.Voor de toepassing van dit besluit 1° wordt, telkens als een graad wordt vermeld, ook de gelijkwaardige graad in aanmerking genomen;2° moet verstaan worden onder :
.Kan geen wederdienstneming als reservemilitair aangaan 1° de militair van het actief kader;2° degene die, als reservemilitair, sinds minder dan één jaar het ontslag uit zijn ambt of de verbreking van zijn wederdienstneming bekomen heeft;3° de reservemilitair wiens wederdienstneming wordt geweigerd door de DGHR in toepassing van artikel 5;4° de gewetensbezwaarde. Art. 3.Het model van de wederdienstnemingsakte die door de militair van het reservekader moet worden aangegaan, wordt door de minister bepaald. De militair van het reservekader ontvangt een exemplaar van de wederdienstnemingsakte die hij heeft onderschreven. Afdeling II. - De wederdienstneming als reservevrijwilliger Art. 4.Onmiddellijk aansluitend op het slagen van de basisopleiding kan de kandidaat-reservemilitair, die voldoet aan de voorwaarden een wederdienstneming als reservevrijwilliger aangaan. De wederdienstneming wordt aanvaard door een officier, aangewezen door de commandant van het vormingscentrum waar de kandidaat-reservemilitair zijn basisopleiding heeft doorlopen. Art. 5.Op aanvraag van de reservevrijwilliger kan de eerste wederdienstneming worden hernieuwd. De vrijwilliger bedoeld in artikel 12, 1°, van de wet die voldoet aan de voorwaarden, kan een wederdienstneming als reservevrijwilliger aangaan. Op aanvraag van de reservevrijwilliger kan deze wederdienstneming worden hernieuwd. De DGHR is de bevoegde overheid om, na advies van de korpscommandant en in functie van de behoeften, de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren. Art. 6.Op eigen verzoek kan de reservevrijwilliger van de "getrainde reserve", gedurende de normale uitoefening van elke wederdienstneming, voor een maximum duur van twee jaar, tijdelijk opschorting van deze wederdienstneming bekomen volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement. Afdeling III. - De wederdienstneming als reserveonderofficier Art. 7.De eerste wederdienstneming als reserveonderofficier wordt aanvaard door een officier, aangewezen door de commandant van het vormingscentrum waar de kandidaat-reserveonderofficier zijn vorming heeft doorlopen. Art. 8.Op aanvraag van de reserveonderofficier kan de eerste wederdienstneming worden hernieuwd. De onderofficier bedoeld in artikel 11, 1°, van de wet die voldoet aan de voorwaarden, kan een wederdienstneming als reserveonderofficier aangaan. Op aanvraag van de reserveonderofficier kan deze wederdienstneming worden hernieuwd. De DGHR is de bevoegde overheid om, na advies van de korpscommandant en in functie van de behoeften, de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren. Art. 9.Op eigen verzoek kan de reserveonderofficier van de "getrainde reserve", gedurende de normale uitoefening van elke wederdienstneming, voor een maximum duur van twee jaar, tijdelijk opschorting van deze wederdienstneming bekomen, volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement. Afdeling IV. - De wederdienstneming als reserveofficier Art. 10.De eerste wederdienstneming als reserveofficier wordt aanvaard door een officier, aangewezen door de commandant van het vormingscentrum waar de kandidaat-reserveofficier zijn vorming heeft doorlopen. Art. 11.Op aanvraag van de reserveofficier kan de eerste wederdienstneming worden hernieuwd. De officier bedoeld in artikel 10, 1°, van de wet die voldoet aan de voorwaarden, kan een wederdienstneming als reserveofficier aangaan. Op aanvraag van de reserveofficier kan deze wederdienstneming worden hernieuwd. De DGHR is de bevoegde overheid om, na advies van de korpscommandant en in functie van de behoeften, de wederdienstnemingen te aanvaarden of te weigeren. Art. 12.Op eigen verzoek, kan de reserveofficier van de "getrainde reserve", gedurende de normale uitoefening van elke wederdienstneming, voor een maximum duur van twee jaar, tijdelijk opschorting van deze wederdienstneming bekomen volgens de voorschriften vastgesteld in een reglement. Afdeling V. - De verbreking van de dienstnemingen en wederdienstnemingen Art. 13.Voor de kandidaat-reservemilitair, in het geval bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, van de wet, maakt, al naargelang het geval, de commandant van het organisme waar betrokkene zijn basisopleiding, zijn gespecialiseerde professionele vorming, zijn stage- of evaluatieperiode doorloopt, een omstandig verslag op waarin zijn opgenomen : 1° een uiteenzetting van de feiten;2° een met redenen omkleed advies over hun ernst;3° een voorstel om de betrokkene voor een onderzoeksraad te doen verschijnen. Wanneer de onderzoeksraad