23 JANUARI 2003. - Koninklijk besluit betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer ALBERT II, Koning der Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet. Gelet op de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van de consumenten, inzonderheid op artikel 4, § 1, gewijzigd bij de wet van 4 april 2001; Gelet op de Richtlijn 2000/9/EG betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer; Overwegende dat de betrokken partijen werden gehoord door de Europese Commissie, en dat dus het advies van de Commissie voor de veiligheid van de consumenten niet meer vereist is; Gelet op het advies 34.181/1 van de Raad van State, gegeven op 7 november 2002; Op de voordracht van Onze Minister van Consumentenzaken, Hebben Wij besloten en besluiten Wij : HOOFDSTUK I. - Algemeen Artikel 1.§ 1. Dit besluit is van toepassing op kabelbaaninstallaties voor personenvervoer. § 2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder : 1° « kabelbaaninstallaties voor personenvervoer » : installaties bestaande uit verschillende componenten, die ontworpen, gebouwd, geassembleerd en in bedrijf gesteld worden met het oog op het vervoer van personen. Bij deze op het betrokken terrein aangelegde installaties geschiedt het vervoer van personen met voertuigen of met sleeptoestellen, die worden voortgetrokken door en/of opgehangen zijn aan langsheen het tracé aangebrachte kabels; 2° « installaties » : een compleet op het betrokken terrein aangelegd systeem, bestaande uit infrastructuur en subsystemen.De infrastructuur, die speciaal voor iedere installatie wordt ontworpen en ter plaatse wordt aangelegd, omvat het tracé, de systeemdata, de voor de bouw en de werking van de installatie noodzakelijke stations- en lijnconstructies, met inbegrip van de funderingen; 3° « veiligheidscomponent » : een elementair onderdeel, een groep van onderdelen, een deelverzameling of een verzameling van materiaal alsmede elke inrichting, dat/die in de installatie ter waarborging van de veiligheid verwerkt is en in de veiligheidsanalyse geïdentificeerd is, en waarvan een defect of een werkingsfout een risico inhoudt voor de veiligheid of de gezondheid van personen, ongeacht of het passagiers, personeel of derden betreft;4° « opdrachtgever » : iedere natuurlijke of rechtspersoon voor wiens rekening een installatie wordt gebouwd;5° « bedrijfstechnische voorwaarden » : alle technische voorzieningen en maatregelen die van invloed zijn op het ontwerp en de uitvoering en die vereist zijn voor een veilige werking;6° « onderhoudtechnische voorwaarden » : alle technische voorzieningen en maatregelen die van invloed zijn op het ontwerp en de uitvoering en die vereist zijn voor het onderhoud ter verzekering van een veilige werking;7° « subsystemen » : de in bijlage I opgesomde onderdelen van een kabelbaaninstallatie;8° « Europese specificatie » : een gemeenschappelijke technische specificatie, een Europese technische goedkeuring of een nationale norm waarin een Europese norm omgezet is;9° « essentiële eisen » : de in bijlage II vermelde eisen die van toepassing zijn op de betrokken installatie, infrastructuur en subsystemen;10° « de Minister » : de Minister tot wiens bevoegdheid de bescherming van de veiligheid van de consumenten behoort;11° « de wet » : de wet van 9 februari 1994 betreffende de veiligheid van de consumenten. § 3. De in dit besluit beoogde installaties zijn : 1° kabelspoorwegen en andere installaties waarvan de voertuigen worden gedragen door wielen of door andere draagvoorzieningen en voortbewogen met één of meer kabels;2° zweefbanen waarvan de voertuigen worden gedragen en/of voortbewogen door één of meer kabels.Deze categorie omvat ook gondelbanen en stoeltjesliften; 3° skisleepliften die gebruikers welke met passende benodigdheden zijn uitgerust, langs kabels voorttrekken. § 4. Dit besluit is van toepassing op : - installaties die na de inwerkingtreding van dit besluit gebouwd en in bedrijf gesteld worden; - subsystemen en veiligheidscomponenten die na de inwerkingtreding van dit besluit in de handel gebracht worden. Indien belangrijke bestanddelen, subsystemen of veiligheidscomponenten van bestaande installaties zodanig worden gewijzigd dat een nieuwe vergunning tot inbedrijfstelling nodig is, dienen die wijzigingen en de gevolgen daarvan voor de installatie in haar geheel te voldoen aan de essentiële eisen. § 5. Van het toepassingsgebied van dit besluit zijn uitgesloten : - de liften in de zin van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998Relevante gevonden documenten type koninklijk besluit prom. 10/08/1998 pub. 11/09/1998 numac 1998012672 bron ministerie van