3 APRIL 2003. - Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de sectorale voorwaarden betreffende de betoncentrales De Waalse Regering, Gelet op het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning, inzonderheid op de artikelen 4, 5, §§ 2 en 3, 7 en 8; Gelet op de beraadslaging van de Regering over het verzoek om adviesverlening door de Raad van State binnen een termijn van minder dan één maand; Gelet op het advies van de Raad van State nr. 34.301/4, gegeven op 4 februari 2003, overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Op de voordracht van De Minister van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw en Leefmilieu, Na beraadslaging, Besluit : HOOFDSTUK I. - Begripsomschrijvingen en toepassingsgebied Artikel 1.Deze voorwaarden zijn van toepassing op de betoncentrales indien het totale geïnstalleerde vermogen van de elektrische motoren hoger is dan de 20 kW bedoeld in rubriek 26.63.02 van bijlage I Bij het besluit van de Waalse Regering van 4 juli 2002Relevante gevonden documenten type besluit van de waalse regering prom. 04/07/2002 pub. 21/09/2002 numac 2002027818 bron ministerie van het waalse gewest Besluit van de Waalse Regering tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten sluiten tot bepaling van de lijst van de aan een milieueffectstudie onderworpen projecten en van de ingedeelde installaties en activiteiten. Art. 2.De hoofdstukken II en III van deze sectorale voorwaarden zijn niet van toepassing op de tijdelijke betoncentrales. De voorschriften met betrekking tot de vestiging en de uitbating van die betoncentrales worden in de bijzondere voorwaarden bepaald. Art. 3.De valorisering van de inerte afvalstoffen in een betoncentrale worden in de bijzondere voorwaarden omschreven. Art. 4.Voor de toepassing van deze voorschriften wordt verstaan onder : 1° betoncentrale : installatie die bestemd is voor het aanmaken van gebruiksklaar beton, waarin minstens inbegrepen zijn de installaties voor de opslag en de dosering van de verschillende samenstellende delen;2° vulmiddel : poedervormige stof dat voor het overgrote deel uit bestanddelen bestaat met een granulometrie lager dan 0,125 mm;3° bestaande vestiging : elke vestiging die behoorlijk is vergund vóór inwerkingtreding van dit besluit of waarvan de uitbating gedekt is door een vergunning die is afgeleverd ten gevolge van een aanvraag ingediend vóór inwerkingtreding van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning en elke vestiging waarvoor een aanvraag tot milieuvergunning is ingediend tussen de inwerkingtreding van het decreet van 11 maart 1999Relevante gevonden documenten type decreet prom. 11/03/1999 pub. 08/06/1999 numac 1999027439 bron ministerie van het waalse gewest Decreet betreffende de milieuvergunning sluiten betreffende de milieuvergunning en de inwerkingtreding van dit besluit. HOOFDSTUK II. - Vestiging en bouw Art. 5.Toe- en uitgang van de bedrijfssite zijn uitgerust met poorten waardoor de toegang tijdens de sluiting van de opslagplaats onmogelijk wordt gemaakt. Die poorten worden enkel in het bijzijn van de uitbater of diens vertegenwoordiger open gehouden. Art. 6.De inbraakbeveiliging die om de bedrijfssite heen aangebracht dient te worden, wordt in de bijzondere voorwaarden vastgelegd. Art. 7.In de milieuvergunning worden de voorzieningen voorgeschreven om eventuele visuele hinder te voorkomen. Zij kunnen meer bepaald bestaan uit schermen waarvan de aard, de hoogte en de positie aangepast zijn aan de plaatselijke omstandigheden. Art. 8.De rijwegen voor voertuigen binnen in de bedrijfssite van een betoncentrale worden zodanig aangelegd en onderhouden dat de stofverspreiding wordt voorkomen en dat de openbare weg niet vervuild wordt. Art. 9.De waterdichte, gebetoneerde of geasfalteerde ruimten binnen in de bedrijfssite worden zodanig aangelegd dat het regenwater en het water voor de reiniging van de voertuigen worden opgevangen. HOOFDSTUK III. - Uitbating Art. 10.Er worden door de uitbater maatregelen zoals het wassen van de wielen van de voertuigen, het besproeien van de bedrijfsinterne wegen en het schoonvegen van de door de transporten gebruikte wegen getroffen om de openbare wegen schoon te houden. Art. 11.De voorwaarden voor het aannemen van de grondstoffen en het afvoeren van de afgewerkte producten en de afvalstoffen worden in de bijzondere voorwaarden vastgelegd. Art. 12.Er worden maatregelen getroffen om te voorkomen dat grondstoffen samen met afvloeiend