oordeelt dat de feiten ernstig zijn en niet overeen te brengen zijn met de staat van militair, kan de overheid bedoeld in artikel 32, § 2, van de wet, de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming uitspreken. Art. 14.Gedurende de uitvoering van de wederdienstneming, in het geval bedoeld in artikel 32, § 1, 1°, van de wet, maakt de korpscommandant van de reservemilitair een omstandig verslag op waarin zijn opgenomen : 1° een uiteenzetting van de feiten;2° een met redenen omkleed advies over hun ernst;3° een voorstel om de betrokkene voor een onderzoeksraad te doen verschijnen. Wanneer de onderzoeksraad oordeelt dat de feiten ernstig zijn en niet overeen te brengen zijn met de staat van militair, kan de overheid bedoeld in artikel 32, § 2, van de wet, de verbreking van de dienstneming of wederdienstneming uitspreken. Art. 15.In de gevallen bedoeld in artikel 32, 1, 2°, van de wet, maakt, al naargelang het geval, de commandant van het organisme waar de kandidaat-reservemilitair zijn vorming doorloopt of de hiërarchische meerdere met een rang ten minste gelijk aan die van korpscommandant voor de reservemilitair, een voorstel op voor de verbreking van ambtswege van de dienstneming of wederdienstneming. Art. 16.Ten allen tijde en op eenvoudige aanvraag kan de kandidaat-reservemilitair gedurende de basisopleiding, evenals de kandidaat-reserveofficier en de kandidaat-reserveonderofficier tijdens hun vormingscyclus, van de commandant van het vormingsorganisme de verbreking van zijn dienstneming bekomen, indien hij daartoe een schriftelijke aanvraag indient, opgesteld volgens de nadere regels bepaald in een reglement. Art. 17.De verbreking van de dienstneming of van de wederdienstneming heeft uitwerking : 1° indien deze van rechtswege is, van zodra de toestand zich voordoet die ertoe aanleiding geeft;2° indien deze van ambtswege is of ten gevolge van de aanvaarding van het gevraagde ontslag : a) de dag volgend na deze van de kennisgeving van de beslissing in persoon aan de kandidaat-reservemilitair of reservemilitair, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt;b) in het geval de kennisgeving niet in persoon aan de kandidaat-reservemilitair of reservemilitair kan plaats hebben, de derde werkdag na de dag van verzending van de aangetekende brief waarmee betrokkene kennis werd gegeven van de beslissing, behalve wanneer een latere datum expliciet vermeld wordt. Art. 18.Voor een kandidaat-reservemilitair of reservemilitair aan wie de verbreking van zijn dienstneming of wederdienstneming ter kennis wordt gebracht en die in behandeling is in een hospitaal ten gevolge van een ongeval opgelopen of een ziekte opgedaan of verergerd in werkelijke dienst, wordt de dienstnemings- of wederdienstnemingstermijn verlengd totdat hij het hospitaal verlaat omdat zijn gezondheidstoestand het mogelijk maakt, welke mogelijkheid in voorkomend geval door een militair geneesheer van het actief kader vastgesteld wordt, of omdat hij erom verzoekt. HOOFDSTUK III. - De vorming en de training Afdeling I. - De vormingscyclus Onderafdeling I. -
.De basisopleiding heeft tot doel de kandidaat-reservemilitair de nodige militaire basiskennis en -bekwaamheden bij te brengen. De gespecialiseerde professionele vorming heeft tot doel de hoedanigheden op het professioneel vlak specifiek voor het ambt, op het karakterieel vlak en op het vlak van de fysieke conditie bij te brengen. Art. 20.De stageperiode is een periode van hoofdzakelijk praktische vorming die tot doel heeft de kandidaat-reservemilitair onder toezicht een gedeelte van de taken te laten uitvoeren die hem zouden toevertrouwd worden als officier, onderofficier of vrijwilliger, naargelang het geval. Art. 21.De evaluatieperiode is een periode van praktische vorming die tot doel heeft de kandidaat-reservemilitair onder toezicht het geheel van de taken te laten uitvoeren die hem zouden toevertrouwd worden als officier, onderofficier of vrijwilliger, naargelang het geval. Onderafdeling II. De kandidaat-reservemilitair in basisopleiding Art. 22.De duur van de basisopleiding bedraagt 8 weken. Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement. Onderafdeling IIl. - De reservevrijwilliger Art. 23.De reservevrijwilliger kan eventueel een gespecialiseerde professionele vorming volgen waarvan de duur 1 tot 8 weken bedraagt. Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement. Art. 24.Een termijn van maximaal 1 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de basisopleiding en de aanvang van de gespecialiseerde professionele vorming als reservevrijwilliger. Art. 25.Indien de reservevrijwilliger een gespecialiseerde professionele vorming dient te volgen, wordt hij na het slagen hiervan onderworpen aan een evaluatieperiode, eventueel voorafgegaan door een stageperiode. De nadere regels worden in een reglement vastgelegd. De globale duur van de stage- of evaluatieperiode bedraagt minimaal 1 week. Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming en het einde van de stage- en evaluatieperiode. Onderafdeling IV. - De kandidaat-reserveonderofficier Art. 26.De kandidaat-reserveonderofficier volgt een bijkomende basisopleiding en gespecialiseerde professionele vorming waarvan de globale duur 4 tot 14 weken bedraagt. Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement. Art. 27.Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het ondertekenen van de eerste wederdienstneming als reservevrijwilliger en de aanvang van de opleidingsperiode als kandidaat-reserveonderofficier. Art. 28.Na het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming, wordt de kandidaat-reserveonderofficier onderworpen aan een stage- en evaluatieperiode waarvan de nadere regels in een reglement worden vastgesteld. De globale duur van de stage- en evaluatieperiode bedraagt minimaal een week. Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming en het einde van de stage- en evaluatieperiode. Onderafdeling V. - De kandidaat-reserveofficier Art. 29.De kandidaat-reserveofficier volgt een bijkomende basisopleiding en gespecialiseerde professionele vorming waarvan de globale duur 4 tot 18 weken bedraagt. Het programma en de nadere regels betreffende de uitvoering van dit programma worden vastgelegd in een reglement. Art. 30.Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het ondertekenen van de eerste wederdienstneming als reservevrijwilliger en de aanvang van de opleidingsperiode als kandidaat-reserveofficier. Art. 31.Na het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming, wordt de kandidaat-reserveofficier onderworpen aan een stage- en evaluatieperiode waarvan de nadere regels in een reglement worden vastgesteld. De globale duur van de stage- of evaluatieperiode bedraagt minimaal 1 week. Een termijn van maximaal 2 jaar wordt toegestaan tussen het slagen in de gespecialiseerde professionele vorming en het einde van de stage- en evaluatieperiode. Afdeling II. - Voorwaarden tot slagen voor de vorming Onderafdeling I. -
.Om te slagen in een deel van een periode van de vormingscyclus, met uitzondering van de stage- en evaluatieperiode, moet de kandidaat-reservemilitair en de reservevrijwilliger tijdens de eventuele gespecialiseerde professionele vorming : 1° wat de professionele hoedanigheden betreft waarvoor de beoordeling slaat op de onderwezen stof, minstens de helft van de punten behalen voor het geheel van de beoordelingen en geen uitsluitingscijfer hebben bekomen;2° wat de fysieke hoedanigheden betreft, slagen voor de proeven van fysieke conditie bepaald in het koninklijk besluit van 13 november 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 30/08/2021 numac 2021032164 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserve-onderofficier. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 29/08/2022 numac 2022033065 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht. - Officieuze coördinatie in het Duits type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 10/06/2021 numac 2021041767 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de morele hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bepaling van de regels die gelden voor de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht, en opgelegd tijdens deze periode of een deel van deze periode;3° voldoen aan de karakteriële hoedanigheden zoals bepaald in het koninklijk besluit van 13 november 1991Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 30/08/2021 numac 2021032164 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van een kandidaat-militair van het actief kader of van een dienstplichtige, kandidaat-reserveofficier of kandidaat-reserve-onderofficier. - Duitse vertaling type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 29/08/2022 numac 2022033065 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de fysieke hoedanigheden van sommige kandidaten en leerlingen van de krijgsmacht. - Officieuze coördinatie in het Duits type koninklijk besluit prom. 13/11/1991 pub. 10/06/2021 numac 2021041767 bron ministerie van landsverdediging Koninklijk besluit tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de morele hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht. - Officieuze coördinatie in het Duits sluiten tot bepaling van de regels die gelden bij de beoordeling van de karakteriële hoedanigheden van de kandidaten van de krijgsmacht. Art. 33.Om te slagen in de evaluatieperiode moet