4 JULI 2002. - Besluit van de Waalse Regering houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest De Waalse Regering, Gelet op de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen; Gelet de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen; Gelet op het decreet van 11 september 1985 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, zoals gewijzigd bij het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 mei 1990 houdende uitvoering van het decreet van 27 oktober 1988 op de groeven; Gelet op het besluit van de Waalse Gewestexecutieve van 31 oktober 1991 houdende uitvoering van het decreet van september 1985 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest; Gelet op het besluit van de Waalse Regering van 29 juli 1993 tot ontsluiting van steenbergen; Gelet op het besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure en verschillende maatregelen voor de uitvoering van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning; Gelet op het besluit tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectbeoordeling onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 1 oktober 2001 overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van de Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Begripsbepaling en toepassingsgebied Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° decreet : het decreet van 11 september 1985 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling in het Waalse Gewest, zoals gewijzigd bij het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning;2° CWEDD : "Conseil wallon de l'environnement pour le développement durable"' (Waalse milieuraad voor de duurzame ontwikkeling);3° CRAT : "Commission régionale d'aménagement du territoire" (Gewestelijke commissie voor ruimtelijke ordening);4° CCAT : "Commission consultative communale d'aménagement du territoire" (Gemeentelijke adviescommissie voor ruimtelijke ordening);5° Bestuur Landbouw : de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Natuurlijke Hulpbronnen en Leefmilieu of diens afgevaardigden;6° Bestuur Ruimtelijke Ordening : de Directeur-generaal van het Directoraat-generaal Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Patrimonium of diens afgevaardigde(n);7° Minister : de Minister van Leefmilieu;8° auteur van de studie : de erkende persoon die een milieueffectstudie uitvoert;9° aanvrager : de auteur van een project dat het voorwerp is van een milieueffectbeoordeling. Art. 2.Onverminderd de bepalingen bedoeld in artikel 1°, 4°, a, b, c, d, en onverminderd artikel 4, eerste lid, van het decreet, gaat een milieueffectbeoordeling waarin het decreet voorziet vooraf aan de verlening of goedkeuring van de volgende administratieve akten : 1° de verkavelingsvergunning voor een weekendverblijfpark, vereist krachtens artikel 149 van het Waals wetboek van ruimtelijke ordening, stedenbouw en patrimonium;2° de mijnconcessie vereist krachtens het decreet van 7 juli 1988 op de mijnen;3° de machtigingen vereist krachtens de artikelen 12 en 14, § 1, van de wet van 28 december 1967Relevante gevonden documenten type wet prom. 28/12/1967 pub. 17/08/2007 numac 2007000737 bron federale overheidsdienst binnenlandse zaken Wet betreffende de onbevaarbare waterlopen sluiten betreffende de onbevaarbare waterlopen;4° de machtigingen vereist krachtens de wet van 5 juli 1956 betreffende de wateringen;5° de ruilverkaveling bepaald bij de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet. Art. 3.Als de verwezenlijking van een project verschillende vergunningen vereist, wordt de milieueffectbeoordeling uitgevoerd op grond van de volgende procedure : 1° organisatie van één enkel openbaar onderzoek vóór het opstellen van het milieueffectrapport;2° opstelling van één enkele evaluatienota met alle gegevens vereist voor elk van de vergunningsaanvragen of, in voorkomend geval, van één enkel milieueffectrapport;3° organisatie, na uitvoering van de effectstudie, van één enkele procedure van openbaar onderzoek en van inwinning van advies van de "CWEDD", de "CCAT" of, bij gebreke ervan, van de "CRAT". HOOFDSTUK II. - Systeem van milieueffectbeoordeling Art. 4.Elk verzoek om afgifte van administratieve akten bedoeld in artikel 2 gaat vergezeld van hetzij een evaluatienota inzake milieueffecten, hetzij een milieueffectstudie. Afdeling 1. - Vorm en inhoud van de