← België

Wet houdende instemming met het herziene Europees Sociaal Handvest en met de Bijlage, gedaan te Straatsburg op 3 mei 1996 (2)

Wet houdende instemming met het herziene Europees Sociaal Handvest en met

Bijlage, gedaan te Straatsburg op 3 mei 1996

(1)
(2)ALBERT II, Koning

r Belgen, Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt : Artikel 1.

ze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van

Grondwet. Art. 2.Het herziene Europees Sociaal Handvest en

Bijlage, gedaan te Straatsburg op 3 mei 1996, zullen volkomen gevolg hebben. Kondigen

ze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. Gegeven te Brussel, 15 maart 2002. ALBERT Van Koningswege :

Minister van Buitenlandse Zaken, L. MICHEL

Minister van Werkgelegenheid, Mevr. L. ONKELINX

Minister van Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie, J. VANDE LANOTTE

Minister van Volksgezondheid, Mevr. M. AELVOET

Minister van Binnenlandse Zaken, A. DUQUESNE

Minister van Sociale Zaken en Pensioenen, F. VANDENBROUCKE

Minister van Ambtenarenzaken, L. VAN

N BOSSCHE

Minister van Landsverdediging, A. FLAHAUT

Minister van Justitie, M. VERWILGHEN

Minister toegevoegd aan

Minister van Buitenlandse Zaken, Mevr. A. NEYTS-UYTTEBROECK Met 's Lands zegel gezegeld :

Minister van Justitie, M. VERWILGHEN _______ Nota's

(1)Zitting 2000-
  1. Senaat. Documenten. - Ontwerp van wet ingediend op 9 juli 2001, nr. 2-838/
  2. Zitting 2001-
  3. Senaat. Documenten. - Verslag, nr. 2-838/
  4. Parlementaire handelingen. - Bespreking en stemming. Vergadering van 29 november
  5. Kamer van volksvertegenwoordiger. Documenten. - Tekst overgezonden door

Senaat, nr. 50-1536/1. - Tekst aangenomen in plenaire vergadering en aan

Koning ter bekrachtiging voorgelegd, nr. 50-1536/2. Parlementaire handelingen. - Bespreking. Vergadering van 18

cember 2001. - Stemming.Vergadering van 20

cember 2001.

(2)Zie

creet van

Vlaamse Gemeenschap/het Vlaams Gewest van 28 februari 2003 (Belgisch Staatsblad van 21 maart 2003),

creet van

Franse Gemeenschap van 5 mei 1999 (Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1999 - Ed.1),

creet van

Duitstalige Gemeenschap van 25 juni 2001 (Belgisch Staatsblad van 9 augustus 2001),

creet van het Waalse Gewest van 4

cember 2003 (Belgisch Staatsblad van 16

cember 2003), Ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 22 april 1999 (Belgisch Staatsblad van 22 oktober 1999) en Ordonnantie van

Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 20 juli 2000 (Belgisch Staatsblad van 9 september 2000). Het Herziene Europees Sociaal Handvest PREAMBULE

ondertekenende Regeringen, leden van

Raad van Europa, Overwegende dat het doel van

Raad van Europa het tot stand brengen is van een grotere eenheid tussen zijn leden teneinde

idealen en beginselen welke hun gemeenschappelijk erfdeel zijn, veilig te stellen en te verwezenlijken en hun economische en sociale vooruitgang te bevorderen, in het bijzonder door

handhaving en verdere verwezenlijking van

rechten van

mens en van

fundamentele vrijheden; Overwegende dat in het op 4 november 1950 te Rome ondertekende Verdrag tot bescherming van

rechten van

mens en

fundamentele vrijheden en

daarbij behorende Protocollen,

lid-Staten van

Raad van Europa zijn overeengekomen dat zij hun volkeren

daarin opgesomde burgerlijke en politieke rechten en vrijheden zouden waarborgen; Overwegende dat door het op 18 oktober 1991 te Turijn voor ondertekening opengestelde Europees Sociaal Handvest en

Protocollen,

lid-Staten van

Raad van Europa zijn overeengekomen dat zij hun volkeren

daarin opgesomde sociale rechten zouden waarborgen teneinde hun levenspeil te verhogen en hun welzijn te bevorderen, Eraan herinnerend dat door

op 5 november 1990 te Rome gehouden Ministeriële Conferentie over

rechten van

mens enerzijds werd gewezen op

noodzaak om het onverbrekelijk karakter van alle rechten van

mens, zowel

burgerlijke, politieke, economische, sociale als culturele rechten te behouden en anderzijds op

noodzaak om aan het Europees Sociaal Handvest een nieuwe impuls te geven; Vastbesloten, zoals op

op 21 en 22 oktober 1991 te Turijn bijeengekomen Ministeriële Conferentie werd besloten,

materiële inhoud van het Handvest bij te werken en aan te passen teneinde in het bijzonder rekening te houden met fundamentele sociale veranderingen die zich sedert

aanneming ervan hebben voorgedaan; Erkennende dat het nuttig is om in het herziene Handvest, dat bestemd is om geleidelijk aan het Europees Sociaal Handvest te vervangen,

rechten gewaarborgd door het Handvest, zoals ze zijn geamendeerd en

ze gewaarborgd door het Additioneel Protocol van 1988 op te nemen en er nieuwe rechten aan toe te voegen, Zijn als volgt overeengekomen :

EL I

Partijen stellen zich ten doel met alle passende middelen, zowel op nationaal als internationaal terrein, zodanige voorwaarden te scheppen dat

hiernavolgende rechten en beginselen daadwerkelijk kunnen worden verwezenlijkt :

  1. Eenieder dient in staat te worden gesteld in zijn onderhoud te voorzien door werkzaamheden die hij vrijelijk heeft gekozen.
  2. Alle werknemers hebben recht op billijke arbeidsvoorwaarden.
  3. Alle werknemers hebben recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden.
  4. Alle werknemers hebben recht op een billijke beloning welke hen en hun gezin een behoorlijk levenspeil waarborgt.
  5. Alle werknemers en werkgevers hebben recht op vereniging in nationale of internationale organisaties voor

bescherming van hun economische en sociale belangen.

  1. Alle werknemers en werkgevers hebben het recht collectief te onderhandelen.
  2. Kinderen en jeugdige personen hebben recht op een bijzondere bescherming tegen

gevaren voor lichaam en geest waaraan zij blootstaan.

  1. Werkneemsters hebben in geval van zwangerschap recht op een speciale bescherming.
  2. Eenieder heeft recht op een doelmatige beroepskeuzevoorlichting, die erop gericht is hem bij te staan bij

keuze van een beroep dat strookt met zijn persoonlijke opleiding en belangstelling.

  1. Eenieder heeft recht op een doelmatige vakopleiding.
  2. Eenieder heeft het recht om gebruik te maken van alle voorzieningen welke hem in staat stellen in een zo goed mogelijke gezondheid te verkeren.
  3. Alle werknemers en personen te hunnen laste hebben recht op sociale zekerheid.
  4. Eenieder die geen voldoende middelen van bestaan heeft, heeft recht op sociale zekerheid en geneeskundige bijstand.
  5. Eenieder heeft recht op bijstand door diensten van sociaal welzijn.
  6. Iedere minder-valide heeft recht op zelfstandigheid, op sociale integratie en op

elname aan

samenleving.16. Het gezin als fundamentele maatschappelijke eenheid heeft recht op een voor zijn volledige ontplooiing doelmatige, sociale, wettelijke en economische bescherming.17.

kinderen en adolescenten hebben recht op een passende sociale, wettelijke en economische bescherming.18.

onderdanen van een Partij hebben het recht op het grondgebied van een andere Partij een op winst gerichte bezigheid uit te oefenen op grond van gelijkheid met

onderdanen van laatstgenoemde Partij behoudens beperkingen op grond van economische of sociale redenen van dringende aard.

  1. Migrerende werknemers die onderdaan van een Partij zijn alsmede hun gezinnen hebben recht op bescherming en bijstand op het grondgebied van elke andere Partij.
  2. Alle werknemers hebben recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht.
  3. Werknemers hebben recht op informatie en overleg binnen

onderneming.22. Werknemers hebben het recht

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving binnen

onderneming 23.Iedere oudere heeft recht op sociale bescherming.

  1. Alle werknemers hebben recht op bescherming in geval van ontslag.
  2. Alle werknemers hebben recht op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever.
  3. Alle werknemers hebben recht op waardigheid bij

arbeidstaak.27. Iedereen die gezinsverantwoordelijkheid draagt en die een baan uitoefent of wenst uit te oefenen heeft het recht dit te doen zonder aan discriminaties te worden blootgesteld en in

mate van het mogelijke zonder dat er een onverenigbaarheid ontstaat tussen het uitoefenen van zijn baan en het dragen van gezinsverantwoordelijkheid.28.

werknemersvertegenwoordigers in

onderneming hebben recht op bescherming tegen

daden die hen schade zouden kunnen berokkenen en moeten over

passende mogelijkheden beschikken om hun functies uit te oefenen.29. Alle werknemers hebben het recht om geïnformeerd en geraadpleegd te worden bij

procedures inzake collectief ontslag.

  1. Iedereen heeft recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting.
  2. Iedereen heeft recht op huisvesting.

EL II

Partijen verbinden zich, overeenkomstig het bepaalde in

el III, zich gebonden te achten door

verplichtingen, vervat in

hiernavolgende artikelen en leden. Recht op Arbeid Artikel 1.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op arbeid te waarborgen verbinden

Partijen zich : 1.

totstandbrenging en handhaving van een zo hoog en stabiel mogelijk werkgelegenheidspeil, met het oogmerk een volledige werkgelegenheid te verwezenlijken, als een hunner voornaamste doelstellingen en verantwoordelijkheden te beschouwen;2. het recht van

werknemer om in zijn onderhoud te voorzien door vrijelijk gekozen werkzaamheden daadwerkelijk te beschermen;

  1. kosteloze arbeidsbemiddelingsdiensten in te stellen of in stand te houden voor alle werknemers;
  2. te zorgen voor doelmatige beroepskeuzevoorlichting, vakopleiding en revalidatie en

ze te bevorderen. Recht op billijke arbeidsvoorwaarden Art. 2.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op billijke arbeidsvoorwaarden te waarborgen verbinden

Partijen zich : 1. redelijke dagelijkse en wekelijkse arbeidstijden vast te stellen, waarbij

werkweek geleidelijk dient te worden verkort voorzover

vermeerdering

r productiviteit en andere van invloed zijnde factoren zulks toelaten;

  1. voor algemeen erkende feestdagen behoud van loon te waarborgen;
  2. een jaarlijks verlof van ten minste twee weken met behoud van loon te waarborgen;4.

risico's weg te werken die inherent zijn aan

gevaarlijke of voor

gezondheid schadelijke werkzaamheden en wanneer die risico's niet zijn weggewerkt of onvoldoende zijn verkleind voor

werknemers die

rgelijke werkzaamheden verrichten, hetzij een verkorting van

arbeidsduur, hetzij bijkomende vrije dagen met behoud van loon te waarborgen;5. een wekelijkse rusttijd te waarborgen, die zoveel mogelijk samenvalt met

dag die volgens

traditie of gewoonte in het betrokken land of in

betrokken streek als rustdag wordt erkend;6. erop toe te zien dat

werknemers zo snel mogelijk schriftelijk en ieder geval uiterlijk twee maanden na het aanvangen van hun arbeidstaak worden geïnformeerd over

belangrijkste punten van

arbeidsovereenkomst of -verhouding;7. ervoor te zorgen dat

werknemers die nachtarbeid verrichten maatregelen genieten die rekening houden met

bijzondere aard van dat soort arbeid. Recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden Art. 3.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden te waarborgen, verbinden