economische zaken en ministerie van tewerkstelling en arbeid Koninklijk besluit tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten betreffende liften sluiten tot uitvoering van de richtlijn van het Europees Parlement en van de Raad van de Europese Unie van 29 juni 1995 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lid-Staten betreffende liften; - de traditioneel gebouwde kabeltrams; - de installaties die gebruikt worden voor landbouwdoeleinden; - de al dan niet vaste kermistoestellen en installaties in pretparken, die worden gebruikt voor vrijetijdsbesteding en niet voor personenvervoer; - mijnbouwinstallaties en installaties die aangelegd of gebruikt worden voor industriële doeleinden; - kabelponten; - tandradbanen; - met kettingen voortbewogen installaties. Art. 2.§ 1. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing onverminderd de reglementering die ter omzetting van andere communautaire bepalingen. De naleving van de essentiële eisen kan echter vereisen gebruik te maken van bijzondere Europese specificaties. § 2. De verwijzingen naar de nationale normen die worden gebruikt voor de omzetting van geharmoniseerde Europese normen, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad . § 3. Bij ontbreken van Europese geharmoniseerde normen stelt de Minister de betrokken partijen in kennis van de bestaande nationale normen en technische specificaties die belangrijk of nuttig worden geacht voor de juiste toepassing van de essentiële eisen. § 4. Aanvullende technische specificaties die noodzakelijk zijn ter vervollediging van de Europese specificaties of andere normen, mogen de essentiële eisen niet in het gedrang brengen. § 5. Wanneer de Minister van mening is dat de Europese specificaties niet geheel voldoen aan de essentiële eisen legt de Minister de kwestie voor aan de het comité bedoeld in artikel 17 van de Richtlijn 2000/9/EG betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer dat de Europese Commissie bijstaat. Art. 3.§ 1. De installaties en de bijbehorende infrastructuur, de subsystemen en de veiligheidscomponenten van een installatie voldoen aan de in bijlage II vermelde essentiële eisen welke daarop van toepassing zijn. § 2. Wanneer een nationale norm ter omzetting van een op Europees niveau geharmoniseerde norm beantwoordt aan de essentiële eisen, geldt het vermoeden dat volgens deze norm vervaardigde installaties en bijbehorende infrastructuur, subsystemen en veiligheidscomponenten van een installatie voldoen aan de desbetreffende essentiële eisen. Art. 4.§ 1. Elk installatieproject wordt op verzoek van de opdrachtgever of zijn gemachtigde onderworpen aan een veiligheidsanalyse als omschreven in bijlage III. Daarbij wordt rekening gehouden met alle veiligheidsaspecten van het systeem en van zijn omgeving in het kader van ontwerp, uitvoering en inbedrijfstelling en kunnen, op basis van de opgedane ervaring, de risico's worden onderkend die zich tijdens de werking kunnen voordoen. § 2. Aan de hand van de veiligheidsanalyse wordt een veiligheidsrapport opgesteld dat aangeeft welke maatregelen moeten worden genomen om risico's uit te sluiten en dat een lijst bevat van de veiligheidscomponenten en de subsystemen waarvoor de in hoofdstuk II ofwel hoofdstuk III bedoelde bepalingen gelden. HOOFDSTUK II. - Veiligheidscomponenten Art. 5.De veiligheidscomponenten mogen : - alleen in de handel worden gebracht indien zij de uitvoering mogelijk maken van installaties die aan de essentiële eisen voldoen; - alleen in bedrijf worden genomen indien zij de uitvoering mogelijk maken van installaties die, zolang zij naar behoren worden geïnstalleerd en onderhouden en volgens hun bestemming worden gebruikt, geen gevaar opleveren voor de veiligheid en de gezondheid van personen en eventueel de veiligheid van goederen. Art. 6.§ 1. De veiligheidscomponenten die zijn voorzien van de CE-markering van overeenstemming volgens het model van bijlage IX en die vergezeld zijn van een EG-verklaring van overeenstemming als bedoeld in bijlage IV, worden beschouwd als in overeenstemming zijnde met alle bepalingen van dit besluit. § 2. Voordat een veiligheidscomponent in de handel wordt gebracht, moet de producent of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde : 1° de veiligheidscomponent onderwerpen aan een overeenstemmingbeoordelingsprocedure volgens bijlage V, En 2° de CE-markering van overeenstemming op de veiligheidscomponent aanbrengen en een EG-verklaring van overeenstemming volgens bijlage IV opstellen. § 3. De overeenstemmingbeoordelingsprocedure voor een veiligheidscomponent wordt op verzoek van de producent