, eerste lid, 4°, bedoelde eindproeven, kan ze opnieuw afleggen binnen de drie maanden na de mislukking. De tweede mislukking is definitief voor wat betreft de deelname van de kandidaat aan de lopende rekrutering. Art. 76.Om gerangschikt te worden, moet de kandidaat voor het geheel van de eindproeven de helft van de punten behalen. Art. 77.Het aantal te begeven plaatsen, ingevolge het vergelijkend examen, wordt door de minister vóór de aanvang der examens vastgesteld. Art. 78.De kandidaten die het vereist aantal punten niet hebben behaald of die het vereist aantal punten hebben bekomen doch niet batig gerangschikt werden, mogen zich opnieuw voor het vergelijkend examen aanmelden samen met de kandidaten die voor de twee volgende vergelijkende examens worden opgeroepen. Nochtans mogen de kandidaten, die reeds tweemaal voor het vergelijkende examen mislukt zijn zich niet meer opnieuw aanmelden. Afdeling
, eerste lid, 4°, bedoelde eindproeven, kan ze opnieuw afleggen binnen de drie maanden na de mislukking. De tweede mislukking is definitief. Art. 81.Om te slagen, moet de kandidaat voor het geheel van de eindproeven de helft van de punten behalen. TITEL III. - De opname van de aanvullingsonderofficier in de hoedanigheid van beroepsonderofficier Art. 82.Met het oog op zijn overgang kan de aanvullingsonderofficier door de minister aanvaard worden als kandidaat-beroepsonderofficier wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° na zijn vorming ten minste twee jaar werkelijke dienst vervuld hebben als aanvullingsonderofficier zoals bepaald bij artikel 10, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, en niet meer dan twee keer afgewezen zijn met het oog op zijn opname in de hoedanigheid van beroepsonderofficier omdat hij niet voldoet aan de voorwaarden bedoeld in 2°, 3° of 4°;2° de leeftijd van 45 jaar niet bereikt hebben op 31 december van het jaar van zijn aanvaarding;3° niet afgewezen worden door de directeur-generaal van het personeel;4° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef binnen de grenzen van het aantal door de minister opengestelde plaatsen zoals bepaald bij artikel 10, § 1, eerste lid, 3°, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader. De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 4°, omvat het slagen voor een maturiteitsexamen, evenals de beoordeling van de waarde van de kandidaat door een selectiecomité. Art. 83.De korpscommandant brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de beroepsonderofficieren van de aanvullingsonderofficier die zich kandidaat stelt en aan de voorwaarden bedoeld in artikel 82, eerste lid, 1°, 2° en 4°, beantwoordt. Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling « gunstig » of « ongunstig ». De beoordeling « gunstig » wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : « uitstekend », « zeer goed », « goed », « tamelijk goed ». Een ongunstig advies moet met redenen omkleed zijn en wordt schriftelijk aan de betrokkene betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving een verweerschrift indienen bij de korpscommandant. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies wijzigen. In dat geval wordt dit nieuwe advies betekend aan de betrokkene zonder dat deze nog nieuwe argumenten kan aanvoeren. In het tegenovergestelde geval deelt hij dit mee aan de militair. Het advies wordt via hiërarchische weg overgemaakt aan de directeur-generaal van het personeel. Elke wijziging van een beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door een overheid wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de volgende overheid, en wordt eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving. De directeur-generaal van het personeel aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De beslissing wordt aan de betrokkene betekend. Art. 84.De aanvullingsonderofficier moet met goed gevolg een schriftelijk examen inzake algemene kennis en maturiteit afleggen van het niveau hoger secundair onderwijs. Dit examen dat twee proeven omvat in de taal van de kandidaat, met name een commentaar op een korte tekst van algemeen belang en een synthese van een geschreven tekst, betreft de werkelijke kennis van de taal bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger, gewijzigd door de wetten van 28 december 1990 en 26 maart