Partijen er zich in overleg met

werkgevers- en werknemersorganisaties toe : 1. een coherent nationaal beleid inzake veiligheid en gezondheid van werknemers en van het arbeidsmilieu te bepalen, uit te voeren en periodiek te evalueren.Dit beleid moet er in

eerste plaats op afgestemd zijn

veiligheid en

hygiëne in het beroepsleven te verbeteren en ongevallen en

aantastingen van

gezondheid te voorkomen die het gevolg zijn van

arbeid, gepaard gaan met

arbeid of zich voordoen bij het verrichten van arbeid, inzonderheid door

oorzaken van

risico's die inherent zijn aan het arbeidsmilieu tot het strikte minimum te herleiden;

  1. voorschriften inzake veiligheid en hygiëne uit te vaardigen;
  2. voor

naleving van

rgelijke voorschriften door middel van controlemaatregelen zorg te dragen;4.

geleidelijke oprichting te bevorderen van

arbeidsgeneeskundige diensten voor alle werknemers met voornamelijk opdrachten inzake preventie en advies. Recht op billijke beloning Art. 4.Om

onbelemmerde uitoefening van het recht op een billijke beloning te waarborgen, verbinden

Partijen zich : 1. het recht van

werknemers op een zodanige beloning die hen en hun gezin een behoorlijk levenspeil verschaft, te erkennen;2. het recht van

werknemers op een hoger beloningstarief voor overwerk te erkennen, behoudens uitzonderingen in bijzondere gevallen;

  1. het recht van mannelijke en vrouwelijke werknemers op gelijke beloning voor arbeid van gelijke waarde te erkennen;
  2. het recht van alle werknemers op een redelijke opzeggingstermijn bij beëindiging

r dienstbetrekking te erkennen;5. inhoudingen op lonen alleen toe te staan onder voorwaarden en in

mate als voorgeschreven door nationale wetten of verordeningen, of vastgesteld bij collectieve arbeidsovereenkomsten of scheidsrechterlijke uitspraken.

uitoefening van

ze rechten dient te worden verwezenlijkt door middel van vrijelijk gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten, bij

wet ingestelde procedures voor loonvaststelling of andere bij

nationale omstandigheden passende middelen. Recht op vrijheid van organisatie Art. 5.Teneinde het recht van werknemers en werkgevers tot oprichting van plaatselijke, nationale of internationale organisaties voor

bescherming van hun economische en sociale belangen en tot aansluiting bij

ze organisaties te waarborgen of te bevorderen, verplichten

Partijen zich dit recht op generlei wijze door

nationale wetgeving of door

toepassing daarvan te laten beperken.

mate waarin

in dit artikel voorziene waarborgen van toepassing zullen zijn op

politie, wordt bepaald door

nationale wetten of verordeningen. Het beginsel volgens hetwelk

ze waarborgen van toepassing zullen zijn ten aanzien van leden

r strijdkrachten, en

mate waarin

ze waarborgen van toepassing zullen zijn op personen in

ze categorie, wordt eveneens bepaald door nationale wetten of verordeningen. Recht op collectief onderhandelen Art. 6.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op collectief onderhandelen te waarborgen verbinden

Partijen zich :

  1. paritair overleg tussen werknemers en werkgevers te bevorderen;
  2. indien nodig en nuttig

totstandkoming van een procedure te bevorderen voor vrijwillige onderhandelingen tussen werkgevers of organisaties van werkgevers en organisaties van werknemers, met het oog op

bepaling van beloning en arbeidsvoorwaarden door middel van collectieve arbeidsovereenkomsten;3.

instelling en toepassing van een doelmatige procedure voor bemiddeling en vrijwillige arbitrage inzake

beslechting van arbeidsgeschillen te bevorderen; en erkennen : 4. het recht van werknemers en werkgevers op collectief optreden in gevallen van belangengeschillen, met inbegrip van het stakingsrecht, behoudens verplichtingen uit hoofde van reeds eerder gesloten collectieve arbeidsovereenkomsten. Recht van kinderen en jeugdige personen op bescherming Art. 7.Om

onbelemmerde uitoefening van het recht van kinderen en jeugdige personen op bescherming te waarborgen, verplichten

Partijen zich : 1. te bepalen dat

minimumleeftijd voor toelating tot tewerkstelling 15 jaar zal zijn, behoudens uitzonderingen voor kinderen die nader omschreven lichte werkzaamheden verrichten welke niet nadelig zijn voor hun gezondheid, geestelijk welzijn of ontwikkeling;2.

minimumleeftijd op 18 jaar vast te stellen voor toelating tot tewerkstelling ten aanzien van nader omschreven werkzaamheden welke als gevaarlijk of als schadelijk voor

gezondheid worden beschouwd;

  1. te bepalen dat nog leerplichtige personen niet zodanig werk mogen verrichten dat zij niet ten volle het onderwijs kunnen volgen;
  2. te bepalen dat

arbeidsduur van personen beneden

leeftijd van 18 jaar zal worden beperkt overeenkomstig

behoeften van hun ontwikkeling, in het bijzonder hun behoefte aan vakopleiding;

  1. het recht van jeugdige werknemers op een billijke beloning of andere passende uitkeringen te erkennen;
  2. te bepalen dat

door jeugdige personen gedurende hun normale arbeidstijd en met toestemming van

werkgever aan vakopleiding bestede tijd als een

el van

werkdag zal worden beschouwd;7. te bepalen dat tewerkgestelde personen beneden

leeftijd van 18 jaar recht zullen hebben op tenminste vier weken verlof per jaar met behoud van loon;8. te bepalen dat personen beneden

leeftijd van 18 jaar geen nachtarbeid mogen verrichten, met uitzondering van bepaalde in nationale wetten of verordeningen omschreven werkzaamheden;9. te bepalen dat personen beneden

leeftijd van 18 jaar die nader in nationale wetten of verordeningen omschreven werkzaamheden verrichten regelmatig een geneeskundig onderzoek moeten ondergaan;10. een bijzondere bescherming tegen gevaren voor lichaam en geest, waaraan kinderen en jeugdige personen zijn blootgesteld, te waarborgen, in het bijzonder tegen die gevaren welke al dan niet rechtstreeks uit hun arbeid voortvloeien. Recht van vrouwelijke werknemers op moederschapsbescherming Art. 8.Om

onbelemmerde uitoefening van het recht van vrouwelijke werknemers op bescherming van het moederschap te waarborgen, verplichten

Partijen zich : 1. te bepalen dat vrouwelijke werknemers, hetzij door verlof met behoud van loon, dan wel door passende socialezekerheidsuitkeringen of uitkeringen uit openbare middelen, in staat worden gesteld voor en na

bevalling verlof te nemen gedurende een totaal van ten minste 14 weken;2. het als onwettig te beschouwen indien een werkgever een vrouw haar ontslag aanzegt tijdens

periode tussen het ogenblik waarop zij haar zwangerschap aan haar werkgever bekendmaakt en het einde van haar moederschapsverlof of op een zodanig tijdstip dat

opzeggings termijn gedurende

ze periode verstrijkt;3. te bepalen dat moeders die hun zuigelingen voeden voldoende tijd daartoe krijgen 4.

nachtarbeid van zwangere vrouwen, vrouwen die recent bevallen zijn of die hun kinderen borstvoeding geven, te regelen; 5.

tewerkstelling van zwangere vrouwen, vrouwen die recent bevallen zijn of hun kinderen borstvoeding geven voor ondergrondse mijnarbeid en voor alle andere arbeid die gevaarlijk, ongezond of lastig is te verbieden en

passende maatregelen te nemen om

rechten van die vrouwen inzake tewerkstelling te beschermen. Recht op beroepskeuzevoorlichting Art. 9.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op beroepskeuzevoorlichting te waarborgen, verplichten

Partijen zich, zo nodig een dienst in het leven te roepen of hieraan medewerking te verlenen, die allen, met inbegrip van

mindervaliden, dient te helpen bij

oplossing van vraagstukken met betrekking tot beroepskeuze en vorderingen in een beroep, met inachtneming van hun persoonlijke eigenschappen, alsmede van het verband tussen

ze en

bestaande werkgelegenheid;

ze hulp dient kosteloos te worden gegeven, zowel aan jeugdige personen, met inbegrip van schoolkinderen, als aan volwassenen. Recht op vakopleiding Art. 10.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op vakopleiding te waarborgen, verplichten

Partijen zich :

  1. in overleg met organisaties van werkgevers en werknemers te zorgen voor technische en vakopleidingen waarvan eenieder, met inbegrip van mindervaliden, kan gebruikmaken, dan wel hieraan medewerking te verlenen, en toelatingsmogelijkheden tot hoger technisch en universitair onderwijs te openen, uitsluitend berustend op persoonlijke geschiktheid;
  2. een leerlingenstelsel en andere algemene voorzieningen voor

opleiding van jongens en meisjes in hun onderscheiden beroepen in het leven te roepen of hieraan medewerking te verlenen;3. zo nodig te zorgen voor of medewerking te verlenen aan :

  1. a)doelmatige en gemakkelijk toegankelijke opleidingsmogelijkheden voor volwassen werknemers;
  2. b)bijzondere voorzieningen voor

her- en omscholing van volwassen arbeiders, voortvloeiende uit technische ontwikkelingen of uit nieuwe ontwikkelingen in

werkgelegenheid;

  1. zo nodig te zorgen voor specifieke maatregelen voor omscholing en herinschakeling van langdurig werklozen;
  2. door het nemen van passende maatregelen het volledige gebruik van doelmatige voorzieningen te bevorderen, zoals : a) verlaging of afschaffing van alle kosten;b) verlening van geldelijke bijstand in daarvoor in aanmerking komende gevallen;c)

tijd welke

werknemer gedurende zijn tewerkstelling op verzoek van zijn werkgever voor aanvullende opleidingen besteedt, aan te merken als

el van

normale arbeidstijd;d) in overleg met organisaties van werkgevers en werknemers,

doeltreffendheid van leerlingstelsels en andere opleidingsstelsels voor jeugdige werknemers door het uitoefenen van voldoende toezicht te waarborgen, alsmede zorg te dragen voor afdoende bescherming van jeugdige arbeiders in het algemeen. Recht op bescherming van

gezondheid Art. 11.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op bescherming van

gezondheid te waarborgen, verplichten

Partijen zich, hetzij rechtstreeks, hetzij in samenwerking met openbare of particuliere organisaties, passende maatregelen te nemen onder andere met het oogmerk : 1.

oorzaken van een slechte gezondheid zoveel mogelijk weg te nemen;2. ter bevordering van

volksgezondheid en

persoonlijke verantwoordelijkheid op het gebied van

gezondheid voorzieningen te treffen op het terrein van voorlichting en onderwijs;3. epidemische, endemische en andere ziekten evenals ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen. Recht op sociale zekerheid Art. 12.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op sociale zekerheid te waarborgen, verplichten

Partijen zich :

  1. een stelsel van sociale zekerheid in te voeren of in stand te houden;
  2. het stelsel van sociale zekerheid te houden op een bevredigend peil, dat tenminste gelijk is aan het peil dat vereist is voor

bekrachtiging van

Europese Code betreffende

sociale zekerheid;3. te streven naar een geleidelijke verhoging van

sociale zekerheidsnormen;4. stappen te ondernemen, door het sluiten van passende bilaterale en multilaterale overeenkomsten of door andere middelen, en met inachtneming van

in zulke overeenkomsten neergelegde voorwaarden ter waarborging van : a) een gelijke behandeling van

onderdanen van andere Partijen en

eigen onderdanen wat betreft rechten op het gebied van sociale zekerheid, met inbegrip van het behoud van uitkeringen uit hoofde van

socialezekerheidswetgeving, ongeacht eventuele verplaatsingen van

beschermende personen tussen

grondgebieden van

Partijen;b)

verlening, handhaving en het herstel van rechten op sociale zekerheid, onder andere door het samentellen van tijdvakken van verzekering of tewerkstelling

r betrokkenen overeenkomstig

wetgeving van elk

r Partijen. Recht op sociale en geneeskundige bijstand Art. 13.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op sociale en geneeskundige bijstand te waarborgen, verbinden