of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde uitgevoerd door de in artikel 13 bedoelde aangemelde instantie die hij daartoe heeft gekozen. § 4. Ingeval de veiligheidscomponenten onderworpen zijn aan andere besluiten die op andere aspecten betrekking hebben en die voorzien in het aanbrengen van een CE-markering van overeenstemming, dan geeft deze markering aan dat de veiligheidscomponenten geacht worden ook in overeenstemming te zijn met de eisen van die andere besluiten. § 5. Indien noch de producent noch diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde aan de verplichtingen van de §§ 1 tot en met 4 heeft voldaan, rusten deze verplichtingen op eenieder die de veiligheidscomponent in de Gemeenschap in de handel brengt. Dezelfde verplichtingen gelden voor degene die veiligheidscomponenten voor eigen gebruik vervaardigt. HOOFDSTUK III. - Subsystemen Art. 7.De subsystemen mogen alleen in de handel worden gebracht indien zij de uitvoering mogelijk maken van installaties die aan de essentiële eisen voldoen. Art. 8.§ 1. Worden beschouwd als in overeenstemming zijnde met de dienovereenkomstige essentiële eisen, de subsystemen die vergezeld zijn van de EG-verklaring van overeenstemming volgens het model in bijlage VI en de in § 3 van dit artikel bedoelde technische documentatie. § 2. De EG-keuringsprocedure voor subsystemen wordt op verzoek van de producent of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde of, indien er geen gemachtigde is, op verzoek van de natuurlijke of rechtspersoon die het subsysteem in de handel brengt, ingeleid door de in artikel 13 bedoelde aangemelde instantie die de producent of diens gemachtigde of de natuurlijke of rechtspersoon daartoe heeft gekozen. De EG-verklaring van overeenstemming wordt opgesteld door de producent of diens gemachtigde of de natuurlijke of rechtspersoon, op grond van de in bijlage VII bedoelde EG-keuringsprocedure. § 3. De aangemelde instantie stelt het EG-keuringscertificaat op overeenkomstig bijlage VII en stelt de technische documentatie samen die bij het EG-keuringscertificaat wordt gevoegd. De technische documentatie moet alle noodzakelijke documenten bevatten met betrekking tot de kenmerken van het subsysteem alsook in voorkomend geval alle stukken tot staving van de overeenstemming van de veiligheidscomponenten. De technische documentatie dient tevens alle gegevens te bevatten betreffende de gebruiksvoorwaarden en -beperkingen en de voorschriften inzake onderhoud. HOOFDSTUK IV. - Installaties Art. 9.§ 1. De bouw en inbedrijfstelling van een installatie zijn onderworpen aan een vergunning door de Minister. § 2. De veiligheidscomponenten en subsystemen mogen alleen worden ingebouwd en in bedrijf gesteld indien zij ertoe bijdragen dat deze installaties, mits naar behoren geïnstalleerd en onderhouden en in overeenstemming met hun bestemming gebruikt, de veiligheid en de gezondheid van personen en eventueel de veiligheid van de goederen niet in gevaar kunnen brengen. § 3. De opdrachtgever of diens gemachtigde legt de veiligheidsanalyse, de EG-verklaringen van overeenstemming en de technische documentatie horende bij de subsystemen en de veiligheidscomponenten voor aan de Minister en bewaart een kopie daarvan bij de installatie. Art. 10.Installaties kunnen slechts in bedrijf worden gehouden wanneer zij voldoen aan de voorwaarden van het in artikel 4, § 2, bedoelde veiligheidsrapport. HOOFDSTUK V. - Vrijwaringmaatregelen Art. 11.§ 1. Wanneer er wordt vastgesteld dat een veiligheidscomponent, die voorzien is van de CE-markering van overeenstemming en vergezeld is van een EG-verklaring van overeenstemming, ofwel een subsysteem dat vergezeld is van een EG-verklaring van overeenstemming, en die in overeenstemming met zijn bestemming wordt gebruikt, gevaar kan opleveren, neemt de Minister alle maatregelen om de gebruiksomstandigheden voor deze veiligheidscomponent of dit subsysteem te beperken of het gebruik ervan te verbieden. De Minister stelt de Europese Commissie onmiddellijk van de getroffen maatregelen in kennis en geeft de redenen van zijn besluit aan, waarbij hij vermeldt of de niet-overeenstemming met name voortvloeit uit : 1° het niet beantwoorden aan de essentiële eisen;2° een verkeerde toepassing van de Europese specificaties, voor zover de toepassing van die specificaties wordt aangevoerd;3° een leemte in de Europese specificaties. § 2. Wanneer een veiligheidscomponent die voorzien is van de CE-markering van overeenstemming niet in overeenstemming blijkt te zijn, neemt de Minister passende maatregelen tegen degene die deze markering op de veiligheidscomponent heeft aangebracht en de EG-verklaring heeft