10 JANUARI 2002. - Besluit van de Interregionale Verpakkingscommissie tot wijziging om redenen van algemeen belang van het besluit van 23 december 1998 houdende erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk FOST Plus als organisme voor verpakkingsafval De Interregionale Verpakkingscommissie, Gelet op de richtlijn van de Raad 75/442/EEG van 15 juli 1975 betreffende afvalstoffen, zoals gewijzigd; Gelet op de richtlijn van het Europees Parlement en de Raad 94/62/EG van 20 december 1994 betreffende verpakking en verpakkingsafval; Gelet op het samenwerkingsakkoord van 30 mei 1996 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, aangenomen bij decreet van het Vlaams Parlement d.d. 21 januari 1997, bij decreet van de Waalse Gewestraad d.d. 16 januari 1997 en bij ordonnantie van de Raad van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest d.d. 24 januari 1997, verder aangeduid als het « samenwerkingsakkoord »; Gelet in het bijzonder op artikel 25, § 1, 3° van het samenwerkingsakkoord; Gelet op de gewestelijke afvalstoffenplannen; Gelet op de beslissingen van de Interregionale Verpakkingscommissie van 9 februari 2001 en 3 mei 2001 houdende aanduiding van respectievelijk de voorzitter en de ondervoorzitters van het Beslissingsorgaan van de Interregionale Verpakkingscommissie; Gelet op het besluit van 23 december 1998 houdende erkenning van de vereniging zonder winstoogmerk FOST Plus, Martinus V Straat 40, 1200 Brussel, als organisme voor verpakkingsafval, verder aangeduid als de « erkenning »; Gelet op het schrijven van FOST Plus de dato 6 september 2000 betreffende « overgang van FOST Plus naar de Euro - conversie van bedragen »; Gelet op het schrijven van FOST Plus de dato 18 oktober 2001 betreffende « het budget en groene punt 2002 - uw brief van 9/10/01 »; Gelet op het schrijven van FOST Plus de dato 14 november 2001 betreffende « FOST Plus Fiches in het Nederlands en in het Frans » en op het schrijven van FOST Plus de dato 30 november 2001 houdende reactie op de fiche 12; Overwegende dat de Interregionale Verpakkingscommissie, mede op vraag van de Gewestregeringen, in de loop van het jaar 2001 een grondige evaluatie heeft uitgevoerd van de werking van FOST Plus, waarbij naast FOST Plus ook de andere partijen werden geconsulteerd die betrokken zijn bij het beheer van huishoudelijk verpakkingsafval, ondermeer beroepsfederaties en rechtspersonen van publiekrecht; Overwegende dat in het kader van deze evaluatie verschillende problemen werden vastgesteld die dermate ernstig en dringend waren dat een onmiddellijke wijziging van de erkenningsvoorwaarden van FOST Plus zich opdrong; dat het algemeen belang geschaad zou worden door een laten verder bestaan van deze problemen tot einde 2003, wanneer de erkenning van FOST Plus afloopt; Overwegende dat deze wijziging van de erkenningsvoorwaarden van FOST Plus op korte termijn een minimaal budgettair impact moet hebben, aangezien de kosten van FOST Plus gedragen worden door de bijdragen van de leden en aangezien de tarieven voor de leden ruim op voorhand dienen te worden vastgelegd; Overwegende dat de tarieven voor het jaar 2002 door FOST Plus reeds werden vastgelegd; dat evenwel de Interregionale Verpakkingscommissie hierbij de nodige reserves heeft uitgedrukt, omdat zij reeds een eerder voorstel van tarieven had goedgekeurd, zij het onder voorwaarden, en omdat FOST Plus niet is ingegaan op deze goedkeuring, maar zonder verder overleg de inkomsten van de tarieven heeft verminderd met 4,3 miljoen euro; Overwegende dat FOST Plus in zijn schrijven van 18 oktober 2001 over deze inkomstenvermindering het volgende stelt : « Indien in de loop van het jaar 2002 een geheel of gedeeltelijk akkoord gevonden wordt voor één of beide budgetposten in het kader van onze evaluatie en de ecotaksen, zal