Partijen zich : 1. te waarborgen dat eenieder die geen toereikende inkomsten heeft en niet in staat is zulke inkomsten door eigen inspanning of met andere middelen te verwerven, in het bijzonder door uitkeringen krachtens een stelsel van sociale zekerheid voldoende bijstand verkrijgt en in geval van ziekte

voor zijn toestand vereiste verzorging geniet;

  1. te waarborgen dat personen die zulk een bijstand ontvangen, niet om die reden een vermindering van hun politieke of sociale rechten ondergaan;
  2. te bepalen dat eenieder van bevoegde openbare of particuliere diensten die voorlichting en persoonlijke bijstand ontvangt die nodig zijn om zijn persoonlijke nood of die van zijn gezin te voorkomen, weg te nemen of te lenigen;4.

bepalingen sub 1, 2 en 3 van dit artikel, op onderdanen van andere Partijen die wettig binnen hun grondgebied verblijven, toe te passen op gelijke wijze als op hun eigen onderdanen, in overeenstemming met hun verplichtingen krachtens het Europees Verdrag betreffende sociale en medische bijstand, op 11

cember 1953 te Parijs ondertekend. Recht op het gebruik van diensten voor sociale zorg Art. 14.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op het gebruik van diensten voor sociale zorg te waarborgen, verbinden

Partijen zich : 1. diensten welke door

toepassing van methoden van maatschappelijk werk kunnen bijdragen tot het welzijn en

ontwikkeling zowel van individuele personen als van groepen personen, alsmede tot hun aanpassing aan het sociale milieu, op te richten of aan

oprichting daarvan medewerking te verlenen;2.

elneming van individuele personen en particuliere of andere organisaties aan

instelling en instandhouding van

rgelijke diensten te stimuleren. Recht van minder-validen op zelfstandigheid, sociale integratie en

elname aan

samenleving Art. 15.Teneinde

minder-validen, ongeacht hun leeftijd,

aard en

oorzaak van hun handicap,

onbelemmerde uitoefening van hun recht op zelfstandigheid, sociale integratie en

elname aan

samenleving te waarborgen, verbinden

Partijen zich ertoe : 1.

nodige maatregelen te nemen om aan

mindervaliden een voorlichting, onderwijs en een beroepsopleiding te verschaffen in het kader van het gemeen recht telkens zulks mogelijk is of als dat niet kan via gespecialiseerde openbare of privé-instellingen;2. hun toegang tot het arbeidsproces te bevorderen door toedoen van iedere maatregel waarmee

werkgevers ertoe kunnen worden aangezet mindervaliden in dienst te nemen en te behouden in het normale arbeidsmilieu en

arbeidsomstandigheden aan

behoeften van

betrokkenen aan te passen of, wanneer dit onmogelijk is omwille van

handicap, door het creëren van beschutte arbeidsplaatsen naargelang van

aard van ongeschiktheid.Die maatregelen kunnen in voorkomend geval het terugvallen op gespecialiseerde bemiddelings- en begeleidingsdiensten rechtvaardigen; 3. hun volledige integratie en

elname aan het sociale leven te bevorderen, inzonderheid door maatregelen, met inbegrip van technische bijstand, die tot doel hebben

hinderpalen uit

weg te ruimen die

communicatie en

mobiliteit in

weg staan en hen in staat te stellen gebruik te maken van vervoersmiddelen en in aanmerking te komen voor huisvesting, culturele activiteiten en andere vrijetijdsbesteding. Recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming Art. 16.Teneinde

noodzakelijke voorwaarden te scheppen voor

volledige ontplooiing van het gezin als fundamentele maatschappelijke eenheid, verbinden

Partijen zich

economische, wettelijke en sociale bescherming van het gezinsleven te bevorderen, onder andere door middel van sociale en gezinsuitkeringen, het treffen van fiscale regelingen, het verschaffen van gezinshuisvesting en door middel van uitkeringen bij huwelijk. Recht van kinderen en volwassenen op een sociale, wettelijke en economische bescherming Art. 17.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van kinderen en volwassenen op te groeien in een omgeving die gunstig is voor

ontplooiing van hun persoonlijkheid en voor

ontwikkeling van hun fysieke en mentale mogelijkheden, verbinden

Partijen zich ertoe, hetzij rechtstreeks, hetzij in samenwerking met

openbare of privé-organisaties, alle nodige en passende maatregelen te treffen die erop gericht zijn : 1. a)

kinderen en

volwassenen, rekening houdend met

rechten en

plichten van

ouders, verzorging, bijstand, onderwijs en opleiding die zij nodig hebben te waarborgen, inzonderheid door daartoe geschikte en doeltreffende instellingen en diensten op te richten of in stand te houden;b)

kinderen en

volwassenen tegen verwaarlozing, geweld of uitbuiting te beschermen;c) te zorgen voor bescherming en speciale hulp van staatswege voor het kind of

volwassene die tijdelijk of

finitief hun gezinssteun moeten ontberen;2.

kinderen en

volwassenen kosteloos lager en secundair onderwijs te waarborgen en geregeld schoolbezoek in

hand te werken. Recht op uitoefenen van een op winst gerichte bezigheid op het grondgebied van andere Partijen Art. 18.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht op het uitoefenen van een op winst gerichte bezigheid op het grondgebied van elke andere Partij te waarborgen, verbinden

Partijen zich : 1.

bestaande regelingen zo ruim mogelijk toe te passen;2.

bestaande formaliteiten te vereenvoudigen en kanselarijrechten en andere kosten welke buitenlandse werknemers of hun werkgevers moeten betalen, te verminderen of af te schaffen;3.

regelingen met betrekking tot

tewerkstelling van buitenlandse werknemers individueel of gemeenschappelijk op soepeler wijze toe te passen; en erkennen : 4. het recht van hun onderdanen om het land te verlaten teneinde op het grondgebied van

andere Partijen een op winst gerichte bezigheid uit te oefenen. Recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand Art. 19.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand op het grondgebied van elke andere Partij te waarborgen, verbinden

Partijen zich :

  1. doelmatige en kosteloze diensten te onderhouden, dan wel zich ervan te vergewissen dat zulke diensten worden onderhouden, gericht op bijstand aan genoemde werknemers, in het bijzonder voor het verkrijgen van nauwkeurige voorlichting, en alle passende maatregelen te treffen, voor zover nationale wetten en verordeningen zulks toelaten, tegen misleidende propaganda betreffende emigratie en immigratie;
  2. passende maatregelen te treffen binnen hun eigen rechtsgebied ter vergemakkelijking van het vertrek,

reis en

ontvangst van genoemde werknemers en hun gezinnen en binnen hun eigen rechtsgebied gedurende

reis te zorgen voor doelmatige diensten op het gebied van

gezondheid en medische behandeling, alsmede voor goede hygiënische toestanden;

  1. waar nodig samenwerking tussen sociale diensten, zowel van openbare als van particuliere aard, in emigratie- en immigratielanden te bevorderen;
  2. voor genoemde werknemers die wettig binnen hun grondgebied verblijven, voorzover

ze aangelegenheden bij wet of bij verordening worden geregeld of onderworpen zijn aan het toezicht van bestuursautoriteiten, een behandeling te waarborgen die niet minder gunstig is dan die van hun eigen onderdanen wat betreft

volgende aangelegenheden : a)

beloning en andere arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden;b) het lidmaatschap van vakverenigingen en het genot van

voordelen van collectieve onderhandelingen;c) huisvesting;5. voor genoemde werknemers die wettig op hun grondgebied verblijven, een behandeling te waarborgen die niet minder gunstig is dan die van hun eigen onderdanen wat betreft belastingen op uit dienstverband voortvloeiende beloning, en wat betreft kosten of bijdragen verschuldigd met betrekking tot

tewerkgestelde personen;6. zoveel mogelijk

hereniging van het gezin van een migrerende werknemer die toestemming heeft gekregen om zich op het grondgebied te vestigen, te vergemakkelijken;7. voor genoemde werknemers die wettig op hun grondgebied verblijven, een behandeling te waarborgen die niet minder gunstig is dan die van hun eigen onderdanen wat betreft gerechtelijke procedures in verband met

in dit artikel vermelde aangelegenheden;8. te waarborgen, dat genoemde werknemers die wettig binnen hun grondgebied verblijven, niet uitgeleid worden tenzij zij

nationale veiligheid in gevaar brengen of een strafbaar feit tegen

openbare orde of

openbare zeden plegen;9. binnen

wettelijke grenzen toe te staan, dat genoemde werknemers zoveel van hun verdiensten en spaargelden overmaken als zij zelf wensen;10.

bescherming en bijstand, voorzien in dit artikel, uit te strekken tot migranten die zelfstandig een beroep uitoefenen, voorzover

ze maatregelen van toepassing kunnen zijn;11. het onderwijs van

landstaal van

Gaststaat, of wanneer er meerdere talen zijn, van één ervan te bevorderen en te vergemakkelijken voor migrerende werknemers en voor

leden van hun gezin;12. in

mate van het mogelijke het onderwijs van

moedertaal van

migrerende werknemer aan zijn kinderen te bevorderen en te vergemakkelijken. Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht Art. 20.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht verbinden

Partijen zich ertoe dat recht te erkennen en passende maatregelen te nemen om

toepassing ervan op

volgende gebieden te waarborgen of te bevorderen : - toegang tot

arbeidsmarkt, bescherming tegen ontslag, beroepsmatige herintreding; - beroepsvoorlichting en -opleiding, herscholing en heraanpassing; - arbeidsvoorwaarden en werkomstandigheden, met inbegrip van salariëring; - loopbaanontwikkeling, met inbegrip van promotie. Recht op informatie en overleg Art. 21.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van

werknemers op informatie en overleg binnen

onderneming verbinden

Partijen zich ertoe maatregelen te nemen of te bevorderen waardoor

werknemers of hun vertegenwoordigers, overeenkomstig

nationale wetgeving en praktijk, in staat worden gesteld om : a) regelmatig of te gelegener tijd op een begrijpelijke wijze te worden geïnformeerd over

economische en financiële toestand van

onderneming waarbij zij in dienst zijn, met dien verstande dat

openbaarmaking van bepaalde informatie, waardoor

onderneming zou kunnen worden benadeeld, kan worden geweigerd of dat er kan worden geëist dat

ze informatie vertrouwelijk wordt behandeld;en b) tijdig te worden geraadpleegd over voorgestelde beslissingen die

belangen van werknemers aanzienlijk zouden kunnen beïnvloeden en met name over beslissingen die grote gevolgen zouden kunnen hebben voor

werkgelegenheid binnen

onderneming. Recht

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving Art. 22.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van

werknemers

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving binnen

onderneming, verbinden

Partijen zich ertoe maatregelen te nemen of te bevorderen waardoor

werknemers of vertegenwoordigers, overeenkomstig

nationale wetgeving en praktijk, in staat worden gesteld bij te dragen tot : a)

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden,

werkindeling en

werkomgeving;b)

bescherming van

gezondheid en

veiligheid binnen

onderneming;c)

organisatie van sociale en sociaal-culturele diensten en voorzieningen binnen

onderneming;d) toezicht op naleving van

voorschriften op

ze gebieden. Recht van ouderen op sociale bescherming Art. 23.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van ouderen op sociale bescherming, verbinden

Partijen zich ertoe, hetzij rechtstreeks, hetzij in samenwerking met openbare of particuliere instanties, passende maatregelen te nemen of te bevorderen die er met name op zijn gericht : - ouderen in staat te stellen zolang mogelijk volledig lid te blijven van

maatschappij door middel van : a) voldoende middelen om hen in staat te stellen een fatsoenlijk bestaan te leiden en actief

el te nemen aan het openbare, maatschappelijke en culturele leven;b) verschaffing van informatie over

diensten en voorzieningen beschikbaar voor ouderen en

mogelijkheden voor hen om hiervan gebruik te maken : - ouderen in staat te stellen vrijelijk hun levensstijl te kiezen en een onafhankelijk bestaan te leiden in hun gewone omgeving zolang zij dit wensen en kunnen, door middel van : a) het beschikbaar stellen van huisvesting aangepast aan hun behoeften en hun gezondheidstoestand, dan wel van passende bijstand bij

aanpassing van hun woning;b)

gezondheidszorg en diensten die in verband met hun toestand nodig zijn; - ouderen die in tehuizen wonen passende hulp, met respect voor het privé-leven, en

elname aan

vaststelling van

leefomstandigheden in het tehuis te verzekeren. Recht op bescherming in geval van ontslag Art. 24.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht op bescherming in geval van ontslag, verbinden