opgesteld en stelt hij de Europese Commissie en de overige lid-Staten van de Europese Unie daarvan in kennis. § 3. Wanneer een subsysteem dat vergezeld is van de EG-verklaring van overeenstemming niet in overeenstemming blijkt te zijn, neemt de Minister passende maatregelen tegen degene die de verklaring heeft opgesteld en stelt hij de Europese Commissie en de overige lid-Staten van de Europese Unie daarvan in kennis. Art. 12.Wanneer er wordt vastgesteld dat een vergunde installatie die conform haar bestemming wordt gebruikt, een gevaar kan opleveren, neemt de Minister alle passende maatregelen om de gebruiksomstandigheden van deze installatie te beperken of de uitbating ervan te verbieden. HOOFDSTUK VI. - Aangemelde instanties Art. 13.§ 1. De Minister meldt bij de Europese Commissie en de overige lid-Staten van de Europese Unie de instanties aan die met de uitvoering van de overeenstemmingsbeoordelingsprocedure bedoeld in de artikelen 6 en 8 zijn belast, en vermeldt daarbij voor elke instantie de bevoegdheden. § 2. De in bijlage VIII opgenomen criteria worden gehanteerd voor de beoordeling van de aan te melden instanties. De instanties die voldoen aan de beoordelingscriteria welke in de relevante geharmoniseerde Europese normen zijn opgenomen, worden geacht aan de genoemde criteria te voldoen. § 3. Indien een Belgische aangemelde instantie niet meer voldoet aan de criteria van bijlage VIII, trekt de Minister zijn aanmelding in. Hij brengt de Europese Commissie en de overige lid-Staten van de Europese Unie daarvan onverwijld op de hoogte. HOOFDSTUK VII. - CE-markering van overeenstemming Art. 14.§ 1. De CE-markering van overeenstemming bestaat uit de initialen « C » in de grafische vorm van bijlage IX. § 2. De CE-markering van overeenstemming moet zichtbaar en leesbaar worden aangebracht op iedere veiligheidscomponent of indien dit niet mogelijk is, op een vast aan de component bevestigd etiket. § 3. Het is verboden om op veiligheidscomponenten merktekens aan te brengen waardoor er bij derden verwarring kan ontstaan ten aanzien van de betekenis en de vorm van de CE-markering van overeenstemming. Er kunnen andere merktekens worden aangebracht, mits zij de zichtbaarheid en de leesbaarheid van de CE-markering niet verminderen. § 4. Onverminderd artikel 11 : 1° ontstaat, wanneer er wordt vastgesteld dat de CE-markering ten onrechte is aangebracht, voor de producent van de veiligheidscomponent of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde, de verplichting om het product weer in overeenstemming te brengen met de voor de CE-markering geldende bepalingen en een einde te maken aan de overtreding;2° indien de tekortkoming blijft bestaan, worden alle maatregelen genomen om het in de handel brengen van de betrokken veiligheids-component te beperken of te verbieden of zich te verzekeren van de uit de handel name ervan, overeenkomstig de artikelen 4 en 5 van de wet. HOOFDSTUK VIII. - Slotbepaling Art. 15.Installaties waarvoor een vergunning is verleend maar waarvan de aanleg vóór de datum van inwerkingtreding van dit besluit nog niet is aangevangen, dienen aan de bepalingen van dit besluit te voldoen, tenzij de Minister hierover anders beslist, onder opgave van redenen, doch zonder afstand te nemen van een even hoog beschermingsniveau. Art. 16.Worden aanvaard tot 3 mei 2004 : - de bouw en inbedrijfstelling van installaties; - het in de handel brengen van subsystemen en veiligheidscomponenten, die in overeenstemming zijn met de voorschriften die gelden vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Art. 17.Onze Minister tot wiens bevoegdheid de Consumentenzaken behoren, is belast met de uitvoering van dit besluit. Gegeven te Brussel, 23 januari 2003. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Consumentenzaken, J. TAVERNIER BIJLAGE I SUBSYSTEEM VAN EEN INSTALLATIE Voor de toepassing van het koninklijk besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer wordt een installatie onderverdeeld in infrastructuur en de volgende subsystemen, waarbij telkens rekening wordt gehouden met de bedrijfstechnische en onderhoudstechnische voorwaarden : 1. Kabels en kabelverbindingen 2.Aandrijving en remmen 3. Mechanische inrichtingen 3.1. Kabelspaninrichtingen 3.2. Mechanische inrichtingen in de stations 3.3. Mechanische inrichtingen van de lijn 4. Voertuigen 4.1. Passagiersruimten, stoelen of sleeptoestellen 4.2. Ophanging 4.3. Loopwerk 4.4. Verbindingen met de kabel 5. Elektrotechnische inrichtingen 5.1. Bedienings-, controle- en veiligheidsinrichtingen 5.2. Communicatie- en informatievoorzieningen 5.3. Bliksemafleiding 6. Ontruimingsinrichtingen 6.1. Vaste ontruimingsinrichtingen 6.2. Mobiele ontruimingsinrichtingen Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Consumentenzaken, J. TAVERNIER BIJLAGE II ESSENTIELE EISEN 1. Onderwerp In deze bijlage worden de essentiële eisen vastgesteld die van toepassing zijn op het ontwerp, de bouw en de inbedrijfstelling van installaties in de zin van artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer, inclusief de bedrijfstechnische en onderhoudstechnische voorwaarden. 