, eerste lid, 4° bedoelde eindproeven, kan ze opnieuw afleggen binnen de drie maanden na de mislukking. De tweede mislukking is definitief. Art. 90.Om te slagen, moet de kandidaat voor het geheel van de eindproeven de helft van de punten behalen. Art. 91.De kandidaat die door de in artikel 65, § 1, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader bedoelde deliberatiecommissie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van ambtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier. Art. 92.De aanvullingsonderofficier wordt in de categorie van de beroepsonderofficieren opgenomen vanaf het ogenblik dat hij met succes de opleidingscyclus B2 beëindigd heeft, met zijn graad en zijn anciënniteit in die graad. Hij wordt gerangschikt na de beroepsonderofficier met dezelfde graad en dezelfde anciënniteit in die graad. Art. 93.De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde opleidingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleidingscyclus B2 wordt opgemaakt op basis van de uitslagen behaald bij de eindproeven. De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt in dalende volgorde van dienstanciënniteit en in geval van gelijke dienstanciënniteit, wordt voorrang gegeven aan de oudste. In geval zij in die examens slaagden bij de tweede poging, komen alleen de punten behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking. TITEL IV. - De opname van de beroepsvrijwilliger in de hoedanigheid van aanvullingsonderofficier Art. 94.Met het oog op zijn sociale promotie kan de beroepsvrijwilliger aanvaard worden als kandidaat-aanvullingsonderofficier door de minister wanneer hij aan de volgende voorwaarden voldoet : 1° na zijn vorming ten minste twee jaar werkelijke dienst vervuld hebben als beroepsvrijwilliger zoals bepaald bij artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader, en niet meer dan twee keer afgewezen zijn met het oog op zijn opname in de hoedanigheid van aanvullingsonderofficier omdat hij niet voldeed aan de voorwaarden bedoeld in 2°, 3°, 4° of 5°;2° de leeftijd van 45 jaar niet bereikt hebben op 31 december van het jaar van zijn aanvaarding;3° de morele hoedanigheden bezitten vereist van een kandidaat-onderofficier bij toepassing van het koninklijk besluit van 13 november 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 30/08/2021 numac 2021032164 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserve-onderofficier. - Duitse vertaling sluiten tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de morele hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier;4° niet afgewezen worden door de directeur-generaal van het personeel;5° batig gerangschikt worden bij de overgangsproef binnen de grenzen van het aantal opengestelde plaatsen zoals bepaald bij artikel 10, § 1, eerste lid, 2°, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader. De overgangsproef bedoeld in het eerste lid, 5°, omvat het slagen voor psychotechnische proeven en voor een taalexamen, evenals de beoordeling van de waarde van de kandidaat door een selectiecomité. Art. 95.De korpscommandant brengt een advies uit over de wijze van dienen en de geschiktheid om dienst te doen in de categorie van de aanvullingsonderofficieren van de beroepsvrijwilliger die zich kandidaat stelt en voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 94, eerste lid, 1° en 2°. Het advies wordt uitgedrukt door de beoordeling « gunstig » of « ongunstig ». De beoordeling « gunstig » wordt aangevuld met één der volgende vermeldingen : « uitstekend », « zeer goed », « goed », « tamelijk goed ». Een ongunstig advies moet met redenen omkleed zijn en wordt schriftelijk aan de betrokkene betekend. Deze kan binnen de vijf werkdagen volgend op de betekening een verweerschrift indienen bij de korpscommandant. Naar aanleiding van het verweerschrift kan deze laatste zijn advies wijzigen. In dat geval wordt dit nieuwe advies betekend aan de betrokkene zonder dat deze nog nieuwe argumenten kan aanvoeren. In het tegenovergestelde geval deelt hij dit mee aan de militair. Het advies wordt langs hiërarchische weg overgemaakt aan de directeur-generaal van het personeel. Elke wijziging van een beoordeling in ongunstige zin uitgebracht door een autoriteit wordt aan de betrokkene betekend vooraleer ze wordt toegezonden aan de volgende overheid. Ze wordt eventueel vergezeld van een verweerschrift ingediend binnen de vijf werkdagen volgend op de kennisgeving. De directeur-generaal van het personeel aanvaardt of verwerpt de kandidatuur. De gemotiveerde beslissing wordt schriftelijk aan de betrokkene betekend. Art. 96.De beroepsvrijwilliger moet met goed gevolg psychotechnische proeven afleggen. Deze proeven hebben tot doel te beoordelen of de betrokkene de karakteriële hoedanigheden en het intellectueel potentieel bezit vereist van een kandidaat-onderofficier. Om te slagen dient de kandidaat ten minste de helft van de punten te behalen op beide gedeelten afzonderlijk. De nadere regels betreffende deze proeven worden vastgelegd bij toepassing van het koninklijk besluit van 13 november 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 30/08/2021 numac 2021032164 