Partijen zich ertoe te erkennen : a) het recht van

werknemers om niet te worden ontslagen zonder geldige reden die verband houdt met hun geschiktheid of gedrag of die steunt op

behoeften inzake

werking van

onderneming,

inrichting of

dienst;b) het recht van

zonder geldige reden ontslagen werknemers op een afdoende vergoeding of op een andere passende schadeloosstelling. Daartoe verbinden

Partijen zich ertoe ervoor te zorgen dat een werknemer die van oordeel is dat tegen hem een ontslagmaatregel zonder geldige reden werd getroffen, recht zou hebben om bij een onpartijdig orgaan tegen

ze maatregel beroep aan te tekenen. Recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever Art. 25.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever, verbinden

Partijen zich ertoe ervoor te zorgen dat

schuldvorderingen van

werknemers die het gevolg zijn van arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen zouden worden gewaarborgd door een waarborginstelling of door iedere andere doeltreffende vorm van bescherming. Recht op waardigheid bij

arbeidstaak Art. 26.Teneinde

onbelemmerde uitoefening van het recht van alle werknemers op bescherming van hun waardigheid bij

arbeidstaak te waarborgen, verbinden

Partijen zich er in overleg met

werkgevers- en werknemersorganisaties toe : 1.

sensibilisering,

informatie en

preventie inzake seksuele intimidatie op het werk of in verband met het werk te bevorderen en elke passende maatregel te nemen om

werknemers tegen

rgelijke gedragingen te beschermen;2.

sensibilisering,

informatie en

preventie te bevorderen inzake daden die laakbaar of uitdrukkelijk vijandig en beledigend zijn en die zich herhaaldelijk voordoen ten overstaan van om het even welke werknemer op

arbeidsplaats of in verband met

arbeid en elke passende maatregel te nemen om

werknemers tegen

rgelijke gedragingen te beschermen. Recht van

werknemers met gezinsverantwoordelijkheid op gelijke kansen en gelijke behandeling Art. 27.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht op gelijke kansen en gelijke behandeling voor

werknemers van beiderlei kunne met gezinsverantwoordelijkheid en voor die werknemers en

andere werknemers onderling, verbinden

Partijen zich ertoe : 1. passende maatregelen te nemen : a) om

werknemers met gezinsverantwoordelijkheid in staat te stellen in het beroepsleven te stappen en er te blijven of ernaar terug te keren na een afwezigheid te wijten aan die verantwoordelijkheid met inbegrip van maatregelen op het vlak van beroepsvoorlichting en -opleiding;b) om rekening te houden met hun behoeften op het gebied van arbeidsvoorwaarden en

sociale zekerheid;c) om openbare of privé-diensten uit te bouwen of te bevorderen, inzonderheid kinderdagverblijven en andere opvangformules;2. om tijdens een periode na het moederschapsverlof voor elke ouder te voorzien in

mogelijkheid ouderschapsverlof te krijgen om een kind op te voeden, verlof waarvan

duur en

voorwaarden door

nationale wetgeving,

collectieve overeenkomsten of door

nationale praktijk moeten worden bepaald;3. om ervoor te zorgen dat

gezinsverantwoordelijkheid als dusdanig geen geldige reden voor ontslag kan zijn. Recht van

werknemersvertegenwoordigers op bescherming in

onderneming en

hen toe te kennen faciliteiten Art. 28.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van

werknemersvertegenwoordigers om hun functie als vertegenwoordiger uit te oefenen, verbinden

Partijen zich ertoe ervoor te zorgen dat die vertegenwoordigers in

onderneming : a) een doeltreffende bescherming genieten tegen

daden die hen schade zouden kunnen berokkenen met inbegrip van ontslag en die zouden worden ingeroepen op basis van hun activiteiten in

hoedanigheid van werknemersvertegenwoordiger in

onderneming;b)

passende faciliteiten krijgen om hen in staat te stellen snel en doeltreffend hun functies uit te oefenen rekening houdend met het stelsel van arbeidsverhoudingen dat in het land geldt evenals met

behoeften,

grootte en

mogelijkheden van

betrokken onderneming. Recht op informatie en op overleg bij procedures inzake collectief ontslag Art. 29.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht van

werknemers om in geval van collectief ontslag te worden geïnformeerd en geraadpleegd, verbinden

Partijen zich ertoe ervoor te zorgen dat

werkgevers

werknemersvertegenwoordigers tijdig en voor het collectief ontslag informeren en raadplegen over

mogelijkheden om

collectieve ontslagen te voorkomen of het aantal ervan te beperken en

gevolgen ervan te verzachten, bijvoorbeeld door terug te vallen op sociale begeleidingsmaatregelen die in het bijzonder gericht zijn op

hulp bij

herplaatsing of bij

herinschakeling van

betrokken werknemers. Recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting Art. 30.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht op bescherming tegen armoede en tegen sociale uitsluiting, verbinden

Partijen zich ertoe : a) maatregelen te nemen in het kader van een totale en gecoördineerde aanpak om

daadwerkelijke toegang te bevorderen, inzonderheid tot

arbeidsmarkt, huisvesting, opleiding, onderwijs, cultuur, sociale en medische bijstand van

personen en van hun gezinsleden die zich in een situatie van armoede of sociale uitsluiting bevinden of dreigen erin te belanden;b) die maatregelen opnieuw te onderzoeken om ze indien nodig aan te passen. Recht op huisvesting Art. 31.Teneinde

onbelemmerde uitoefening te waarborgen van het recht op huisvesting, verbinden

Partijen zich ertoe maatregelen te nemen die tot doel hebben : 1.

toegang tot menswaardige huisvesting te bevorderen;2.

kans om dakloos te worden te voorkomen en te beperken, teneinde die dreiging geleidelijk aan weg te werken;3.

huisvestingskosten haalbaar te maken voor personen die niet over voldoende middelen beschikken.

EL III Verplichtingen Artikel A. 1. Behoudens

bepalingen van artikel B hieronder, is iedere Partij verplicht : a)

el I van het onderhavige Handvest te beschouwen als een verklaring van

doelstellingen welke zij overeenkomstig

inleidende alinea van genoemd

el met alle daarvoor in aanmerking komende middelen zal nastreven;b) zich gebonden te achten door ten minste zes van

negen hierna genoemde artikelen van het

el II van het Handvest namelijk

artikelen 1, 5, 6, 7, 12, 13, 16, 19 en 20;c) zich, behalve door

overeenkomstig het voorgaand lid door haar gekozen artikelen, gebonden te achten door een aantal artikelen of genummerde leden van

el II van het Handvest, te harer keuze, mits het totale aantal artikelen of genummerde leden die haar binden, niet minder dan 16 artikelen of 63 genummerde leden bedraagt.2.

krachtens lid 1, sub b en c, van dit artikel gekozen artikelen of leden worden medegedeeld aan

Secretaris-generaal van

Raad van Europa bij

neerlegging van

akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.3. Ieder

r Partijen kan op een later tijdstip door kennisgeving aan

Secretaris-generaal verklaren dat zij zich gebonden acht door andere artikelen of genummerde leden van

el II van het Handvest, die zij nog niet eerder overeenkomstig lid 1 van dit artikel heeft aanvaard.

ze later aanvaarde verplichtingen worden geacht een integrerend

el van

bekrachtiging,

aanvaarding of goedkeuring te zijn met ingang van

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum van kennisgeving met hetzelfde rechtsgevolg.

  1. Iedere Partij dient te beschikken over een aan haar nationale omstandigheden aangepast stelsel van arbeidsinspectie. Rechtsbanden met het Europees Sociaal Handvest en met het Additioneel Protocol van 1988 Artikel B.
  2. Noch een Overeenkomstsluitende Partij die het Europees Sociaal Handvest heeft ondertekend, noch een Partij die het Additioneel Protocol van 5 mei 1988 heeft ondertekend, kan dit Handvest bekrachtigen, aanvaarden of goedkeuren zonder zich ten minste gebonden te achten door

bepalingen die met

bepalingen van het Europees Sociaal Handvest overeenstemmen en, in voorkomend geval, met

bepalingen van het Additioneel Protocol waardoor zij gebonden was. 2.

aanvaarding van

verplichtingen van elke bepaling van dit Handvest moet tot gevolg hebben dat, vanaf

datum van inwerkingtreding van die verplichtingen ten aanzien van

betrokken Partij,

overeenstemmende bepaling van het Europees Sociaal Handvest en, in voorkomend geval van zijn Additioneel Protocol van 1988, zal ophouden van toepassing te zijn op

betrokken Partij in geval die Partij door

eerste van beide voornoemde akten of door beide akten zou gebonden zijn.

EL IV Toezicht op

uitvoering van

verplichtingen die in dit Handvest zijn opgenomen Artikel C.

uitvoering van

juridische verplichtingen die in dit Handvest zijn opgenomen moet aan hetzelfde toezicht als dat op het Europees Sociaal Handvest worden onderworpen. Collectieve klachten Artikel D. 1.

bepalingen van het Additioneel Protocol bij het Europees Sociaal Handvest waarbij wordt voorzien in een stelsel voor collectieve klachten moeten van toepassing zijn op

bepalingen die ter uitvoering van dit Handvest zijn aanvaard voor

Staten die voornoemd protocol hebben bekrachtigd. 2. Iedere Staat die niet is gebonden door het Additioneel Protocol bij het Europees Sociaal Handvest waarbij wordt voorzien in een stelsel voor collectieve klachten kan bij

neerlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Handvest of op een om het even welk later tijdstip door kennisgeving aan

Secretaris-generaal van

Raad van Europa verklaren dat hij het toezicht op

uit hoofde van dit Handvest aangegane verplichtingen aanvaardt volgens

door voornoemd Protocol bepaalde procedure.

EL V Non-discriminatie Artikel E.

door dit Handvest erkende rechten moeten gewaarborgd zijn zonder enig onderscheid dat is gebaseerd op ras, kleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of elke andere overtuiging, nationale of sociale herkomst, gezondheid, het behoren tot een nationale minderheid,

geboorte of op elke andere situatie. Afwijkingen in geval van oorlog of noodtoestand Artikel F. 1. In geval van oorlog of een andere noodtoestand, waardoor het voortbestaan van het land wordt bedreigd, kan iedere Partij maatregelen nemen in afwijking van

in het onderhavige Handvest genoemde verplichtingen, doch uitsluitend voorzover

omstandigheden zulks absoluut vereisen en

ze maatregelen niet in strijd zijn met andere volkenrechtelijke verplichtingen. 2. Indien een Partij van dit recht om af te wijken gebruik heeft gemaakt, stelt zij binnen een redelijke termijn

Secretaris-generaal van

Raad van Europa volledig op

hoogte van

getroffen maatregelen en van

redenen die hiertoe hebben geleid.Tevens dient zij

Secretaris-generaal mededeling te doen van het tijdstip waarop

ze maatregelen buiten werking zijn gesteld en

door haar aanvaarde bepalingen van het Handvest werderom volledig van toepassing zijn. Beperkingen Artikel G. 1. Wanneer

in

el I genoemde rechten en beginselen en

in

el II geregelde onbelemmerde uitoefening en toepassing hiervan zijn verwezenlijkt, kunnen zij buiten

in

el I en

el II vermelde gevallen generlei beperkingen ondergaan, met uitzondering van die welke bij

wet zijn voorgeschreven en in een

mocratische samenleving noodzakelijk zijn voor

bescherming van

rechten en vrijheden van anderen en voor

bescherming van

openbare orde,

nationale veiligheid,

volksgezondheid of

goede zeden. 2.