2. Algemene eisen 2.1. Veiligheid van personen De veiligheid van passagiers, personeel en derden is een fundamentele vereiste bij het ontwerp, de aanleg en de exploitatie van installaties. 2.2. Veiligheidsbeginselen Bij het ontwerp, de aanleg, het bedrijf en het onderhoud van een installatie moeten de volgende beginselen in de aangegeven volgorde worden toegepast : - door passende ontwerp- en bouwvoorzieningen risico's uitsluiten of tenminste beperken; - voor risico's die niet door ontwerp- en bouwvoorzieningen kunnen worden uitgesloten de nodige beveiligingsmaatregelen vaststellen; - voor de risico's die door de in het eerste en tweede streepje bedoelde maatregelen niet volledig kunnen worden uitgesloten, voorzorgsmaatregelen vaststellen en bekendmaken. 2.3. Invloed van externe factoren Installaties moeten zo worden ontworpen en gebouwd dat zij op veilige wijze kunnen worden bediend met inachtneming van het type installatie, de kenmerken van het terrein en van de omgeving, de atmosferische en meteorologische omstandigheden, nabijgelegen constructies en mogelijke obstakels op de grond en in de lucht. 2.4. Dimensionering De installatie, de subsystemen en alle veiligheidscomponenten moeten zodanig worden gedimensioneerd, ontworpen en uitgevoerd dat zij op een voldoende veiligheidsniveau bestand zijn tegen alle voorzienbare belastingen - ook buiten bedrijf - waarbij met name rekening moet worden gehouden met externe factoren, dynamische effecten, moeheidverschijnselen evenals met de stand van de techniek. Dit geldt ook voor de materiaalkeuze. 2.5. Montage 2.5.1. De installatie, de subsystemen en alle veiligheidscomponenten moeten zodanig worden ontworpen en uitgevoerd dat zij veilig kunnen worden geassembleerd en gemonteerd. 2.5.2. De veiligheidscomponenten moeten zodanig worden ontworpen dat assemblagefouten door de constructie of door passende merktekens op de veiligheidscomponenten, worden voorkomen. 2.6. Betrouwbaarheid van de installatie 2.6.1. De veiligheidscomponenten dienen zo te worden ontworpen en uitgevoerd en gebruikt dat de veilige werking van deze componenten en/of de veiligheid van de installatie overeenkomstig de in bijlage III bedoelde veiligheidsanalyse in alle gevallen wordt gewaarborgd opdat een defect hoogst onwaarschijnlijk is en met een passende veiligheidsmarge. 2.6.2. De installatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd, dat tijdens de werking tijdig passende maatregelen kunnen worden getroffen in geval van een defect van een component dat direct of indirect van invloed kan zijn op de veiligheid. 2.6.3. De in de punten 2.6.1 en 2.6.2 bedoelde veiligheidsgaranties moet van toepassing zijn op elk willekeurig tijdsinterval tussen twee geplande inspecties van de betrokken component. De tijdsintervallen tussen de inspecties van de veiligheidscomponenten moeten in de gebruiksaanwijzing duidelijk worden vermeld. 2.6.4. Veiligheidscomponenten die als reserveonderdeel worden gemonteerd, moeten voldoen aan de essentiële eisen van het koninklijk besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer alsmede aan de voorwaarden voor een goede wisselwerking met andere onderdelen van de installatie. 2.6.5. Maatregelen moeten worden getroffen om te voorkomen dat brand in de installatie gevaar oplevert voor de vervoerde personen en het personeel. 2.6.6. Er moeten maatregelen worden getroffen voor de bescherming van de installatie en van personen tegen de bliksem. 2.7. Veiligheidsvoorzieningen 2.7.1. Defecten in de installatie die tot een gevaarlijke storing kunnen leiden moeten in de mate van het mogelijke worden gedetecteerd, gesignaleerd en door een veiligheidsvoorziening worden verwerkt. Hetzelfde geldt voor normaal voorzienbare gebeurtenissen van buitenaf die de veiligheid in gevaar kunnen brengen. 2.7.2. De installatie moet te allen tijde via handbediening kunnen worden stilgelegd. 2.7.3. Wanneer de installatie door een veiligheidsvoorziening is stilgelegd, mag zij niet weer in werking kunnen worden gesteld zonder dat passende maatregelen zijn getroffen. 2.8. Onderhoudstechnische voorwaarden De installatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zowel geplande als niet-geplande controles en herstellingen veilig kunnen worden verricht. 