evaluatienota Art. 5.De vorm en de minimale inhoud liggen vast in bijlage I, onverminderd het tweede lid. Het dossier m.b.t. de vergunningsaanvraag vormt de evaluatienota inzake milieueffecten voor de milieuvergunning of de enige vergunning vereist overeenkomstig het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning. Voor de administratieve akten die niet vermeld worden in het vorige lid gaat de aanvraag vergezeld van de evaluatienota inzake milieueffecten, onverminderd artikel 4. Afdeling 2. - Projecten onderworpen aan een effectstudie Art. 6.Een effectstudie wordt vereist voor elk project bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten en waarvoor minstens één van de in artikel 2 bedoelde administratieve akten wordt aangevraagd, voor zover de aanvraag één van de volgende punten betreft : 1° de creatie van een nieuw project;2° de vernieuwing van een vergunning voor een bestaande installatie;3° de ombouw of uitbreiding van een bestaande of in uitvoering zijnde installatie of project waardoor één van de drempels bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten bereikt of overschreden wordt;4° de ombouw of uitbreiding van een installatie of van een project bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, met als gevolg een vermeerdering met meer dan 25 % van de waarde die vastligt in de vergunning verleend op basis van de laatste effectstudie voor de parameter die in aanmerking komt voor de bepaling van de drempels op grond waarvan beslist wordt welke projecten het voorwerp uitmaken van een effectstudie;5° de ombouw of uitbreiding van een installatie of project bedoeld in het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten, waarvoor een effectstudie vereist is zonder drempelvoorwaarde en met als gevolg een verhoging met meer dan 25 % van de waarde die vastligt in de vergunning verleend op grond van de laatste effectstudie. Afdeling 3. - Vorm en inhoud van de effectstudie Art. 7.§ 1. De vorm en de minimale inhoud van de effectstudie liggen vast in bijlage II. De aanvrager mag de bevoegde overheid om advies verzoeken i.v.m. de gegevens die in het kader van de effectstudie verstrekt moeten worden. In dat geval wint de bevoegde overheid onmiddellijk het advies in van de "CWEDD", de "CCAT" of desnoods van de "CRAT". Die instanties geven de bevoegde overheid advies binnen 30 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek en bezorgen de aanvrager een afschrift van het advies. De bevoegde overheid geeft de aanvrager advies binnen 45 dagen na de datum van ontvangst van het verzoek om gegevens. Als de bevoegde overheid haar advies niet binnen de gestelde termijn geeft, voert de aanvrager de effectstudie uit op grond van de adviezen van de geraadpleegde instanties en desnoods op grond van de minimale inhoud bedoeld in bijlage II. § 2. Als een bijkomende studie vereist is overeenkomstig artikel 8, § 4, van het decreet, wordt de inhoud ervan vastgelegd in het besluit waarbij de bevoegde overheid het project aan een bijkomende studie onderwerpt. De bijkomende studie wordt door de aanvrager aan de bevoegde overheid overgemaakt binnen achttien maanden na de datum van ontvangst van het besluit waarbij de inhoud van de bijkomende studie wordt bepaald. Als de bevoegde overheid vanwege het onvolledige karakter van de effectstudie, na advies van de "CWEDD", de "CCAT" of desnoods de "CRAT", acht dat een bijkomende studie noodzakelijk is, beschikt de aanvrager over 6 maanden om haar de ontbrekende gegevens te verstrekken. De studie en de bijkomende gegevens vallen onder de bepalingen van hoofdstuk V van dit besluit en onder de bepalingen betreffende het openbaar onderzoek bedoeld in het besluit van de Waalse Regering betreffende de procedure voor de toekenning van de milieuvergunning en de enige vergunning alsook verschillende maatregelen tot uitvoering van het decreet. De termijnen voor de behandeling van de aanvragen betreffende de administratieve akten bedoeld in artikel 2 worden opgeschort met ingang van de verzenddatum van het besluit waarbij een bijkomende studie wordt opgelegd. De opschorting eindigt de dag waarop de bevoegde overheid de ontbrekende gegevens in ontvangst neemt, uiterlijk na afloop van de termijnen bedoeld in paragraaf 2. HOOFDSTUK III. - Auteurs van effectstudies Afdeling 1. - Erkenning, schorsing en intrekking