krachtens het onderhavige Handvest geoorloofde beperkingen op

daarin vermelde rechten en verplichtingen kunnen uitsluitend worden toegepast voor het doel waarvoor zij zijn bestemd. Verhouding van het Handvest tot het nationale recht of tot internationale overeenkomsten Artikel H.

bepalingen van het onderhavige Handvest laten

bepalingen van nationaal recht en van alle reeds van kracht zijnde of nog van kracht wordende bilaterale of multilaterale verdragen of overeenkomsten welke gunstiger zijn voor

beschermde personen, onverlet. Uitvoering van

aangegane verbintenissen Artikel I. 1. Zonder afbreuk te doen aan

in

ze artikelen opgesomde middelen voor

uitvoering van

aangegane verbintenissen, wordt aan

relevante bepalingen van

artikelen 1 tot en met 31 van

el II van dit Handvest uitvoering gegeven door :

  1. a)wet- of regelgeving;
  2. b)overeenkomsten tussen werkgevers of werkgeversorganisaties en werknemersorganisaties;
  3. c)een combinatie van

ze twee methoden;of d) andere passende middelen.2.

verbintenissen voortvloeiend uit

leden 1, 2, 3, 4, 5 en 7 van artikel 2,

leden 4, 6 en 7 van artikel 7,

leden 1, 2, 3 en 5 van artikel 10 en uit

artikelen 21 en 22 van

el II van dit Handvest worden geacht te zijn nagekomen zodra

ze bepalingen worden toegepast, overeenkomstig het eerste lid van dit artikel, op

absolute meerderheid van

betrokken werknemers. Wijzigingen Artikel J. 1. Elke wijziging aan

len I en II van dit Handvest die tot doel heeft

door dit Handvest gewaarborgde rechten uit te breiden en elke wijziging aan

len III tot VI die door een Partij of door het Regeringscomité is voorgesteld, wordt aan

Secretaris-generaal van

Raad van Europa medegedeeld en door

Secretaris-generaal ter kennis gebracht van

Partijen die dit Handvest hebben ondertekend. 2. Elke overeenkomstig

bepalingen van bovenstaand lid voorgestelde wijziging wordt onderzocht door het Regeringscomité dat

aangenomen tekst na raadpleging van

Parlementaire Vergadering ter goedkeuring aan het Comité van Ministers voorlegt.Na

goedkeuring ervan door het Comité van Ministers wordt

ze tekst aan

Partijen medegedeeld om te worden aanvaard. 3. Elke wijziging aan

el I en II van dit Handvest wordt van kracht ten aanzien van

Partijen die een wijziging hebben aanvaard op

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum waarop drie Partijen

Secretaris-generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij een wijziging hebben aanvaard. Voor elke Partij die een wijziging op een later tijdstip aanvaardt, wordt

wijziging van kracht op

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum waarop

betrokken Partij

Secretaris-generaal in kennis heeft gesteld na

aanvaarding. 4. Elke wijziging aan

len III tot VI van dit Handvest wordt van kracht op

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum waarop alle Partijen

Secretaris-generaal ervan in kennis hebben gesteld dat zij een wijziging hebben aanvaard.

EL VI Ondertekening, bekrachtiging en inwerkingtreding. Artikel K. 1. Elk lid van

Raad van Europa kan dit Handvest ondertekenen. Het moet worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd.

akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring moeten worden neergelegd bij

Secretaris-generaal van

Raad van Europa. 2. Dit Handvest treedt in werking op

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum waarop drie lid-Staten van

Raad van Europa hun instemming hebben betuigd om door dit Handvest te worden gebonden overeenkomstig

bepalingen van vorig lid.3. Voor elke lid-Staat die op een later tijdstip zijn instemming betuigt om door dit Handvest te worden gebonden, wordt dit Handvest van kracht op

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum van neerlegging van

akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring. Territoriale toepassing Artikel L. 1. Dit Handvest is van toepassing op het grondgebied van het moederland van elke Partij. Elke ondertekende Partij kan op het tijdstip van ondertekening dan wel op het tijdstip van

neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, het grondgebied dat voor toepassing van dit Handvest als moederland dient te worden beschouwd nader omschrijven in een aan

Secretaris-generaal van

Raad van Europa te richten verklaring. 2. Elke ondertekende Partij kan op het tijdstip van ondertekening of op het tijdstip van

neerlegging van

akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring, of op elk ander daarop volgend tijdstip, in een aan

Secretaris-generaal van

Raad van Europa te richten kennisgeving verklaren dat het Handvest, geheel of gedeeltelijk, van toepassing zal zijn op één of meer in bedoelde verklaring aangegeven grondgebieden buiten het moederland gelegen waarvan zij

internationale betrekkingen behartigt of waarvoor zij

internationale verantwoordelijkheid aanvaardt.Zij dient in elke verklaring aan te geven welke van

in

el II van dit Handvest vervatte artikelen of leden in elk

r in

verklaring aangegeven gebieden van kracht zullen zijn. 3. Dit Handvest is op

grondgebieden als vermeld in

in het vorig lid bedoelde verklaring van toepassing vanaf

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum waarop

Secretaris-generaal van

ze verklaring in kennis werd gesteld.4. Elke Partij kan te allen tijde in een aan

Secretaris-generaal van

Raad van Europa te richten kennisgeving verklaren dat zij ten aanzien van één of meer grondgebieden waarop dit Handvest krachtens lid 2 van dit artikel van toepassing is, nader te noemen artikel of genummerde leden van kracht verklaart, welke zij nog niet ten aanzien van zodanig gebied of zodanige gebieden als bindend had verklaard.

ze later aanvaarde verplichtingen worden geacht een integrerend

el te vormen van

oorspronkelijke verklaring ten aanzien van het betrokken grondgebied en hebben hetzelfde rechtsgevolg vanaf

eerste dag van

maand die volgt op het verstrijken van een periode van een maand na

datum waarop

Secretaris-generaal officieel in kennis werd gesteld. Opzegging Artikel M. 1. Een Partij kan dit Handvest slechts opzeggen na verloop van een periode van vijf jaar na

datum waarop het Handvest ten aanzien van

betrokken Partij in werking is getreden, of binnen elke periode van twee jaar daaropvolgend; in elk van

ze gevallen dient

opzegging met inachtneming van een termijn van zes maanden ter kennis te worden gebracht van

Secretaris-generaal van

Raad van Europa die

overige Partijen hiervan mededeling doet. 2. Elke Partij kan overeenkomstig

bepalingen van het voorgaande lid elk door haar aanvaard artikel of lid van

el II van het Handvest opzeggen, mits het aantal artikelen dat voor

ze Partij bindend is nooit minder dan 16 en het aantal leden nooit minder dan 63 bedraagt en mits dit aantal artikelen of leden steeds

artikelen omvat die door

ze Partij zijn gekozen uit

in artikel A, lid 1, sub b. genoemde artikelen. 3. Elke Partij kan dit Handvest of elk

r artikelen of leden van

el II van dit Handvest overeenkomstig

bepalingen van lid 1 van dit artikel opzeggen ten aanzien van elk grondgebied waarop dit Handvest van toepassing is krachtens een overeenkomstig paragraaf 2 van artikel L afgelegde verklaring. Bijlage Artikel N.

bijlage bij dit Handvest vormt een integrerend

el ervan. Kennisgevingen Artikel O.

Secretaris-generaal van

Raad van Europa stelt

lid-Staten van

Raad en

Directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau in kennis van : a) iedere ondertekening;b)

neerlegging van iedere akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring;

  1. c)iedere datum van inwerkingtreding van dit Protocol overeenkomstig artikel K;
  2. d)iedere verklaring overeenkomstig

artikelen A, lid 2 en 3, D, lid 1 en 2, F, lid 2 en L, lid 1, 2, 3 en 4.

  1. e)iedere wijziging overeenkomstig artikel J;
  2. f)iedere opzegging overeenkomstig artikel M;
  3. g)iedere andere handeling, kennisgeving of mededeling met betrekking tot dit Handvest. Ter blijke waarvan

daartoe behoorlijk gemachtigde ondergetekenden dit Handvest hebben ondertekend. Gedaan te Straatsburg, op 3 mei 1996, in

Franse en

Engelse taal, zijnde

twee teksten gelijkelijk gezaghebbend, in één exemplaar, dat zal worden neergelegd in het archief van

Raad van Europa.

Secretaris-generaal van

Raad van Europa zendt een vooreensluidend gewaarmerkt afschrift aan elk

r lid-Staten van

raad van Europa en aan

Directeur-generaal van het Internationaal Arbeidsbureau. Bijlage bij het Herziene Europees Sociaal Handvest Werkingssfeer van het Sociaal Handvest met betrekking tot

te beschermen personen 1. Behoudens

bepalingen van artikel 12, lid 4, en van artikel 13, lid 4, zijn onder

in artikelen 1 tot en met 17 en 20 tot en met 31 bedoelde personen slechts die buitenlanders begrepen die onderdaan zijn van

andere Partijen en rechtmatig woonachtig zijn in, dan wel geregeld werkzaam zijn op het grondgebied van

betrokken Partij, met dien verstande dat

genoemde artikelen dienen te worden geïnterpreteerd overeenkomstig

bepalingen van

artikelen 18 en 19. Die interpretatie sluit een uitbreiding van overeenkomstige rechten tot andere personen door een

r Partijen niet uit. 2. Elke Partij ziet erop toe dat vluchtelingen in

zin van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende

status van vluchtelingen en van het Protocol van 31 januari 1967, die rechtmatig woonachtig zijn op haar grondgebied, een zo gunstig mogelijke behandeling genieten en in elk geval een niet minder gunstige dan waartoe zij zich krachtens dit Verdrag heeft verbonden, alsmede krachtens alle andere bestaande en op

bedoelde vluchtelingen van toepassing zijnde internationale verdragen.3. Iedere Partij doet staatlozen als gedefinieerd in het verdrag van New York van 28 september 1954 betreffende

status van staatlozen, die legaal op haar grondgebied verblijven, een zo gunstig mogelijke behandeling toekomen en in elk geval een niet minder gunstige dan waartoe zij zich heeft verbonden krachtens genoemd verdrag, alsmede krachtens alle andere bestaande internationale overeenkomsten toepasselijk ten aanzien van

ze staatlozen.

EL I, LID 18 EN

EL II, ARTIKEL 18, LID 1

ze bepalingen hebben geen betrekking op

betreding van het grondgebied van

Partijen en laten

bepalingen van het te Parijs op 13

cember 1955 ondertekende Europese Vestigingsverdrag onverlet.

EL II Artikel 1, lid 2.

ze bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat clausules en feitelijke gedragingen ter beveiliging van het vakbondswezen verboden of toegestaan zijn. Art. 2, lid 6.