2.9. Hinderfactoren De installatie moet zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat schade of hinder door uitstootgassen, geluid en trillingen onder het vastgestelde maximum blijven. 3. Infrastructurele eisen 3.1. Tracé, snelheid, afstand tussen de voertuigen 3.1.1. De installatie moet zodanig zijn ontworpen dat zij, door inachtneming van de kenmerken van het terrein en van de omgeving, de atmosferische en meteorologische omstandigheden, nabijgelegen constructies en mogelijke obstakels op de grond en in de lucht, veilig kan functioneren en geen enkel gevaar vormt, zulks in alle bedrijfs-, onderhouds- of reddingsomstandigheden. 3.1.2. Tussen de voertuigen, sleepinrichtingen, geleiderails, kabels enz. en alle nabijgelegen constructies op de grond en in de lucht en mogelijke obstakels moet zijdelings en verticaal in voldoende ruimte worden voorzien, waarbij rekening moet worden gehouden met bewegingen van de kabels en de voertuigen of de sleepinrichtingen in zijdelingse, verticale of lengterichting, steeds uitgaande van de meest ongunstige voorzienbare bedrijfsomstandigheden. 3.1.3. Voor de maximale afstand tussen de voertuigen en de grond moet rekening gehouden worden met de aard van de installatie, het type voertuigen en de ontruimingsmogelijkheden; voor open voertuigen moet ook worden gelet op valrisico's en op de psychologische aspecten die samenhangen met de hoogte. 3.1.4. De maximale snelheid van de voertuigen en de sleepinrichtingen, de minimale onderlinge afstand en het versnelling- en afremmingvermogen moeten zo zijn gekozen dat de veiligheid van personen en de correcte werking van de installatie gewaarborgd zijn. 3.2. Stations en lijnconstructies 3.2.1. De stations en lijnconstructies moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd en uitgerust dat zij stabiel zijn. Zij moeten in alle mogelijke bedrijfsomstandigheden een veilige geleiding van kabels, voertuigen en sleepinrichtingen alsmede veilig onderhoud mogelijk maken. 3.2.2. De in- en uitstapzones van de installatie moeten zodanig zijn ingericht dat het verkeer van voertuigen en sleepinrichtingen en personen veilig kan verlopen. In het bijzonder moeten de voertuigen en sleepinrichtingen in de stations kunnen voortbewegen zonder gevaar voor personen, waarbij rekening gehouden moet worden met hun eventuele actieve deelneming. 4. Eisen ten aanzien van de kabels, aandrijving en de remmen en de mechanische en elektrische installaties 4.1. Kabels en kabelsteunen 4.1.1. Alle technische mogelijke voorzieningen dienen te worden getroffen om : - een breuk van de kabels en de bevestigingspunten te vermijden; - de maximale belasting effectief mogelijk te maken; - de goede geleiding van de kabels te verzekeren en ontsporing te voorkomen; - het controleren van de kabels mogelijk te maken. 4.1.2. Indien het gevaar van ontsporing van de kabels niet volledig kan worden weggenomen, moeten maatregelen worden getroffen opdat in geval van ontsporing de kabels worden opgevangen en de installatie wordt stopgezet zonder gevaar voor personen. 4.2. Mechanische installaties 4.2.1. Aandrijving De aandrijving van een installatie moet uit een oogpunt van prestaties en inzetbaarheid aangepast zijn aan de verschillende bedrijfstoestanden en -omstandigheden. 4.2.2. Noodaandrijving Er moet een noodaandrijving zijn met een energievoorziening die onafhankelijk is van die van de hoofdaandrijving, tenzij uit de risicobeoordeling blijkt dat een noodaandrijving niet noodzakelijk is voor een eenvoudige, snelle en veilige evacuatie van gebruikers uit voertuigen en sleepinrichtingen. 4.2.3. Remsysteem 4.2.3.1. De installatie en/of de voertuigen moet/moeten in geval van nood op elk moment tot stilstand kunnen worden gebracht, ook bij de meest ongunstige toegelaten belastings- en wrijvingsomstandigheden voor de aandrijfschijf. De remweg moet zo kort zijn als de veiligheid van de installatie vereist. 4.2.3.2. De afremming moet binnen passende grenzen gebeuren, zodanig dat de veiligheid van de gebruikers en een goede reactie van de voertuigen, kabels en overige onderdelen van de installatie gewaarborgd zijn. 4.2.3.3. Alle installaties moeten zijn uitgerust met twee of meer remsystemen die elk afzonderlijk de installatie tot stilstand kunnen brengen en zodanig zijn gecoördineerd, dat het systeem dat in werking is automatisch wordt vervangen wanneer het niet meer afdoende functioneert. Het laatste remsysteem van de trekkabel moet rechtstreeks op de aandrijfschijf werken. Deze voorschriften gelden niet voor sleepliften. 