinstallaties; ? zuiveringsslib van het behandelen of bereiden van drinkwater; ? zuiveringsslib van het biologisch behandelen van afvalwater en rioolwater; ? bodemas van de verbranding van huishoudelijke afvalstoffen met uitzondering van de vliegas en andere afvalstoffen afkomstig van de rookgasbehandeling;
- andere biologisch afbreekbare afvalstoffen van de levensmiddelensector;plantsoenafval, tuinafval, boom- en wortelstronken;
- puin, afbraakmaterialen met inbegrip van asbestcement; Bij het aanvoeren of storten van afvalstoffen bestaande uit asbestcement worden de nodige maatregelen getroffen om stofvorming te voorkomen;
- niet-risicohoudend medisch afval, afkomstig van de geneeskundige praktijk; §
- Onverminderd de hierboven gestelde bepalingen dienen de op een categorie 2 stortplaats aangevoerde afvalstoffen steeds te beantwoorden aan volgende criteria :
- extraheerbare minerale koolwaterstoffen :
- totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : aanbevolen analysemethode* : AAC 3/N
- wateroplosbaar gedeelte : = 10 kN/m2 aanbevolen methode* ? AAC 2/II/A.4 ? een gelijkwaardige grondmechanische methode In ieder geval moeten de betreedbaarheid en stabiliteit van de stortplaats steeds verzekerd blijven.
- uitlooggedrag: het uitlooggedrag wordt bepaald volgens de analysemethode beschreven in de norm DIN 38414 - S4.Afvalstoffen mogen slechts op de stortplaats worden aanvaard indien het eluaat beantwoordt aan volgende waarden : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld aanbevolen analysemethoden* : ? indien nieuwe uitgaven van de vermelde normen verschijnen, gelden de nieuwe uitgaven; ? AAC : afvalstoffenanalysecompendium (verantwoordelijke uitgever: de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest). De concentratie voor zware metalen geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal. Behalve voor afvalstoffen vermeld onder § 1.4 kan het voldoen aan de aanvaardbaarheidscriteria worden aangenomen op basis van de aard en herkomst van de afvalstoffen. §
- Het storten van volgende afvalstoffen is verboden op een categorie 2 stortplaats : ? gevaarlijke afvalstoffen, onafgezien van de herkomst; ? afvalstoffen die gezien de recuperatieverplichtingen selectief werden ingezameld of opgehaald. § 4.
§ 1
mogen op een categorie 2 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. Art. 5.2.4.1.
- §
- Onverminderd de bepalingen van artikel 5.2.4.1.
- kunnen, voor zover uitdrukkelijk bepaald in de milieuvergunning, op een categorie 3 stortplaats strikt inerte afvalstoffen worden gestort die noch door uitloging, noch door interactie met biologische processen of ingevolge natuurlijke verschijnselen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Het betreft meer bepaald volgende afvalstoffen : a. afvalstoffen, afkomstig van de bouw, de afbraak, de herstelling en het onderhoud van gebouwen, wegen, constructies en kunstwerken met uitzondering van afvalstoffen die vrije asbestvezels of asbeststof bevatten, asfalt, hout, plastiek en andere kunststoffen aangewend in de bouwsector;b. afvalstoffen, afkomstig van het uitgraven van materialen of stoffen in hun natuurlijke staat, voor zover ze afkomstig zijn van geologische afzettingen die tot het tertiair of kwartair tijdperk behoren (zand-, klei-, leem, mergel en grindafzettingen); § 2.
§ 1
mogen op een categorie 3 stortplaats slechts die afvalstoffen worden aanvaard die uitdrukkelijk in de milieuvergunning zijn toegelaten. Indien in de milieuvergunning niet bepaald is welke afvalstoffen mogen worden gestort, is de vergunning beperkt tot de afvalstoffen die in de vergunningsaanvraag zijn vermeld. Art. 5.2.4.1.
- §
- De exploitant is verantwoordelijk voor de aanvaarding van de afdekmaterialen op de stortplaats. §
- De hoeveelheden aangevoerde afdekmaterialen worden eveneens ingeschreven in het register. Subafdeling 5.2.4.
- Werkplan Art. 5.2.4.2.
- §
- Voor stortplaatsen dient het algemene werkplan, naargelang de aard van de stortplaats, volgende bijkomende gegevens te vermelden :
- de indeling van de beschikbare stortruimte in stortvakken;
- de volgorde van opvulling in tijd en ruimte bij normale afvalstoffenaanvoer en de werkwijze bij abnormaal grote afvalstoffenaanvoer;
- de werkwijze inzake het storten en het verdichten;
- de dikte van de afvalstoffenlaag voor het aanbrengen van de tussenafdek en eindafdek;
- de lengte van het stortfront;
- de organisatie van de aanvoer en de opslag van afdekmaterialen;
- het drainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het percolatiewater;
- de inplanting, de dimensionering en het werkingsschema van de installatie voor zuivering van het percolatiewater zodat aan de opgelegde lozingsnormen kan worden voldaan;
- de maatregelen om de stabiliteit van de gestorte afvalstoffen, afdekmaterialen en afdekgronden te verzekeren;
- het gasdrainageplan omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de verwerking van het vrijkomende stortgas;
- het afwateringsplan van het stortterrein, omvattende het schema en de organisatie van de maatregelen inzake de afvoer van het overtollig water;
- het toezicht- en controleplan § 2.Het werkplan dient de goedkeuring van de toezichthoudende overheid te dragen. Het goedgekeurde werkplan wordt opgevolgd door de toezichthoudende ambtenaar. Subafdeling 5.2.4.