Partijen kunnen ervoor zorgen dat

ze bepaling niet van toepassing is op

werknemers : 1. met een arbeidsovereenkomst of een arbeidsverhouding waarvan

totale duur niet meer dan een maand beloopt en/of waarvan

wekelijkse arbeidsduur niet meer dan acht uren bedraagt;2. wanneer

arbeidsovereenkomst of arbeidsverhouding een tijdelijk en/of specifiek karakter heeft, op voorwaarde dat objectieve redenen in die gevallen

niet-toepassing rechtvaardigen. Art. 3, lid 4. Voor

toepassing van

ze bepaling moeten

functies,

organisatie en

werkingsvoorwaarden van die diensten worden bepaald door

nationale wetgeving of reglementering, collectieve overeenkomsten of op elke andere passende wijze volgens

in het land geldende praktijk. Art. 4, lid 4.

ze bepaling mag niet worden uitgelegd dat ze een verbod bevat van ontslag op staande voet wegens een ernstig vergrijp. Art. 4, lid 5. Een Partij kan

in dit lid bedoelde verplichting slechts op zich nemen indien inhoudingen op

lonen hetzij bij

wet, hetzij bij collectieve overeenkomsten of bij scheidsrechterlijke uitspraken, verboden zijn ten aanzien van

overgrote meerderheid

r werknemers, waarbij

niet onder zodanige maatregelen vallende personen

enige uitzonderingen zijn. Art. 6, lid 4. Elke Partij kan zelf het recht van staking bij wet regelen, mits elke eventuele verdere beperking van dit recht in

bepalingen van artikel G rechtvaardiging vindt. Art. 7, lid 2.

ze bepaling belet

Partijen niet om voor

adolescenten die

vastgestelde minimumleeftijd nog niet hebben bereikt, in

wet te voorzien in

mogelijkheid om arbeidsactiviteiten te verrichten die absoluut noodzakelijk zijn voor hun beroepsopleiding met dien verstande dat

arbeid wordt verricht onder toezicht van het daartoe bestemde en bevoegde personeel en dat

veiligheid en

bescherming van

gezondheid van

werkende adolescenten gewaarborgd zijn. Art. 7, lid 8. Een Partij wordt geacht aan

geest van

in dit lid genoemde verplichting te hebben voldaan indien zij in

geest van

ze verplichting bij

wet bepaalt dat

overgrote meerderheid van

personen die jonger zijn dan 18 jaar geen nachtarbeid mag verrichten. Art. 8, lid 2.

ze bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat ze een absoluut verbod op ontslag bevat. Bijvoorbeeld in

volgende omstandigheden kan

beschermde vrouwelijke werknemer wel ontslag krijgen : a) als

vrouwelijke werknemer een vergrijp heeft gepleegd die

breuk van

arbeidsovereenkomst veroorzaakt en wettigt;b) als

onderneming die haar in dienst heeft met haar activiteit ophoudt;c) na het vervallen van

termijn van haar arbeidsovereenkomst. Art. 12, lid 4.

zinsnede « en met inachtneming van

in zulke overeenkomsten neergelegde voorwaarden » van

inleiding tot dit lid wordt geacht onder meer in te houden dat een Partij ten aanzien van

niet van verzekeringspremies afhankelijke uitkeringen het ingezetenschap gedurende een voorgeschreven periode verplicht kan stellen alvorens

ze uitkeringen aan onderdanen van andere Partijen te verlenen. Art. 13, lid 4.

regeringen die het Europese Verdrag betreffende sociale en medische bijstand niet hebben ondertekend, kunnen het Handvest ten aanzien van dit lid bekrachtigen, mits zij erop toezien dat onderdanen van andere Partijen een met

bepalingen van genoemd Verdrag strokende behandeling genieten. Art. 16.

door

ze bepaling toegekende bescherming geldt voor

éénoudergezinnen. Art. 17.

ze bepaling geldt voor alle personen jonger dan achttien jaar, behalve wanneer

meerderjarigheid eerder wordt bereikt krachtens

op hen van toepassing zijnde wetgeving, zonder afbreuk te doen aan

andere door het Handvest vastgestelde bepalingen, inzonderheid artikel 7. Art. 19, lid 6. Voor

toepassing van

ze bepaling wordt onder « gezin van

werknemer » ten minste verstaan

echtgeno(o)t(e) van

werknemer en zijn of haar ongehuwde kinderen, zulks zolang zij door

relevante wetgeving van

Gaststaat als minderjarigen worden beschouwd en ten laste zijn van

werknemer. Art. 20.1. Het is wel verstaan dat zaken betreffende

sociale zekerheid alsmede bepalingen betreffende werkloosheidsuitkeringen, ouderdomsuitkeringen en uitkeringen aan nagelaten betrekkingen worden uitgesloten van

werkingssfeer van dit artikel. 2. Worden niet als discriminaties, in

zin van dit artikel, beschouwd

bepalingen betreffende

bescherming van

vrouw, inzonderheid waar het gaat om zwangerschap, bevalling en postnataal verlof.3. Dit artikel belet niet

aanneming van specifieke maatregelen die tot doel hebben feitelijke ongelijkheden weg te werken.4. Kunnen van het toepassingsgebied van dit artikel of van sommige bepalingen ervan worden uitgesloten

beroepsactiviteiten die wegens

aard of

omstandigheden van

uitoefening ervan niet aan personen van een bepaald geslacht kunnen worden opgedragen.

ze bepaling mag niet zo worden uitgelegd dat

Partijen worden verplicht om in wet- of regelgeving een lijst met beroepen op te nemen die wegens hun aard of

omstandigheden waaronder zij worden verricht, kunnen worden voorbehouden aan werknemers van een bepaald geslacht. Art. 21 en 22. 1. Voor

toepassing van

ze artikelen wordt verstaan onder « vertegenwoordigers van

werknemers » personen die als zodanig zijn erkend door

nationale wetgeving of praktijk. 2. Onder « nationale wetgeving en praktijk » wordt, naar gelang van het geval, verstaan, behalve

wet- en regelgeving,

collectieve overeenkomsten, andere overeenkomsten tussen

werkgevers en

vertegenwoordigers van

werknemers,

gebruiken en relevante gerechtelijke beslissingen.3. Voor

toepassing van

ze artikelen wordt onder « onderneming » verstaan een geheel van materiële en immateriële bestanddelen, met of zonder rechtspersoonlijkheid, bestemd voor het produceren van goederen of het leveren van diensten, met winstoogmerk, en met bevoegdheid het eigen marktbeleid te bepalen.4. Religieuze gemeenschappen en hun instellingen kunnen worden uitgesloten van

toepassing van

ze artikelen ook wanneer

ze instellingen ondernemingen zijn in

zin van het

rde lid. Instellingen die werkzaamheden verrichten geïnspireerd door bepaalde idealen en opvattingen die worden beschermd door

nationale wetgeving, kunnen worden uitgesloten van

toepassing van

ze artikelen voor zover zulks noodzakelijk is om

gerichtheid van

ze onderneming te beschermen. 5. Wanneer in een Staat

rechten bedoeld in

artikelen 20 en 21 worden uitgeoefend in

verschillende vestigingen van

onderneming, moet

betrokken partij worden geacht te voldoen aan

uit

ze bepalingen voortvloeiende verplichtingen.6. Van

toepassing van

ze artikelen kunnen door

Partijen worden uitgesloten

ondernemingen waarvan

personeelsbezetting

door

nationale wetgeving of praktijk vastgestelde grens bereikt. Art. 22.

ze bepaling tast noch

bevoegdheden en verplichtingen van

Staten met betrekking tot het aannemen van gezondheids- en veiligheidsvoorschriften met betrekking tot

werkplaatsen, noch

bevoegdheid en verantwoordelijkheid van

lichamen belast met het toezicht op

toepassing ervan aan. Onder « sociale en sociaal-culturele diensten en voorzieningen » wordt verstaan diensten en voorzieningen van sociale en/of culturele aard die door sommige ondernemingen aan werknemers worden geboden, zoals sociale hulpverlening, sportterreinen, ruimte voor zogende moeders, bibliotheken, vakantiekampen voor kinderen, enz. Art. 23, lid 1. Voor

toepassing van dit lid, heeft

uitdrukking « zolang mogelijk » betrekking op

fysieke, psychische en intellectuele vermogens van

ouderen. Art. 24.1. Voor

toepassing van dit artikel wordt onder

term « ontslag » verstaan

beëindiging van

arbeidsverhouding op initiatief van

werkgever. 2. Dit artikel geldt voor alle werknemers met dien verstande dat een Partij

volgende werknemerscategorieën volledig of gedeeltelijk aan

bescherming van dit artikel kan onttrekken : a)

werknemers in dienst genomen met een arbeidsovereenkomst voor een bepaalde tijd of een bepaalde taak;b)

werknemers die een proefperiode doorlopen of die niet

vereiste anciënniteit hebben op voorwaarde dat

duur ervan vooraf is vastgesteld en redelijk is;c)

voor een korte periode tijdelijk in dienst genomen werknemers.3. Voor

toepassing van dit artikel zijn onderstaande factoren geen geldige redenen voor ontslag : a) lid zijn van een vakorganisatie of

elnemen aan vakbondsactiviteiten buiten

arbeidsuren of tijdens

arbeidsuren met

instemming van

werkgever;

  1. b)het dingen naar, het uitoefenen of hebben van een mandaat van werknemersvertegenwoordiger;
  2. c)een klacht hebben ingediend of hebben

elgenomen aan vorderingen ingesteld tegen een werkgever wegens aangevoerde inbreuken op

wetgeving of een beroep hebben ingediend bij

bevoegde administratieve overheid;

  1. d)ras, kleur, geslacht, huwelijksstaat, gezinsverantwoordelijkheid, zwangerschap, godsdienst, politieke overtuiging, nationale of sociale herkomst;
  2. e)moederschaps- of ouderschapsverlof;
  3. f)tijdelijke afwezigheid van het werk wegens ziekte of ongeval.4.

vergoeding of elke andere passende schadeloosstelling in geval van ontslag zonder geldige reden moet door

nationale wetgeving of reglementering, door collectieve overeenkomsten of op elke andere passende wijze met inachtneming van

nationale praktijk worden vastgesteld. Art. 25.1.

bevoegde overheid kan bij wijze van uitzondering en na raadpleging van

werkgevers- en werknemersorganisaties bepaalde werknemerscategorieën van

bij

ze bepaling vastgestelde bescherming uitsluiten wegens

bijzondere aard van hun arbeidsverhouding. 2.

term « insolvabiliteit » wordt door

nationale wet en praktijk gedefinieerd.3.

schuldvorderingen van

werknemers waarop

ze bepaling betrekking heeft moeten ten minste omvatten : a)

schuldvorderingen van

werknemers uit hoofde van

lonen voor een bepaalde periode welke niet korter dan drie maanden mag zijn in een bevoorrecht stelsel en dan acht weken in een gewaarborgd stelsel, periode die

insolvabiliteit of

beëindiging van

arbeidsverhouding voorafgaat;b)

schuldvorderingen van

werknemers uit hoofde van het vakantiegeld verschuldigd uit hoofde van

arbeid die is verricht in

loop van het jaar tijdens hetwelk

insolvabiliteit of

beëindiging van

arbeidsverhouding zich heeft voorgedaan;c)

schuldvorderingen van

werknemers uit hoofde van

bedragen verschuldigd voor andere bezoldigde afwezigheden voor een bepaalde periode die niet korter dan drie maanden mag zijn in een bevoorrecht stelsel en dan acht weken in een gewaarborgd stelsel, periode die

insolvabiliteit of

beëindiging van

arbeidsverhouding voorafgaat.4.

nationale wetgevingen en reglementeringen kunnen

bescherming van

schuldvorderingen van

werknemers beperken tot een bepaald bedrag dat op een sociaal aanvaardbaar peil moet worden gehouden; Art. 26.Door dit artikel worden

Partijen er niet toe verplicht een wetgeving uit te vaardigen. Paragraaf 2 geldt niet voor seksuele intimidatie. Art. 27.Dit artikel heeft betrekking op

werknemers van beiderlei kunne met gezinsverantwoordelijkheid ten aanzien van hun kinderen ten laste evenals ten aanzien van andere rechtstreekse leden van hun familie die duidelijk behoefte hebben aan hun zorg of hun steun wanneer die verantwoordelijkheid een beperking vormt voor hun mogelijkheden voor hun kansen om zich op het beroepsleven voor te bereiden, er toegang tot te hebben, er aan

el te nemen of er vooruitgang in te boeken.

termen « kinderen ten laste » en « andere rechtstreekse leden van hun familie die duidelijk behoefte hebben aan hun zorg en steun » moeten worden verstaan in

door

nationale wetgeving van

Partijen gedefinieerde betekenis. Art. 28 en 29. Voor

toepassing van

ze artikelen wordt onder

term « werknemersvertegenwoordigers » verstaan personen die als dusdanig door

nationale wetgeving of praktijk worden erkend.