de Raad van Bestuur daarvoor de nodige middelen ter beschikking stellen; daarna moet dit gebeuren via het Groene Punt. »; Overwegende dat klaarblijkelijk een budgettaire marge aanwezig is; dat nochtans elke wijziging van de erkenningsvoorwaarden strikt noodzakelijk moet zijn in het kader van het algemeen belang en moet worden getoetst aan de beginselen van redelijkheid en proportionaliteit; Overwegende dat FOST Plus op 31 december 2001 niet het volledige Belgische grondgebied zal afdekken met projecten op basis van artikel 13, § 1, 7° van het samenwerkingsakkoord; dat dit slechts deels te wijten is aan omstandigheden die buiten de wil van FOST Plus vallen; Overwegende dat de huidige erkenningsvoorwaarden voorzien dat na 31 december 2001 de tonnages afkomstig van de traditionele projecten' niet meer door FOST Plus kunnen in rekening worden gebracht, hetgeen logischerwijs impliceert dat FOST Plus voor deze tonnages ook niet meer moet betalen; dat dit echter een onverantwoorde sanctie zou zijn voor de rechtspersonen van publiekrecht die te goeder trouw hebben gehandeld; Overwegende dat een aantal contracten in de zin van artikel 13, § 1, 7° van het samenwerkingsakkoord niet tijdig werden afgesloten wegens onenigheid tussen FOST Plus en de rechtspersoon van publiekrecht over het toe te passen inzamelscenario;dat de keuze van het inzamelscenario binnen de grenzen van het gewestelijke afvalstoffenplan ten gronde een bevoegdheid van de rechtspersoon van publiekrecht is, maar dat FOST Plus door middel van de inzamelscenario's de percentages van de terugnameplicht moet zien te behalen; dat een evenwicht moet worden gevonden tussen de bevoegdheid van de rechtspersoon van publiekrecht inzake de keuze van het inzamelscenario en de doelstellingen van het samenwerkingsakkoord; Overwegende dat de mogelijkheid moet worden voorzien om pilootprojecten op te starten, waarbij het risico voor FOST Plus, namelijk dat het behalen van de percentages in gevaar komt, tijdelijk wordt weggenomen, terwijl aan de rechtspersoon van publiekrecht de mogelijkheid wordt geboden om het door hem gekozen inzamelscenario toe te passen en daarvoor een gepaste vergoeding te ontvangen; Overwegende dat het aan FOST Plus toekomt om, wanneer hij meent dat het behalen van de percentages gehinderd wordt door het voorgenomen pilootproject, aan de Interregionale Verpakkingscommissie een correctie van de teller en van de noemer van de recyclagebreuk voor te stellen; dat de voorstellen van FOST Plus voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd dienen te zijn; dat het ook moet duidelijk zijn dat FOST Plus de nodige initiatieven heeft genomen om tot een overeenkomst te komen met de rechtspersoon van publiekrecht; Overwegende dat de pilootprojecten steeds van beperkte duur moeten zijn, gezien het gaat om tijdelijke contracten die bedoeld zijn om te verhelpen aan uitzonderlijke problemen; dat deze pilootprojecten na het aflopen van hun termijn ofwel vervangen worden door een ander scenario, ofwel toegevoegd worden aan de scenario's die door FOST Plus aan de totale en reële kosten vergoed worden, indien blijkt dat FOST Plus door het toepassen van dit nieuwe scenario niet wordt gehinderd bij het vervullen van de terugnameplicht; Overwegende dat de pilootprojecten onder meer tot doel hebben om op zoek te gaan naar alternatieve scenario's die efficiënt zijn inzake kosten en inzake resultaten; dat alle partijen hierbij gebaat zijn en in de eerste plaats FOST Plus; Overwegende dat de pilootprojecten ook tot doel kunnen hebben om een beter evenwicht te vinden tussen de preventie en het beheer van verpakkingsafval; Overwegende dat een pilootproject niet tot doel heeft om inzamelscenario's te testen die reeds worden toegepast in intensieve FOST Plus-projecten; dat een pilootproject dus niet als