de kandidaat-reservemilitair en de reservevrijwilliger : 1° wat de professionele hoedanigheden betreft, minstens de vermelding "voldoende" bekomen van zijn korpscommandant;2° wat de fysieke hoedanigheden betreft, slagen voor de tijdens deze periode opgelegde proeven van fysieke conditie;3° wat de karakteriële hoedanigheden betreft, ten minste de helft van de punten behalen op de beoordelingen die tot het verlies van deze hoedanigheden kunnen leiden. Art. 34.De kandidaat-reservemilitair of de reservevrijwilliger kan slechts toetreden tot een volgend deel of een volgende periode van de vormingscyclus indien hij geslaagd is voor het deel of de periode van de vorming die eraan voorafgaat. Onderafdeling II. - Beoordeling van de professionele hoedanigheden Art. 35.De kandidaat-reservemilitair of de reservevrijwilliger moet gedurende de volledige vorming de onontbeerlijke professionele hoedanigheden bewaren die vereist zijn in de specifieke vormingscyclus die hij volgt. Art. 36.De professionele hoedanigheden van de kandidaat-reservemilitair en de reservevrijwilliger worden beoordeeld op het einde : 1° van de basisopleiding, door middel van het dagelijks werk en een examen;2° van de gespecialiseerde professionele vorming door middel van het dagelijks werk en een examen of een taak;3° van de evaluatieperiode. Het dagelijks werk, de examens en de taken bedoeld in het eerste lid hebben betrekking op de onderwezen stof tijdens de betrokken vormingen en waarvoor de nadere regels worden vastgesteld in een reglement. De kandidaat-reservemilitair of de reservevrijwilliger behoudt de onontbeerlijke professionele hoedanigheden, indien hij bij elke beoordeling bedoeld in het eerste lid en vastgesteld in een reglement : 1° zich niet zonder geldige reden onthouden heeft van alle examens of taken;2° minstens de helft van de punten heeft behaald op het in aanmerking te nemen totaal;3° geen uitsluitingscijfer heeft bekomen;4° geen onvoldoende voor de evaluatieperiode heeft bekomen. De beoordeling van de professionele hoedanigheden op het einde van de evaluatieperiode wordt door de korpscommandant uitgesproken en gemotiveerd, en wordt uitgedrukt in één van de volgende termen : "onvoldoende" - "voldoende" - "goed" - "zeer goed". Onderafdeling III. - Vrijstelling van vorming Art. 37.Worden vrijgesteld van de basisopleiding, de gespecialiseerde professionele vorming en de stage- en evaluatieperiode voorzien per personeelscategorie, de kandidaat-reservemilitair : 1° die als beroeps- of aanvullingsmilitair gepensioneerd werd met toepassing van de gecoördineerde wetten op de militaire pensioenen en op zijn verzoek wordt aanvaard in het reservekader;2° waarvan het ontslag uit het ambt als militair van het actief kader werd aanvaard en die van rechtswege voor een duur van tien jaar in het reservekader werd opgenomen. De reservemilitair die niet behoort tot één van de categorieën bepaald in het eerste lid kan door de DGHR, worden vrijgesteld van het geheel of een gedeelte van de vorming met het oog op het bekleden van zijn ambt, op voorwaarde een diploma, getuigschrift of een ander document dat bij of krachtens een wet, decreet, Europese richtlijn, bilateraal akkoord of internationale overeenkomst als minstens gelijkwaardig is erkend, te kunnen voorleggen waaruit blijkt dat de reservemilitair de vorming waarvan hij is vrijgesteld, ontvangen heeft buiten de krijgsmacht. Tevens wordt in alle gevallen de kennis van de reservemilitair, noodzakelijk om het ambt te kunnen bekleden, in het vormingsorganisme gecontroleerd in functie van de militaire antecedenten of de benodigde vorming volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement. Afdeling III. - Aanstellingen gedurende de vorming Art. 38.Wordt gedurende de vorming aangesteld als reserve eerste soldaat : de kandidaat-reservemilitair in basisopleiding die met goed gevolg de basisopleiding heeft doorlopen en die een eerste wederdienstneming heeft aangegaan. Art. 39.De reservevrijwilliger die een dienstneming aangaat als kandidaat-reserveonderofficier wordt aangesteld als reservekorporaal. Art. 40.Wordt aangesteld als reservesergeant : 1° de kandidaat-reserveonderofficier die geslaagd is in de voorziene gespecialiseerde professionele vorming;2° de reservevrijwilliger die een dienstneming aangegaan heeft als kandidaat-reserveofficier. Art. 41.De kandidaat-reserveofficier die geslaagd is in de voorziene gespecialiseerde professionele vorming wordt aangesteld als reserveonderluitenant. Afdeling IV. - De training Art. 42.Al naargelang de graad van training en de graad van beschikbaarheid en al naargelang het aantal uitgevoerde gewone wederoproepingen door het reservepersoneel, wordt de reservemilitair