EL III Het Handvest bevat juridische verplichtingen van internationale aard waarvan

toepassing enkel aan het door

el IV bedoelde toezicht is onderworpen. Artikel A, lid 1.

genummerde leden kunnen artikelen bevatten met slechts een enkel lid. Artikel B, lid 2. Voor

toepassing van lid 2 van artikel B stemmen

bepalingen van het herziene Handvest overeen met

bepalingen van het Handvest met hetzelfde artikel- of lidnummer, uitgezonderd :

  1. a)artikel 3, lid 2 van het herziene Handvest dat overeenstemt met artikel 3, lid 1 en 3 van het Handvest;
  2. b)artikel 3, lid 3 van het herziene Handvest dat overeenstemt met artikel 3, lid 2 en 3 van het Handvest;
  3. c)artikel 10, lid 5 van het herziene Handvest dat overeenstemt met artikel 10, lid 4 van het Handvest;
  4. d)artikel 17, lid 1 van het herziene Handvest dat overeenstemt met artikel 17 van het Handvest.

EL V Artikel E. Een verschil qua behandeling dat is gebaseerd op een objectieve en redelijke basis wordt niet als discriminerend beschouwd. Artikel F.

termen « in geval van oorlog of noodtoestand » moeten worden geïnterpreteerd als eveneens betrekking hebbende op oorlogsdreiging. Artikel I.

werknemers die zijn uitgesloten overeenkomstig

bijlage bij artikelen 21 en 22 worden niet meegeteld bij

vaststelling van het aantal betrokken werknemers. Artikel J.

term « wijziging » moet worden verstaan als eveneens betrekking hebbende op

invoeging van nieuwe artikelen in het Handvest. Lijst

r Gebonden Staten Voor

raadpleging van

tabel, zie beeld VERKLARINGEN Albanië : Verklaring opgenomen in

op 14 november 2002 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels. Overeenkomstig artikel A van

el III verklaart

Republiek Albanië zich gebonden te achten door

volgende artikelen van het Handvest : - Artikel 1 - Recht op arbeid; - Artikel 2 - Recht op billijke arbeidsvoorwaarden; - Artikel 3 - Recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden; - Artikel 4 - Recht op billijke beloning; - Artikel 5 - Recht op vrijheid van organisatie; - Artikel 6 - Recht op collectief onderhandelen; - Artikel 7 - Recht van kinderen en jeugdige personen op bescherming; - Artikel 8 - Recht van vrouwelijke werknemers op moederschapsbescherming; - Artikel 11 - Recht op bescherming van

gezondheid; - Artikel 19 - Recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand; - Artikel 20 - Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht; - Artikel 21 - Recht op informatie en overleg; - Artikel 22 - Recht

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving; - Artikel 24 - Recht op bescherming in geval van ontslag; - Artikel 25 - Recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever; - Artikel 26 - Recht op waardigheid bij

arbeidstaak; - Artikel 28 - Recht van

werknemersvertegenwoordigers op bescherming in

onderneming en

hen toe te kennen faciliteiten; - Artikel 29 - Recht op informatie en op overleg bij procedures inzake collectief ontslag. Inwerkingtredingstermijn : 01/01/03 Voornoemde verklaring houdt verband met artikel A Andorra : Verklaring opgenomen in een brief van

Andorrese Minister van Buitenlandse Betrekkingen d.d. 2 november 2000 die

secretaris-generaal bij

ondertekening van

akte op 4 november 2000 werd ter hand gesteld - Or. Frans

Regering van het Vorstendom Andorra wenst dat

ze ondertekening wordt gezien als een gebaar ten gunste van

Europese solidariteit. Met

ondertekening van het (herziene) Europees Sociaal Handvest, vervoegt het Vorstendom Andorra

meerderheid van

lid-Staten van

Raad van Europa die

beginselen van het Handvest hebben onderschreven. Het is evenwel zo dat

specifieke structuur van zijn maatschappij en economie het Vorstendom Andorra ertoe noopt

kernelementen van zijn specificiteit te beschermen. In het verlengde hiervan lijken sommige artikelen van het (herziene) Europees Sociaal Handvest een onmiddellijke bekrachtiging te bemoeilijken. Voornoemde Verklaring houdt verband met

volgende artikelen : Armenië : Verklaring opgenomen in

op 21 januari 2004 neergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels. Overeenkomstig artikel A, eerste paragraaf, lid b en c, van

el III van het Herziene Handvest, acht

Republiek Armenië zich gebonden aan

artikelen 1, 5, 6, 7, 8, 17, 18, 19, 20, 22, 24, 27 en 28 evenals aan

volgende paragrafen : Paragrafen 1, 2, 3, 4, 5 en 6 van het artikel 2; Paragraaf 1 van het artikel 3; Paragrafen 2, 3, 4 en 5 van het artikel 4; Paragrafen 1 en 3 van het artikel 12; Paragrafen 1 en 2 van het artikel 13; Paragraaf 2 van het artikel 14; Paragrafen 2 en 3 van het artikel 15. Inwerkingtredingstermijn : 01/03/04 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A België : Verklaring opgenomen in

op 2 maart 2004 neergelegde akte van bekrachtiging - Or. Frans. Overeenkomstig

el III, artikel A, 2e lid van het Handvest, acht België zich gebonden aan

volgende artikelen van

el II. Artikel 1 - Recht op arbeid Artikel 2 - Recht op billijke arbeidsvoorwaarden Artikel 3 - Recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden Artikel 4 - Recht op billijke beloning Artikel 5 - Recht op vrijheid van organisatie; Artikel 6 - Recht op collectief onderhandelen Artikel 7 - Recht van kinderen en jeugdige personen op bescherming Artikel 8 - Recht van vrouwelijke werknemers op moederschapbescherming Artikel 9 - Recht op beroepskeuzevoorlichting Artikel 10 - Recht op vakopleiding (§§ 1-5 in hun geheel) Artikel 11 - Recht op bescherming van

gezondheid Artikel 12 - Recht op sociale zekerheid Artikel 13 - Recht op sociale en geneeskundige bijstand Artikel 14 - Recht op het gebruik van diensten voor sociale zorg Artikel 15 - Recht van mindervaliden op zelfstandigheid, sociale integratie en

elname aan

samenleving Artikel 16 - Recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming Artikel 17- Recht van kinderen en volwassenen op een sociale, wettelijke en economische bescherming Artikel 18 - Recht op uitoefenen van een op winst gerichte bezigheid op het grondgebied van andere Partijen Artikel 19 - Recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand (behalve paragraaf 12) Artikel 20 - Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht Artikel 21 - Recht op informatie en overleg Artikel 22 - Recht

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving Artikel 25 - Recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever Artikel 26 - Recht op waardigheid bij

arbeidstaak (behalve paragraaf 2)) Artikel 29 - Recht op informatie en op overleg bij procedures inzake collectief ontslag. Artikel 30 - Recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting Inwerkingtredingstermijn : 01/05/04 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Bulgarije : Verklaring opgenomen in

op 7 juni 2000 neergelegde akte van bekrachtiging - Or. Frans. Overeenkomstig artikel D, 2e lid van

el IV van het Handvest, verklaart

Republiek Bulgarije in te stemmen met het toezicht op

naleving van

in dit Handvest opgenomen verplichtingen, volgens

procedure zoals vastgelegd in het Additioneel Protocol bij het Europees Sociaal Handvest van 9 november 1995 dat voorziet in een stelsel voor collectieve klachten. Inwerkingtredingstermijn : 01/08/00 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel D Verklaring opgenomen in

op 7 juni 2000 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels. Overeenkomstig artikel A, 1e lid van

el III van het Handvest, verklaart

Republiek Bulgarije het volgende : 1.

Republiek Bulgarije beschouwt

el I van het Handvest als een verklaring waarin

doelstellingen worden vastgelegd die ze met alle passende middelen op nationaal en internationaal niveau zal nastreven, zoals aangegeven wordt in

inleiding van dit

el.2.

Republiek Bulgarije acht zich gebonden aan

volgende artikelen van

el II van het Handvest : Artikel 1 Artikel 2, §§ 2, 4-7 Artikel 3 Artikel 4, §§ 2-5

artikelen 5, 6, 7, 8, 11 Artikel 12, §§ 1 en 3 Artikel 13, §§ 1-3

artikelen 14, 16 Artikel 17, 2e lid Artikel 18, 4e lid

artikelen 20, 21, 22, 24, 25, 26 Artikel 27, §§ 2 en 3

artikelen 28 en 29. Inwerkingtredingstermijn : 01/08/00 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Cyprus : Verklaring opgenomen in een nota-verbaal van

Permanente Vertegenwoordiging van

Republiek Cyprus die

secretaris-generaal bij

nederlegging van

akte van bekrachtiging op 27 september 2000 werd ter hand gesteld- Or. Engels Overeenkomstig artikel A van

el III van het Handvest, verklaart

Republiek Cyprus zich gebonden te achten aan

artikelen 1, 5, 6, 9, 10, 11, 12, 14, 15, 19, 20, 24 en 28 en aan

volgende §§ : §§ 1, 2, 5 en 7 van artikel 2, §§ 1, 2 en 3 van artikel 3, §§ 1, 2, 3, 4, 6, 8 en 10 van artikel 7, §§ 1, 2 en 3 van artikel 8, §§ 2 en 3 van artikel 13, § 4 van artikel 18, en § 3 van artikel 27. Inwerkingtredingstermijn : 01/11/00 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A

nemarken : Verklaring opgenomen in een nota-verbaal d.d. 2 mei 1996 van

Permanente Vertegenwoordiger die

secretaris-generaal bij

ondertekening op 3 mei 1996 werd ter hand gesteld - Or. Engels.

ense regering maakt voorbehoud ten aanzien van

volgende bepalingen van het (herziene) Sociaal Handvest : artikel 2, lid 7, artikel 24, artikel 27, artikel 28, artikel 29 en

el V, artikel E. Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Estland : Verklaring opgenomen in een nota-verbaal van

Minister van Buitenlandse Zaken van Estland die bij

nederlegging van

akte van bekrachtiging op 11 september 2000 werd overhandigd. - Or. Frans. Overeenkomstig artikel A, 2e lid van

el III van het Handvest, verklaart

Republiek Estland zich gebonden te achten aan

volgende artikelen van

el II van het Handvest : 1) Artikel 1 - Recht op arbeid (§§ 1-4 in hun geheel);2) Artikel 2 - Recht op billijke arbeidsvoorwaarden (§§ 1-3, 5-7);3) Artikel 3 - Recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden (§§ 1-3);4) Artikel 4 - Recht op billijke beloning (§§ 2, 3, 4, 5);5) Artikel 5 - Recht op vrijheid van organisatie (volledig);6) Artikel 6 - Recht op collectief onderhandelen (§§ 1-4 in hun geheel);7) Artikel 7 - Recht van kinderen en jeugdige personen op bescherming (§§ 1-4, 7-10);8) Artikel 8 - Recht van vrouwelijke werknemers op moederschapsbescherming (§§ 1-5 in hun geheel);9) Artikel 9 - Recht op beroepskeuzevoorlichting (volledig) 10) Artikel 10 - Recht op vakopleiding (§§ 1, 3, 4) 11) Artikel 11 - Recht op bescherming van

gezondheid (§§ 1-3 in hun geheel);12) Artikel 12 - Recht op sociale zekerheid (§§ 1-4 in hun geheel) 13) Artikel 13 - Recht op sociale en geneeskundige bijstand (§§ 1-3) 14) Artikel 14 - Recht op het gebruik van diensten voor sociale zorg (§§ 1, 2 in hun geheel) 15) Artikel 15 - Recht van minder-validen op zelfstandigheid, sociale integratie en

elname aan

samenleving (§§ 1-3 in hun geheel) 16) Artikel 16 - Recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming (volledig);17) Artikel 17 - Recht van kinderen en volwassenen op een sociale, wettelijke en economische bescherming (§§ 1, 2, in hun geheel) 18) Artikel 19 - Recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand (§§ 1-12 in hun geheel);19) Artikel 20 - Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht (volledig);20) Artikel 21 - Recht op informatie en overleg (volledig);21) Artikel 22 - Recht