- Inrichting en infrastructuur van de stortplaats Artikel 5.2.4.3.
- §
- Een stortplaats moet qua ligging en ontwerp voldoen aan de noodzakelijke voorwaarden ter voorkoming van verontreiniging van bodem, grondwater of oppervlaktewater, alsmede aan de voorwaarden waarmee een doeltreffende opvang van percolaat wordt gewaarborgd in de gevallen en volgens de voorschriften zoals verder voorzien. De bescherming van bodem, grondwater en oppervlaktewater moet gedurende de exploitatiefase worden gewaarborgd door de combinatie van een geologische barrière en een bodemafdichting en gedurende de nazorgfase of na de sluiting door een combinatie van een geologische barrière en een isolerende deklaag. De geologische barrière wordt bepaald door de geologische en hydrogeologische gesteldheid onder en in de nabijheid van een stortplaats, die een dusdanige retentiecapaciteit moet hebben dat potentieel gevaar voor bodem en grondwater wordt voorkomen. §
- Het storten van afvalstoffen mag slechts worden begonnen nadat de toezichthoudende overheid het terrein heeft geïnspecteerd en zich ervan heeft vergewist dat het voldoet aan de desbetreffende voorwaarden van de vergunning. De voormelde vaststellingen worden schriftelijk vastgelegd in het proces-verbaal houdende oplevering van de stortplaats en uitdrukkelijke toelating tot het beginnen van de stortactiviteiten. Een en ander doet op geen enkele wijze af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden Art. 5.2.4.3.
- §
- De exploitant legt, vooraleer tot de inrichting van een categorie 1, 2 of 3 stortplaats over te gaan, de resultaten van een algemene hydrogeologische studie, aangevuld met een stabiliteitsstudie, betreffende het terrein en de omgeving ter goedkeuring voor aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. Een exemplaar van de studies wordt eveneens bezorgt aan de toezichthoudende overheid. De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest bezorgt haar schriftelijke goedkeuring en haar eventuele opmerkingen aan de toezichthoudende overheid. De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest wordt betrokken bij de uitvoering van de studie. §
- De hydrogeologische studie moet minstens voldoende inzicht verschaffen inzake :
- Algemene geologische situatie : ? geologische opbouw; ? preciese granulometrische en lithologische kenmerken van de verschillende formaties.
- Algemene hydrogeologische situatie : ? een uitvoerige beschrijving van alle hydrogeologische kenmerken der watervoerende lagen (o.a. hydraulische geleidbaarheid, transmissiviteit, bergingscapaciteit); ? bepaling van stromingsrichtingen en stromingssnelheid van het grondwater; ? vermelding en beschrijving der ondoorlatende lagen; ? analyse van piëzometrische waarnemingen. De verschillende hydrogeologische kenmerken worden bepaald en/of berekend op basis van metingen zoals peilmetingen en pompproeven op het terrein zelf.
- Fysico-chemische kenmerken van het grondwater : ? aan de hand van referentiewaarnemingen moet de scheikundige samenstelling van de respectievelijke grondwatertafels ter plaatse gekend zijn.
- De ligging van de eventuele in de omgeving aanwezige waterwinningen en de mogelijke beïnvloeding ervan.
- Een stabiliteitsstudie betreffende het terrein en de omgeving : ? berekening van de mogelijke verzakkingen en zettingen van de stortplaats en de ondergrond; ? de mogelijke invloed van de verzakkingen en zettingen op de afsluitlagen, drainagesystemen, taluds; ? berekening van de hoogte en de opbouw van de stortplaats, de constructie en uitvoering van de afsluitlaag en de drainagesystemen zodat de stabiliteit van de stortplaats en de goede werking van de afsluitlaag en de drainagesystemen verzekerd blijven. De stabiliteitsstudie gaat uit van sonderingen op het terrein zelf.
- Algemeen besluit. Art. 5.2.4.3.
- §
- Overeenkomstig de resultaten van de hydrogeologische studie en de stabiliteitsstudie wordt voor categorie 1 en 2 stortplaatsen, voor de aanvang van de inrichting van de stortplaats een inrichtingsplan opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het inrichtingsplan van de stortplaats omvat : ? aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan; ? constructie en uitvoering van de drainagesystemen met beschermingslagen (dimensionering en gebruikte materialen); ? voor stortplaatsen in ophoging: constructie van de stortdijken (afmetingen en gebruikte materialen); ? constructie en uitvoering van de afsluitlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen); § 2 Overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan worden achtereenvolgens de volgende voorbereidende infrastructuurwerken uitgevoerd :
- voorbereidende grondwerken;
- het aanbrengen van de afsluitlaag 3.voor stortplaatsen in ophoging: het aanbrengen van de stortdijken
- het aanbrengen van een lekdetectiesysteem 5.het aanbrengen van een percolaatdrainagesysteem. De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde inrichtingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid. De definitieve goedkeuring van de inrichting van de stortplaats wordt opgenomen in het proces verbaal,zoals bedoeld in artikel 5.2.4.3.1§ 2 §
- De voorbereidende grondwerken omvatten het opkuisen, het nivelleren, profileren en het verdichten van het terrein. §
- De afsluitlaag : De afsluitlaag omvat een geologische barrière en een kunstmatige bodemafdichting
- de geologische barrière De bodem en zijkanten van de stortplaats moeten bestaan uit een minerale laag die voldoet aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die te zamen een niveau van bescherming (K) van bodem, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met een slecht doorlatende laag van 5 meter dikte en een K-waarde die kleiner dan of gelijk is aan 1,0 x 10-9 m/s De homogene slecht doorlatende laag bedoeld hierboven kan van nature aanwezig zijn indien de geologische toestand van het terrein voldoende waarborgen biedt inzake ondoorlatendheid.Het bewijs van ondoorlatendheid wordt door de aanvrager voldoende bewezen en moet door de toezichthoudende overheid aanvaard worden. De natuurlijke omstandigheden dienen in ieder geval voldoende garanties te bieden om elke bodem- of grondwaterverontreiniging ingevolge het weglekken van percolaat te voorkomen; Indien de geologische barrière niet op natuurlijke wijze aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, kan zij kunstmatig worden aangevuld en versterkt met andere middelen die een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen. Een kunstmatige geologische barrière mag niet dunner zijn dan 0,5 meter.
