s voor vormingsinitiatieven voor lokale mandatarissen, ambtenaren en topambtenaren De Vlaamse regering, Gelet op de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd op 17 juli 1991, inzonderheid op artikel 12, derde lid; Gelet op het decreet van 22 december 2000Relevante gevonden documenten type decreet prom. 22/12/2000 pub. 30/12/2000 numac 2000036310 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de middelenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001 type decreet prom. 22/12/2000 pub. 04/07/2001 numac 2001035407 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001 sluiten, houdende de algemene uitgavenbegroting van de Vlaamse Gemeenschap voor het begrotingsjaar 2001, inzonderheid op artikel 14; Gelet op het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1994 houdende de vaststelling van regelen betreffende de subsidiëring van initiatieven inzake de vorming van lokale ambtenaren; Gelet op het akkoord van de Vlaamse minister, bevoegd voor de begroting, gegeven op 18 april 2001; Gelet op de beraadslaging van de Vlaamse regering, op 29 juni 2001, betreffende de aanvraag om advies bij de Raad van State binnen een maand; Gelet op het advies van de Raad van State, gegeven op 7 november 2001, met toepassing van artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State (nummer 31.995/3); Op voorstel van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid; Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen Artikel 1.In dit besluit wordt verstaan onder : 1° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor de binnenlandse aangelegenheden;2° de administratie : de administratie Binnenlandse Aangelegenheden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap;3° lokale besturen : de gemeenten, Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn (OCMW), de districten, de intercommunales, de provincies van het Vlaamse Gewest;4° het centrum : het Vormingscentrum voor lokale besturen, opgericht binnen de administratie Binnenlandse Aangelegenheden waarvan de samenstelling is bepaald in hoofdstuk IV;5° de lokale mandatarissen : mandatarissen van lokale besturen;6° de lokale ambtenaren : contractuele en vastbenoemde ambtenaren van lokale besturen;7° de lokale topambtenaren : de leidinggevende ambtenaren van een lokaal bestuur;8° een vormingsinitiatief : een begeleide en gestructureerde leeractiviteit, gericht op de deskundigheidsbevordering van lokale mandatarissen, ambtenaren of topambtenaren;9° een vormingsorganisatie : een organisatie die vorming aanbiedt voor lokale mandatarissen, ambtenaren en topambtenaren en niet is verbonden met een politieke partij of een vereniging van levensbeschouwelijke aard;10° een dagdeel : een voormiddag-, een namiddag- of een avondactiviteit. HOOFDSTUK II. - Subsidiëring van vormingsinitiatieven voor lokale mandatarissen en topambtenaren Afdeling I - Subsidiëring op aanvraag Onderafdeling I. -
Aan een vormingsorganisatie kan een forfaitair
bedrag worden toegekend dat maximaal 60 % van het totaal van de hiernavolgende kosten van het vormingsinitiatief voor lokale mandatarissen en topambtenaren, met uitzondering van de basisvorming, bedraagt 1° de huur van de lokalen en de infrastructuur;2° de uitgaven voor promotiedrukwerk en het versturen van de uitnodigingen;3° de uitgaven voor documentatie voor de deelnemers;4° de vergoedingen, inclusief verplaatsingsvergoeding, voor de sprekers met een maximum van 750 euro per dag en een maximum van 125 euro per persoon. § 2. Het
bedrag, bepaald volgens § 1, mag volgende maxima niet overschrijden : 1° 2.500 euro voor een activiteit van een dagdeel; 2° 5.000 euro voor eendaagse activiteiten, bestaande uit minimaal twee dagdelen; 3° 5.000 euro voor de eerste dag van meerdaagse activiteiten en 2.500 euro voor de daaropvolgende dagen. Elke dag van een meerdaagse activiteit bestaat uit minimum twee dagdelen. § 3. Als de beslissing gunstig is, wordt overgegaan tot de betaling van de toegekende
s op voorwaarde dat de betreffende facturen en betaalbewijzen na afloop van het vormingsinitiatief, samen met een evaluatieverslag over het vormingsinitiatief, door de vormingsorganisatie zijn ingediend bij het centrum, binnen een termijn die bepaald is in het ministerieel besluit tot toekenning van de
. De minister kan de minimale gegevens van het evaluatieverslag bepalen. § 4. De vormingsorganisatie vermeldt bij elke publiciteit en in de programmabrochures dat het vormingsinitiatief gerealiseerd wordt in samenwerking met de administratie en met haar financiële steun. De