van de erkenning van auteurs van effectstudies Onderafdeling 1. - Algemeen Art. 8.De erkenning van auteurs van effectstudies wordt verleend voor één of meer van de volgende categorieën van projecten : 1° ruimtelijke ordening, stedenbouw (projecten bedoeld in rubriek 70.11 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten), handelsactiviteiten (projecten bedoeld in rubriek 52.1 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten) en vrijetijdsactiviteiten (projecten bedoeld in de rubrieken 92.1 tot 92.7; 52.22; 52.23 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten); 2° infrastructuurprojecten (projecten bedoeld in rubrieken 45.23; 45.24; 63.21; 70.19 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten), met inbegrip van vervoer (projecten bedoeld in de rubrieken 60.10 tot 60.30; 61.20; 62.00 van het besluit van 4 juli 2002 tot bepaling van de lijst van de aan een effectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten) en communicatie; 3° mijnen en steengroeven; 4° industriële processen i.v.m. energie; 5° industriële processen i.v.m. stoffenverwerking; 6° afvalbeheer;7° waterbeheer (winning, zuivering, voorziening en verwerking);8° landbouwvergunningen. Onderafdeling 2. - Erkenningscriteria Art. 9.§ 1. De aanvrager van een erkenning beschikt voor elk van de aangevraagde erkenningscategorieën over de vereiste bevoegdheden om : 1° de effectstudie te coördineren;2° bestekken op te stellen voor eventuele onderaannemers;3° alle resultaten te exploiteren, ook die van de onderaanneming;4° alle verkregen resultaten te integreren en aparte en synergetische effecten vast te stellen. § 2. De aanvrager van een erkenning beschikt over de vereiste technische middelen om zijn opdrachten te vervullen. § 3. In geval van vernieuwing van een erkenning levert de aanvrager het bewijs dat hij tijdens de laatste erkenningstermijn effectstudies heeft uitgevoerd, of als onderaannemer aan effectstudies heeft meegewerkt of dat hij gevraagd werd om effectstudies uit te voeren of eraan deel te nemen. Onderafdeling 3. - Procedure voor de verlening van de erkenning Art. 10.De erkenningsaanvraag wordt bij ter post aangetekend schrijven verzonden of tegen ontvangbewijs in vijf exemplaren aan het Bestuur van Leefmilieu overgemaakt. De nieuwe erkenning wordt zes maanden vóór het verstrijken van de lopende erkenning aangevraagd. Art. 11.De erkenningsaanvraag bevat de volgende gegevens : 1° de naam en het adres van de aanvrager;2° als het gaat om een rechtspersoon, een afschrift van de eventuele statuten en de lijst van de bestuurders of beheerders;3° de titels, kwalificaties en referenties van de aanvrager, van de medewerkers die een arbeidsovereenkomst aan de aanvrager bindt, en van de eventuele onderaannemers;4° de technische middelen waarover de aanvrager beschikt;5° de categorieën van projecten bedoeld in artikel 8 waarvoor de aanvrager effectstudies kan uitvoeren. Als de aanvraag een vernieuwing van erkenning betreft, gaat ze bovendien vergezeld van de lijst van de effectstudies die de aanvrager heeft uitgevoerd of waartoe hij als onderaannemer heeft bijgedragen, van de aanvragen om uitvoering van of deelname aan effectstudies, alsook van de waarschuwingen en/of wrakingen die eventueel zijn verstuurd sinds het vorige besluit tot erkenning. Art. 12.De aanvraag is onvolledig als krachtens artikel 11 vereiste gegevens of stukken ontbreken. De aanvraag is niet-ontvankelijk : 1° als ze in overtreding van artikel 10 wordt ingediend;2° als ze tweemaal onvolledig wordt verklaard;3° als de aanvrager de gevraagde gegevens niet verstrekt binnen de termijn bedoeld in artikel 13, tweede lid. Art. 13.Het Bestuur van Leefmilieu bezorgt de aanvrager zijn beslissing waarbij het de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwt binnen vijftien dagen met ingang van de dag waarop het de aanvraag heeft ontvangen overeenkomstig artikel 10. Als de aanvraag onvolledig is, wijst het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager bij ter post aangetekend schrijven op de ontbrekende stukken. De aanvrager beschikt over dertig dagen na ontvangst van het aangetekend schrijven om het Bestuur van Leefmilieu de ontbrekende gegevens bij aangetekend schrijven toe te sturen of tegen ontvangbewijs over te maken. Binnen vijftien dagen na ontvangst van de ontbrekende stukken geeft