- De kunstmatige bodemafdichting De kunstmatige afdichting bestaande uit aaneengelaste foliematerialen tussen aangepaste beschermingslagen wordt aangebracht op de bodem en op de wanden van de stortplaatsen van categorie 1 en 2.De gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dikte. §
- Bij het storten in ophoging wordt het volledige stortterrein met stortdijken omgeven. De stortdijken zijn voldoende breed en hoog opgevat. Het dijklichaam wordt opgebouwd uit homogeen materiaal dat voldoende verdicht wordt. De stortdijken worden aangebracht overeenkomstig de vordering der stortactiviteiten zoals aangegeven in het goedgekeurde werkplan. Op het binnenbeloop van de stortdijken en indien nodig ook op de dijkkruin wordt een afsluitlaag aangebracht als beschreven in §
- Het buitenbeloop van de stortdijken wordt met gras ingezaaid. §
- Tussen de slecht doorlatende laag en de kunstmatige afdichting bestaande uit foliematerialen wordt een lekdetectiesysteem aangebracht. Het lekdetectiesysteem moet toelaten om lekken in de kunstmatige afdichting te detecteren met het oog op het herstel ervan. Het lekdetectiesysteem moet in ieder geval toelaten om tijdens de ingebruikname en in een periode van vijf jaar na de ingebruikname van het betreffend gedeelte van de stortplaats het lekdicht zijn van de kunstmatige afdichting te bewaken in functie van de localisatie van eventuele lekken. §
- Een percolaatdrainagesysteem bestaande uit een buizensysteem met afvoerkokers of een ander gelijkwaardig systeem, wordt aangebracht op de bodem, bovenop de afsluitlaag en wordt geplaatst in een doorlatende bodemlaag van minstens 0,4 meter dikte. Het drainagesysteem wordt zodanig geconstrueerd dat een regelmatige doorspoeling van de drainagebuizen tijdens de exploitatie mogelijk is. §
- Het drainagesysteem bedoeld in § 7 hierboven wordt zodanig aangelegd dat, rekening houdend met de resultaten van de stabiliteitsstudie, de goede werking steeds verzekerd blijft. De gebruikte drainagebuizen beantwoorden inzake sterkte aan de resultaten van de stabiliteitsstudie. De dimensionering van het drainagesysteem en de keuze van de materialen gebeurt rekening houdend met de te verwachten hoeveelheden percolaat en de samenstelling ervan. Het drainagesysteem wordt beschermd tegen dichtslibbing door het aanbrengen van aangepaste beschermingslagen. Om een vlotte evacuatie van het percolaat te verzekeren worden, indien nodig, bij de verdere opbouw van de stortheuvel bijkomende drainagelagen (horizontaal en/of verticaal) aangelegd. §
- De uitvoering van de voorbereidende infrastuctuurwerken kan gefaseerd worden overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan. Art. 5.2.4.3.4 §
- Overeenkomstig de resultaten van de hydrogeologische studie en de stabiliteitsstudie wordt voor categorie 3 stortplaatsen, voor de aanvang van de inrichting van de stortplaats een inrichtingsplan opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het inrichtingsplan van de stortplaats omvat : ? aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan; ? voor stortplaatsen in ophoging: constructie van de stortdijken (afmetingen en gebruikte materialen); ? constructie en uitvoering van de afsluitlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen); § 2 Overeenkomstig het goedgekeurde inrichtingsplan worden achtereenvolgens de volgende voorbereidende infrastructuurwerken uitgevoerd :
- voorbereidende grondwerken;
- indien niet van nature aanwezig : het aanbrengen van de afsluitlaag 3.voor stortplaatsen in ophoging : het aanbrengen van de stortdijken De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde inrichtingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid. De definitieve goedkeuring van de inrichting van de stortplaats wordt opgenomen in het proces verbaal,zoals bedoeld in artikel 5.2.4.3.1§ 2 §
- De voorbereidende grondwerken omvatten het opkuisen, het nivelleren, profileren en het verdichten van het terrein overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. §
- De afsluitlaag De afsluitlaag omvat een geologische barrière. De bodem en zijkanten van de stortplaats moeten bestaan uit een minerale laag die voldoet aan voorschriften inzake doorlatendheid en dikte, die te zamen een niveau van bescherming (K) van bodem, grondwater en oppervlaktewater moeten garanderen dat tenminste gelijkwaardig is aan het niveau dat bereikt wordt met een slecht doorlatende laag van 1 meter dikte en een K-waarde die kleiner dan of gelijk dan 1,0 x 10-7 m/s; De homogene slecht doorlatende laag bedoeld hierboven kan van nature aanwezig zijn indien de geologische toestand van het terrein voldoende waarborgen biedt inzake ondoorlatendheid. Het bewijs van ondoorlatendheid wordt door de aanvrager voldoende bewezen en moet door de toezichthoudende overheid aanvaard worden. De natuurlijke omstandigheden dienen in ieder geval voldoende garanties te bieden om elke bodem- of grondwaterverontreiniging ingevolge het weglekken van percolaat te voorkomen; Indien de geologische barrière niet op natuurlijke wijze aan bovengenoemde voorwaarden voldoet, kan zij kunstmatig worden aangevuld en versterkt met andere middelen die een gelijkwaardig beschermingsniveau garanderen. Een kunstmatige geologische barrière mag niet dunner zijn dan 0,5 meter. §
- Bij het storten in ophoging wordt het volledige stortterrein met stortdijken omgeven. De stortdijken zijn voldoende breed en hoog opgevat. Het dijklichaam wordt opgebouwd uit homogeen bodemmateriaal dat voldoende verdicht wordt. De stortdijken worden aangebracht overeenkomstig de vordering der stortactiviteiten zoals aangegeven in het goedgekeurde werkplan. Het buitenbeloop van de dijk wordt met gras ingezaaid. Subafdeling 5.2.4.