water meegvoerd worden. HOOFDSTUK IV. - Ongevallen- en brandpreventie Art. 13.Vóór uitvoering van het project en vóór elke wijziging van de ruimte en/of van de uitbatingsvoorwaarden die het risico op brand of brandverspreiding zouden kunnen wijzigen, raadpleegt de uitbater via de burgemeester de territoriaal bevoegde brandweerdienst over de maatregelen die getroffen en de uitrustingen waarin voorzien dient te worden inzake brand- en explosiepreventie en -bestrijding, met inachtneming van de bescherming van publiek en milieu. Art. 14.Het brandbestrijdingsmaterieel is in een goede staat van werking, is beschermd tegen vrieskou, zichtbaar en toegankelijk gemaakt en over de vestiging verspreid geplaatst. Dat materieel wordt jaarlijks gecontroleerd en de uibater waakt over de kwaliteit van de brandblusproducten. HOOFDSTUK V. - Water Afdeling 1. - Algemeen Art. 15.De bepalingen van het koninklijk besluit van 3 augustus 1976 houdende algemeen reglement voor het lozen van afvalwater in de gewone oppervlaktewateren, in de openbare riolen en in de kunstmatige afvoerwegen voor regenwater zijn niet van toepassing op dit besluit. Afdeling 2. - Voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater in het oppervlaktewater en in kunstmatige afvoerwegen voor regenwater Art. 16.De voorwaarden voor het lozen van huishoudelijk afvalwater zijn, voor hoeveelheden geloosd water hoger dan 20 EI (equivalenten-inwoners) vóór de waterzuivering : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Daarnaast : 1° dient het te lozen water dat pathogene organismen bevat in verhoudingen die een gevaarlijk besmettingsrisico zouden inhouden voor het water waarin de lozing plaatsvindt, ontsmet te worden;2° mag het geloosde water, zonder uitdrukkelijke toelating, geen stoffen bevatten als bedoeld bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, evenmin als elke andere stof waarvan de concentratie rechstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de menselijke gezondheid, de flora of de fauna.De uitbaters worden er in voorkomend geval toe verplicht om bij hun aanvraag tot een milieuvergunning bijkomende gegevens te dien opzichte te verstrekken; 3° mag een representatief monster van het geloosde water noch oliën, noch vetten, noch andere drijvende stoffen in zodanige hoeveelheden bevatten dat een drijflaag ondubbelzinning vastgesteld kan worden.Bij twijfel kan de vaststelling gebeuren door het monster in een scheitrechter te gieten en daarna te controleren of de twee fasen onderscheiden kunnen worden. Afdeling 3. - Voorwaarden voor de lozing van industrieel afvalwater in gewoon oppervlaktewater en in kunstmatige afvoerwegen voor regenwater Art. 17.De voorwaarden voor het lozen van industrieel afvalwater zijn : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Daarnaast : 1° dient het te lozen water dat pathogene organismen bevat in verhoudingen die een gevaarlijk besmettingsrisico zouden inhouden voor het water waarin de lozing plaatsvindt, ontsmet te worden;2° mag het geloosde water, zonder uitdrukkelijke toelating, geen stoffen bevatten als bedoeld bij richtlijn 76/464/EEG van de Raad van 4 mei 1976 betreffende de verontreiniging veroorzaakt door bepaalde gevaarlijke stoffen die in het aquatisch milieu van de Gemeenschap worden geloosd, evenmin als elke andere stof waarvan de concentratie rechstreeks of onrechtstreeks schadelijk zou kunnen zijn voor de menselijke gezondheid, de flora of de fauna.De uitbaters worden er in voorkomend geval toe verplicht om bij hun aanvraag tot een milieuvergunning bijkomende gegevens te dien opzichte te verstrekken; 3° mag een representatief monster van het geloosde water noch oliën, noch vetten, noch andere drijvende stoffen in zodanige hoeveelheden bevatten dat een drijflaag ondubbelzinning vastgesteld kan worden.Bij twijfel kan de vaststelling gebeuren door het monster in een scheitrechter te gieten en daarna te controleren of de twee fasen onderscheiden kunnen worden. Afdeling 4. - Voorwaarden voor de lozing in de openbare riolering en in collectoren voor afvalwater Art. 18.De voorwaarden voor de lozing van industrieel afvalwater zijn : Voor de raadpleging van de tabel, zie beeld Daarnaast : 1° mag het geloosde water geen ontvlambare noch ontplofbare gassen bevatten, noch producten die het vrijkomen van dergelijke gassen in de hand zouden kunnen werken;2° mag het geloosde water geen stoffen bevatten die :
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.