voorwerp kan hebben de inzameling van glas huis-aan-huis, de inzameling van glas via glasbollen, de tweewekelijkse huis-aan-huis inzameling van PMD, de wekelijkse huis-aan-huis inzameling van PMD in de gemeenten of agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners, de maandelijkse huis-aan-huis inzameling van papier/karton of de wekelijkse huis-aan-huis inzameling van papier/karton in de gemeenten of agglomeraties met meer dan 100 000 inwoners; dat een pilootproject inzamelscenario's viseert waarvoor nog geen gedetailleerde gegevens beschikbaar zijn; Overwegende dat de pilootprojecten moeten begeleid en geëvalueerd worden; dat de evaluatie op een objectieve en tegenstelbare wijze dient te verlopen; dat een nauwe betrokkenheid van de Interregionale Verpakkingscommissie zich opdringt; Overwegende dat de grondige opvolging van de pilootprojecten het ontstaan van een vertrouwensbreuk tussen partijen kan vermijden; dat ook het beroep op de bemiddeling van de bevoegde gewestelijke administratie, zoals voorzien in artikel 27, 1° van het samenwerkingsakkoord, steeds een mogelijkheid blijft; Overwegende dat de pilootprojecten in principe worden voorzien op het grondgebied van rechtspersonen van publiekrecht die nog geen contract in de zin van artikel 13, § 1, 7° van het samenwerkingsakkoord hebben met FOST Plus; dat de scenario's die getest worden, hun nut immers nog niet bewezen hebben, zodat het onverantwoord zou zijn om goed lopende projecten hiervoor op te offeren; dat het contract met betrekking tot het pilootproject namelijk geen contract in de zin van artikel 13, § 1, 7° van het samenwerkingsakkoord is; Overwegende dat bij een gunstige evaluatie van een pilootproject, het geteste scenario eventueel kan veralgemeend worden en het voorwerp kan gaan uitmaken van een contract in de zin van artikel 13, § 1, 7° van het samenwerkingsakkoord; Overwegende dat om redenen van rechtszekerheid het aantal pilootprojecten moet worden beperkt; dat het FOST Plus-systeem anders in gevaar zou worden gebracht; dat ook de realiteit van de behaalde recyclagepercentages zou worden aangetast; Overwegende dat de rechtspersonen van publiekrecht in de regel moeten vergoed worden aan de totale en reële kosten voor het beheer van huishoudelijk verpakkingsafval en dat de forfaitaire uitbetaling de uitzondering blijft; dat een vergoeding aan totale en reële kosten echter bij sterk afwijkende scenario's en bij pilootprojecten niet evident is, zonder de gelijke behandeling van de rechtspersonen van publiekrecht en van de burgers te schaden; dat de afwijkende scenario's nochtans verantwoord kunnen zijn in functie van lokale omstandigheden; dat een forfaitaire vergoeding aangewezen is via het stelsel van de referentiekosten en de referentiewaarden, zolang niet duidelijk is wat de resultaten van de afwijkende scenario's zijn; Overwegende dat de keuze van het scenario per materiaal gebeurt; dat bijvoorbeeld een rechtspersoon van publiekrecht die voor één materiaal een niet-afwijkend scenario hanteert en voor een ander materiaal een sterk afwijkend scenario, voor dat ene materiaal de totale en reële kosten zal ontvangen, terwijl hij voor het andere materiaal de referentiekosten ontvangt; Overwegende dat het principe van de referentiekosten en -waarden in de praktijk door nagenoeg alle partijen wordt aanvaard; dat de referentiekosten en -waarden echter steeds een redelijke vergoeding moeten uitmaken voor de rechtspersonen van publiekrecht in het licht van de verplichting voor FOST Plus om de totale en reële kosten te dekken; dat deze vergoeding berekend wordt als het gemiddelde van de scenario's die aan de totale en reële kosten worden vergoed; Overwegende dat in de praktijk de referentiewaarden van de referentiekosten kunnen worden afgetrokken, maar dat in dat geval de