- De uitbating Art. 5.2.4.4.
- §
- In de milieuvergunning kan worden opgelegd dat een installatie voor wielwassing, al of niet manueel te bedienen, aan de uitrit wordt geïnstalleerd. De exploitant legt in dat geval het uitvoeren van de wielwassing op. §
- Het indringen van grondwater of afvloeiwater van naburige percelen wordt voorkomen. Dat kan gebeuren door het aanleggen van een kwelsloot rond de stortplaats of een drainagesysteem. De diepte en de plaats van de kwelsloot of de uitvoering van het drainagesysteem worden bepaald op basis van de hydrogeologische toestand van de inplantingsplaats zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het aanvraagdossier, en desgevallend nader in de milieuvergunning is bepaald. §
- Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning is voor categorie 1 en 2 stortplaatsen per stortfront een voorraad afdekmateriaal van tenminste 200 m3 aanwezig. Art. 5.2.4.4.
- §
- Het stort wordt opgebouwd met lichthellende droge stortlagen van afvalstoffen overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. §
- Het is verboden te storten in water, tenzij in de milieuvergunning voor monostortplaatsen een afwijking wordt toegestaan om te storten in water, ander dan oppervlaktewater zoals bedoeld in de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging. §
- Het storten van de aangevoerde afvalstoffen geschiedt met een aangepaste vuilverzetmachine. De verdichting van huishoudelijke afvalstoffen gebeurt in dunne lagen met een aangepaste vuilverdichtingsmachine om een zo efficiënt mogelijke verdichting te bekomen. §
- De stortzone voor de afvalstoffen is beperkt tot de capaciteit van de vuilverzetmachine, in samenhang met het stortfront en wordt bepaald in het werkplan. §
- Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning heeft iedere stortlaag een hoogte van hoogstens 2,5 meter. §
- Om stofvorming en zwerfvuil te beperken is het verboden afvalstoffen af te laden vanop een hoogte van meer dan 3 meter. Art. 5.2.4.4.
- §
- Op een stortplaats van categorie 3 kan het schiften of sorteren van afvalstoffen worden toegelaten door de toezichthoudende overheid. De schriftelijke richtlijnen van de toezichthoudende overheid worden opgenomen in het werkplan. §
- De opslag van de gesorteerde of geschifte materialen geschiedt op ordelijke en veilige wijze op daartoe aangewezen vloeren of in containers, voor zover dit geen aanleiding geeft tot hinder. Art. 5.2.4.4.
- §
- Op categorie 1 en 2 stortplaatsen wordt om zwerfvuil en stof- en geurhinder te voorkomen iedere stortlaag afgedekt met een laag tussenafdek van tenminste 0,2 meter dikte. Alle gestorte afvalstoffen worden op het einde van de werkdag afgedekt met een tussenafdek van minstens 0,2 meter dikte. Stankverwekkende stoffen worden onmiddellijk afgedekt. Verzakkingen, barsten, afschuivingen, kuilen en plaatsen, waar de afvalstoffen onbedekt wordt gevonden, worden op de dag van vaststelling met tussenafdek opgevuld. §
- Als tussenafdek wordt bij voorkeur gebruik gemaakt van afvalstoffen die beantwoorden aan de in § 1 gestelde doelstellingen en die op de stortplaats zijn toegelaten. Indien dergelijke afvalstoffen niet beschikbaar zijn, worden bodemmaterialen aangewend. Het gebruik van afvalstoffen als tussenafdek wordt in het werkplan bepaald. Op categorie 2 stortplaatsen mag de tussenafdek op het einde van de werkdag voor een onvolledige stortlaag vervangen worden door een intense kalkbestrooiing of door andere maatregelen in het werkplan opgenomen. §
- Voor het aanbrengen van de tussenafdek beschikt de exploitant onafgebroken over een aangepaste grondverzetmachine. §
- De opslag van tussenafdekmaterialen mag geen hinder veroorzaken. Art. 5.2.4.4.