het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager kennis van zijn beslissing waarbij het de aanvraag als volledig en ontvankelijk beschouwt. Als de aanvraag een tweede keer onvolledig wordt geacht door het Bestuur van Leefmilieu, wordt ze niet-ontvankelijk verklaard. Als de aanvraag niet-onvankelijk is, deelt het Bestuur van Leefmilieu de motieven van niet-ontvankelijkheid mee aan de aanvrager onder de voorwaarden en binnen de termijn bedoeld in het eerste lid of, in voorkomend geval, binnen de termijn bedoeld in het derde lid. Art. 14.Als het Bestuur van Leefmilieu de aanvrager geen enkele beslissing heeft toegestuurd onder de voorwaarden en binnen de termijn bedoeld in artikel 13, wordt de aanvraag als ontvankelijk beschouwd. In dat geval stuurt de aanvrager een afschrift van het aanvraagdossier naar de Minister. Art. 15.Zodra een aanvraag ontvankelijk wordt verklaard of als dusdanig wordt geacht te zijn, wordt ze door het Bestuur van Leefmilieu voor advies overgemaakt : - aan de "CWEDD"; - aan de "CRAT"; - aan het Bestuur van Ruimtelijke Ordening. De adviezen van het Bestuur van Ruimtelijke Ordening, van de "CRAT" en van de "CWEDD" worden overgemaakt aan het Bestuur van Leefmilieu of tegen ontvangbewijs afgegeven binnen dertig dagen na ontvangst van de aanvraag om advies. Bij gebreke daarvan worden ze geacht gunstig te zijn. Die termijnen worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus. Art. 16.Het Bestuur van Leefmilieu bezorgt de Minister zijn voorstel van beslissing samen met de adviezen bedoeld in artikel 15 binnen 50 dagen na de beslissing waarbij het dossier als volledig en ontvankelijk wordt beschouwd. Die termijnen worden geschorst tussen 16 juli en 15 augustus. Art. 17.De Minister bezorgt de aanvrager zijn besluit over de aanvraag om erkenning binnen dertig dagen na ontvangst van het advies van het Bestuur van Leefmilieu. Het besluit tot erkenning wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad . Art. 18.Het besluit over de aanvraag om erkenning vermeldt de duur van de erkenning en de categorieën van de projecten bedoeld in artikel 8 waarvoor de begunstigde effectstudies zou kunnen uitvoeren. De erkenning geldt hoogstens 5 jaar. Art. 19.Als één van de gegevens uit de aanvraag om erkenning overeenkomstig artikel 11 wordt gewijzigd, verwittigt de auteur van de effectstudie het Bestuur van Leefmilieu onmiddellijk bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs. Als het Bestuur acht dat de aangebrachte wijzigingen een wijziging, opschorting of intrekking van de erkenning vereisen, wordt de erkende auteur binnen dertig dagen bij ter post aangetekend schrijven verwittigd. De erkende auteur beschikt, met ingang van de dag waarop hij het aangetekend schrijven in ontvangst neemt, over zestig dagen om het Bestuur van Leefmilieu kennis te geven van de maatregelen die hij overweegt te nemen om gevolg te geven aan de opmerkingen van bedoeld Bestuur. Art. 20.Als de Minister één of meer effectstudies onvoldoende of onvolledig acht, kan hij, op eigen initiatief of op voorstel van de "CWEDD", de "CCAT" of de "CRAT", de auteur van de studie een waarschuwing toesturen. Zijn besluit wordt meegedeeld bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs. Onderafdeling 4. - Schorsing of intrekking van de erkenning Art. 21.Tijdens de geldigheidsduur van de erkenning kan de Minister, na de auteur van de effectstudie te hebben verzocht verantwoording af te leggen, de erkenning geheel of gedeeltelijk wijzigen, schorsen of intrekken : 1° in het geval bedoeld in artikel 19 als de auteur het Bestuur geen maatregel heeft meegedeeld om gevolg te geven aan zijn opmerkingen of als de overwogen maatregelen onvoldoende worden geacht;2° na een waarschuwing bedoeld in artikel 20. