17 MEI 2002. - Besluit van de Vlaamse regering betreffende erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling De Vlaamse regering, Gelet op het decreet van 29 mei 1984 houdende opri
§ 2
genoemde subsidies mogen uitsluitend aangewend worden om de uitgaven te dekken die specifiek zijn voor het functioneren van het centrum en die niet gedragen worden of gedragen kunnen worden door de voorzieningen, bedoeld in artikel 7. § 4. De in §
§ 2
genoemde subsidies worden jaarlijks gekoppeld aan het indexcijfer dat berekend en benoemd wordt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van het concurrentievermogen. De bedragen zijn vastgesteld op basis van de gezondheidsindex van december 2000, meer bepaald op 106,4. Art. 31.Elk centrum besteedt 70 % tot 85 % van het totale subsidiebedrag, bedoeld in artikel 30, §
§ 2, aan personeelskosten en 15 % tot 30 % aan werkingskosten.
Art. 32.§
- Als de subsidie die krachtens dit besluit toegekend is, meer bedraagt dan de reële uitgaven die bedoeld worden in artikel 30, § 3, moet het centrum met het saldo reserves opbouwen. §
- Die reserves moeten worden aangewend voor dezelfde doeleinden en onder dezelfde voorwaarden als de subsidie, uitgekeerd volgens dit besluit. §
- Reserves opgebouwd na 1 januari 1997 die op het ogenblik van het afsluiten van het boekjaar meer bedragen dan de jaarlijkse subsidies, genoemd in artikel 30, §
§ 2, worden integraal teruggestort aan Kind en Gezin.
Art. 33.De subsidie, vermeld in artikel 30, wordt per kalenderjaar toegekend aan elk centrum dat erkend is overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en dat aan Kind en Gezin de volgende stukken meedeelt, overeenkomstig de richtlijnen van Kind en Gezin : 1° stukken over het voorbije werkingsjaar :
- a)een boekhoudkundig verslag over het voorbije werkingsjaar en een begroting voor het komende werkingsjaar, die door de bevoegde organen van het centrum zijn goedgekeurd en waarin de subsidies worden vermeld die van andere openbare besturen werden ontvangen of worden verwacht;
- b)een lijst van de leden van het team, bedoeld in artikel 13, § 1, van dit besluit, met vermelding van hun diploma's en hun ervaring inzake kindermishandeling;
- c)een verslag over de activiteiten van het voorbije werkingsjaar, met in het bijzonder een analyse van de behandelde problemen, de gevolgde methoden, de samenwerking met andere voorzieningen en een evaluatie van het optreden van het centrum met betrekking tot de resultaten;2° andere stukken over het lopende jaar, zoals bepaald door Kind en Gezin en in te dienen binnen de door Kind en Gezin vastgestelde termijnen. HOOFDSTUK VI. - Slotbepalingen Art. 34.Het besluit van de Vlaamse regering van 2 december 1997Relevante gevonden documenten type besluit van de vlaamse regering prom. 02/12/1997 pub. 25/12/1997 numac 1997036507 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Besluit van de Vlaamse regering tot vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling sluiten tot vaststelling van de voorwaarden van erkenning en subsidiëring van de vertrouwenscentra kindermishandeling, wordt opgeheven. Art. 35.§ 1. De centra die op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit besluit reeds erkend zijn, moeten uiterlijk binnen drie jaar na de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de erkenningsvoorwaarden, genoemd in hoofdstuk II van dit besluit. § 2. De bepalingen van het decreet van 29 april 1997Relevante gevonden documenten type decreet prom. 29/04/1997 pub. 11/06/1997 numac 1997035637 bron ministerie van de vlaamse gemeenschap Decreet inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen sluiten inzake de kwaliteitszorg in de welzijnsvoorzieningen treden, wat de sector vertrouwenscentra kindermishandeling betreft, in werking op 1 januari 2002. § 3.Tijdens de driejarige overgangsperiode, waarvan sprake is in § 1, behouden de centra, bedoeld in § 1, hun erkenning op basis van de voorwaarden waarop ze erkend werden. § 4.De centra die worden erkend vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit vallen volledig onder de bepalingen van dit besluit. Art. 36.Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002. Art. 37.De Vlaamse minister, bevoegd voor de Bijstand aan Personen, is belast met de uitvoering van dit besluit. Brussel, 17 mei 2002. De minister-president van de Vlaamse regering, P. DEWAEL De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid en Gelijke Kansen, M. VOGELS