- §
- Verontreiniging van bodem, oppervlakte- en/of grondwater ingevolge de uitbating van de stortplaats wordt steeds voorkomen. §
- Het overtollige niet-verontreinigde regenwater of afvloeiwater wordt opgevangen en afgevoerd. §
- Het gevormde percolaat wordt permanent afgepompt. Het waterpeil in de opvangputten voor percolaat mag niet hoger komen dan de halve hoogte van de laagste draineerbuizen die erin uitmonden. §
- Het is verboden percolaat of ander overtollig water terug over de stortplaats te sproeien om het te verwerken. §
- Het overtollig verontreinigd afvloeiwater en het percolaatwater wordt onafgebroken overgepompt naar een ondoorlatend verzamelbekken. De capaciteit wordt zo berekend dat te allen tijde de gevormde hoeveelheid percolaat kan worden opgevangen. Maatregelen worden getroffen om te beletten dat het water in het verzamelbekken hinder veroorzaakt voor de omgeving. In de milieuvergunning kan een technisch alternatief worden toegelaten. §
- In functie van de kwaliteit van het te lozen water en van de lozingsvoorwaarden moet zonodig een aangepaste waterzuiveringsinstallatie worden gebouwd. §
- De waterzuiveringsinstallatie wordt zo aangelegd dat iedere verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen. De verzamel- en behandelingsbekkens worden vloeistofdicht gemaakt. Het waterzuiveringssysteem wordt zodanig geconcipieerd dat in ieder geval steeds wordt voorkomen dat water dat niet aan de lozingsnormen voldoet, zou worden geloosd. §
- De produkten nodig voor de waterzuivering worden gestockeerd in een afsluitbaar lokaal dat beantwoordt aan de vereisten voor de opslag van die produkten. §
- De afwatering van de beëindigde stortvakken gebeurt zo dat het regenwater zonder te worden verontreinigd kan afvloeien of worden weggepompt. Art. 5.2.4.4.
- §
- Toereikende maatregelen worden genomen om een gecontroleerde evacuatie van het gevormde stortgas te verzekeren en ongecontroleerde ophoping ervan te voorkomen. §
- Op alle stortplaatsen waar biologisch afbreekbaar afval wordt of werd gestort,moet het stortplaatsgas worden opgevangen, behandeld en gebruikt. Daartoe wordt vooraleer de afdichtlaag wordt aangebracht een gasdrainagesysteem aangelegd. Het gasdrainagesysteem kan bestaan uit horizontale en /of verticale drainagebuizen indien nodig geplaatst in een drainerende laag en wordt zodanig geconcipieerd dat al het vrijkomende stortgas wordt opgevangen en op een veilige manier wordt afgevoerd. Het gasdrainagesysteem dient de goedkeuring van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige te dragen. §
- De opvang, de behandeling en het gebruik van stortplaatsgas gebeurt op dusdanige wijze dat schade aan of verslechtering van het milieu, alsmede het risico voor de gezondheid van de mens zoveel mogelijk worden beperkt. Het opgevangen stortgas wordt bij voorkeur gevaloriseerd als energiebron. Indien valorisatie niet haalbaar is wordt het stortgas verbrand in een daartoe aangepaste gasfakkel. Subafdeling 5.2.4.
- De afwerking en nazorg Art. 5.2.4.5.
- §
- De exploitant deelt de datum van de definitieve beëindiging van de stortactiviteiten in een stortvak schriftelijk mee aan de toezichthoudende ambtenaar binnen de maand na beëindiging van de stortactiviteiten. §
- Voor een stortplaats, of voor een gedeelte daarvan, wordt met de afwerking en de sluitingsprocedure begonnen wanneer :
- ofwel, de stortplaats of een gedeelte ervan zijn capaciteit heeft bereikt;
- ofwel, de exploitant van de stortplaats in afwijking van zijn werkplan daartoe zelf besluit, mits schriftelijke goedkeuring van de toezichthoudende ambtenaar;
- ofwel, de vergunningverlenende overheid daartoe besluit;
- ofwel, bij het verstrijken van de vergunningstermijn, in geval geen hernieuwing van de milieuvergunning werd bekomen. §
- Om het binnendringen van water in de stortplaats van categorie 1 en 2 te vermijden wordt zo snel mogelijk een afdichtlaag aangebracht. §
- De volledige afwerking wordt uitgevoerd uiterlijk één jaar na het in § 1 bedoelde tijdstip. Rekening houdend met stabilisatie en zettingen kunnen voor categorie 1 en 2 stortplaatsen in de milieuvergunning andere termijnen worden bepaald. §
- Een stortplaats of een gedeelte daarvan wordt pas als definitief afgewerkt beschouwd, wanneer de toezichthoudende overheid na het uitvoeren van een eindinspectie ter plaatse en na het beoordelen van alle verslagen die de exploitant heeft ter beschikking gesteld,een proces-verbaal houdende definitieve afwerking van de stortplaats opgesteld heeft. De toezichthoudende overheid bezorgt de exploitant een copie van dit proces-verbaal. Een en ander doet in geen geval af aan de verantwoordelijkheid van de exploitant uit hoofde van de vergunningsvoorwaarden. §
- De exploitant blijft, nadat de stortplaats definitief is gesloten, verantwoordelijk voor onderhoud, toezicht en controle in de nazorgfase zolang de vergunningverlenende overheid zulks nodig acht, rekening houdend met de tijd gedurende welke de stortplaats gevaar kan opleveren. De exploitant van de stortplaats is verantwoordelijk voor toezicht op en analyse van het stortplaatsgas, het stortplaatspercolaat en het grondwater in de omgeving van de stortplaats, zolang de vergunningverlenende overheid van oordeel is dat een stortplaats gevaar voor het milieu kan opleveren en onverminderd eventuele andere wetgeving met betrekking tot de aansprakelijkheid van de houder van het afval. De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen; Art. 5.2.4.5.2 §
- Op categorie 1 en 2 stortplaatsen wordt, om te verhinderen dat water de stortplaats zou binnendringen en om de stortplaats ruimtelijk te integreren, op stortvakken waar de stortactiviteiten definitief worden beëindigd, boven de tussenafdek een afdichtlaag en een eindafdek aangebracht. Vooraleer met de afwerking wordt begonnen wordt voor categorie 1 en 2 stortplaatsen, een afwerkings- en sluitingsplan opgesteld door een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het afwerkings- en sluitingsplan van de stortplaats omvat : ? aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan; ? constructie en uitvoering van de drainagesystemen met beschermingslagen (dimensionering en gebruikte materialen); ?constructie en uitvoering van de afdichtlaag met beschermingslagen (gebruikte materialen); ? constructie en uitvoering van de eindafdek (gebruikte materialen); De uitvoering van de verschillende werken gebeurt onder toezicht van een een door de toezichthoudende overheid aanvaarde deskundige. Deze deskundige stelt na afloop een rapport op waarin hij de conformiteit van de uitgevoerde werken aan het goedgekeurde afwerkingsplan attesteert. Dit rapport wordt bezorgd aan de toezichthoudende overheid. De definitieve goedkeuring van de afwerking wordt opgenomen in het proces verbaal,zoals bedoeld in artikel 5.2.4.5.