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving (volledig);22) Artikel 24 - Recht op bescherming in geval van ontslag (volledig);23) Artikel 25 - Recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever (volledig);24) Artikel 27 - Recht van

werknemers met gezinsverantwoordelijkheid op gelijke kansen en gelijke behandeling (1-3 volledig) 25) Artikel 28 - Recht van

werknemersvertegenwoordigers op bescherming in

onderneming en

hen toe te kennen faciliteiten (volledig);26) Artikel 29 - Recht op informatie en op overleg bij procedures inzake collectief ontslag (volledig). Inwerkingtredingstermijn : 01/11/00 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Finland : Verklaring opgenomen in

op 21 juni 2002 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels

Republiek Finland verklaart zich overeenkomstig artikel A van

el III van het Handvest gebonden te achten aan

volgende artikelen van

el II van het Handvest :

artikelen 1 en 2,

§§ 1

en 4 van artikel 3,

§§ 2

, 3 en 5 van artikel 4,

artikelen 5 en 6,

§§ 1

- 5, 7, 8 en 10 van artikel 7,

§§ 2

en 4 van artikel 8,

artikelen 9-18,

§§ 1

-9, 11 en 12 van artikel 19 en

artikelen 20-31. Inwerkingtredingstermijn : 01/08/02 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Frankrijk : [Nota van het secretariaat : Frankrijk acht zich gebonden aan alle artikelen van

el II van het Handvest.] Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Ierland : Verklaring opgenomen in

akte van bekrachtiging en in een brief van

Permanente Vertegenwoordiger van Ierland, die op 4 november 2000 werden nedergelegd - Or. Engels. Overeenkomstig artikel A van

el III van het Handvest, acht Ierland zich gebonden aan

bepalingen van het Handvest, met uitzondering van : Artikel 8, 3e lid; Artikel 21,

punten a en b ; Artikel 27, 1e lid, punt c ; Artikel 31. Inwerkingtredingstermijn : 01/01/01 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Verklaring opgenomen in

akte van bekrachtiging en in een brief van

Permanente Vertegenwoordiger van Ierland, die op 4 november 2000 werden nedergelegd - Or. Engels. Gelet op

algemene formulering van artikel 31 van het Handvest, is Ierland momenteel niet bij machte in te stemmen met het bepaalde in dit artikel. Ierland zal

uitlegging die

Raad van Europa geeft aan van het bepaalde in dit artikel evenwel nauwlettend volgen, teneinde het op een later tijdstip te onderschrijven. Inwerkingtredingstermijn : 01/01/01 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel 31 Italië Verklaring opgenomen in een nota-verbaal van

Permanente Vertegenwoordiging die

secretaris-generaal bij

nederlegging van

akte van bekrachtiging op 5 juli 1999 werd ter hand gesteld - Or. Engels. Italië acht zich niet gebonden aan artikel 25 (recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever) van het Handvest. Inwerkingtredingstermijn : 01/09/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Litouwen : Verklaring opgenomen in

op 29 juni 2001 nedergelegde akte van bekrachtiging. - Or. Engels.

Republiek Litouwen verklaart zich gebonden te achten aan het bepaalde in

volgende artikelen van het Handvest :

artikelen 1-11 van

el II,

§§ 1

, 3 en 4 van artikel 12,

§§ 1

-3 van artikel 13,

artikelen 14-17,

§§ 1

en 4 van artikel 18,

§§ 1

, 3, 5, 7, 9-11 van artikel 19,

artikelen 20-22,

artikelen 24-29 en het 1e en 2e lid van artikel 31. Inwerkingtredingstermijn : 01/08/01 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Moldavië : Verklaring opgenomen in

op 8 november 2001 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels. Overeenkomstig artikel A, 1e lid van

el III van het Handvest, acht

Republiek Moldavië zich gebonden aan het bepaalde in

artikelen 1, 2, 5, 6, 8, 9, 11, 12, 16, 17, 20, 21, 24, 26, 28, 29 en

els aan het bepaalde in artikel 3 (§§ 1-3), artikel 4 (§§ 3-5), artikel 7 (§§ 1-4, 7-10), artikel 13 (§§ 1-3), artikel 15 (§§ 1, 2), artikel 18 (§§ 3, 4), artikel 19 (§§ 7, 8) en artikel 27 (2e lid).

Republiek Moldavië stemt er eveneens mee in dat

naleving van

juridische verplichtingen voortvloeiend uit

gedeeltelijke bekrachtiging van het herziene Europees Sociaal Handvest wordt onderworpen aan het toezicht als vermeld in

el IV van het Europees Sociaal Handvest, opgemaakt in Turijn op 18 oktober 1961. Inwerkingtredingstermijn : 01/01/02 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Noorwegen : Verklaring opgenomen in

op 7 mei 2001 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels. Het Koninkrijk Noorwegen verklaart zich gebonden te achten aan

artikelen 1, 4-6, 9-17, 20-25, 30 en 31 en daarnaast aan het bepaalde in artikel 2, §§ 1-6, artikel 3, §§ 2-3, artikel 7, §§ 1-3, 5-8 en 10, artikel 8, 1e en 3e lid, artikel 19, §§ 1-7 en 9-12 en artikel 27, §§ 1c en 2, van het Handvest. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/01 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Verklaring opgenomen in

op 7 mei 2001 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels. Overeenkomstig

el VI, artikel L van het herziene Europees Sociaal Handvest verklaart

Noorse regering dat onder het moederland van Noorwegen waarop

bepalingen van het herziene Europees Sociaal Handvest van toepassing zijn, moet worden verstaan : het grondgebied van het Koninkrijk Noorwegen met uitzondering van

Svalbardarchipel (Spitsbergen) en Jan Mayen.

Noorse afhankelijke gebieden vallen niet onder

toepassing van het herziene Europees Sociaal Handvest. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/01 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel L Portugal : Voorbehoud opgenomen in

op 30 mei 2002 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Frans/Portugees.

Portugese Republiek verklaart artikel 2, 6e lid, niet te zullen toepassen op contracten waarvan

duur niet meer dan één maand bedraagt dan wel op contracten die voorzien in een normale arbeidstijd van maximum acht uur per dag of occasionele of specifieke contracten. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/02 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel 2 Voorbehoud opgenomen in

op 30 mei 2002 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Frans/Portugees.

Portugese Republiek verklaart dat

uit artikel 6, 4e lid, voortvloeiende verplichting niet in

weg staat aan het lock-out-verbod zoals vastgelegd in artikel 57, 4e lid, van

Grondwet. Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel 6 Roemenië : Verklaring opgenomen in

op 7 mei 1999 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Frans. Overeenkomstig het bepaalde in artikel A, 1e lid van

el III van het Handvest, beschouwt Roemenië

el I van het Handvest als een verklaring waarin

doelstellingen worden vastgelegd die Roemenië met alle passende middelen zal nastreven. Het acht zich gebonden aan het bepaalde in

artikelen 1; 4 - 9; 11, 12, 16, 17, 20, 21, 24, 26, 28 en 29 en daarnaast aan het bepaalde in artikel 2, §§ 1, 2, 4 - 7; artikel 3, §§ 1 - 3; artikel 13, §§ 1 - 3; artikel 15, §§ 1 en 2; artikel 18, §§ 3 en 4; artikel 19, §§ 7 en 8, en artikel 27, 2e lid. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Verklaring opgenomen in

op 7 mei 19999 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Frans. Roemenië verklaart ermee in te stemmen dat

naleving van

in het (herziene) Europees Sociaal Handvest vastgelegde juridische verplichtingen wordt onderworpen aan het toezicht waarin

el IV van het in Turijn op 18 oktober 1961 goedgekeurde Europees Sociaal Handvest voorziet. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel C Slovenië : Verklaring opgenomen in een nota-verbaal die

secretaris-generaal bij

nederlegging van

akte van bekrachtiging op 7 mei 1999 werd ter hand gesteld - Or. Engels Overeenkomstig

el III, artikel A, 2e lid van het Handvest, verklaart

Republiek Slovenië zich gebonden te achten aan

volgende artikelen van

el II van het Handvest : 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13 (§§ 2 en 3), 14, 15, 16, 17, 18 (§§ 1, 3 en 4), 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 28, 29, 30 en 31. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Verklaring opgenomen in een nota-verbaal die

secretaris-generaal bij

nederlegging van

akte van bekrachtiging op 7 mei 1999 werd ter hand gesteld - Or. Engels Overeenkomstig

el IV, artikel D, 2e lid van het Handvest, verklaart

Republiek Slovenië in te stemmen met het toezicht op

naleving van

uit dit Handvest voortvloeiende verplichtingen conform

procedure vastgelegd in het in Straatsburg op 9 november 1995 opgemaakte Additioneel Protocol bij het Europees Sociaal Handvest dat in een stelsel van collectieve klachten voorziet. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel D Zweden : Verklaring opgenomen in

op 29 mei 1998 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels Overeenkomstig

el III, artikel A, 2e lid van het Handvest, acht Zweden zich gebonden aan

volgende artikelen van

el II. Artikel 1 - Recht op arbeid (§§ 1-4 in hun geheel); Artikel 2 - Recht op billijke arbeidsvoorwaarden (§§ 3, 5-6); Artikel 3 - Recht op veilige en hygiënische arbeidsomstandigheden (§§ 1-3); Artikel 4 - Recht op billijke beloning (§§ 1, 3-4); Artikel 5 - Recht op vrijheid van organisatie; Artikel 6 - Recht op collectief onderhandelen (§§ 1-4 in hun geheel); Artikel 7 - Recht van kinderen en jeugdige personen op bescherming (§§ 1-4, 7-10); Artikel 8 - Recht van vrouwelijke werknemers op moederschapsbescherming (§§ 1 en 3); Artikel 9 - Recht op beroepskeuzevoorlichting Artikel 10 - Recht op vakopleiding (§§ 1-5 in hun geheel) Artikel 11 - Recht op bescherming van

gezondheid (§§ 1-3 in hun geheel); Artikel 12 - Recht op sociale zekerheid (§§ 1-3) Artikel 13 - Recht op sociale en geneeskundige bijstand (§§ 1-4 in hun geheel) Artikel 14 - Recht op het gebruik van diensten voor sociale zorg (§§ 1-2 in hun geheel) Artikel 15 - Recht van mindervaliden op zelfstandigheid, sociale integratie en

elname aan

samenleving (§§ 1-3 in hun geheel) Artikel 16 - Recht van het gezin op sociale, wettelijke en economische bescherming; Artikel 17- Recht van kinderen en volwassenen op een sociale, wettelijke en economische bescherming (§§ 1- 2 in hun geheel) Artikel 18 - Recht op uitoefenen van een op winst gerichte bezigheid op het grondgebied van andere Partijen Artikel 19 - Recht van migrerende werknemers en hun gezinnen op bescherming en bijstand (§§ 1-12 in hun geheel); Artikel 20 - Recht op gelijke kansen en gelijke behandeling ten aanzien van werkgelegenheid en beroepsuitoefening zonder discriminatie naar geslacht; Artikel 21 - Recht op informatie en overleg; Artikel 22 - Recht

el te nemen aan

vaststelling en

verbetering van

werkomstandigheden en werkomgeving; Artikel 23 - Recht van ouderen op sociale bescherming Artikel 25 - Recht van

werknemers op bescherming van hun schuldvorderingen in geval van insolvabiliteit van hun werkgever; Artikel 26 - Recht op waardigheid bij

arbeidstaak (§§ 1-2 in hun geheel) Artikel 27 - Recht van

werknemers met gezinsverantwoordelijkheid op gelijke kansen en gelijke behandeling (§§ 1-3 in hun geheel) Artikel 29 - Recht op informatie en op overleg bij procedures inzake collectief ontslag. Artikel 30 - Recht op bescherming tegen armoede en sociale uitsluiting Artikel 31 - Recht op huisvesting (§§ 1-3 in hun geheel) Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel A Verklaring opgenomen in

op 29 mei 1998 nedergelegde akte van bekrachtiging - Or. Engels Zweden is van oordeel dat

voorkeursbehandeling niet strijdig is met artikel E van het Handvest. Inwerkingtredingstermijn : 01/07/99 Voornoemde Verklaring houdt verband met artikel E

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.