gerangschikt in hetzij de "getrainde reserve" hetzij in de "niet getrainde reserve". Het vereiste minimum aantal uit te voeren gewone wederoproepingen om te kunnen behoren tot de "getrainde reserve" bedraagt : 1° zeven dagen per jaar voor de reserveofficier en reserveonderofficier;2° vijf dagen per jaar voor de reservevrijwilliger. De nadere regels van overgang tussen de "getrainde reserve" en de "niet getrainde reserve", worden bepaald in een reglement. Art. 43.De reservevrijwilliger die niet voldoet aan één van de tijdslimieten bepaald in de artikelen 24 en 25 wordt voor de resterende duur van de wederdienstneming opgenomen in de "niet getrainde reserve" met behoud van de graad waarin hij werd aangesteld en van de anciënniteit in die graad. Onder voorbehoud van toepassing van artikel 18 van de wet, wordt de reservevrijwilliger bij het niet slagen voor de gespecialiseerde professionele vorming of voor de stage- of evaluatieperiode, voor de resterende duur van de wederdienstneming, opgenomen in de "niet getrainde reserve". Art. 44.De bepalingen van artikel 27 en 30 zijn niet van toepassing op de reservevrijwilliger en de reserveonderofficier van de "getrainde reserve". Indien aan de tijdslimieten bepaald in de artikelen 27, 28, tweede lid, 30 en 31, tweede lid, niet is voldaan of bij het niet slagen voor de vormingscyclus of bij het niet aangaan van een eerste wederdienstneming als reserveonderofficier en onder voorbehoud van de toepassing van artikel 26 van de wet, wordt de kandidaat-reserveonderofficier opgenomen als reservevrijwilliger, voor de resterende duur van de wederdienstneming in de "getrainde reserve" indien hij geslaagd is voor de evaluatieperiode, in de "niet getrainde reserve" in de andere gevallen. De kandidaat-reserveofficier die een onvoldoende beoordeling voor de professionele hoedanigheden bekomt kan tijdens de vormingscyclus op zijn verzoek worden geherklasseerd als kandidaat-reserveonderofficier teneinde de vormingscyclus van kandidaat-reserveonderofficier te volgen. De herklassering is slechts eenmaal mogelijk en wordt toegestaan door de DGHR, in functie van de behoeften. HOOFDSTUK IV. - De graad Art. 45.Wordt benoemd in de graad van reserveonderluitenant, de kandidaat-reserveofficier die met goed gevolg de voorziene vormingscyclus heeft doorlopen en die een wederdienstneming als reserveofficier heeft ondertekend. Daarenboven dient de kandidaat-reserveofficier lichamelijk, zedelijk, karakterieel en professioneel geschikt bevonden te worden om het ambt van reserveofficier uit te oefenen en dient hij te beschikken over een voldoende wijze van dienen. Deze geschiktheid wordt op het einde van de evaluatieperiode beoordeeld door de minister, na advies van de hiërarchische meerderen. Art. 46.Wordt benoemd in de graad van reservesergeant, de kandidaat-reserveonderofficier die met goed gevolg de voorziene vormingscyclus heeft doorlopen en die een wederdienstneming als reserveonderofficier heeft ondertekend. Daarenboven dient de kandidaat-reserveonderofficier lichamelijk, zedelijk, karakterieel en professioneel geschikt bevonden te worden om het ambt van reserveonderofficier uit te oefenen en dient hij te beschikken over een voldoende wijze van dienen. Deze geschiktheid wordt op het einde van de evaluatieperiode beoordeeld door de DGHR, na advies van de hiërarchische meerderen. Art. 47.Wordt benoemd in de graad van reserve eerste soldaat, de reservevrijwilliger die met goed gevolg de eventuele gespecialiseerde professionele vorming en de stage- en evaluatieperiode heeft doorlopen. Daarenboven dient de reservevrijwilliger lichamelijk, zedelijk, karakterieel en professioneel geschikt bevonden te worden om het ambt van reservevrijwilliger uit te oefenen en dient hij te beschikken over een voldoende wijze van dienen. Deze geschiktheid wordt op het einde van de evaluatieperiode beoordeeld door de DGHR, na advies van de hiërarchische meerderen. HOOFDSTUK V. - De ancienniteit voor de bevordering in graad en de bevordering in graad Afdeling I. - De anciënniteit in de graad Art. 48.De anciënniteit in de graad wordt bepaald door de datum van benoeming in die graad. In het benoemingsbesluit kan een anciënniteitsrang worden vastgesteld die een aanvang neemt op een vroegere datum dan die van de benoeming, inzonderheid om de reservemilitairen, die uit het kader van de beroepsmilitairen komen en er werden voorbijgegaan, de rang te geven die zij zouden hebben bekleed, moesten zij in het kader van de beroepsmilitairen een bevordering hebben bekomen. Voor de reservemilitair die niet voldoet aan de bepalingen van artikel 42, tweede lid, wordt de duur dat hij behoort tot de "niet getrainde reserve" niet in aanmerking