- §
- De afdichtlaag :
- kan bestaan uit een homogene laag van slecht doorlatend bodemmateriaal met daarboven een kunstmatige afdichting van aaneengelaste foliematerialen, tussen aangepaste beschermingslagen; ? de slecht doorlatende laag wordt aangebracht als een continue laag over het volledige stortterrein. Inzake doorlatendheid is de slecht doorlatende laag gelijkwaardig aan een laag van 0,5 meter dikte met een k-waarde die kleiner dan of gelijk aan 1.10-9m/s is. ? de gebruikte foliematerialen zijn minstens gelijkwaardig aan een HDPE-folie van 2.5 mm dikte.
- kan andere uitvoeringsvormen aannemen die de goedkeuring van de toezichthoudende overheid vereisen.De aanvrager dient de degelijkheid ervan te bewijzen. De andere uitvoeringsvormen dienen minstens gelijkwaardig te zijn aan de dubbele afdichtlaag zoals beschreven in punt 1 hierboven. Een licht verhang overeenkomstig het afwateringsplan is noodzakelijk om de afvloeiing van het regenwater mogelijk te maken. §
- Bovenop de afdichtlaag wordt de eindafdek aangebracht. De eindafdek bestaat uit een drainerende laag van minstens 0,5 meter dikte bestaande uit materialen zoals grof gebroken puin en zand. De drainerende laag bevat de nodige beschermingslagen tegen dichtslibbing. Bovenop de drainerende laag wordt een bewortelingslaag van minstens 1 meter dikte aangebracht. In de bovenlaag wordt, indien nodig, een begreppeling aangebracht. De drainerende laag kan vervangen worden door een alternatief drainagesysteem. De totale dikte van de eindafdek bedraagt in ieder geval minstens 1,5 meter. §
- Binnen de kortst mogelijke termijn worden de gedeelten die een eindafdek hebben gekregen ingezaaid met gras. §
- De begroeiing mag de aangebrachte afdichtlaag niet kunnen beschadigen. Tenzij anders bepaald in de milieuvergunning dient de ontwikkeling van hoogstammige gewassen te worden verhinderd. §
- In de milieuvergunning kunnen overeenkomstig de stedebouwkundige bestemming van het terrein bijkomende afwerkingsvoorwaarden worden opgelegd. Art. 5.2.4.5.
- §
- Op categorie 3 stortplaatsen wordt op stortvakken, welke definitief volgestort zijn overeenkomstig het goedgekeurde werkplan, de eindafdek aangebracht. Vooraleer met de afwerking wordt begonnen wordt voor categorie 3 stortplaatsen, een afwerkings- en sluitingsplan opgesteld en ter goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Het afwerkings- en sluitingsplan van de stortplaats omvat : ? aanvullings-, nivellerings- en profileringsplan; ? constructie en uitvoering van de eindafdek (gebruikte materialen) De eindafdek bestaat uit een bewortelingslaag van minstens 1 meter dikte. In de bovenlaag wordt, indien nodig, een begreppeling aangebracht. Vooraleer de eindafdek wordt aangebracht moeten de beëindigde stortvakken genivelleerd worden overeenkomstig het goedgekeurde werkplan. De genivelleerde bovenlaag van ten minste 0,5 meter dikte mag uitsluitend grofkorrelige materialen bevatten. §
- Binnen de kortst mogelijke termijn worden de gedeelten die een eindafdek hebben gekregen ingezaaid met gras. §
- In de milieuvergunning kunnen overeenkomstig de stedebouwkundige bestemming van het terrein bijkomende afwerkingsvoorwaarden worden opgelegd. §
- De definitieve goedkeuring van de afwerking wordt opgenomen in het proces verbaal, zoals bedoeld in artikel 5.2.4.5.
- Art. 5.2.4.5.