4.2.3.4. De installatie moet voorzien zijn van een doeltreffende stop- en stillegginginrichting die het onmogelijk maakt dat de installatie voortijdig weer in werking wordt gesteld. 4.3. Bedieningsinrichtingen De bedieningsinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat zij bedrijfszeker en betrouwbaar functioneren en bestand zijn tegen de normale bedrijfsbelasting en externe invloeden zoals vochtigheid, temperatuur of elektromagnetische storingen, en dat zelfs bij bedieningsfouten geen gevaarlijke situaties ontstaan. 4.4. Communicatie-inrichtingen Het personeel van de installatie moet via geschikte inrichtingen permanent onderling kunnen communiceren en in noodgevallen de gebruikers behoorlijk kunnen instrueren. 5. Voertuigen en sleepinrichtingen 5.1. De voertuigen en/of sleepinrichtingen moeten zodanig zijn ontworpen en ingericht dat de gebruikers er in voorzienbare gebruiks-omstandigheden niet kunnen uitvallen en geen andere gevaren lopen. 5.2. De bevestiging van de voertuigen en sleepinrichtingen aan de kabel moeten zodanig zijn gedimensioneerd en uitgevoerd dat ook in de minst gunstige omstandigheden : - de kabel niet wordt beschadigd; - de bevestiging niet kan verschuiven, tenzij dat geen noemenswaardig gevaar oplevert voor de veiligheid van het voertuig, de sleepinrichting en de installatie. 5.3. De deuren van de voertuigen (gondels, cabines) moeten gesloten en vergrendeld kunnen worden. De vloer en de wanden van de voertuigen moeten zodanig ontworpen en gebouwd zijn dat zij in alle omstandigheden bestand zijn tegen de door de gebruikers uitgeoefende druk en belasting. 5.4. Indien voor de bedrijfsveiligheid de aanwezigheid van een personeelslid aan boord is vereist, dient het voertuig te zijn voorzien van alle uitrusting voor het uitoefenen van diens functie. 5.5. De voertuigen en/of sleepinrichtingen en met name de ophanging moeten zodanig zijn ontworpen en uitgevoerd dat de veiligheid van de personeelsleden die er volgens de toepasselijke regels en voorschriften werkzaam zijn, verzekerd is. 5.6. Bij voertuigen met een loskoppelbare bevestiging moeten alle maatregelen worden getroffen opdat slecht vastgekoppelde voertuigen of bij aankomst niet losgekoppelde voertuigen nog vóór het vertrek en zonder gevaar voor de gebruikers tot stilstand kunnen worden gebracht en het neerstorten verhinderd wordt. 5.7. Voertuigen van kabelspoorwegen en, wanneer het type installatie zulks toelaat, van pendelbanen met twee kabels moeten voorzien zijn van een op de rails werkende automatische reminrichting, indien de mogelijkheid van een breuk van de bewegende kabel niet redelijkerwijs kan worden uitgesloten. 5.8. Wanneer het gevaar voor ontsporing van het voertuig door andere maatregelen niet volledig kan worden uitgesloten, moet het voertuig worden uitgerust met een voorziening die het ontsporen belet en waardoor het zonder gevaar voor personen tot stilstand kan worden gebracht. 6. Voorzieningen voor de gebruikers De toegang tot de in- en uitstapplaats evenals het in- en uitstappen zelf moet met inachtneming van de omloop en de stilstand van de voertuigen zodanig zijn georganiseerd, dat de veiligheid van personen, in het bijzonder op plaatsen waar een valrisico bestaat, gewaarborgd is.Kinderen en personen met een verminderde mobiliteit moeten de installatie op veilige wijze kunnen gebruiken wanneer de vervoerdienst ook voor hen is bestemd. 7. Bedrijfstechnische voorwaarden 7.1. Veiligheid 7.1.1. Alle nodige technische voorzieningen en maatregelen moeten worden getroffen opdat de installatie overeenkomstig haar bestemming, haar technische specificaties en de vastgestelde gebruiksvoorwaarden kan worden gebruikt, en opdat de voorschriften voor een veilige werking en regelmatig onderhoud kunnen worden nageleefd. De handleiding en dienovereenkomstige voorschriften worden opgesteld in de officiële taal of talen van de Gemeenschap die de lidstaat op wiens grondgebied de installatie wordt aangelegd overeenkomstig het Verdrag kan aanwijzen. 7.1.2. De met de bediening van de installatie belaste personen, die voor deze taak geschikt moeten zijn, moeten gepaste werkmiddelen ter beschikking worden gesteld. 7.2. Veiligheid bij stilvallen van de installatie Er dienen technische voorzieningen en maatregelen te worden getroffen zodat de gebruikers in geval van een storing van de installatie die niet meteen kan worden verholpen, binnen een - afhankelijk van het type installatie en de omgeving - redelijke tijd in veiligheid kunnen worden gebracht. 