genomen voor het bepalen van de ancienniteit voor de bevordering in de graad. Art. 49.De betrekkelijke anciënniteit van de reservemilitairen die, in functie van de personeelscategorie, op dezelfde dag benoemd zijn in de basisgraad van reserveonderluitenant of reservesergeant of reserve eerste soldaat en die aan dezelfde examens hebben deelgenomen, wordt bepaald door de behaalde punten en de rangschikking welke, na afloop van de voor hun benoeming opgelegde examens, is gemaakt. De betrekkelijke anciënniteit van de reservemilitairen die, in functie van de personeelscategorie, op dezelfde dag benoemd zijn in de basisgraad van reserveonderluitenant of reservesergeant of reserve eerste soldaat, en die niet aan dezelfde examens hebben deelgenomen, wordt vastgesteld met inachtneming, volgens de in een reglement vastgestelde regels, van de verschillende opgemaakte rangschikkingen en van het aantal benoemde reservemilitairen in de beschouwde graad. De betrekkelijke anciënniteit van de reservemilitairen, bekleed met een andere graad dan de basisgraad en die in functie van de personeelscategorie op éénzelfde datum in die graad benoemd zijn, wordt bepaald door hun anciënniteit in de vorige graad. Bij gelijke anciënniteit in de lagere graden is de betrekkelijke anciënniteit in de basisgraad determinerend. De anciënniteit in de basisgraad van de beroepsmilitair, de aanvullingsmilitair en de hulpofficier, die tot het reservekader wordt toegelaten of ernaar wordt overgeplaatst vóór hij, in functie van de personeelscategorie, met de graad van luitenant, eerste sergeant of korporaal is bekleed, wordt fictief gewijzigd met het oog op zijn latere bevordering in het reservekader en wordt vastgesteld alsof hij steeds tot het reservekader heeft behoord. Afdeling II. - Bevordering in de graad Onderafdeling I. -
.De bevordering van de reservemilitairen, rekening houdende met de personeelsenveloppe van de reservemilitairen, is op de behoeften van de krijgsmacht afgestemd. Art. 51.De reservemilitair die niet voldoet aan de bepalingen van artikel 42, tweede lid, kan niet bevorderen. Art. 52.De cursussen en stages die desgevallend als bevorderingsprestaties in aanmerking worden genomen, worden bepaald in een reglement. Alleen de reservemilitairen die geschikt zijn bevonden het bevel of de functies van de hogere graad uit te oefenen kunnen voor bevordering in aanmerking komen. Onderafdeling II. - De reserveofficieren Art. 53.Reserveofficieren kunnen eerst tot de hogere graad worden bevorderd, nadat daartoe zijn bevorderd de beroepsofficieren van hun korps die in de graad van onderluitenant dezelfde anciënniteit hebben als zij, en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad. In afwijking van het eerste lid mogen de reserveofficieren van het medisch technisch korps slechts tot een hogere graad worden bevorderd, na de bevordering tot deze graad van de beroepsofficieren van hun korps die het diploma van arts, van dierenarts, van tandarts, van doctor in de genees-, heel- en verloskunde, of van dokter in de veeartsenijkunde, van apotheker, of van licentiaat in de tandheelkunde, hebben behaald in het jaar waarvan de klas van die beroepsofficieren het jaartal draagt en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad. Art. 54.Het programma van de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet wordt in een reglement bepaald. Voor de eerste bevordering in graad wordt de reservehoofdofficier die uit het actief kader komt, al naargelang het geval, vrijgesteld van de beroepsproeven voor bevordering tot reserveluitenant-kolonel, reservekolonel en reservegeneraal-majoor. Art. 55.De reserveofficier die twee jaar na de normale datum waarop hij tot de hogere graad had kunnen worden bevorderd, de prestaties niet heeft verricht noch is geslaagd voor de beroepsproeven welke voor de bevordering tot deze graad zijn vereist, wordt geacht voorgoed van bevordering te hebben afgezien. Deze termijn beloopt vier jaar voor de kandidaat tot de graad van reservemajoor. De minister mag langere termijnen vaststellen ten behoeve van reserveofficieren die verblijf houden in het buitenland. Art. 56.De reserveofficier die uit het kader der beroepsofficieren komt en die van bevordering heeft afgezien terwijl hij tot dat kader behoorde mag in het kader van de reserveofficieren niet meer mededingen voor de bevordering. Mocht deze officier zich nochtans in oorlogstijd, in periode van oorlog of in crisistoestand door zijn militaire hoedanigheden onderscheiden, dan zou hij, bij beslissing van de minister, opnieuw rang kunnen innemen voor de bevordering. Art. 57.Om benoemd te worden tot de graad van reserveluitenant, moet de reserveofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" vijf