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad . Afdeling 2. - Keuze van de auteur van de effectstudie Art. 22.De aanvrager kiest de auteur van de effectstudie onder de personen erkend als auteur van effectstudies voor de categorie(ën) waarin zijn project ingedeeld is overeenkomstig artikel 8. Hij geeft bij ter post aangetekend schrijven onmiddellijk kennis van zijn keuze aan : 1° de Minister;2° de bevoegde overheid;3° het Bestuur van Leefmilieu en het Bestuur van Ruimtelijke Ordening. Hij geeft ook bij gewoon schrijven onmiddellijk kennis van zijn keuze aan : 1° de "CWEDD";2° de "CCAT" of, desnoods, de "CRAT". Afdeling 3. - Wraking van een persoon gekozen als auteur van een effectstudie Art. 23.Elke persoon gekozen als auteur van een effectstudie kan gewraakt worden als hij verkeert in één van de toestanden die het zelfstandig uitoefenen van zijn opdracht in het gedrang zou kunnen brengen. Art. 24.De bevoegde overheid, het Bestuur van Leefmilieu of het Bestuur van Ruimtelijke Ordening kan de Minister voorstellen een als auteur van een effectstudie gekozen persoon te wraken. Art. 25.Het voorstel tot wraking is gemotiveerd, op straffe van niet-ontvankelijkheid. Het wordt bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs overgemaakt aan de persoon gekozen als auteur van de effectstudie. Tezelfdertijd wordt een afschrift ervan bij gewoon schrijven gestuurd naar de aanvrager van de vergunning en de overige instanties bedoeld in artikel 22. Art. 26.De persoon gekozen als auteur van de studie dient een schriftelijke verklaring in met zijn reacties op de gronden voor de wraking. Hij zendt de verklaring bij ter post aangetekend schrijven met ontvangbewijs binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van het voorstel tot wraking aan : 1° de aanvrager;2° de instanties bedoeld in artikel 22. Bij gebreke daarvan wordt hij geacht in te stemmen met de wraking. Art. 27.De instantie die voorgesteld heeft tot de wraking over te gaan, maakt haar reacties over aan de Minister binnen vijftien dagen na de datum van ontvangst van de verklaring bedoeld in artikel 26. Art. 28.De Minister beslist binnen zeventig dagen vanaf de datum waarop de zaak bij hem aanhangig is gemaakt door de instantie die overeenkomstig artikel 24 heeft voorgesteld tot de wraking over te gaan. Het besluit wordt binnen vijftien dagen bekendgemaakt aan de als auteur van de studie gekozen persoon, de vergunningaanvrager en de instanties bedoeld in artikel 22. HOOFDSTUK IV. - Openbaar onderzoek voorafgaand aan de milieueffectstudie Art. 29.De raadpleging bedoeld in artikel 12 van het decreet wordt georganiseerd overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk. Als een project het grondgebied van verschillende gemeenten bestrijkt, zijn de artikelen 30 en 33 van toepassing op elk van de betrokken gemeenten. Art. 30.Minstens vijftien dagen vóór de raadpleging bedoeld in artikel 31, publiceert de aanvrager een bericht dat hoe dan ook de volgende gegevens bevat : 1° de identiteit van de aanvrager;2° de aard van het project en de plaats waar het wordt uitgevoerd;3° de datum, het uur en de plaats van de informatievergadering bedoeld in artikel 31. Dat bericht wordt bekendgemaakt in twee media die de aanvrager onder de volgende media kiest : 1° twee kranten verspreid in het gebied;2° een gemeentelijk informatieblad als er één is en als het verspreid wordt onder de gezamenlijke bevolking;3° een huis-aan-huis reclameblad;4° een huis-aan-huis informatieblad verspreid in een straal van 3 kilometer rondom de plaats waar het project wordt uigevoerd. De aanvrager bezorgt het College een afschrift van de bekendgemaakte berichten en van de desbetreffende facturen. Artikel 30, eerste lid, wordt door de bevoegde overheid middels een bericht aangeplakt : 1° op de gebruikelijke aanplakplaatsen;2° op drie plaatsen nabij de plaats waar het project uitgevoerd moet worden, langs een openbare rijweg of -strook. Het aangeplakte bericht is minstens 35 dm2 groot en zicht- en leesbaar tot de dag na de vergadering bedoeld in artikel 31. Art. 31.Tussen de zestiende en de zevenentwintigste dag na de datum van de bekendmaking bedoeld in artikel 30, organiseert de aanvrager in de gemeente waar het project de grootste oppervlakte bestrijkt, een raadplegingsvergadering waarop de bevolking van de gemeenten waarvan het grondgebied mogelijkerwijs ook betrokken wordt bij het project, wordt uitgenodigd. De volgende personen of instanties worden ook uitgenodigd op de vergadering en kunnen zich er laten vertegenwoordigen : 1° de persoon die de aanvrager heeft gekozen om de effectstudie uit te voeren;2° de bevoegde overheid;3° het Bestuur van Leefmilieu en het Bestuur van Ruimtelijke Ordening;4° de "CWEDD", de "CCAT" of, bij gebreke daarvan, de "CRAT", die hoogstens twee leden mogen afvaardigen;5° de vertegenwoordigers van de gemeente(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.