25 FEBRUARI 2003. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken VERSLAG AAN DE KONING De wet van 21 juni 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/2001 pub. 20/07/2001 numac 2001009458 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket sluiten tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federale parket', die in werking is getreden op 21 mei 2002, betreft de realisatie van een eerste belangrijke stap in de hervorming van het openbaar ministerie, waarvan de krijtlijnen werden uitgetekend in het Octopusakkoord van 24 mei 1998 en de daaruit voortvloeiende wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van procureurs des Konings'. De recente installatie van het federaal parket kan in de praktijk aanleiding geven tot problemen bij de toepassing van een aantal artikelen van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken (hierna genoemd koninklijk besluit Tarief in strafzaken), inzonderheid van de artikelen 7, 42, 51, 52, 60, 62, 63, 66, 82, 125, 135, 136 en 138 van het koninklijk besluit Tarief in strafzaken. Voormelde artikelen voorzien immers in een specifieke bevoegdheid voor de procureur-generaal, als hoogste orgaan van het Openbaar Ministerie in het rechtsgebied van een hof van beroep, en houden nog geen rekening met het bestaan van het federaal parket. Waar de opbouw van voormelde artikelen van het koninklijk besluit Tarief in strafzaken perfect logisch was vóór de inwerkingtreding van het federaal parket, is het dit thans niet langer, aangezien de opdrachten van de federale procureur en het federaal parket zich uitstrekken over het gehele grondgebied van het Rijk en zijn bevoegdheid ratione loci dus, anders dan voor de procureurs des Konings en de parketten bij de rechtbanken van eerste aanleg, niet aan een welbepaald rechtsgebied van een hof van beroep en dus aan een procureur-generaal kan worden gelinkt. De federale procureur is inderdaad bevoegd voor het gehele grondgebied van het Rijk (artikelen 143, § 1, en 144bis, § 1 Gerechtelijk Wetboek) en hij voert, in de gevallen en op de wijze bepaald door de wet, onder het gezag van de minister van Justitie, alle opdrachten van het Openbaar Ministerie in strafzaken uit bij de hoven van beroep, de hoven van assisen, de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken (artikel 143, § 3 Gerechtelijk Wetboek). Er dient dus in het koninklijk besluit Tarief in strafzaken een regeling sui generis voor de federale procureur te worden uitgewerkt, in drie gevallen : bij de uitoefening van de strafvordering (artikel 144bis, § 2, 1° Gerechtelijk Wetboek), de coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking (artikel 144bis, § 2, 2° Gerechtelijk Wetboek) en ten slotte bij het nemen van alle dringende noodzakelijke maatregelen (artikel 47ter, § 2 Wetboek van Strafvordering). Deze regeling sui generis bestaat erin dat de federale procureur, wanneer hij optreedt in één van deze drie gevallen, zelf de bevoegdheden uitoefent die de artikelen 7, 42, 51, 52, 60, 62, 63, 66, 82, 125, 135, 136 en 138 van het koninklijk besluit Tarief in strafzaken aan de procureur-generaal toekent. Dit zal in eerste instantie zo zijn voor de strafzaken waarin de federale procureur zelf de strafvordering uitoefent. Zo zal bijvoorbeeld de federale procureur voortaan zelf gemachtigd zijn om, krachtens artikel 125 koninklijk besluit Tarief in strafzaken, een afschrift van een akte van onderzoek en rechtspleging af te leveren in een federale strafzaak. Dit zal echter ook zo zijn voor de strafzaken waarin de federale procureur, ingevolge zijn bevoegdheid om de internationale samenwerking te vergemakkelijken, zelf rechtshulpverzoeken, uitgaande van buitenlandse gerechtelijke autoriteiten, uitvoert. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan niet-lokaliseerbare internationale rechtshulpverzoeken (bijvoorbeeld bewaakte of gecontroleerde afleveringen, vergelijkende ballistische of DNA-analyses door het NICC, identificaties van telefoonnummers, het verspreiden van internationale opsporingsberichten via de media, enz.) of aan de internationale rechtshulpverzoeken die de federale procureur, ingeval van hoogdringendheid en in het besef dat elke vertraging in de uitvoering ervan de goede afloop van het onderzoek in gevaar kan brengen, zelf uitvoert (bijvoorbeeld wanneer binnen een zeer korte tijdsspanne een aantal getuigen in België dienen te worden gehoord in het kader van een buitenlands proces). In deze gevallen zal de federale procureur voortaan bijvoorbeeld, krachtens artikel 66 koninklijk besluit Tarief in strafzaken, zelf gemachtigd zijn buitengewone en door het koninklijk besluit niet bepaalde kosten te maken. Ten slotte, zal dit ook gelden wanneer de federale procureur alle dringende maatregelen neemt die met het oog op de uitoefening van de strafvordering noodzakelijk zijn en dit zolang een procureur des Konings of een arbeidsauditeur zijn wettelijk bepaalde bevoegdheid niet heeft uitgeoefend (artikel 47ter, § 2 Wetboek van Strafvordering). Deze bepaling beoogt voornamelijk de situatie te regelen waarbij een zaak die door een buitenlandse overheid wordt behandeld, nog niet in België lokaliseerbaar is en geen enkel parket van eerste aanleg derhalve reeds een opsporingsonderzoek opstartte. De federale procureur moet dan alle noodzakelijke dringende maatregelen nemen. Bijvoorbeeld kan gedacht worden aan ontvoeringen in het buitenland die zich naar België verplaatsen, aan terroristische dreigingen, aan internationaal bewaakte of gecontroleerde afleveringen met onbekende bestemming in België. Ook hier zal de federale procureur voortaan bijvoorbeeld, krachtens de artikelen 66 en 125 koninklijk besluit Tarief in strafzaken, zelf gemachtigd zijn buitengewone en door het koninklijk besluit niet bepaalde kosten te maken of een afschrift van een akte van onderzoek en rechtspleging af te leveren. In de hierboven vermelde voorbeelden wordt vooral gewag gemaakt van de artikelen 66 en 125 koninklijk besluit Tarief in strafzaken. Dit zullen in de praktijk inderdaad de gevallen zijn, waarin de federale procureur het vaakst de bevoegdheden, die deze artikelen aan de procureur-generaal toekennen, zelf zal uitoefenen. Dit sluit echter niet uit dat ook in andere gevallen, met name deze van de artikelen 7, 42, 51, 52, 60, 62, 63, 82, 135, 136 en 138 van het koninklijk besluit Tarief in strafzaken, de federale procureur deze bevoegdheden moet kunnen uitoefenen. Volledigheidshalve kan nog worden onderlijnd dat de bevoegdheden, die in het koninklijk besluit Tarief in strafzaken toegekend zijn aan de procureur des Konings, ook voor de federale procureur gelden, gelet op artikel 47ter, § 1 Wetboek van Strafvordering. Artikelsgewijze bespreking Artikel 1 : Dit artikel voorziet dat de federale procureur over dezelfde bevoegdheden beschikt als de procureur-generaal in het kader van de artikelen 7, 42, 51, 52, 60, 62, 63, 66, 82, 125, 135, 136 en 138 van het koninklijk besluit Tarif in strafzaken, wanneer hij optreedt krachtens artikel 144bis, § 2, 1° en 2° van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 47ter, § 2 van het Wetboek van Strafvordering. De voormelde bepalingen van het koninklijk besluit Tarief in strafzaken hebben betrekking op : - artikel 7 : de machtiging aan een vertaler om het tarief te overschrijden; - artikel 42 : de machtiging tot handhaving van sequestratie; - artikel 51 : de terugbetaling van verblijf- en reiskosten van magistraten voor zover zij niet van een dienstwagen of een dienstbiljet konden gebruik maken; - artikel 52 : verblijf- en reiskosten magistraten; - artikel 60 : bepaling van de kosten van tenuitvoerlegging van arresten van veroordeling tot doodstraf, levenslange dwangarbeid of levenslange hechtenis; - artikel 62 : vaststelling van de kosten voor vervoer van de stukken der rechtspleging en van de overtuigingstukken, alsmede de kosten voor overseining van telegrammen, het port van brieven en pakketten; - artikel 63 : vaststelling van de kosten voor sorteren en vervoeren van gerechtelijke archiefstukken; - artikel 66 : machtiging voor buitengewone en door het koninklijk besluit niet bepaalde kosten; - artikel 82 : kosten toegeschat op memories; - artikel 125 : machtiging tot het afleveren van een uitgifte of afschrift van akten van onderzoek en rechtspleging; - artikel 135 : aanwijzing van de persoon die met de tenuitvoerlegging van arresten in criminele zaken is belast; - artikel 136 : tenuitvoerlegging van arresten in criminele zaken; - artikel 138 : tenuitvoerlegging van arresten in criminele zaken. Artikel 2 : In dit artikel wordt de datum van inwerkingtreding van dit besluit bepaald. Artikel 3 : In dit artikel wordt bepaald welke minister met de uitvoering van het besluit wordt belast. De Minister