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserve-onderofficier. - Duitse vertaling sluiten tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserveonderofficier in een reglement vastgesteld door de minister. Art. 97.De beroepsvrijwilliger moet met goed gevolg het examen bedoeld in artikel 8, § 1, van de wet van 30 juli 1938Relevante gevonden documenten type wet prom. 30/07/1938 pub. 24/10/2001 numac 2001000545 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet betreffende het gebruik der talen bij het leger Duitse vertaling sluiten betreffende het gebruik der talen bij het leger afleggen. Art. 98.Er wordt een selectiecomité opgericht, belast met de beoordeling van de waarde van de kandidaat en de rangschikking van de kandidaten. Het selectiecomité is samengesteld zoals bepaald in artikel 86. Art. 99.Voor het opmaken van de rangschikking houdt het comité rekening met : 1° het resultaat van de psychotechnische proeven bedoeld in artikel 96, berekend op 10 punten, waarbij de karakteriële geschiktheid en het intellectueel potentieel elk op 5 punten worden gewaardeerd;2° het resultaat van het taalexamen bedoeld in artikel 97, berekend op 40 punten;3° de waarde van de kandidaat, beoordeeld door het selectiecomité op basis van de krachtens artikel 95 uitgebrachte adviezen en van de inhoud van zijn persoonlijk dossier, berekend op 50 punten. De kandidaat die niet ten minste de helft van de punten behaalt voor de beoordeling van zijn waarde, wordt evenwel niet gerangschikt. Het selectiecomité weerhoudt de kandidaten met inachtneming van de opgestelde rangschikking en ten belope van het aantal beschikbare plaatsen per taalstelsel. Als twee kandidaten hetzelfde puntentotaal behalen, wordt voorrang gegeven aan de kandidaat met de meeste graadanciënniteit en, bij gelijke graadanciënniteit, aan de oudste in jaren. De niet-klassering of de al dan niet batige rangschikking in de overgangsproef wordt schriftelijk aan de kandidaat betekend door de secretaris van het selectiecomité. Art. 100.§ 1. Volgens de richtlijnen van de directeur-generaal van het personeel, bestaat de overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn op basis van artikel 27, eerste lid, van de wet, georganiseerde opleiding uit een onderrichtingsperiode, « opleidingscyclus B3 » genoemd die : 1° ten minste twee maanden bedraagt;2° uit een studieperiode bestaat;3° tenminste een informatiedag omvat en begeleidingsdagen kan omvatten;4° met eindproeven wordt afgesloten.Zij hebben als doel vast te stellen of de kandidaat bekwaam is de met de graad voor dewelke hij kandidaat is en zijn vorming overeenstemmende functies uit te oefenen. De directeur-generaal van het personeel richt een commissie op die de eindproeven afneemt, die mondeling en/of schriftelijk kunnen zijn. § 2. De
, eerste lid, 4° bedoelde eindproeven, kan ze opnieuw afleggen binnen de drie maanden na de mislukking. De tweede mislukking is definitief. Art. 101.Om te slagen, moet de kandidaat voor het geheel van de eindproeven de helft van de punten behalen. Art. 102.De kandidaat die door de in artikel 61, § 1, van het koninklijk besluit van 11 augustus 1994 betreffende de werving en de vorming van de kandidaat-militairen van het actief kader bedoelde deliberatiecommissie als definitief mislukt wordt beschouwd, verliest van ambtswege de hoedanigheid van kandidaat-beroepsonderofficier. Art. 103.De kandidaat-aanvullingsonderofficier kan vragen om deze hoedanigheid te verliezen. De beslissing wordt genomen door de directeur-generaal van het personeel. Art. 104.De kandidaat-aanvullingsonderofficier wordt door de minister in de graad van sergeant benoemd vanaf het slagen voor de eindproeven. Art. 105.De relatieve anciënniteit van diegenen die op dezelfde datum worden benoemd en aan dezelfde vormingscyclus hebben deelgenomen, wordt bepaald door de rangschikking die op het einde van de opleiding wordt opgemaakt op basis van de uitslagen behaald bij de eindproeven. De kandidaten die dezelfde einduitslag bekomen worden gerangschikt volgens afdalende volgorde van de dienstanciënniteit en in geval van gelijke dienstanciënniteit, wordt voorrang gegeven aan de oudste. In geval zij in die examens slaagden bij de tweede poging, komen alleen de punten behaald bij de eerste poging in aanmerking voor het opstellen van de rangschikking. TITEL V. - Slotbepalingen Art. 106.De directeur-generaal van het personeel kan een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van de cursussen en examens betreffende de bevorderingsexamens toestaan indien de kandidaat reeds gelijkaardige cursussen heeft gevolgd in de krijgsmacht of er reeds examens voor heeft afgelegd. Art. 107.Zijn niet meer van toepassing voor de naar de federale politie overgeplaatste militairen : 