jaar anciënniteit in de graad van onderluitenant bezitten. Om benoemd te worden tot de graad van reservekapitein, moet de reserveofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" : 1° zes jaar anciënniteit in de graad van luitenant bezitten;2° de bevorderingsprestaties volbrengen ter voorbereiding van de beroepsproeven, die bestaan uit het bijwonen van een informatiefase en een vormingsfase van minimum drie weken, en een stage in de eenheid van minimum één week volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement;3° slagen voor de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet. Om benoemd te worden tot de graad van reservekapitein-commandant, moet de reserveofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" zes jaar anciënniteit in de graad van kapitein bezitten. Art. 58.Geen reserveofficier kan in de graad van reservemajoor worden benoemd indien hij niet : 1° ten minste 20 jaar anciënniteit als officier heeft;2° de bevorderingsprestaties ter voorbereiding van de beroepsproeven volbrengen, die bestaan uit het bijwonen van een informatiefase en een vormingsfase van minimum drie weken volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement;3° geslaagd is voor de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet. Geen reserveofficier kan in de graad van luitenant-kolonel, kolonel of in een opperofficiersgraad worden benoemd, indien hij niet : 1° ten minste 5 jaar anciënniteit heeft in de onmiddellijk lagere graad;2° de bevorderingsprestaties heeft volbracht, die bestaan uit het bijwonen van cursussen en stages ter voorbereiding van de beroepsproeven;3° geslaagd is voor de beroepsproeven bedoeld in artikel 60, eerste lid, van de wet. Onderafdeling III. - De reserveonderofficieren Art. 59.De reserveonderofficieren kunnen eerst tot de hogere graad worden bevorderd nadat de beroepsonderofficieren van hun korps die in de graad van sergeant dezelfde anciënniteit hebben als zij en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad, tot deze graad zijn bevorderd. Art. 60.Om in de reserve tot reserve eerste sergeant-majoor of reserveadjudant-chef te kunnen worden bevorderd, moet de reserveonderofficier respectievelijk slagen voor beroepsproeven. De DGHR bepaalt het programma van deze proeven. De reserveonderofficier gesproten uit het kader der beroepsonderofficieren die reeds heeft voldaan aan de beroepsexamens voor de toegang tot de graad van eerste sergeant-majoor of geslaagd is voor het examen voor toegang tot de graad van adjudant-chef in het beroepskader, is vrijgesteld respectievelijk van de proeven tot toegang tot de graad van reserve eerste sergeant-majoor of reserveadjudant-chef. De reserveonderofficier gesproten uit het kader van de beroepsonderofficieren en die in dit kader een definitieve mislukking heeft ondergaan voor de proeven voor de toegang tot de graad van eerste sergeantmajoor of adjudant-chef of die definitief afgezien heeft van deelname aan deze proeven, is niet meer gemachtigd om zich aan te bieden voor de proeven voor de toegang tot deze graden in het reservekader. Mocht deze onderofficier zich nochtans in oorlogstijd, in periode van oorlog of in crisistoestand door zijn militaire hoedanigheden onderscheiden, dan zou hij, bij beslissing van de minister, opnieuw rang kunnen innemen voor de bevordering. Art. 61.De reserveonderofficier die twee jaar na de normale datum waarop hij tot de hogere graad had kunnen worden bevorderd, de prestaties niet heeft verricht of niet is geslaagd voor de proeven welke voor de bevordering in de graad zijn vereist, wordt geacht voorgoed van bevordering te hebben afgezien. De DGHR mag een langere termijn vaststellen ten behoeve van reserveonderofficieren die verblijf houden in het buitenland. Art. 62.De reserveonderofficier die uit het kader der beroepsonderofficieren komt en die van bevordering heeft afgezien terwijl hij tot dit kader behoorde, neemt in het reservekader niet meer deel aan de bevordering. Art. 63.Om benoemd te worden tot de graad van reserve eerste sergeant, moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" vijf jaar anciënniteit in de graad van sergeant bezitten. Om benoemd te worden tot de graad van reserve eerste sergeant-majoor, moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" : 1° zeven jaar anciënniteit in de graad van eerste sergeant bezitten;2° de bevorderingsprestaties volbrengen ter voorbereiding van de beroepsproeven, die bestaan uit het bijwonen van een theoretische vorming van minimum vier weken voorafgegaan door een informatiedag volgens de nadere regels vastgesteld in een reglement;3° slagen voor de beroepsproeven bepaald in een reglement. De reserve