werkelijke verkoopswaarde van de materialen aan de rechtspersonen van publiekrecht moet toekomen; dat de gekozen inzamelscenario's een grote impact kunnen hebben op de verkoopswaarde van de materialen; dat de forfaitaire vergoeding enkel wordt voorzien bij scenario's die sterk afwijken van de door FOST Plus voorgestelde scenario's, waarvoor de integrale ketenverantwoordelijkheid redelijkerwijs niet in alle gevallen aan FOST Plus kan worden opgelegd; Overwegende dat enkel de Interregionale Verpakkingscommissie kan instaan voor de objectiviteit van de jaarlijks berekende referentiekosten en -waarden; dat zij zich hiervoor baseert op de concrete voorstellen die FOST Plus uitwerkt; dat zij ook de rechtspersonen van publiekrecht consulteert; Overwegende dat de referentiekosten moeten bestaan uit een vast en een variabel gedeelte, waarbij in principe geen van beide gedeelten te sterk mag domineren; Overwegende dat bepaalde aanpassingen nodig zijn inzake de aftrek van de zogenaamde « winsten » op de verkoop van de blauwe zakken van de kosten voor projectopvolging; Overwegende dat FOST Plus de nodige schriftelijke afspraken dient te maken met de intercommunales en met de gemeenten over de prijs van de PMD-zakken, teneinde te garanderen dat FOST Plus niet zal gehinderd worden in het vervullen van de terugnameplicht; Overwegende dat zowel FOST Plus als de intercommunale erop kunnen staan dat de PMD-zakken door FOST Plus worden verdeeld; dat FOST Plus finaal verantwoordelijk is; Overwegende dat bijkomende inspanningen inzake communicatie noodzakelijk zijn bij de rechtspersonen van publiekrecht die verminderde rendementen hebben voor de voorkoming van verpakkingsafval in de huisvuil-restfractie en voor de selectieve inzamelingen; dat evenwel deze bijkomende inspanningen in de tijd moeten worden beperkt, teneinde de rechtspersonen van publiekrecht niet te ontmoedigen om spoedig de nodige maatregelen te treffen; Overwegende dat de rechtspersonen van publiekrecht die een beperkt residugehalte hebben bij de selectieve inzameling van PMD, hiervoor kunnen beloond worden door FOST Plus; dat deze vergoeding door FOST Plus zelf werd voorgesteld; dat FOST Plus zelf bij een verminderd residugehalte financieel voordeel heeft; dat de vergoeding moet worden uitgekeerd aan elk scenario conform de gewestelijke afvalstoffenplannen dat een voldoende rendement haalt, waarbij de rendementsgrens in de erkenning wordt bepaald; Overwegende dat maatregelen moeten worden genomen om bij de verlenging van lopende contracten een breuk in de betalingen te vermijden, waardoor de continuïteit van de dienstverlening in gevaar zou kunnen komen; dat deze maatregelen steeds tijdelijk moeten zijn en verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden; Overwegende dat alle mogelijke maatregelen moeten worden genomen om de sociale tewerkstelling in de zin van artikel 13, § 1, 5° van het samenwerkingsakkoord te bevorderen; dat FOST Plus verklaart niet te weten hoe uitvoering kan worden gegeven aan deze bepaling; dat concrete suggesties worden gedaan, waarbij het finaal aan het erkende organisme toekomt om uitgewerkte voorstellen over te maken; dat FOST Plus voldoende mogelijkheden heeft om een afdoend programma uit te werken voor de implementatie van het artikel van het samenwerkingsakkoord en dat een verder uitstel van de implementatie onaanvaardbaar is; Overwegende dat de wettelijke mogelijkheden om de sociale tewerkstelling te bevorderen, groter zijn wanneer FOST Plus de markten toewijst, dan wanneer het opdrachtgevend bestuur de rechtspersoon van publiekrecht is; dat de algemene regels voor de toewijzing van de markten, zoals voorzien in de erkenning, niet in alle gevallen aangewezen zijn om uitvoering te geven aan het samenwerkingsakkoord en dat een meer individuele benadering