van Justitie, M. VERWILGHEN ADVIES 34.870/2 VAN DE AFDELING WETGEVING VAN DE RAAD VAN STATE De Raad van State, afdeling wetgeving, tweede kamer, op 10 februari 2003 door de Minister van Justitie verzocht hem, binnen een termijn van ten hoogste drie dagen, van advies te dienen over een ontwerp van Koninklijk besluit "tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken", heeft op 12 februari 2003 het volgende advies gegeven : Overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996Relevante gevonden documenten type wet prom. 04/08/1996 pub. 21/10/1999 numac 1999015088 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en internationale samenwerking Wet houdende instemming met het Protocol tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Franse Republiek betreffende het kraamgeld, ondertekend te Brussel op 26 april 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 08/06/2005 numac 2005015073 bron federale overheidsdienst buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Gabon tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen, ondertekend te Brussel op 14 januari 1993 type wet prom. 04/08/1996 pub. 24/07/1997 numac 1996015142 bron ministerie van buitenlandse zaken, buitenlandse handel en ontwikkelingssamenwerking Wet houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Arabische Republiek Egypte tot het vermijden van dubbele belasting en het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Kaïro op 3 januari 1991 sluiten, moeten in de adviesaanvraag in het bijzonder de redenen worden aangegeven tot staving van het spoedeisende karakter ervan. In het onderhavige geval luidt die motivering in de brief met de adviesaanvraag : « ... dat het Federaal Parket ingevolge oprichting bij wet van 21 juni 2001Relevante gevonden documenten type wet prom. 21/06/2001 pub. 20/07/2001 numac 2001009458 bron ministerie van justitie Wet tot wijziging van verscheidene bepalingen inzake het federaal parket sluiten thans al operationeel is (sedert 21 mei 2002) en dat dienvolgens de voorzieningen ten behoeve van het Federaal Parket, zoals voorzien in het ontwerp, zo spoedig als mogelijk dienen genomen te worden. » Overeenkomstig artikel 84, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, bepaalt de Raad van State, afdeling Wetgeving, zich tot het onderzoek van de rechtsgrond, van de bevoegdheid van de steller van de handeling, alsmede van de vraag of aan de voorgeschreven vormvereisten is voldaan. Wat deze drie punten betreft, geeft het ontwerp aanleiding tot de volgende opmerkingen. Bevoegdheid van de steller van de handeling en rechtsgrond In advies 29.780/2, uitgebracht op 23 oktober 2000 over een ontwerp van koninklijk besluit "houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken", heeft de afdeling Wetgeving de aandacht van de steller van het ontwerp gevestigd op het feit dat verschillende bepalingen, waarvan sommige reeds voorkwamen in de huidige tekst van het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken, veel verder gingen dan gewone uitvoeringsmaatregelen voor de terugbetaling van kosten gemaakt op verzoek van de rechterlijke instanties en echte regels van strafprocesrecht vormden. In dat advies heeft de Raad van State onder meer bepalingen genoemd waarop het ontworpen artikel 144bis betrekking heeft, namelijk : 1° de regels betreffende de inbeslagneming van dieren, bederfbare goederen of voorwerpen die niet ter griffie kunnen worden neergelegd (artikelen 42 en 43 van het genoemde koninklijk besluit van 28 december 1950);2° de bepalingen betreffende de aanwijzing van de rechterlijke instanties die een voorafgaande machtiging moeten verlenen voor sommige buitengewone uitgaven wanneer die nodig zijn voor het opsporingsonderzoek of voor het gerechtelijk onderzoek van een bepaalde zaak (artikel 66 van het genoemde koninklijk besluit van 28 december 1950). Omtrent de rechtsgrond van zulke bepalingen heeft de afdeling Wetgeving het volgende geoordeeld : « Het koninklijk besluit van 28 december 1950 houdende algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken ontleent zijn rechtsgrond hoofdzakelijk aan de wet van 16 juni 1919 "waarbij aan de Regering machtiging wordt verleend om aan de bepalingen, betreffende de gerechtskosten in strafzaken, in burgerlijke zaken en in handelszaken wijzigingen toe te brengen ».
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.