eerste sergeant die verzaakt aan bevordering of die niet heeft deelgenomen aan de beroepsproeven ten laatste negen jaar na zijn benoeming tot de graad van reserve eerste sergeant, wordt benoemd in de graad van reserve eerste sergeantchef, zodra hij negen jaar anciënniteit in de graad van reserve eerste sergeant heeft. Om benoemd te worden tot de graad van reserveadjudant, moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" zeven jaar anciënniteit in de graad van eerste sergeant-majoor bezitten. Art. 64.Om in aanmerking te kunnen komen voor de benoeming tot de graad van reserveadjudant-chef moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" : 1° zeven jaar anciënniteit in de graad van adjudant bezitten;2° slagen voor een examen van een gelijkaardig niveau als het kwalificatie-examen bedoeld in artikel 39 van de wet van 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht. Om in aanmerking te kunnen komen voor de benoeming tot de graad van reserveadjudant-majoor moet de reserveonderofficier, gerangschikt in de "getrainde reserve" vijf jaar anciënniteit in de graad van adjudant-chef bezitten. Onderafdeling IV. - De reservevrijwilligers Art. 65.De reservevrijwilligers kunnen eerst tot de hogere graad worden bevorderd nadat de beroepsvrijwilligers die in de graad van eerste soldaat dezelfde anciënniteit hebben als zij en die inzake bevordering een normale loopbaan hebben gehad, tot deze graad zijn bevorderd. Art. 66.Om benoemd te worden tot de graad van reservekorporaal moet de reservevrijwilliger, gerangschikt in de "getrainde reserve", zeven jaar anciënniteit in de graad van eerste soldaat bezitten. Om benoemd te worden tot de graad van reservekorporaal-chef moet de reservevrijwilliger, gerangschikt in de "getrainde reserve", negen jaar anciënniteit in de graad van korporaal bezitten. Om benoemd te worden tot de graad van reserve eerste korporaal-chef moet de reservevrijwilliger, gerangschikt in de "getrainde reserve", negen jaar anciënniteit in de graad van korporaal-chef bezitten. Onderafdeling V. - De versnelde bevordering Art. 67.Voor de reservemilitairen die behoren of behoord hebben tot de onmiddellijk beschikbare reserve, wordt het aantal jaren minimum anciënniteit in de vorige graad noodzakelijk voor de bevordering in de verschillende graden, vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. Art. 68.Indien de duur van behoren tot de onmiddellijk beschikbare reserve kleiner is dan de vereiste minimum anciënniteit bij de versnelde bevordering, wordt de voor de bevordering vereiste anciënniteit in de vorige graad berekend volgens de formule vastgesteld in de bijlage bij dit besluit. HOOFDSTUK VI. - Het ontslag Art. 69.Iedere hiërarchische meerdere met een rang tenminste gelijk aan die van korpscommandant die oordeelt dat een reservemilitair van ambtswege moet worden ontslagen, maakt een omstandig verslag op dat een uiteenzetting omvat van de feiten, een advies over hun gewichtigheid, en een voorstel om de betrokken reservemilitair voor een onderzoeksraad te doen verschijnen. Art. 70.De betrokken reservemilitair wordt in kennis gesteld van het verslag. Hij ondertekent het onder de melding "Gezien". Hij kan er, binnen de acht dagen een verweerschrift aan toevoegen. Iedere beschouwing die de steller van het verslag in verband met dit verweerschrift nuttig mocht achten, moet ter kennis van de betrokken reservemilitair worden gebracht. Deze beschikt over een nieuwe termijn van acht dagen om, indien hij zulks verlangt, een aanvullend verweerschrift op te maken. Art. 71.Het dossier, waarbij een inventaris van de stukken gevoegd is, wordt langs hiërarchische weg aan de minister gezonden. Iedere hiërarchische meerdere brengt over de toe te passen maatregel een advies uit, waarvan aan de betrokken reservemilitair kennis wordt gegeven. Deze tekent het onder de melding "Gezien". Wordt een nieuw feit aangevoerd, dan beschikt de betrokken reservemilitair over een termijn van acht dagen om, indien hij zulks verlangt, een aanvullend verweerschrift op te maken. Art. 72.De minister kan een informatiecommissie aanstellen, of ze door de militaire overheid doen aanstellen, die tot opdracht heeft het omstandig verslag op te maken, in de hiernavolgende gevallen : 1° wanneer hij langs een andere dan de hiërarchische weg op de hoogte wordt gebracht van feiten die van aard zijn het ontslag van ambtswege van een reservemilitair te rechtvaardigen;2° wanneer, in een zelfde geval, reservemilitairen betrokken zijn die geen enkele gemeenschappelijke hiërarchische meerdere hebben;3° wanneer de in een geval betrokken reservemilitair geen hiërarchische meerdere heeft. Art. 73.§
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.