- §
- De periode van nazorg voor een categorie 1, 2 en 3 stortplaats bedraagt ten minste 30 jaar. De periode van nazorg vangt aan op datum van het proces-verbaal van de toezichthoudende ambtenaar houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de stortplaats. De vergunningverlenende overheid kan de periode van nazorg verlengen op verzoek van de toezichthoudende overheid of van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest en op basis van de evolutie van de grondwaterkwaliteit, het gedrag van de stortplaats, zettingen, de vorming van percolaat of stortgassen, of andere gebeurtenissen die een nadelige invloed op het milieu hebben. §
- De nazorgactiviteiten omvatten minstens volgende punten :
- de instandhouding en het onderhoud van volgende infrastructuur : ? de omheining en toegangspoorten; ? de wegenis op het afgewerkte terrein;
- het beheer van de begroeiing;
- de regelmatige controle van de toestand van de afwerkingslagen, stortdijken en taluds met het oog op nagaan van eventuele zettingen en erosie, met inbegrip van eventuele herstelwerkzaamheden;
- de instandhouding en het onderhoud van de drainagesystemen met inbegrip van het afpompen en het zuiveren van het nog gevormde percolaat;
- de instandhouding, het onderhoud en de uitbating van de ontgassingsinfrastructuur, met inbegrip van de gasfakkel;
- de instandhouding en het onderhoud van de meetputten voor grondwater met inbegrip van het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen;
- de jaarlijkse rapportering zoals opgelegd in de vergunning. §
- Voor het beëindigen van de definitieve afwerking van de stortplaats legt de exploitant een nazorgplan ter goedkeuring voor. Het nazorgplan dient minstens volgende punten te omvatten : ? een tijdschema voor het uitvoeren van de in de vergunning opgelegde controles en metingen; ? een werkplan voor het uitvoeren van de onder § 2 hierboven bepaalde nazorgactiviteiten; §
- Het nazorgplan wordt goedgekeurd door de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest inzake de controle en de metingen van het grondwater en door de toezichthoudende overheid inzake alle andere punten. §
- Het goedgekeurde nazorgplan maakt deel uit van het proces-verbaal van de toezichthoudende ambtenaar houdende vaststelling van de definitieve afwerking van de stortplaats. §
- De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controleprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de bevoegde autoriteit omtrent de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen. Deze maatregelen, door de exploitant te bekostigen, dienen naargelang het grondwateraspecten betreft of andere aspecten de goedkeuring van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest of van de toezichthoudende overheid te dragen. Indien de exploitant de aldus al of niet gewijzigde maatregelen niet zelf uitvoert of laat uitvoeren binnen de gestelde termijn, kan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest bedoelde maatregelen laten uitvoeren lastens de exploitant. Subafdeling 5.2.4.
- Controle- en toezichtsprocedures in de exploitatie- en nazorgfase Art. 5.2.4.6.
- §
- Deze subafdeling bepaalt de controleprocedures die minimaal moeten worden uitgevoerd om na te gaan : - of de afvalstoffen in overeenstemming met de criteria voor de betrokken stortplaatsklasse voor verwijdering zijn aanvaard; - of de processen op de stortplaats naar wens verlopen; - of de werking van de milieubeschermingssystemen volledig aan de verwachting beantwoordt; - of aan de vergunningsvoorwaarden voor de stortplaats voldaan is. §
- De exploitant van een stortplaats voert in de exploitatie- en nazorgfase een controle- en toezichtprogramma uit, als verder bepaald; §
- De exploitant stelt de toezichthoudende overheid en de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest in kennis van alle significante nadelige milieueffecten die bij de controle- en toezichtprocedures aan het licht zijn gekomen en geeft gevolg aan het besluit van de toezichthoudende overheid over de aard en het tijdstip van de uit te voeren corrigerende maatregelen. Deze maatregelen worden op kosten van de exploitant genomen. §
- De analyses in het kader van de controle- en toezichtsprocedures moeten worden uitgevoerd door een erkend laboratorium. Indien de exploitant de analyses voor het accepteren van de afvalstoffen in eigen beheer uitvoert, moet hiervoor een erkenning worden bekomen. De procedures, methodes en apparatuur voor gas- percolaat- en grondwatermetingen dragen de goedkeuring van de toezichthoudende overheid. De praktische uitvoering van de monsterneming en metingen wordt vooraf goedgekeurd door een terzake erkend laboratorium tenzij de monsterneming en de metingen door een terzake erkend laboratorium zelf worden uitgevoerd. Hetzelfde geldt voor de plaats van monsterneming of het meetpunt. De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats. Art. 5.2.4.6.
- water-, percolaat- en gascontrole Monsters van percolaat en eventueel aanwezig oppervlaktewater worden op representatieve plaatsen vergaard. Het bemonsteren en meten (volume en samenstelling) van het percolaat gebeurt afzonderlijk op elk punt waar percolaat uit de stortplaats vrijkomt.De controle van het eventueel aanwezige oppervlaktewater wordt uitgevoerd op ten minste twee punten, één stroomopwaarts en één stroomafwaarts van de stortplaats. De gascontrole moet representatief zijn voor elk gedeelte van de stortplaats. Voor percolaat en water wordt voor controle een monster genomen dat representatief is voor de gemiddelde samenstelling. Voor categorie 1 en 2 stortplaatsen wordt het percolaatwater volgens de frequentie aangegeven in onderstaande tabel bemonsterd en geanalyseerd door een erkend laboratorium. Het gezuiverde percolaat dat wordt geloosd wordt minstens maandelijks bemonsterd en geanalyseerd. Deze controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg tot zolang percolaatwater wordt gevormd. De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van de gestorte afvalstoffen. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. Op stortplaatsen met een actieve ontgassing wordt de samenstelling van het stortgas bepaald volgens de frequentie aangegeven in onderstaande tabel. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Met het oog op het opmaken van een waterbalans worden voor categorie 1 en 2 stortplaatsen door meting op de stortplaats of via het dichtstbijzijnde meteorologische station de volgende gegevens verzameld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Art. 5.2.4.6.