7.3. Overige bijzondere veiligheidsvoorzieningen 7.3.1. Bedieningsposten en werkruimten Bewegende delen van de installatie die in de stations normaal bereikbaar zijn, moeten zodanig zijn ontworpen, uitgevoerd en geïnstalleerd, dat alle risico's worden vermeden; is dit niet mogelijk, dan moeten beveiligingsvoorzieningen worden aangebracht om elke rechtstreekse aanraking van delen van de installatie die tot ongevallen kan leiden te voorkomen. Deze voorzieningen mogen niet gemakkelijk los te maken of te omzeilen zijn. 7.3.2. Valgevaar De voor werkzaamheden en andere ingrepen bestemde posten en zones en de toegang daartoe moeten, zelfs wanneer zij slechts incidenteel worden gebruikt, zodanig zijn ontworpen en ingericht dat de personen die zich daar bevinden, niet kunnen vallen. Is deze valbeveiliging niet toereikend, dan moeten de posten bovendien zijn voorzien van bevestigingspunten voor een persoonlijke veiligheidsuitrusting. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Consumentenzaken, J. TAVERNIER BIJLAGE III VEILIGHEIDSANALYSE Bij de veiligheidsanalyse die voor alle installaties in de zin van artikel 1, § 2, van het besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer dient te worden uitgevoerd, moet rekening worden gehouden met alle beoogde gebruikswijzen. De analyse moet vakkundig en volgens een erkende of gevestigde methode worden uitgevoerd waarbij rekening wordt gehouden met de complexiteit van de installatie. Het doel is ook te waarborgen dat in het ontwerp en de uitvoering van de voorgestelde installatie rekening is gehouden met de plaatselijke omgeving en met de meest ongunstige omstandigheden, teneinde een bevredigend veiligheidsniveau te garanderen. De veiligheidsanalyse heeft met name betrekking op de veiligheidsvoorzieningen en de werking ervan op de installatie en de met die inrichtingen verbonden subsystemen, zodat zij : - bij een eerste teken van defect of storing kunnen reageren en de installatie in gegarandeerde veiligheid (fail safe) kan doorlopen of stilvallen, Of - redundant zijn en gecontroleerd worden, Of - van dien aard zijn, dat de defectwaarschijnlijkheid ervan kan worden berekend en zij van een veiligheidsniveau zijn dat vergelijkbaar is met dat van de veiligheidsvoorzieningen die voldoen aan in het eerste en tweede streepje bedoelde criteria. Op basis van de veiligheidsanalyse wordt een inventaris opgemaakt van de risico's en gevaarlijke situaties alsmede de lijst van veiligheidscomponenten. Het resultaat van de veiligheidsanalyse moet in een veiligheidsrapport worden samengevat. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Consumentenzaken, J. TAVERNIER BIJLAGE IV VEILIGHEIDSCOMPONENTEN : EG-VERKLARING VAN OVEREENSTEMMING Deze bijlage is van toepassing op de in artikel 1, § 2, van het koninklijk besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer bedoelde veiligheidscomponenten, teneinde vast te stellen dat deze voldoen aan de desbetreffende essentiële eisen. De EG-verklaring van overeenstemming en de begeleidende documenten dienen te zijn gedateerd en ondertekend. De verklaring dient te zijn opgesteld in dezelfde taal/talen als de in bijlage II, punt 7.1.1., bedoelde handleiding. De handleiding moet in dezelfde taal of talen zijn opgesteld. De verklaring dient de volgende gegevens te bevatten : - referentie van de Richtlijn 2000/9/EG; - naam, firmanaam en volledig adres van de producent of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde. Bij gemachtigden dient ook de naam, de firmanaam en het volledige adres van de producent te worden aangegeven; - beschrijving van de component (merk, type, enz.); - gevolgde procedure voor de verklaring van overeenstemming; - alle toepasselijke bepalingen waaraan de component moet voldoen, met name die in verband met het gebruik; - naam en adres van de bij de conformiteitsbeoordelingsprocedure betrokken aangemelde instantie(s), datum waarop het EG-keuringscertificaat is afgegeven, met in voorkomend geval de geldigheidsduur en -voorwaarden van het certificaat; - in voorkomend geval, de referentie van de toepasselijke geharmoniseerde specificaties; - identiteit van de ondertekenaar die gemachtigd is verplichtingen aan te gaan voor de producent of diens in de Gemeenschap gevestigde gemachtigde. Gezien om te worden gevoegd bij Ons besluit van 23 januari 2003 betreffende kabelbaaninstallaties voor personenvervoer. ALBERT Van Koningswege : De Minister van Consumentenzaken, J. TAVERNIER BIJLAGE V VEILIGHEIDSCOMPONENTEN : OVEREENSTEMMINGSBEOORDELING 1. Toepassingsgebied Deze bijlage is van toepassing op de veiligheidscomponenten, teneinde te beoordelen of deze voldoen aan de essentiële eisen.Deze bijlage heeft betrekking op de beoordeling door (een) aangemelde instantie(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.