26 MAART 2003. - Ministerieel besluit tot vaststelling van de toekenningsregels van de toelagen voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard De Minister van Landsverdediging, Gelet op het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard, inzonderheid op artikel 6, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 11 november 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 11/11/2002 pub. 18/12/2002 numac 2002007293 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit houdende toekenning van toelagen aan de specialisten in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen van de krijgsmacht en houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard sluiten; Gelet op het protocol van het Onderhandelingscomité van het militair personeel van de Krijgsmacht, afgesloten op 18 augustus 2002; Gelet op het advies 34.422/4 van de Raad van State, gegeven op 17 februari 2003, Besluit : Artikel 1.Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° "het koninklijk besluit" : het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard;2° "de toelage" : de toelage voor gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke werken bedoeld in de tabel 4 van de bijlage bij het koninklijk besluit zoals die gewijzigd is bij het koninklijk besluit van 11 november 2002Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 11/11/2002 pub. 18/12/2002 numac 2002007293 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit houdende toekenning van toelagen aan de specialisten in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen van de krijgsmacht en houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het Departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard sluiten houdende toekenning van toelagen aan de specialisten in opruiming en vernietiging van ontploffingstuigen van de krijgsmacht en houdende wijziging van het koninklijk besluit van 21 januari 1971 betreffende de toekenning van toelagen aan leden van de krijgsmacht, evenals aan sommige leden van het burgerlijk personeel van het departement van Landsverdediging, voor sommige werken of prestaties van bijzonder gevaarlijke of ongezonde aard. Art. 2.§ 1. De korpscommandant brengt een advies uit over iedere aanvraag tot toekenning van de toelage, ingediend door leden van zijn personeel. § 2. Bij gebrek aan een bestaande risicoanalyse voeren de arbeidsgeneesheer bevoegd voor de betrokken installatie en de chef van de lokale sectie voor preventie en bescherming, een risicoanalyse uit op basis van de criteria bepaald in artikel 4. Ze stellen een risicoanalyseverslag op dat vaststelt of de werken bedoeld in de aanvraag tot toekenning werkelijk uitgevoerd worden op specifieke werkposten in werkplaatsen, garages, magazijnen of andere technische installaties, die in geen verband staan met de trainingsactiviteiten of de inzet van militairen, en of, naargelang het geval, de arbeidsomstandigheden : 1° hetzij van gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke aard zijn gedurende een periode van langer dan zes maanden, rekening houdend met de genomen maatregelen en met de aangewende collectieve en/of persoonlijke beschermingsmiddelen om de risico's tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen;2° hetzij van gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke aard zijn gedurende een periode die, in afwachting van het gebruik van meer doeltreffende beschermingsmiddelen, zes maanden niet zal overschrijden;3° hetzij niet van gevaarlijke, ongezonde of hinderlijke aard zijn. § 3. Op basis van het dossier samengesteld uit de aanvraag tot toekenning van de toelage en uit het risicoanalyseverslag, en op gemotiveerd advies van de chef van de sectie preventie en bescherming van de betrokken algemene directie of van het betrokken stafdepartement, beslist de chef van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk, van het stafdepartement gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn, over de toekenning van de toelage. Hij deelt zijn beslissing schriftelijk mee aan de korpscommandant. § 4. De korpscommandant geeft van de beslissing bedoeld in § 3, kennis aan de betrokken leden van zijn personeel. Art. 3.§ 1. Ten laatste op de vijfde werkdag volgend op de in artikel 2, § 4, bedoelde kennisgeving, kan het betrokken personeelslid beroep indienen tegen de in artikel 2, § 3, bedoelde beslissing, bij de onderstafchef welzijn. § 2. Indien het personeelslid gebruik maakt van de in § 1 bedoelde mogelijkheid, wordt een kopie van het in artikel 2, § 3, bedoelde dossier overgemaakt aan de chef van de arbeidsinspectie van het stafdepartement gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn. De chef van de arbeidsinspectie van het stafdepartement gezondheid, milieu, kwaliteit van het leven en welzijn, onderzoekt het beroep. Hij brengt een advies uit dat gemotiveerd is door een inspectieverslag van de installaties bedoeld in de aanvraag. Tijdens de inspectie kan het betrokken personeelslid gehoord worden indien het er om verzoekt. Het personeelslid kan zich hierbij laten bijstaan door de raadsman van zijn keuze. § 3. De onderstafchef welzijn beslist over de toekenning van de toelage. Hij brengt schriftelijk zijn beslissing ter kennis aan het betrokken personeelslid en aan de korpscommandant. § 4. Tegen de beslissing bedoeld in § 3, is een laatste beroep mogelijk bij de Minister van Landsverdediging. Art. 4.De criteria bedoeld in artikel 2, § 2, zijn : 1° om te bepalen of het personeelslid erkend wordt als beroepshalve blootgesteld aan ioniserende straling en of hij behoort tot de categorieën A of B, bepaald in artikel 2 van het algemeen militair reglement voor de bescherming tegen het gevaar van de ioniserende stralingen, zoals bedoeld in reeks A1 van de tabel 4 van de bijlage bij het koninklijk besluit, de organieke functie die hij bezet met inbegrip van de nevenfunctie;2° om te bepalen of het werk, bij abnormale werking van de installaties of bij het in gebreke blijven van de beschermingsmiddelen, kan leiden tot ernstige ongevallen of ziekten die zelfs de dood tot gevolg kunnen hebben, zoals bedoeld in reeks A2 van de tabel 4 van de bijlage bij het koninklijk besluit, het feit dat het uitgeoefend wordt :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.