- bescherming van het grondwater §
- Voor iedere watervoerende laag die door de stortplaats kan worden beïnvloed worden voor de aanvang van de stortactiviteiten rondom het stortterrein minstens 3 genivelleerde meetputten voor grondwater aangelegd (minstens één meetput bevindt zich langs de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats binnenstroomt en twee bevinden zich langs de zijde waar het grondwater het gebied van de stortplaats uitstroomt). Dit aantal kan verhoogd worden op grond van een specifiek hydrogeologisch onderzoek en de noodzaak van een vroegtijdige vaststelling van accidenteel percolaatverlies in het grondwater. De meetputten moeten een representatieve bepaling van de plaatselijke grondwaterkwaliteit en de beïnvloeding ervan door de stortplaats mogelijk maken. Het aantal meetputten, de inplantingsplaats en de technische kenmerken ervan worden bepaald in overleg met de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest op basis van de hydrogeologische toestand van het terrein zoals deze blijkt uit de hydrogeologische studie en/of het dossier van de vergunningsaanvraag, en desgevallend nader in de milieuvergunning is bepaald. §
- De verschillende meetputten worden duidelijk geïdentificeerd. Een nivelleringsmerkstreep met vermelding van het bijhorende TAW-niveau of het niveau dat refereert aan een ander topografisch referentiepunt wordt duidelijk aangebracht. De meetputten worden met een slot afgegrendeld. §
- De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest wordt tijdig in kennis gesteld van het aanleggen van deze meetputten zodat haar afgevaardigde hierbij kan aanwezig zijn. Bij het aanleggen van iedere meetput wordt door de boormeester een technisch verslag opgemaakt overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. §
- Na het aanleggen worden de meetputten aan een testpomping onderworpen. De testpompingen worden uitgevoerd overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. §
- Voor iedere meetput wordt een fiche opgesteld die alle technische gegevens in verband met zijn constructie en de uitgevoerde testpomping bevat. Deze fiche wordt opgesteld overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. §
- Alvorens met de exploitatie van de stortplaats wordt gestart, wordt de nultoestand van de grondwaterkwaliteit bepaald. Ten vroegste één week na de testpomping worden de verschillende meetputten bemonsterd en aan een volledige analyse onderworpen, overeenkomstig de richtlijnen van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. Om referentiewaarden voor latere bemonstering vast te stellen, moeten op tenminste drie plaatsen monsters worden genomen alvorens met het storten wordt gestart. De metingen en analyses worden uitgevoerd door een daartoe erkend laboratorium. Het grondwaterpeil wordt opgemeten. De analyseresultaten gelden als basisreferentiewaarde. §
- De technische fiche voor elke meetput opgesteld, wordt toegezonden aan de toezichthoudende overheid en aan de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. §
- Op kosten van de exploitant worden voor de aanvang der stortactiviteiten en nadien volgens de frequentie aangegeven in onderstaande tabel door een erkend laboratorium de grondwaterniveaus in de meetputten opgemeten en worden watermonsters uit de meetputten voor grondwater genomen en geanalyseerd door een erkend laboratorium. De monstername wordt een eerste maal uitgevoerd vóór de aanvang van de stortactiviteiten en minstens 1 week na het uitvoeren van de testpompingen. De analyseverslagen worden naar de exploitant en de toezichthoudende overheid verzonden. Deze controles (bemonstering en analyse) worden voortgezet gedurende de periode van nazorg. De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest kan opleggen dat na deze termijn nog jaarlijks controles worden uitgevoerd. §
- De te analyseren stoffen omvatten ten minste de algemene kwaliteitsparameters voor grondwater (temperatuur, pH, geleidbaarheid, normale kationen en anionen) aangevuld met de relevante verontreinigingsparameters (zware metalen, organische stoffen) die worden vastgelegd op basis van de samenstelling van het percolaat. De lijst van parameters die bij de analyses bepaald worden, draagt de goedkeuring van de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest. Bij de keuze van de analyseparameters moet rekening worden gehouden met de mobiliteit in de grondwaterzone. De parameters kunnen eventueel indicatorparameters omvatten, zodat een verandering in de waterkwaliteit in een vroeg stadium worden onderkend. Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld A. Interventiepunt Er wordt vanuit gegaan dat er zich voor het grondwater significante nadelige milieueffecten, als bedoeld in Subafdeling 5.2.4.5 en artikel 5.2.4.
- § 6 hebben voorgedaan wanneer uit een analyse van een grondwatermonster een significante verandering in de waterkwaliteit blijkt. Een interventiepunt moet worden bepaald met inachtneming van de specifieke hydrogeologische formaties op de locatie van de stortplaats en de grondwaterkwaliteit. Het interventiepunt wordt waar mogelijk in de vergunning vermeld. De waarnemingen worden beoordeeld door middel van controlekaarten met vastgestelde controleregels en -niveaus voor elke lager gelegen bron. De controleniveaus worden bepaald op grond van plaatselijke veranderingen in de grondwaterkwaliteit. Art. 5.2.4.6.
- Topografie van de stortplaats : gegevens over de gestorte massa Jaarlijks worden volgende gegevens verzameld : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Brussel, 13 juli
- De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Leefmilieu en, Landbouw, Mevr. V. DUA