aangewezen kan zijn; Overwegende een opvolging van de door de verpakkingsverantwoordelijke op de markt gebrachte verpakkingstypes en -materialen noodzakelijk is om adequate verwerkingsmodaliteiten te voorzien; Overwegende dat het logo « het groen punt » problemen stelt bij de bevolking, doordat het verward wordt met een sorteerboodschap; dat aan dit probleem dringend moet worden verholpen; Overwegende dat prioriteit dient te worden gegeven aan de preventie van verpakkingsafval; dat FOST Plus binnen zijn statutair doel verschillende maatregelen kan nemen om het ontstaan van verpakkingsafval te voorkomen; dat FOST Plus echter van mening was dat zijn erkenningsvoorwaarden elk initiatief terzake verboden; dat de erkenningsvoorwaarden dan ook moeten worden verduidelijkt; Overwegende dat de Euro vanaf 1 januari 2002 de enige officiële valuta is in België; dat de bedragen in de erkenning uitgedrukt in BEF moeten worden omgezet in bedragen in EUR; Overwegende dat FOST Plus al in het jaar 2000 het initiatief heeft genomen om bedragen in Euro voor te stellen aan de Interregionale Verpakkingscommissie, die de voorstellen van FOST Plus zondermeer heeft aanvaard; dat de bedragen in Euro reeds konden toegepast worden in 2001; Overwegende dat voor de financiële zekerheden de Interregionale Verpakkingscommissie een exacte conversie naar de Euro heeft toegepast; Overwegende dat de kosten voor de nuttige toepassing met energierecuperatie dringend moeten worden geactualiseerd; dat deze kosten niet meer in overeenstemming waren met de realiteit van het terrein; dat in afwachting van een verdere analyse van de werkelijke kosten van de verbranding van de verpakkingsmaterialen de Interregionale Verpakkingscommissie zich voorlopig baseert op de gegevens die overgemaakt werden door de gewesten; dat deze gegevens als een lage schatting van de werkelijke kosten moeten worden beschouwd; dat de werkelijke kosten naar waarschijnlijkheid immers meer als 100 EUR per ton bedragen, rekening houdend met de calorische waarde van het verpakkingsafval, met de geldende prijzen voor niet-deelnemers en met de toepasselijke heffingen; Overwegende dat de verbranding met energierecuperatie niet mag worden bevoordeligd ten overstaan van de selectieve inzameling en recyclage van verpakkingsafval; Overwegende dat de bijkomende kost die de verhoging van tarief voor de nuttige toepassing met energierecuperatie voor FOST Plus betekent, redelijk verantwoord is; dat FOST Plus ook slechts beperkte tonnages van nuttige toepassing met energierecuperatie zal nodig hebben; Overwegende dat al deze wijzigingen door de Interregionale Verpakkingscommissie noodzakelijk worden geacht in het licht van het algemeen belang; dat zij redelijk en proportioneel zijn; dat de gewekte verwachtingen in hoofde van FOST Plus niet geschonden zijn, gezien al deze wijzigingen voortvloeien uit de evaluatie van de wijze waarop door FOST Plus uitvoering werd gegeven aan de bepalingen van het samenwerkingsakkoord en van de erkenningsvoorwaarden; dat artikel 24, § 1 van de erkenning ook reeds een verwijzing inhield naar artikel 25, § 1, 3° van het samenwerkingsakkoord; Overwegende dat om redenen van rechtszekerheid en continuïteit een gedeeltelijke retroactieve inwerkingtreding moet worden voorzien; Na de vertegenwoordiging van FOST Plus gehoord te hebben op 13 en 20 december 2001, Besluit : Artikel 1.§ 1. In artikel 3, § 1 van de erkenning wordt de 1ste alinea als volgt aangepast : « FOST Plus moet ten laatste tegen 31 december van het jaar 2002 op een homogene wijze het geheel van het Belgisch grondgebied bestrijken met projecten op basis van een contract in de zin van artikel 13, § 1, 7° van het samenwerkingsakkoord, ofwel met pilootprojecten in de zin van artikel 6, § 2,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.