houdt de waarborg in dat het vormingsinitiatief door de doelgroep werd getoetst en als kwaliteitsvol en toegankelijk werd erkend, dit betekent dat doelgroep van oordeel is dat het zinvol is dat het vormingsinitiatief wordt gevolgd en dat elk individueel lid van de doelgroep daar kan op inschrijven. De administratie kan het initiatief ook bekendmaken via haar informatiekanalen. Onderafdeling II. - Procedure Art. 3.§ 1. Voor initiatieven voor vorming van lokale mandatarissen en topambtenaren, met uitzondering van basisvorming, kan een vormingsorganisatie een aanvraag tot subsidiëring richten aan de administratie. De aanvraag moet uiterlijk drie maanden voor de aanvangsdatum van het vormingsinitiatief worden ingediend. De aanvraag tot subsidiëring bevat de volgende documenten : 1° de volledige en ondertekende aanvraag;2° een omstandige beschrijving van de inhoud, de doelgroep, de leerdoelen en de wijze van realisatie van de vormingsactiviteit(en);3° de duur van het vormingsinitiatief : een dagdeel, een eendaagse of meerdaagse activiteit;4° de kostenraming. Als de vormingsorganisatie voor het betreffende vormingsinitiatief ook een
heeft aangevraagd of verkregen bij een andere overheidsinstantie, voegt ze bij haar aanvraag een verklaring met de vermelding van het bedrag van de
en van de naam van de subsidiërende instantie. Indien de aanvraag onvolledig is, stelt de administratie de aanvrager hiervan onmiddellijk in kennis, met vermelding van de ontbrekende documenten. § 2. De administratie onderzoekt of de aanvraag tot subsidiëring ontvankelijk is. Om ontvankelijk te zijn moet het vormingsinitiatief georganiseerd worden door een vormingsorganisatie en gericht zijn op lokale mandatarissen of lokale topambtenaren. Als de aanvraag ontvankelijk is, stuurt de administratie haar beslissing binnen de veertien dagen naar het centrum. Het centrum stelt een gemotiveerd advies op en stuurt dit advies samen met de aanvraag voor
door naar de minister. § 3. De minister beslist, na ontvangst van het advies van het centrum, over het al dan niet toekennen van de
en over het bedrag van de
. Afdeling II. -
voor basisvorming Onderafdeling I. -
De basisvorming voor lokale topambtenaren moet voldoen aan de volgende criteria : 1° het programma moet specifiek afgestemd zijn op de lokale sector zowel inhoudelijk als organisatorisch;2° het vormingsinitiatief heeft inhoudelijk betrekking op aspecten van het overheidsmanagement zoals : financieel management, human resources management, organisatieleer, communicatiemanagement, kwaliteitsmanagement en strategische planning;3° het programma is inhoudelijk van academisch niveau;4° het programma biedt, naast kennisoverdracht, ook ruimte voor actieve participatie, training en ervaringsuitwisseling van de cursisten en is praktijkgericht; §
, door naar de minister. § 3. De minister beslist, na ontvangst van het advies van het centrum, over het al dan niet toekennen van de
en over het bedrag van de
. HOOFDSTUK III. -
s voor vormingsinitiatieven voor lokale ambtenaren Afdeling I. -
De minister kan, op voorstel van het centrum, aan de provincies een
verlenen ter ondersteuning van het vormingsbeleid voor lokale ambtenaren. Daartoe moeten ze zelf of bij overeenkomst via derden zorgen voor een programma van vormingsinitiatieven, die toegankelijk zijn voor het personeel van de lokale besturen. §
s worden over de in aanmerking komende provincies verdeeld op basis van de volgende criteria : 1° de helft van het beschikbare bedrag in gelijke delen over de in aanmerking komende provincies;2° de helft van het beschikbare bedrag op basis van het meest recente in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde bevolkingsaantal van deze provincies. Afdeling II. - Procedure Art. 8.§
. § 4. De
s aan de provincie worden uitbetaald nadat ze uiterlijk op 30 april van het jaar dat volgt op de toekenning, bij het centrum een verslag indient over de activiteiten en de werking inzake de vorming van lokale ambtenaren. De minister kan de minimale gegevens van het verslag bepalen. HOOFDSTUK IV. - Vormingscentrum voor lokale besturen Afdeling I. - Leiding Art. 9.§ 1. Er wordt een vormingscentrum voor lokale besturen opgericht. Het centrum valt onder de politieke verantwoordelijkheid van de minister. De directeur-generaal van de administratie heeft de leiding van het centrum. § 2. De directeur-generaal van de administratie wijst een ambtenaar aan die belast is met het dagelijks bestuur van het centrum. Afdeling II. - Drie adviescolleges Art. 10.1. Er worden drie adviescolleges opgericht voor elke doelgroep van de vorming : de lokale mandatarissen, de lokale ambtenaren en de lokale topambtenaren. De leden worden aangewezen door de directeur-generaal van de administratie. § 2. De adviescolleges worden als volgt samengesteld : 1° de directeur-generaal van de administratie en de ambtenaar, vermeld in artikel 9, § 2, maken deel uit van elk adviescollege;2° voor de lokale mandatarissen :
aanvragen en beleidsadviezen of concrete voorstellen in het kader van de evaluatie van het bestaande vormingsaanbod. HOOFDSTUK VI. - Overgangs- en slotbepalingen Art. 13.Het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1994 houdende de vaststelling van regelen betreffende de subsidiëring van initiatieven inzake de vorming van lokale ambtenaren wordt opgeheven, onder voorbehoud van de
aanvragen van de bestendige deputaties voor de vormingsinitiatieven voor lokale ambtenaren voor het jaar
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.