1° het koninklijk besluit van 19 februari 1973 betreffende de organisatie van de ambtengroepen tot dewelke de onderofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst behoren;2° het koninklijk besluit van 28 januari 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 28/01/1999 pub. 19/02/1999 numac 1999007030 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit betreffende de organisatie van de ambtengroepen tot dewelke de onderofficieren van de krijgsmacht behoren sluiten betreffende de organisatie van de ambtengroepen tot dewelke de onderofficieren van de krijgsmacht behoren;3° het koninklijk besluit van 25 oktober 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht van de medische dienst;4° het ministerieel besluit van 14 november 1963 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader der land-, lucht- en zeemacht en van de medische dienst;5° het ministerieel besluit van 13 december 1995 betreffende de adviezen over de kandidatuur voor de bevordering van de onderofficieren en betreffende de samenstelling en de werking van de bevorderingscomités voor de bevordering tot de graad van adjudant-majoor;6° het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst;7° het koninklijk besluit van 9 juni 1999Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 09/06/1999 pub. 14/08/1999 numac 1999007154 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie en de sociale promotie naar een hogere personeelscategorie sluiten betreffende de overgang binnen dezelfde personeelscategorie en de sociale promotie naar een hogere personeelscategorie;8° het koninklijk besluit van 5 oktober 1976 houdende vaststelling van de officierenkorpsen van de krijgsmacht;9° het koninklijk besluit van 7 april 1959 betreffende de stand en de bevordering van de beroepsofficieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst;10° het ministerieel besluit van 31 maart 1971 betreffende de samenstelling en de werking van de bevorderingscomités;11° het ministerieel besluit van 23 september 1977 betreffende de adviezen over de kandidatuur voor de bevordering van de officieren van de land-, de lucht- en de zeemacht en van de medische dienst;12° het koninklijk besluit van 7 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven, door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad;13° het ministerieel besluit van 8 februari 1994 betreffende de voortgezette vorming van de lagere officieren van het actief kader van de krijgsmacht en de beroepsproeven, door de beroepsofficieren van de krijgsmacht af te leggen met het oog op de bevordering tot de graad van majoor of tot een gelijkwaardige graad. DEEL II. - DIVERSE BEPALINGEN Art. 108.De personeelsleden die op de dag van de inwerkingtreding van dit besluit voldoen aan de voorwaarden voor bevordering tot de weddeschaal 1D bedoeld in artikel 112 van het koninklijk besluit van 19 december 1997Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 19/12/1997 pub. 31/12/1997 numac 1997010076 bron ministerie van justitie Koninklijk besluit houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten sluiten houdende de administratieve rechtspositie en de bezoldigingsregeling van de personeelsleden van de gerechtelijke politie bij de parketten, opgeheven bij het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie, verkrijgen het directiebrevet. Art. 109.Het koninklijk besluit van 30 december 1993 betreffende de bevordering tot de graad van majoor bij de rijkswacht opgeheven door het koninklijk besluit van 24 augustus 2001 tot opheffing van diverse besluiten met betrekking tot de rijkswacht, de gemeentepolitie en de gerechtelijke politie, wordt terug in werking gesteld voor de uitvoering van de erin opgenomen bevorderingsprocedure met toepassing van artikel 27 van de wet van 27 december 2000Relevante gevonden documenten type wet prom. 27/12/2000 pub. 06/01/2001 numac 2000001125 bron ministerie van binnenlandse zaken Wet houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten sluiten houdende diverse bepalingen met betrekking tot de rechtspositie van het personeel van de politiediensten. De personeelsleden die in het raam van de verderzetting van voormelde bevorderingsprocedure voldoen aan de erin vermelde voorwaarden voor bevordering verkrijgen het directiebrevet. DEEL III. - SLOTBEPALINGEN Art. 110.Dit besluit treedt in werking met ingang van 31 maart 2001, met uitzondering van de artikelen 108 en 109 die in werking treden de dag waarop dit besluit in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt. Art. 111.Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Onze Minister van Justitie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 18 februari 2003. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.